"Spreek! opdat ik u kenne," zeide de oude Wijsgeer, en zoo begon ik,

toen langzamerhand het onderhoud levendiger werd, van lieverlede te

bespeuren, met welke menschen ik te doen had. Het waren allen lieden van

één slag; want over hunne betrekkelijke waarde als dichters wil ik, die

nog wel eens een manegepaard, maar nimmer den Pegasus bereden heb,

liever geen oordeel vellen: het eenige onderscheid, dat er tusschen hen

scheen te bestaan, was, dat de eene meer in den verhevenen, de andere in

den beschrijvenden, een derde in den boertigen dicht- of rijmtrant

uitblonk:--ten minste zij schroomden niet, elkander den ruimsten wierook

over elkanders talenten in elks bijzonder vak toe te zwaaien, en dat met

zoo weinig terughouding, dat bij mij de gedachte oprees, of zij niet al

hun loftuitingen bij zulke gelegenheden verspilden, om in het tijdvak

tusschen de bijeenkomsten en buiten de tegenwoordigheid van het

geprezene voorwerp er des te kariger mede te kunnen zijn. De eene (de

treurpoëet) werd een _hoogdravende Muzenzoon_, een _sieraad van den

Pindus_ genoemd, die de _Agrippijnsche Zwaan_ (hiermede bedoelden die

Heeren Vondel) _groothartig_ op zijde _streefde_, bijna had men gezegd:

_overtrof_. De tweede was: _sierlijker dan Maro_, en vereenigde de

_liefelijke weelderigheid_ van Flaccus met de _zinrijkheid_ en _kracht_

van Juvenalis. De derde (de boertige dichter) bekwam zulke verhevene

eernamen niet; maar werd met andere titels begiftigd, niet minder

streelend voor zijn eigenliefde. Hij heette een _kluchtige ziel_, een

_koddige duivel_, een _drollige koopman_, een _malle weerga_: en hij kon

de onnoozelste dingen niet voortbrengen, ja nauwlijks zijn mond opendoen

en zijn neus snuiten, of een algemeen gelach, een grinnikend

hoofdknikken, een verdoovend handgeklap, begroette zijn vermeende

geestigheid of bespaarde hem de moeite die uit te kramen. Overigens

muntte ieder van het gezelschap uit door een, mijns bedunkens wat al te

gemaakte nederigheid, die mij deed denken aan de vlucht van een jong

meisje, dat achterhaald wenscht te worden, en die derwijze werd

aangewend, dat zij zelden haar uitwerking miste, maar altijd nieuwe

complimenten afdwong; 't geen ten laatste zoo vervelend en walgelijk

werd, dat ik mij begon te schamen over mannen, die, in leeftijd reeds

gevorderd, de achtbaarheid van hun stand en jaren zoozeer uit het oog

verloren, dat zij een vleitaal uitkraamden en aanhoorden, die zelfs

onder jonge lieden van verschillende kunne ongepast zou zijn geweest. Ik

moet echter een enkelen van dezen hoop uitzonderen: deze was een

jongeling van een schrander, doch eenigszins droefgeestig voorkomen, en

blijkbaar van een zwak en teringachtig gestel. Hij was eerst sedert kort

als medelid in het gezelschap opgenomen, sprak weinig en zelden; doch

wat hij zeide was juist en gepast; en hij onthield zich van aan een der

anderen hoogeren lof te geven dan de burgerlijke beleefdheid vorderde:

't zij dat hij nog te kort met hen had omgegaan om zich de onder hen

gebruikelijke complimenten-kraam eigen te hebben gemaakt, 't zij dat hij

van nature de waarheid te zeer beminde dan dat hij tegen zijn gemoed

zoude spreken. Misschien kwam er ook bij, dat hijzelf, als de jongste

van 't gezelschap, wel aanmoediging, maar minder lof genoot, en dat hij

zijne medeleden met gelijke munt betalen wilde.

Men moet met dat al niet denken, dat Heynsz en ik, ofschoon niet tot de

_offeraars_ op den Pindus behoorende, ons aandeel van den honig misten.

Wat mij betreft, daar ik van den beginne af betuigd had een oningewijde

te zijn, die bovendien, door mijn uitlandigheid, niet op de hoogte was

om den tegenwoordigen stand der dichtkunst in ons vaderland te

beoordeelen, ik werd dadelijk een Mecenas, een Messala gedoopt: en al

die verstandelijke gaven, welke iemand geschikt maken om als

kunstrechter op te treden, werden mij ruimschoots toegekend. Heynsz

verwierf nog hoogeren lof: en, daar hij de eenige schilder in 't

gezelschap was, scheen het aan de overigen een des te geschikter

gelegenheid toe om te zijnen opzichte hun gewoon thema van eerbenamingen

te kunnen variëeren. Hij was een _Duitsche Apelles_: zijn kunstgenooten

waren niets bij hem: de werkjes, die men van hem onder 't oog had (zes

of acht onafgehaalde portretjes, die aan den wand hingen) waren

kunstjuweeltjes, welke Rembrandt noch Van Dijk in staat zouden geweest

zijn te vervaardigen:--NB. dit laatste stemde ik met een gerust geweten

toe.

Heynsz betoonde in 't geheel die valsche nederigheid niet, welke aan de

overigen eigen was: hij wist hoe zwaar die verplichtende uitdrukkingen

wogen, en was, geloof ik, weinig genoeg door de eigenliefde verblind, om

wel te weten, wat er aan de voortbrengselen zijner kunst ontbrak. Hij

hoorde dan ook al die lafheden met een effen gelaat aan, terwijl hij den

spreker met uitroepingen als: "ei! ei!--wel zoo!--nu ja!--" in de rede

viel, totdat hij ten laatste, dat gereutel waarschijnlijk moede, de pijp

uit den mond nam, een dikke rookwolk wegblies en zich aldus uitdrukte in

zijn zonderling Hollandsch:

"'t Is maar jammer, Mijne Heeren! dat al de ingezetenen onzer stad niet

denken over mij zooals gij hebt de goedheid van te doen. Dan zou ik

ongetwijfeld wat meer hebben de occasie van te maken goed geld voor mijn

werken. Want, wat denkt gij wel, dat mij rapporteert het meeste, met den

tijd, die voortgaat?"

De poëten keken elkander aan. "Waarschijnlijk het behangsel-schilderen,"

zeide Velters eindelijk (zoo was de jongste van het gezelschap

geheeten): "want dat is tegenwoordig aan de orde van den dag."

"Niet kwaad gegist," hervatte Heynsz: "maar voor dat moet men zijn een

Lairosse of een Moucheron. Neen, Mijne Heeren! 't is almede een

speculatie op de vaniteit:--ik verdien het meeste geld met te schilderen

wapens op de rijtuigen."

"Dat kan ik getuigen," zeide Helding: "onze vriend Heynsz heeft laatst

al de rijtuigen van den Heer Blaek, mijn hooggeachten patroon, en van

zijn Heer zoon met wapenborden van zijn maaksel verrijkt: men kan

voorwaar niets sierlijkers uitdenken."

"Dat moet zeker nogal wel geven," zeide de beschrijvende dichter:

"want," voer hij declameerende voort:

"Nooit zag men rijker glans van zilveren blazoenen,

En gouden wapenen en paarsen, gelen, groenen."

Ik kon mij niet onthouden te meesmuilen over deze twee regels,

die, behalve dat zij vermoedelijk weinig dichterlijke waarde bezaten,

zoo duidelijk bewezen, dat de dichter geen woord van zijn onderwerp

verstond.

"Ja," voegde de treurpoëet er op zijne beurt bij: "althans tegenwoordig,

Nu elk, gelijk voorheen verwaande Phaëton,

Die trotsche voerman van de kleppers van de zon,

Of als Salmoneus, die den Dondergod braveerde,

De zweep in handen neemt, schoon hij nooit mennen leerde.

"Heerlijk! fraai gezegd!" riepen allen om strijd.

"Nou! 't zel mijn hard ontgaan," zeide de _grappige duivel_, in zijn

plat Amsterdamschen tongval, "of Jaap de aschkarreman zel mettertijd ook

nog een wapen op zijn kar motten hebben."

Deze snedige zet werd met het gewone gejuich ontvangen.

"'t Is juist zooals gij zegt," zeide Heynsz: "de klanten, bij wie ik

verdien het meest, zijn niet de adellijke of patricische familiën, maar

die champignons van fortuin, die, zoodra zij hebben overgewonnen geld

genoeg om te houden rijtuig, zijn van begrip, dat een geschilderd wapen

is even onmisbaar daarop als een L op de deur van een Lidmaat of een

klopper op die van een Haarlemmer kraamvrouw."

"Maar," vroeg Velters: "hebben zij recht, die wapenen te voeren? Ik

dacht dat dit alleen den adel toekwam."

"Wel _mon ami_!" antwoordde Heynsz: "leven wij niet in een vrije

republiek? En wat bekreunen zich daarover de Heeren Staten, of er

inwoners zijn, die gelieven aan te stellen zich als gekken? En dan, men

weet hier in 't generaal zoo weinig af van blazoen" (hier sloeg hij een

zijdelingschen blik op den beschrijvenden dichter), "dat de domme

menigte bewondert en slechts enkele verstandigen ophalen de schouders."

"t Moet ons toch tot spot doen strekken bij den vreemdeling," zeide

Velters: "ik ging van den winter eens op een Zondag met een Franschman

rond, die de handen van verbazing ineensloeg, toen wij den Dam over en

de Nieuwe Kerk voorbijgingen, waar hij al de koetsen zag, die daar

stonden te wachten. "J'avais toujours cru," zeide hij, "que les

Hollandois étaient un peuple de commerçans et de bourgeois; mais, voyant

toutes ces armoiries, je m'aperçois qu'il y a des nobles ici comme à

Venise."--Maar hoe vermeerderde zijn verwondering, toen hij, naderbij

komende, sommige dier wapenen met grafelijke en hertogelijke kronen zag

prijken, en eindelijk zelfs een paar helmen gewaarwerd, met negen

viziergaten, gelijk alleen een Koning die voeren mag. Toen keek hij mij

aan, als wilde hij mij vragen of de menschen hier mal waren geworden: ik

haalde de schouders op. Wat zou ik gezegd hebben?"

"Doet er dat wat toe, hoe zoo'n helm er uitziet?" vroeg de beschrijvende

dichter aan zijn buurman.

"Niet lang geleden," hervatte Heynsz, "kreeg ik een grasmof bij mij, die

met twee zesthalven in zijn zak is gekomen naar dit land en

bijeengeschraapt heeft een fortuin zooals weinige lieden bezitten: die

bestelde mij een wapen op zijn koets: "maar 't zol schön wèzen moeten",

zeide hij: "kijk! zoo in dezen _art_," en meteen rolde bij uit een

perkament, dat hij gevonden had, op de een of andere verkooping, en op

't welk blonk, met al zijn quartieren en ornamenten het wapen des

Konings van Spanje. Ik wilde den man niet geheel laten rijden voor mal,

en zeide hem, dat ik niet volgen kon precies het model dat hij mij gaf,

omdat zulks afbeeldde het wapen van een koninklijk persoon, doch dat hij

zoude zijn content. Ik verhakstukte dan de ruiten en lieren zoo wat en

maakte een wapen, waar Ménetrier niets van zou hebben begrepen. Onze

maat was wonderwel in zijn schik; maar toch had ik vergeten een ding!

"die goldene ketten," zeide hij: "die fehlde daaran." Ik begreep in 't

eerst niet wat hij meende; maar naderhand werd het mij klaar, dat hij

bedoelde de orde van 't Gulden Vlies, die versiert het Spaansche wapen

en welke hij zich voorstelde, te zullen maken op het zijne geen

onaardige uitwerking. Ik had alle moeite om te beduiden aan hem, dat de

Keizerlijke en Spaansche gezanten beiden zouden reclameeren tegen zulk

een aanmatiging, en voldeed hem eindelijk, door hem te beloven, dat ik

zoude vergoeden dit gemis door het bijschilderen van twee wildemannen

als _tenants_, welgewapend met knotsen."

"Je hadt ze liever _zeisen_ in derlui pooten motten geven," zeide de

_koddige snaak_: "dat ware naar den aard geweest."

Onder dit praten was de tijd gekomen, waarop de eigenlijke werkzaamheden

moesten aanvangen. Het bleek mij nu, dat het de gewoonte bij deze Heeren

was, om beurtelings een soort van prijsstof op te geven, welke door

anderen beantwoord werd. De antwoorden werden door den opgever

beoordeeld en daarna door de vergadering onderzocht, geanatomiseerd,

gelikt, beschaafd en ten slotte onkenbaar gemaakt.

De prijsstof, waarover thans geschreven was, luidde als volgt:

"Wat doet in Hollands tuin het best de boomen groeien?

Het mesten of het snoeien?"

Ofschoon mij, hoewel geen poëet zijnde, de zin dezer vraag zeer

duidelijk voorkwam, waren er, tot mijn verwondering, slechts twee onder

deze vernuften, die begrepen hadden, dat de opgever door boomen de

ingezetenen van ons Gemeenebest had bedoeld en dat de tweede zin in

denzelfden figuurlijken zin moest worden opgevat. Doch met dat al ware

het nog maar te wenschen geweest, dat deze twee liever de vraag

letterlijk hadden verstaan; want hunne redeneering, in slechte rijmen

vervat, toonde genoegzaam aan, dat de goede lieden geen de minste

denkbeelden hadden van hetgeen tot de huishouding van den Staat behoort.

De opgever had zijn taak insgelijks vervuld, door elke oplossing in een

bijzonder versje te recenseeren; terwijl zijn conclusie was, dat hij,

uithoofde der treffelijke verdiensten, welke al de antwoorden bezaten,

het voorstel deed, den prijs te deelen tusschen de twee medeleden, die

zijn vraag het best begrepen hadden. Dit vond algemeene goedkeuring: te

meer daar de prijs uit een schellingskoek bestond en dus zeer deelbaar

was. Ik was intusschen eenigszins verwonderd, dat Velters, naar het

scheen, niet medegedongen had; maar hij gaf kort daarna te kennen, dat

hij zich met zulke fijne dichtgeesten niet in een wedstrijd had durven

wagen en dus eerst nu, na de bekroning, voor den dag zoude komen met

zijn beantwoording. Hij las ons hierop een stukje voor, hetwelk mij

althans beter beviel dan al wat ik van de overigen gehoord had. Hij gaf

bij den aanhef te kennen, dat hij den zin der vraag wel verstaan, doch

het eenigszins ongepast geoordeeld had, met zijn weinige ondervinding,

over politieke zaken te schrijven, en dus verkozen had, de vraag in dien

geest op te vatten, als ware die op de dichtkunst toepasselijk: in

welken zin hij een, naar mijn oordeel, zeer aardige uitwijding had

gemaakt, waarin hij de dichters bij boomen vergeleek, die gemest en

gevoed moeten worden met kennis en studie, en slechts dan gesnoeid

moeten worden, wanneer hun al te groote weelderigheid aan het behoorlijk

rijpen hunner dichtvruchten nadeel sticht, of wanneer zij anderen in hun

groei of wasdom hinderlijk zijn, enz. Het werk van Velters werd echter,

misschien omdat het veel beter was dan de rest, minder toegejuicht en

alleen met een soort van aanmoediging beloond, welke in mijn oog iets

vernederends had.

Vervolgens ging men aan het beoordeelen en schiften der uitdrukkingen,

in de voorgedragen verzen gebezigd: elk gezegde werd op drie of vier

wijzen omgezet en bijna elk bijvoeglijk naamwoord door een ander

vervangen, totdat langzamerhand alle zweem van oorspronkelijkheid

verdwenen was. Ik kon mij niet onthouden bij deze gelegenheid gedurig te

denken aan het briefje in den _Bourgeois gentilhomme_, en ik kwam,

evenals deze, tot de slotsom _que la première façon de dire est sans

contredit toujours la meileure_.

Daarna werd er gevraagd, of geen der aanwezigen iets bij zich had, waar

hij het gezelschap op vergasten kon. Deze vraag was overbodig, want

ieder had de zakken vol en zat slechts op een gunstig sein te wachten om

zijn kinderen aan 't licht te brengen, schoon zelfs dan niet als

schoorvoetende en onder herhaalde betuigingen, dat het niet de moeite

waardig ware er de aandacht van zulke fijne vernuften mede te vermoeien.

Het eerst was onze heldendichter aan de beurt, die, na de pijp

neergelegd, gehoest en zich gesnoten te hebben, eenige vrij groote

vellen uit zijn zak haalde, en aan de vergadering mededeelde, dat hij

een lijkzang zoude voordragen, "op het noodlottig verscheiden van

zekeren krijgsoverste, die kort te voren (schoon niet op het veld van

eer, want het was aan een maaltijd) het offer van den dood geworden

was." Na een vrij lange voorafspraak, ving hij aan. In zijn gedicht, dat

ongemeen hoogdravend was, versierde hij zijn held, die, zooverre ik

weet, nooit kruit geroken had, maar zijn rang alleen door _ancienneteit_

verworven had, met alle militaire verdiensten, en stelde hem met

Turenne, Marlborough en Prins Eugenius gelijk.

Na dit fraaie stuk, hetwelk de algemeene goedkeuring verwierf, brak de

stroom los, en regende het van alle zijden lijk-, geboorte-, huwelijks-

en verjaardichten; terwijl onze boertige poëet mede niet achterbleef,

maar ons nu en dan een epigram van zijn maaksel opdischte, waar men al

om lachte eer hij nog iets gezegd had, ofschoon er niets aan ontbrak als

de punt, welke hij echter vergoedde, door op de plaats, waar die

behoorde te vallen, zelf in een schaterend gelach uit te barsten. Een

staaltje van deze voortbrengselen zij hier genoeg om de rest te

beoordeelen.

_Aan een Burgemeester_.

Al wordt gij _achtbaar_, ja ook _zestienbaar_ geheeten,

Toch wordt u, zijt gij dood, slechts _ééne baar_ gemeten.

Toen elk zijn beurt had gehad, werden Heynsz en ik evenzeer uitgenoodigd

om tot het algemeen genoegen bij te dragen. Vergeefs verschoonde ik mij:

men stond er op: ik moest mijn gelag betalen zoowel als de anderen: ik

zoude ongetwijfeld ook wel eenmaal in mijn leven aan de Zanggodinnen

geofferd hebben, enz. Terwijl ik, met de zaak verlegen, niet wist, hoe

ik er mij uit redden zoude, schoot mij een vierregelig versje te binnen,

dat ik in een Hoog-duitsch boek gelezen had, en waaraan zin noch slot

was. Ik weet niet welke goede of booze geest mij inblies, dat dit stukje

een goede uitwerking zou doen, en na het, met verbazing over mijn eigen

vlugheid, bij mijzelf in 't Nederduitsch vertaald te hebben (waartoe het

zich gereedelijk voegde) dreunde ik het op:

_Snedig antwoord:_

"Zeg Piet, hebt gij dat nieuwe werk gelezen

Van Bonifaas? Men zegt het wordt geprezen."

Dus vroeg eens Hein. Toen sprak de spotter Piet:

"Neen beste Hein! gelezen heb ik 't niet."

"Dat is verduiveld aardig!--wat is dat fijn!--daar zit wat in!--nu, die

kan menigeen in zijn zak steken!"--en honderd andere loftuitingen meer

begroetten dit epigram, waarin ieder overtuigd was, dat een bijtende

satyre lag opgesloten; ofschoon geen van allen natuurlijk wist waar,

maar elk hield zich, of hij die begreep. Alleen de _drollige kwant_, 't

zij uit jaloezie, 't zij dat hij gemerkt had, dat ik spotte, voegde zijn

lof niet bij die der overigen, maar zag mij aan of hij mij had willen

verslinden.

Wat Heynsz betrof, deze bleef ernstig volhouden, dat hij geene verzen

kon voordragen; doch, zoo men zich daarmede tevreden wilde stellen, wel

een avontuur uit zijn merkwaardigen levensloop kon mededeelen. Dit

voorstel werd aangenomen en nu deed hij de vraag:

"Hebben de Heeren wel ooit gehoord van mijn zonderlinge ontmoeting met

den beroemden Cartouche?"

"Neen! neen!" klonk het als uit éénen mond: en allen zwegen en schoven

hunne stoelen bij en zagen met aandachtige belangstelling naar den man,

die op het voorrecht bogen mocht, van Cartouche te hebben gezien.

"Wel!" zeide Heynsz: "het is nu een goede dertig jaar geleden, ik reisde

van Lyon naar Parijs, in vrij berooid equipage en met schraal voorziene

beurs of liever met in 't geheel geen beurs en levende van hetgeen de

goede lieden mij schonken om Gods wille, etende (als de papa van

Uilenspiegel) als ik wat had en vastende als ik net niet had: en

meestentijds slapende onder den blauwen hemel. Eens op een nacht

gebeurde het, ik weet niet in welk dorp, dat ik genomen had mijn

legerstede op een mesthoop aan den weg, (hetgeen in _parenthése_ gezegd,

het warmste bed is, dat men hebben kan), en dat ik sliep heel gerust,

toen ik wakker werd van een groot licht, dat mij scheen in de oogen, en

recht over mij zag ik een huis staan in brand, een groot huis voor een

dorp: ik geloof, dat daarin woonde de Notaris of de Schout:--nu dat's

_égal_. Ik stond op: er was al volk op de been: en spoedig bood iedereen

hulp met water dragen, met brandspuiten, etcetera. De bewoner van het

huis zat al op straat met een gebranden voet, in zijn nachtjak en zonder

dat hij had gehad den tijd te redden een kleinigheid of zelfs meer

aandoen dan een oude pantoffel ... nu, 't was zomernacht en het vuur

maakte ons heet genoeg: hij zal niet gevat hebben kou, hoewel hij beefde

als een juffershondje. Bij hem stond zijn vrouw, of liever lag zijn

vrouw; want zij kreeg gedurig toevallen. 't Eene was pas over of 't

andere kwam op. De man deed niets als te wringen zijn handen en te

roepen_ mon Dieu! mes enfans!_--want zijn kinderen waren nog in het

brandende huis; maar zoowel hij als zijn vrouw waren te veel in de war

om te zeggen waar zich de arme wichten bevonden, en niemand had de

courage om te gaan in het groote huis en te zoeken daar in den blinde.

Terwijl wij daar waren bezig, daar komt een Heer, welgekleed met een

karmozijnen rok aan, en berijdende een fraai zwart paard, en hoorde den

papa, en ook de mama, zoo dikwijls zij weer bijkwam, schreeuwen om haar

arme kinderen. "Allons!" riep hij: "twintig _louis d'or_ voor dengenen,

die toont de courage en redt die arme kinderen."--Er waren er terstond

een stuk vijf zes, die wilden naar binnen; maar de vlam sloeg er uit met

zulk een geweld, dat zij terugsprongen van schrik. Toen vroeg de vreemde

Heer weder aan den kermenden papa: "zeg eens," zeide hij: "is er geene

andere deur en waar zitten die kinderen ergens?"--"_Ah ma foi!_" zeide

de arme vader, die weer bij zijn positieven kwam: "er is de tuindeur;

maar die is gesloten van binnen: en nu ik mij bezin, _pauvre malheureux

que je suis!_ ik heb ook opgesloten die arme schapen in hun kamer: omdat

de eene is _somnambule_,"... slaapwandelaar, zeggen wij, geloof

ik.--_N'est-ce que ça?_" vraagt de vreemdeling. "_Qui m'aime me suive_."

En klets! springt hij met paard en al over de hegge in den tuin: en ik

hem achterna, met wel tien anderen. Maar daar stort een brandende balk

en een stuk van het dak tusschen ons naar beneden, dat de meesten het

opgaven, althans ik was de eenige, die met den ruiter aan 't achterhuis

bij de tuindeur kwam. "_Vous êtes un brave_," zeide hij: "zult gij mij

assisteeren?"--zal ik," zeide ik: "maar hoe zullen wij openkrijgen die

huisdeur, die van binnen gesloten is?"--"Bah!" zeide hij: en hij keek

mij aan, alsof ik gedaan had de onnoozelste vraag van de wereld, terwijl

hij meteen tastte in zijn zak en daaruit waarschijnlijk haalde een

breekijzer: althans in een oogenblik waren de hengsels uit de deur en de

deur omgehaald. Toen sprong hij van 't paard, trok uit rok en vest en

liep naar binnen en ik hem achterna. Dit gedeelte van 't huis was nog

ongedeerd door het vuur; maar er was rook genoeg om gevaar te loopen van

te stikken: en wij zouden niet geweten hebben waarheen ons te wenden,

hadden wij niet gehoord de stem van een kind, dat huilde en om hulp

schreeuwde: "_C'est ici!_" zeide de vreemdeling en één, twee drie had

hij opengeveterd eene kamerdeur: wij traden binnen en al tastende in het

donker op het geluid af vonden wij eerst een jongetje: en toen werd het

vertrek verlicht door de vlam en zagen wij ook een meisje, dat half

gestikt op den grond lag. Maar nu moesten wij terug en dat was een

moeielijker geval. De tocht, die woei door de opene achterdeur, had

weder erger gemaakt den brand en de toegang was ons versperd van dien

kant. Nu haastten wij ons open te maken het raam: ik sprong er uit en

mijn kameraad gooide mij eerst de kinderen één voor één toe en volgde

toen mijn voorbeeld. Ik dacht, wij zouden nu terugkeeren bij de ouders;

maar de vreemdeling hield mij staande en vroeg wie ik was. "Een arme

drommel," zeide ik, "een vreemde zwerver, die niets bezit."--"_Tant

mieux_," zeide hij: "haast u, eer iemand komt: ik moet vluchten om een

_affaire d'honneur_. Trek mijne kleederen aan en geef mij uw kiel. In

mijn zakken vindt gij geld genoeg." En zonder er iets bij te voegen, had

hij mij mijn kiel van 't lijf gehaald, vlugger dan zoude doen de beste

kamerdienaar, die aan zijn lijf getrokken, was op het paard gesprongen,

en voort, den tuin door, en weg. Wat zou ik doen? Ik trok rok en vest

aan; en pas had ik dat gedaan of er kwam een geheele zwerm menschen

opdagen: zij hadden uit den weg geruimd het gevallen puin en een vrijen

doortocht tot ons verkregen. Ik bracht de kinderen bij papa en mama: zij

zagen mij allen aan voor den vreemden Cavalier: niemand kende mij, en ik

hield mij goed en lamenteerde slechts, dat mijn paard mij ontstolen was,

terwijl ik mij bevond in het brandende huis. Terwijl wij daar bezig

waren, kwamen er een stuk of zes dienaars van de wacht aan te paard van

Lyon en in vollen draf. "Aha!" zeide de voorste, zoodra hij mij in 't

oog kreeg: "daar hebben wij onzen maat. Nu zult gij ons niet ontsnappen,

monsieur Cartouche!"--Met pakten zij mij aan, maar een hunner, die

Cartouche waarschijnlijk kende, zeide, toen hij mij nader aanschouwde,

dat zij zich bedrogen en dat Cartouche veel ouder was:--Ik was toen even

over de twintig. Zij wilden mij echter meepakken, onder voorwendsel dat

ik bij mij had geene papieren; maar ik zeide, die waren in mijn

_portemanteau_ met mijn paard voort: en al de dorpelingen namen mijn

partij, omdat ik mij zoo goed had geweerd: en 't scheelde niet veel of

de dienaars hadden gekregen braaf slaag.--De pastoor van 't dorp kwam

mij vragen bij hem te blijven dien nacht: ik nam aan en toen ik mij

uitkleedde vond ik in mijn karmozijnen rok een beurs met tweehonderd

_louis d'or_. Ik verstopte mijn broek, die niet _à l'unisson_ was, met

de rest van mijn toilet, leende een andere van den pastoor, onder

voorgeven dat de mijne was gezengd en vol gaten en verliet het dorp den

volgenden dag, nagevolgd door de zegeningen van iedereen."

Ik dacht, dat Heynsz er nog bij zou voegen, hoe diezelfde beurs (gelijk

ik hooger verhaald heb) hem naderhand noodlottig werd; doch hij hield

hier op, keek op zijn horloge en sloop, zoodra het gesprek weder

algemeen werd, schier onopgemerkt uit het vertrek.

Intusschen was de koffie, die eerst rondgediend was geweest, sedert lang

door den wijn vervangen; en onder de gasten begon een vroolijkheid te

heerschen, welke hoe langer hoe luidruchtiger werd. Alle aanmatiging

zoowel als valsche zedigheid was geweken, ieder schertste en spotte

zonder zich meer te bedwingen; er werden vroolijke liedjes gezongen; de

rokken gingen uit: de bedaardsten werden snapachtig en de druksten

werden stil: in 't kort, het druivennat begon zijn invloed uit te

oefenen, en ik te denken dat het voor mij ook welhaast zaak zou worden,

het voorbeeld van Heynsz te volgen en mij stil te verwijderen, toen

Helding, die een oogenblik naar buiten was geweest om wijn te halen,

weder binnenkwam met het bericht, dat er een Heer in 't portaal was om

Heynsz te spreken. Deze was echter zoek: en de meid, geroepen zijnde,

verklaarde niet te weten, waar Sinjeur gestoven of gevlogen was. Haar

verlegen toon bij dit bescheid, deed mij echter vermoeden, dat de Heer

des huizes niet verre af was, maar wellicht met dezen of genen over

politie-zaken redeneerde.

Ferdinand Huyck · 第 25 / 51 段