Gij hebt voorwaar mooie stukjes uitgevoerd! daar zijn nu al mijne

profetiën uitgekomen, dat gij nooit zoudt deugen. Ja! Ferdinand werd

altijd in de familie als een achtste wonder beschouwd, en ik, die wat

beter inzicht in de zaken had, al zoo weinig geloofd als wijlen

Mejuffrouw Cassandra. Maar zoo gaat het: als de wijsheid op de straten

schreeuwt, blijft ieder thuis; en als de dwaasheid maar even fluit, is

er dadelijk een toeloop. Pas maar op, dat er geen toeloop kome om u te

zien ophangen. Denk eens! de zoon van den Hoofdschout het stadhuisraam

te zien uitsteken: dat zou een aandoenlijk schouwspel wezen. Nu ja! kijk

maar zoo vreemd niet op; de bommel is uitgebroken. Daar komt van morgen

Baas Roggeveld met zijn lakenveldsche koeien aanzetten en vertelt aan

Tante, dat die Monsieur Weerglas, die in zijn huisje woonde, met de

noorderzon vertrokken is, niemand weet waarheen: ofschoon iedereen

gissen kan, dat hij niet spoedig terug zal komen: overmits zich

hedenmorgen de Baljuw in eigen hoogen persoon aan het ledige huisje

vervoegd heeft, bewerende, dat gemelde Monsieur Weerglas niemand anders

was als ... nu raad eens, zoo gij kunt;--of liever, zoo gij 't niet

weet:--niemand anders als Zwarte Piet, en de bedrijver van ettelijke

diefstallen, huisbraken en rooverijen op den publieken weg. Nu behoef je

niet te vragen, hoe of Tante opkijkt, dat gij met den Sinjeur op zulk

een intiemen voet waart, dat hij u visites kwam doen. Zij wilde er eerst

aan Papa over schrijven: maar ik heb haar beduid, dat zij den man maar

verdriet aan zoude doen, en dat het beter ware, dat ik u eerst

kapittelde over het aangaan van dergelijke _liaisons_. Ik kan u zeggen,

dat ik er van ril en beef: en dan, hoor ik, heeft Pulver verteld, dat

gij een zakje met geld van dien fielt hebt ontvangen. Is UEd. altemet

een compagnon van Cartouche en Jaco?

_On apprent a hurler, dit l'autre avec les loups_.

En ik mag Van Baalen wel waarschuwen; anders gaat gij nog met de kas

strijken, en dan zou hij inderdaad de ongelukkigste man der wereld

worden. Ik heb al aan Jetje Blaek geraden, haar koffertje na te kijken,

om te zien of gij haar niets ontstolen hebt.--Ten haren opzichte zou ik

het u vergeven; want dat ware volgens het recht van wedervergelding

(_jus talionis_, zou Papa zeggen: ja ik weet ook wel een mondvol

Latijn): overmits zij, zoo 't mij voorkomt, zich aan de dieverij van uw

hart heeft schuldig gemaakt.--Nu! op haar hart zult gij wel alle

aanspraak verbeuren, zoo gij er dergelijke kennissen op nahoudt. 't Is

toch jammer! laatstleden Zondag scheen zij u zoo genegen, en toen gij

aan tafel met den Heer Van Baalen aan 't redetwisten waart over het

tarief, keek zij, ofschoon zij er wel niets van begrepen zal hebben, u

met zulke aandachtige oogen aan, dat het mij den schijn had, als had zij

haar toilettafel tegen een gebroken bloempot willen verwedden, dat gij

gelijk hadt.--Nu! rechtvaardig u, zoo gij kunt, want Tante is ernstig

boos: en er is een zilveren suikerstrooier zoek, dien zij zich

verbeeldt, dat door dien vagebond tijdens zijn bezoek is meegepakt: of

hebt gij hem misschien in den lommerd gezet?--Gij zijt er niet te goed

toe; dit, weet gij, is het oordeel van

Uwe Zuster

SUZANNA."

De mededeeling van dit alles was niet geschikt om mij bijzonder gerust

te stellen, en ik had reden genoeg om mijn rassche belofte tot

stilzwijgendheid te verwenschen. Ik kon den brief echter niet

onbeantwoord laten en zag in, hoe noodig het ware, Tante te bevredigen.

Ik schreef derhalve aan Suzanna en dankte haar voor den dienst, dien zij

mij bewezen had, door mij zoo tijdig van het gebeurde te onderrichten,

en vooral, door Tante te doen afzien van haar voornemen om aan mijn

vader te schrijven. Wat de ontmoeting van Zwarten Piet betrof, zoo

verhaalde ik haar alleen, dat de man mij werkelijk geld had gelaten, met

het verzoek het aan een derde over te brengen; doch dat het een geheim

was, waarin personen betrokken waren, die ik niet noemen mocht. "Geloof

mij," dus eindigde ik, "dat ik niet min dan gij verwonderd ben geweest

over de eer van 's mans bezoek, en dat ik wel gewild had, dat hij aan

een ander deze lastige commissie had opgedragen. Ik heb die echter niet

geweigerd, omdat het werkelijk een vergoeding was, welke de man deed, en

dat hij, naar ik mij vleie, op weg is om zijn schandelijk bedrijf te

verlaten. Bidden wij liever voor den ongelukkige, dan dat wij hem

veroordeelen, en vergeten wij niet, dat, welke zijn misdrijven ook

geweest mogen zijn, de poort der genade voor den berouwhebbenden zondaar

nimmer gesloten blijft."

Ik was nog een bezoek schuldig aan Tante Letje en besloot den avond te

baat te nemen om aan deze verplichting te voldoen. Ten haren huize

gekomen, verzuimde ik niet, aan de dienstmaagd, die mij de deur opende,

te vragen, of Tante ook belet had; want ik wist dat zich niet zelden

eenige vromen ter onderlinge stichting ten harent verzamelden, en ik was

niet bijzonder op het gezelschap van de weduwe Knijpduim of den

catechiseermeester Zoutbrand gesteld.

"De Juffrouw is alleen," zeide de meid, "met nog een Juffertje, dat

zooeven met een sleetje hier gekomen is."

Op deze verzekering begaf ik mij naar boven in de verwachting van de

eene of andere mij onbekende neepmuts over Tante te zien zitten, maar

wie schildert mijn verbazing, toen ik, in Tantes achterkamer gekomen,

gewaarwerd, dat de Juffer, die tegenover haar bezig was een kopje thee

te drinken, al te wel bij mij bekend, in één woord niemand anders was

als Amelia Bos! Wat deze betreft, zij was niet minder verrast door mijne

verschijning en het kopje ontgleed bijna haar vingers.

"Zoo Neef!" zeide Tante: "ik was u hedenavond niet te wachten. Gij kent

de Juffer, naar ik meen."

"Ja Tante!" antwoordde ik: "maar ik was er verre af van te denken, dat

de Juffer ook bij u bekend ware."

"Behoeft men dan zijn naaste te kennen, om hem een dienst te bewijzen?"

vroeg Tante: "kende de weduwe van Zarpath den man Gods, dien zij bij

zich ontving? En staat er niet geschreven: vergeet de herbergzaamheid

niet: want hierdoor hebben sommigen onwetend Engelen geherbergd?"

"'t Is verre van mij," zeide ik, "dat ik aan uw goeden wil jegens uwe

naasten zoude twijfelen: maar toch vind ik mij verrast, door Mejuffer

hier te zien, en kan ik niet nagaan, op welke wijze uwe kennismaking

heeft plaats gehad."

"Dit laat zich, dunkt mij, nogal raden," zeide Tante: "de woorden ten

huize uws vaders door den liedjesmaker gesproken, heb ik bewaard, die

overleggende in mijn herte, en het was alsof er een stem in mijn

binnenste sprak: "zie! ik moet handelen met deze maagd gelijk Hanna

handelde met Samuel haren zoon, hem opbrengende tot het huis des

Heeren."--Maar ik zoude toch geene vrijmoedigheid gehad hebben, zoo maar

tot haar te gaan en te zeggen: "zie: hier ben ik," ware het niet, dat

ik, hedenmorgen in den kousenwinkel bij Van Vlerken zijnde, haar aldaar

had aangetroffen met den ouden man, ja, dienzelfden Helding, die haar

geleidde, en haar aan mij voorstelde: en, hebbende bevonden, dat zij is

gelijk eene Maria, en gaarne luistert naar de waarheid, die uit de

godzaligheid is, zoo heb ik haar genoodigd om hedenavond bij mij te

komen en deel te nemen in de stichtelijkt onderwijzing, die ik naar mijn

vermogen poog te geven aan wie dorst heeft naar de wateren des levens."

Ik kon van mijn verbazing niet terugkomen. "Hoe!" dacht ik, "zal ik dan

eeuwig, want ik ga, uit of thuis, aan ontmoetingen worden blootgesteld,

die aanleiding geven tot nieuwe verwarring? Is mijn geboortestad sedert

mijn afwezigheid betooverd geworden of ben ik het zelf? Of is alles een

benauwde droom?--En dan, Amelia is immers den Roomschen godsdienst

toegedaan? Heeft zij Tante Letje, die zoo sterk op haar geloof staat,

opzettelijk misleid? Of heeft hier een misverstand plaats?--En hoe

deerlijk zal dat dan uitkomen!"

Wat Amelia betrof, ofschoon zij in het eerste oogenblik niet minder

verlegen scheen dan ik, herstelde zij zich spoedig: zij had het voordeel

boven mij, dat mijne tegenwoordigheid, als die van een bekende, haar

gerustheid inboezemde, terwijl de hare mij zorg verwekte.

"De Juffrouw heeft mij verteld," zeide Tante, na eenig zwijgen, "dat gij

haar een gewichtigen dienst hebt bewezen."

"Zoo!" antwoordde ik, Amelia eenigszins verwonderd aanziende en

onbewust, hoe verre zich haar mededeelingen hadden uitgestrekt.

"Ja, Mijnheer Huyck!" zeide Amelia, mij uit de verlegenheid helpende:

"ik heb aan Mejuffrouw uw Tante kenbaar gemaakt, dat UEd. zoo

vriendelijk geweest zijt om mij van dien lastigen Heer te ontslaan."

"Ik heb alleen mijn plicht gedaan," zeide ik: "en ieder fatsoenlijk man

zou in mijn plaats evenzoo gehandeld hebben."

"En de Juffrouw heeft u zeker ook verteld," zeide Tante, "hoe het komt,

dat zij dus alleen en verlaten is, gelijk Ruth de Moabitische, zonder

zelfs een schoonmoeder te hebben, tot wie zij zeggen kan: uw volk is

mijn volk en uw God mijn God?"

Ik wist niet, wat te antwoorden: "Wat dunkt u, lieve Tante!" vroeg ik,

om er mij uit te redden: "ziet gij mij aan voor een raadsman, deftig

genoeg om het vertrouwen eener jonge Juffer te verdienen?"

Amelia scheen terstond mijn oogmerk met dit ontwijkend antwoord te

bevroeden, en haastte zich te zeggen: "ja Mejuffer, ik heb aan uw Heer

Neef verhaald, gelijk aan u, dat ik er ongelukkig aan toe ben, daar de

Heer Bouvelt mij niet kon ontvangen, en ik niet terug kan keeren naar

Deventer, uithoofde mijn familie van huis is: zoodat ik mij alleen

bevind."

"Had men u ten minste maar bij een ordentelijke burgervrouw Besteed,"

zeide Tante: "maar, mij dunkt, Amsterdam is groot genoeg, en ik zal

zelve aan dien Sinjeur Bouvelt schrijven, en hem voorstellen, u een

ander logies te bezorgen."

"Santa Maria! doe dat niet," riep Amelia ontsteld uit: "de Heer Bouvelt

ligt ziek te bed en is buiten staat zich met eenige zaken te bemoeien."

"Wat zeidet gij daar voor een vreemd woord?" vroeg Tante, terwijl ik op

mijn lippen beet: "dat luidde even of het een vervloeking ware: en daar

staat geschreven: gij en zult ganschelijk niet vloeken."

Amelia keek eenigszins bedeesd over deze bestraffing: en, naar het hooge

rood te oordeelen, dat haar wangen bedekte, geloof ik, dat zij zich

bovendien verwijtingen deed, van aan de goede vrouw, die haar bij zich

ontving, een sprookje op de mouw gespeld te hebben: want aan die

Deventersche historie begreep ik wel, dat geen woord waar was. Maar nog

grooter werd de verwarring van het arme meisje, toen Tante haar, na een

korte stilte, de vraag deed, welken Predikant te Deventer zij gewoon was

te volgen.

De eene dienst, dacht ik, is den anderen waard: en ik poogde op mijne

beurt Amelia het antwoord te besparen. "Gij maakt misschien, zeide ik,

"geen onderscheid tusschen hen, en hoort allen even gaarne."

"Inderdaad," zeide Amelia: "ik geloof...."

"Hoe!" viel Tante in: "mij dunkt, er is toch nogal onderscheid tusschen

den godvreezenden Klarebron,--die zijn naam te recht draagt; want hij is

als eene fonteijne der hoven, een put der levende wateren,--en den

ijdelen Zevenslinger, die besmet is met Pelagiaanschen zuurdeesem en die

slechts woorden zonder wetenschap voortbrengt, waarmede hij den raad

verduistert en de kortzichtigen verblindt."

"Och Mejuffer!" zeide Amelia, verbaasd over dezen uitval, waar zij niets

van begreep: "ik heb daar zoo weinig verstand van, en...." "Maar bij

wien hebt gij uw belijdenis dan gedaan?" vroeg Tante: "of behoort gij

wellicht tot de zoodanigen, die talmende zijn met die af te leggen, niet

indachtig, dat de tijd voortgaat, en dat wij niet weten, wanneer de ure

des oordeels komen zal."

"Ik weet het niet recht," antwoordde Amelia: "ik was elf jaar oud, toen

ik het sacrament ontving, en ben vergeten welken naam de Priester droeg,

bij wien ik mijn cathechismus geleerd heb."

"O wee! o wee!" dacht ik: "nu is het geheel en al mis."

Maar welke woorden zouden in staat zijn, de verbazing, de ergernis uit

te drukken, welke op het gelaat van Tante Letje te lezen stonden, toen

zij, uit hetgene ter kwader ure aan Amelia ontvallen was, de waarheid

inzag, en ontdekte, wie zij bij zich in huis ontvangen had. Met open

mond staarde zij Amelia aan: zij liet de kous, waar aan zij breide, op

den grond vallen, sloeg de handen in elkander en herhaalde halfluid den

gesprokenen volzin, als wilde zij zich overtuigen, of zij wèl verstaan

had. Wat de arme Amelia betrof, zij begreep niets van het kwaad, dat zij

gesticht had: in den Roomsch-Catholieken Godsdienst opgevoed en in

vreemde landen gewoond hebbende, wist zij, gelijk mij naderhand bleek,

op zijn best, dat hier te lande eene andere wijze van godsvereering, dan

de hare, als de heerschende bestond: haar vader had het hoofd te zeer

vervuld gehad met andere zaken of wellicht de gelegenheid gemist van

haar te onderrichten, hoe zij zich omtrent dat stuk in Holland te

gedragen had. Zij had dan ook al wat Tante vroeger gezegd had, op haar

eigen kerkleer toegepast en die uitdrukkingen, welke haar duister of

ongewoon voorkwamen, daaruit verklaard, dat er wellicht eenig verschil

bestond tusschen den vorm van den eeredienst in dit land en in dat harer

vroegere inwoning; terwijl de verwarring, veroorzaakt door de vragen,

welke Tante haar deed omtrent de plaats, van waar zij voorgaf gekomen te

zijn, haar nog minder had doen nadenken over den vorm, dan over het

zakelijke van haar antwoorden. Ik zag intusschen, dat het zaak werd,

tusschen beiden te treden.

"Tante-lief!" zeide ik: "hier heeft een misverstand plaats. UEd. schijnt

niet begrepen te hebben, en ik heb er u niet van kunnen onderrichten,

dat de juffer tot de Roomsche kerk behoort."

"De Heere beware ons!" zeide Tante, na een diepe zucht haar stem wederom

krijgende, en beurtelings Amelia en mij aanziende: "dat zoo iets

gebeuren moest! Hadde ik dat kunnen vermoeden, zoo bad ik mij wel

gewacht de Juffer te noodigen, indachtig dat de Schrift zegt: indien

iemand dese leere niet en brengt, en ontfangt hem niet in uw huys."

"Tante is Gereformeerd," zeide ik tegen Amelia, die nu begon te

beseffen, waar de schoen wrong.

"Gij zult niet langer last van mij hebben, Mejuffer!" zeide zij met

waardigheid, terwijl zij oprees en haar boeltje bijeenpakte: "ik dank u

voor uw goeden wil, aan mij, verlatene, betoond; en terwijl ik een

erkentelijk aandenken aan uw welwillendheid bewaren zal, zal ik het

steeds betreuren, dat een verschil in de vormen des geloofs u beletten

moest, de opwelling van uw edel hart in te volgen."

Tante trok bij het hooren dezer toespraak een gezicht, alsof zij een

leelijk drankje innam: echter stond zij insgelijks op, en, mij

aanziende, mompelde zij: "Ja! de Juffer kon het niet helpen: 't is een

abuis, 't is een misverstand, zooals Neef wèl zegt."

"Inderdaad" hernam ik: "maar, Tante-lief, hoewel dit nu oorzaak zijn

zal, dat gij uw goede voornemens om met de Juffer naar de kerk te gaan,

niet zult kunnen ten uitvoer brengen, noch haar op uwe oefeningen

noodigen, zoo zie ik niet in, dat gij daarom de inspraak van uw

voortreffelijk hart niet jegens haar zoudt kunnen involgen en haar op

een andere wijs behulpzaam zijn of haar uw gezelschap schenken."

"Er zijn Paapsche vrouwen genoeg in de stad," bromde Tante: "en

bovendien, wat zegt de Apostel: wijckt van desulcke af."

"En wat heeft een nog wijzer mond geantwoord," vroeg ik, "op de vraag,

wie onze naaste was?"

Het was inderdaad opmerkenswaardig, den indruk gade te slaan, dien deze

vraag op het vroom en medelijdend hart mijner goede Tante teweegbracht.

Zij zag mij een wijl verrast en verlegen aan, bekeek toen met aandacht

de toppen van haar vingeren, als overpeinsde zij mijn gezegde,

schommelde een tijdlang zonder spreken in haar zak, om haar neusdoek te

krijgen, veegde een paar tranen weg, die in haar pogen opkwamen, drukte

mij de hand en trad eindelijk naar Amelia, die nog altijd, met haar werk

in de hand, en de oogen op den grond gevestigd, midden in de kamer

stond, als gereed om te vertrekken.

"Neen!" zeide Tante, haar de handen drukkende en op het voorhoofd

kussende: "al waart gij Heidensch of Turksch, men zal niet zeggen, dat

ik u verlaten heb en voorbijgegaan, gelijk de Priester en de Leviet, die

den gewonden reiziger voorbijgingen. Het is toch uwe schuld niet, dat

gij met de afgoderijen van het Pausdom besmet zijt. Waar ik kan, zal ik

u van dienst wezen en u bijstaan in wat zake gij mij zoudt mogen van

doen hebben: en wij zullen over geene punten des geloofs spreken, tenzij

gij opgewekt wordt om naar de leer der waarheid te hooren."

"Helaas! Mejuffrouw!" zeide Amelia, terwijl zij langzaam weder haar

plaats innam, waar Tante haar heen geleidde: "hoe grieft het mij, dat ik

u onwillekeurig dit verdriet, deze ergernis veroorzaakt hebbe. Ik was

zoo blijde met uwe bescherming: want het was zoo lang geleden, dat een

beschaafde eerwaardige vrouw een woord van vriendschap en deelneming tot

mij gesproken had: en ik verheugde mij zoozeer op de gedachte, dat ik

onder uwe schuts weder mijne zoolang verzuimde godsdienstplichten, zoude

kunnen vervullen. "Waarom hebben wij elkanderen niet terstond verstaan?

Waarom heb ik niet dadelijk geweten, dat ik van uwentwege niets hopen of

verwachten kon?--want ach! in geen ander opzicht kunt gij mij, arme

verlatene, troost of hulp verschaffen."

"Niet?" vroeg Tante: "wel dat zou wel ongelukkig zijn. Het is niet

zonder wijze oogmerken, dat God ons tot elkander gevoerd heeft: en, ik

zie het nu duidelijk in, ik mag niet weigeren, den plicht te vervullen,

die mij wordt opgelegd. Zeg mij dan, lief kind! hebt gij raad

noodig?--of wellicht geldgebrek?--Of schroomt gij misschien, u in het

bijzijn van mijn neef te verklaren?"

"Ik geloof, dat ik beter doe u te verlaten," zeide ik, zelf verlangende

buiten deze netelige zaak te blijven.

"Uwe goedheid is grooter dan ik verdien," hernam Amelia, schreiende,

"maar ziedaar juist mijn ongeluk, dat ik niemand, ook u niet Mejuffrouw!

mijn vertrouwen schenken mag, hoe gaarne ik dit wilde. Ik heb u wellicht

reeds te veel gezegd. O! ik had hier niet moeten komen."

Tante Letje zag Amelia met medelijden, doch tevens met bevreemding aan:

en ik kon bespeuren, dat zij verlegen was, hoe verder te handelen. In

haar stille en afgezonderde levenswijze had zij weinig gelegenheid gehad

om menschenkennis te verzamelen: en schoon zij dagelijks ongelukkigen

bezocht en met raad en daad bijstond, waren de rampen die zij lenigde,

doorgaans van meer dagelijkschen aard en had zij zelden zoodanige lieden

aangetroffen, wier leed, evenals dat van Amelia, een meer buitengewonen,

afzonderlijken oorsprong had. Zij zag mij vragend aan; want ondanks mijn

aanbod om te vertrekken, bleef ik nog altijd met den hoed in de hand

staan, onzeker of ik weldeed, beide vrouwen alleen te laten, en te

wagen, dat Amelia haar geheel vertrouwen schonk aan Tante, die het wel

niet verraden zou, maar die mij toch ongeschikt voorkwam om met ware

deelneming naar zulke zaken te luisteren, als de dochter van een buiten

de wet gestelden zwerver ongetwijfeld verhalen zoude, en die haar

althans geen goeden raad zou verschaffen. "Mij dunkt", zeide ik

eindelijk, met een gemaakten glimlach, "dat gij beiden, mijne dames!

beter zoudt doen met een speldje te steken bij het gebeurde en eenvoudig

over kousen en borduurpatronen te spreken.--Zie! ik ben overtuigd, dat

zoo Mejuffer zich in haar eenzaamheid verveelt, het voornamelijk daar

vandaan komt, dat zij niets omhanden heeft; Tante zoude haar stellig

geen grooteren dienst kunnen bewijzen dan door haar wat werk te

verschaffen; en, dank zij den behoeftigen, die hulp vereischen, dat

ontbreekt nooit bij Tante."

"Mijnheer uw neef raadt mijn gedachten," zeide haastig Amelia, die mijn

bedoeling begreep. "O! zoo UEd. mij daaraan helpen konde:--ik zou zoo

gaarne werken voor hen die het behoeven.

"Gij zult werk hebben," zeide Tante: "gij zult mij bijstaan om kleederen

te vervaardigen voor de nooddruftigen:--Neef! wees zoo goed en zeg aan

Truitje, dat zij mij de mand krijgt, die in het zijkamertje staat, waar

die lijst op ligt. Gij zult mij helpen, mijn kind! en wij zullen

arbeiden, gelijk Tabitha, gezegd Dorcas, voor weduwen en weezen."

Ik zag, dat alles nu in 't effen zoude komen, en de boodschap van Tante

aan de meid gedaan hebbende, nam ik afscheid en liet de beide dames aan

haar vrome bezigheid.

* * * * *

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

BEVATTENDE 'T GEEN ER OP DE DICHTERLIJKE SAMENKOMST BIJ HELDING

VERHANDELD WERD.

Het was niet dan met een soort van huivering, dat ik den Donderdag-avond

zag naderen, waarop ik volgens afspraak den vriendenkring van Helding

moest bijwonen; want nadat ik Amelia bij Tante Letje, waar ik verre was

van haar te verwachten, had ontmoet, had ik een voorgevoel, dat ik wel

niet zou kunnen vermijden om haar ten huize van Heynsz tegen te komen,

waar ik ten minste zeker was, dat zij zich bevinden zou. Tienmalen was

ik willens om het een of ander voorwendsel uit te denken en nog voor de

uitnoodiging te bedanken; maar al kon ik Helding met een

schoon-schijnende reden afschepen, ik begreep, dat ik toch ook reden zou

moeten geven aan mijn vader: en ik had reeds genoeg mijn bekomst aan 't

veinzen, dan dat ik nieuwe uitvluchten zoude gaan uitdenken. Bovendien,

en in weerwil van al de onaangenaamheden, welke mijn kennismaking met

den Heer Bos en zijn dochter mij berokkend had en waarschijnlijk nog

berokkenen zoude, er bleef toch altijd een zekere nieuwsgierigheid bij

mij huisvesten, wat er toch eigentlijk van hunne zaak ware en hoe het

met hen af zou loopen: en ik vertrouw, dat mijn lezers die

nieuwsgierigheid niet slechts in mij verschonen, maar ook met mij deelen

zullen; anders deden zij gewis beter dit geschrift maar niet verder door

te lezen. Ik was, men vergeve mij deze platte vergelijking, niet

ongelijk aan een knaap, die in het Oude Doolhof op de Princegracht

rondloopt en die, ofschoon het heen en weer dwalen hem verveelt en hij

zeer wel in staat is over de heggen heen er dadelijk buiten te geraken,

echter op het ingeslagen pad voort blijft draven, in de verwachting dat

hij alzoo eindelijk den waren uittocht zal vinden.

Ik ging dan, ten bepaalden dage en na afloop mijner werkzaamheden aan

het kantoor, naar de Raamgracht, waar ik, overeenkomstig de gemaakte

schikking, in de achterkamer van Heynsz werd binnengelaten. De mij te

gemoet komende tabaksdamp verkondigde mij reeds aan de deur, dat de

vrienden, immers gedeeltelijk, al vergaderd waren: en werkelijk vond ik

er ettelijken aanwezig, aan wie ik nu met alle plechtigheid werd

voorgesteld door Helding, die hen insgelijks bij de rij af aan mij

opnoemde. Heynsz was, gelijk dit trouwens wel behoorde, insgelijks

genoodigd, en zat in een hoek te gluren en allen beurtelings in

oogenschouw te nemen, als ware hij door zijn ambt verplicht geweest ook

deze onschadelijke zielen te bespieden. De overigen, ook zij die na mij

kwamen, waren mij persoonlijk onbekend: alleen herinnerde ik mij de

namen van dezen of genen onder hen wel eens vroeger te hebben ontmoet

aan den voet van een dier lof- of klinkdichten, waarmede het toen smaak

was alle uitkomende werken, vooral dichtbundels, bij wijze van

aanbeveling op te pronken, komplimenten, welke men elkander over en

weder toekaatste en waarvan men zich zoomin ontslaan kon als van het

beantwoorden van een beleefdheidsbezoek.

Ferdinand Huyck · 第 24 / 51 段