Wij keerden tegen negen uren huiswaarts, waarna de vier genoodigde

Heeren, wier rijtuigen reeds een poos gewacht hadden, hun afscheid namen

en Heizicht verlieten.

* * * * *

ACHTTIENDE HOOFDSTUK,

WAARIN FERDINAND OP ZIJN KANTOOR GEÏNSTALLEERD, EN, ALS KRELIS LOUWEN,

OP EEN POËTENMAAL WORDT GENOODIGD.

Het was met een beklemd hart, dat ik den volgenden morgen de sjees van

Tante zag voorkomen, om mij naar Amsterdam terug te brengen, en mij een

plaats te doen verlaten, waar ik een voorwerp achterliet, dat mij

ondanks onze korte kennismaking, onuitsprekelijk dierbaar geworden was.

Ik mocht echter mijn verblijf niet langer rekken; want ik moest dien dag

bij den Heer Van Baalen zijn om mijn nieuwe betrekking te aanvaarden: en

ik wil niet ontkennen, dat de gedachte mij streelde, van niet langer,

gelijk voor vijf dagen, te Amsterdam aan te komen, als een berooide

straatslijper, die niets te verdienen heeft, maar als medechef van een

geaccrediteerd handelshuis. Deze betrekking gaf mij dan ook tevens

eenigen waarborg om met meer vrijmoedigheid aanzoek te kunnen doen naar

de hand van een meisje, hetwelk ik niet zoude ten huwelijk durven

vragen, zonder het vooruitzicht te hebben, van haar eerlang een

maatschappelijke positie te verschaffen, geëvenredigd aan die, waaraan

zij gewoon was. Deze en dergelijke gedachten beurden mij onderweg

zoodanig op, dat ik in eene recht opgeruimde stemming te huis kwam. Na

mijn moeder omhelsd, en de jonge leden der familie verheugd te hebben

met een grooten koek, dien Suzanna mij voor hen had medegegeven, begaf

ik mij naar het huis van Van Baalen, die mij uiterst minzaam ontving en

terstond naar zijn kantoor geleidde, waar ik met alle behoorlijke

plechtigheid aan de boekhouders, bedienden en loopers werd voorgesteld.

"Ik heb dezen hoek voor u bestemd," zeide Van Baalen: "hopende dat de

plaats en het licht u gevallen--en dien lessenaar geledigd, dien UEd.

gebruiken kan, zoolang er geen nieuwen vervaardigd is.--Wijdveld! haal

de boeken eens, dat Mijnheer Huyck eenig denkbeeld moge bekomen, hoe de

zaken staan en op wat hoogte wij zoo wat zijn.--Zoo UEd. eenige kopieën

of notitie van 't een of 't ander verlangt, heeft UEd. maar te spreken:

en, heeft UEd. eenige inlichtingen noodig, Wijdveld of ikzelf zijn

altijd bereid u die te geven."

Gedurende deze minzame toespraak van mijn nieuwen compagnon, had

Wijdveld, de tweede boekhouder, al de boeken aangebracht, voor mij op de

schrijftafel nedergelegd en aan het laatst beschreven folio opgeslagen,

waarna hij zich weder naar zijn lessenaar begaf. Ik riep nu al mijn

opmerkzaamheid, en hetgeen mij van de theoretische kennis van het

Italiaansch boekhouden uit mijne schooljaren was bijgebleven, te hulp,

om mij met den staat der zaken bekend te maken. Van Baalen had, naar het

mij dien dag voorkwam, overal het oog, en gelijk mij later bleek, ook

liet hoofd in: en, zonder zijn plaats of werk te verlaten, wist hij dat

zijner ondergeschikten zorgvuldig na te gaan, hun zijn bevelen te geven,

hen, waar 't noodig was, te recht te wijzen, en op mijn gezicht te

lezen, wanneer ik hier of daar zwarigheden ontmoette.

"Mijnheer Karelsz!" zeide hij, na eenen der ontvangen brieven gelezen te

hebben, tot den eersten boekhouder: "Heinrich Haspel en Co. te Hamburg

schrijven ons hun te remitteeren a 33 1/2 st. per daalder van 32 ß lubs

of op Frankfort a 85 & per florijn van 65 kreutzers".

"Ik geloof," zeide Karelsz, "dat wij a 84 & op Frankfort kunnen

remitteeren."

"Ja," zeide Van Baalen: "en tot 33 st. op Hamburg, hetgeen hun nog

voordeeliger uitkomt. Laat Pietje Van Lingen het juiste verschil eens

opmaken:--en tevens, hoeveel wij in courant geld moeten uittellen om de

1024000 reis aan Isodore Perez te Lissabon te remitteeren a 110 & per

dukaat, de agio 3 ½ percent. Hier is een advies van John Smith te

Londen, dat hij 480 stuks Blok-tin voor onze rekening heeft ingekocht en

te Cadix geconsigneerd om aldaar voor onze rekening te verkoopen ... die

factuur loopt hoog genoeg: 496 £ sterling; maar de ongelden schijnen

grooter geweest te zijn dan gewoonlijk:--Monsieur Snijders! wanneer gij

er in geslaagd zult zijn, uw pen te vermaken, waaraan gij sedert een

half uur bezig zijt, wees dan zoo goed, deze factuur eens over te

brengen, en te zien hoe onze rekening met dat huis staat:--het

verwondert mij, dat hij niets schrijft over die vier balen Beathilies

Ternatanes, die hem in de vorige week gezonden zijn; het heeft wel is

waar nogal gestormd op zee: en de beurtman kan te laat zijn

aangekomen:--aan die Suiker van Harry Harding op Sint-Christoffel

behoeft geen rekening gegeven te worden, Mijnheer Wijdveld! Ik heb van

dien man geen goed meer te wachten.--Ik zie al, waar UEd. naar zoekt,

Mijnheer Huyck! UEd. is waarschijnlijk verwonderd, dat de agio niet bij

iederen wissel genoteerd staat: maar het is mijne gewoonte, dat op zijn

beloop te laten en bij 't sluiten der rekening het bedrag der agio op

Rekening van Agio te brengen, en de rest op Winst en Verlies.--Mijnheer

Karelsz, hebt gij al een nota van De Wijs over den verkoop van die 36

Ceroenen Indigo Lauro?--Wees anders zoo goed hem daaraan te herinneren:

en zeg hem, dat, zoo hij die niet dadelijk inlevert, ik mij van een

anderen makelaar zal bedienen;--en denk toch, om Van Erkeles te

waarschuwen wegens de assurantie voor de "Fortuin". Pulver heeft zich al

beklaagd, dat men het schip nog niet is komen opnemen. Ziedaar, Mijnheer

Huyck! hier is een circulaire, die ik gesteld heb, om bericht van onze

compagnieschap te geven: UEd. gelieve uw oordeel daarover te zeggen. Nu

zie! dat is mis," vervolgde hij, een anderen brief lezende, en dien aan

Karelsz overreikende, die bleek werd als een doek.

"Hemel!" zeide deze, met een zachte stem, zoodat geen der bedienden het

hooren kon: "dat is een ongeval! wie had dat kunnen droomen?"

"'t Zijn veertig duizend gulden in 't water," zeide Van Baalen, de

schouders ophalende, doch zonder een gezicht te vertrekken.

"Paulus Leyster insolvent!" hernam Karelsz, zuchtende: "ik had zooveel

vertrouwen in zijn soliditeit."

"Stil!" zeide Van Baalen: "men behoeft niet precies te weten, wat wij

daaraan verliezen. Bovendien, zonder schade hier of daar gaat de negotie

nooit. Tracht intusschen berichten in te winnen, of er wat van te recht

komt. Mijnheer Huyck! ik zal u dit later wel vertellen. 't Valt

gelukkig, dat UEd. hier nog niets mede te maken heeft; doch UEd. kan er

uit zien, dat het ons niet altijd voor den wind gaat."

Dit was het eenige beklag, dat hij zich veroorloofde. Ik kon van mijne

verbazing niet terugkomen. Was deze dezelfde man, wien ik den dag te

voren zoo morrende en klagende had leeren kennen. Hij had zich den

ongelukkigsten man der wereld genoemd, omdat zijn tuinbaas hem geen

doperwtjes kon leveren, en hij droeg met gelatenheid een verlies van

veertig duizend gulden. Hoe verkeerd, dacht ik, zijn de oordeelvellingen

der menschen bij een slechts oppervlakkige kennis! Wie den Heer Van

Baalen alleen in de gewone samenleving ontmoet had, zou hem niet anders

hebben beschouwd dan als een verdrietigen, gemelijken, verstrooiden

knorrepot, die zichzelven en anderen tot last leefde;--en ook alzoo had

ik hem beoordeeld, en reeds het denkbeeld mij beangst, van in zijn

gezelschap mijn dagen te moeten slijten. Hoezeer had ik mij bedrogen! en

hoe aangenaam vond ik mij verrast, nu ik hem in zijn waarde leerde

kennen; en, dat ik het hier bijvoege, hoe meer tijd ik in het vervolg

met hem sleet, hoe meer ik zijn rustelooze werkzaamheid, zijn helder

inzicht in de zaken, zijn geest van orde, zijn kordaatheid in 't

handelen en zijn gelijkheid van gemoed bij voor- en tegenspoed leerde

bewonderen. Slechts op ééne wijze heb ik mij dat verschil tusschen Van

Baalen op 't kantoor en Van Baalen in de wereld kunnen verklaren. Hij

was van de natuur tot handelaar bestemd, en door zijn stand in de

maatschappij tot uitgaan gedwongen. In zaken was hij op zijn plaats; in

de wereld speelde hij een rol. Maar zijn ziel was bij zijn _affaire_ en

bleef er bij, al was zijn lichaam in de dagelijksche kringen aanwezig;

hij gevoelde zich aldaar niet op zijn gemak: en verveling, zucht om

zonderling te schijnen, wrevel, of al deze aandoeningen te zamen

genomen, bedierven alsdan zijn luim en vormden hem tot den man, dien ik

vroeger geschilderd heb.

Terwijl ik mij nog op het kantoor bevond, kwam mijn boodschap aan

Helding mij in de gedachten. Ik was eerst voornemens geweest, die aan

Heynsz op te dragen: maar de vrees om vermoedens te wekken had mij dit

plan doen verwerpen: en ik begreep, dat het beter ware en meer

overeenkomstig met het doel des zenders, het geld op een zoodanige wijze

in de handen des dichters te spelen, dat men nimmer kon nagaan van wien

het kwam. Toen dus, bij het sluiten van het kantoor, de bediende kwam

hooren, of de patroon nog iets te zeggen had, verzocht ik verlof aan Van

Baalen, dien man met een commissie te belasten: dit toegestaan zijnde,

nam ik den looper ter zijde, deelde hem mijne instructiën mede, en

stelde hem vervolgens het geld ter hand, dat ik, om op alle gelegenheden

gewapend te zijn, bij 't van huis gaan bij mij had gestoken. Ik bleef

toen nog eenigen tijd met Van Baalen alleen, ten einde al wat onze

compagnieschap betrof op een behoorlijken voet te regelen, en keerde

recht tevreden naar huis.

Op den avond van dien dag zat mijn familie in onze huiskamer vereenigd.

Tante Letje was bij ons te bezoek en ik was naar mijn kamer gegaan om

eenige plaatwerken te krijgen, die ik aan de mijnen wilde laten zien,

toen ik hoorde, dat er iemand aangediend en na eenig toevens

binnengelaten werd. Ik kwam weder beneden, mijn platen onder den arm

houdende, en was niet weinig verbaasd en teleurgesteld, toen ik ontdekte

dat de bezoeker niemand anders was dan vriend Helding, die, zoodra hij

mij zag, naar mij toekwam, en met de meeste eerbiedigheid mij zijn dank

betuigde voor de weldaad, die ik hem bewezen had.

Ik stond als van den donder getroffen en verwenschte het toeval, dat ik

juist uit de kamer was, toen hij zich had laten aandienen: daar ik in

het tegenovergestelde geval naar hem had kunnen gaan en hem afzonderlijk

spreken: en nu, vreesde ik, zou de bommel losbreken.

"Maar mijn waarde Monsieur Helding!" zeide ik eindelijk: "ik weet, niet

waar UEd. van spreekt: ik betuig u, dat uw dankzeggingen mij zoo vreemd

voorkomen...."

"Wel ja!" zeide mijn vader, die van meening was, dat Helding, voor de

twee dukaten bedanken kwam: "UEd. behoefde waarlijk niet de moeite te

doen, van daarvoor hier te komen. Het gedicht, waarmede UEd. ons vereerd

hebt, is slechts weinig betaald met zulk een bagatelletje."

"Een bagatelletje, Ed.-Gestr. Heer!" riep Helding: "waarlijk! zoo UEd.

honderd Zeeuwen een bagatelletje noemt! voor UEd. is 't mogelijk, maar

voor mij waarachtig niet."

"Honderd Zeeuwen!" herhaalde mijn vader: "hier moet een misverstand

plaats hebben: dat geld komt van mij niet: en ik betwijfel, of mijn zoon

ook genoeg bij kas is om zulke _munera_ weg te geven."

"Eilieve, Ed.-Gestr. Heer!" hervatte de poëet: "UEd. drijft het al te

verre. Zulk een edele wijze van schenken verhoogt de waarde van het

geschonkene."

"Dat uw slinkerhand niet wete wat uw rechter geeft," mompelde Tante

Letje.

"Maar het is vruchteloos," vervolgde Helding, "de zaak te willen

verbloemen. Hoe fijn het werk ook bestoken was, ik ben er toch achter

gekomen."

"Eilieve! Geef ons de _historia facti_ eens," zeide mijn vader, "want ik

ben nieuwsgierig te weten hoe de vork in den steel zit."

"Met genoegen, Edel-Gestr. Heer. Ik zat daar op mijn bovenkamer en had

een veldzang ter gelegenheid der verjaring van den Heere Smethof voor

mij, terwijl Heynsz, mijn huisheer, juist bij mij zat en mij een

quitantie schreef voor drie maanden huur, die ik hem voldeed uit de twee

dukaten, die UEd. laatst bij mij gelaten hadt. Daar wordt aan mijn deur

geklopt: ik zeg "binnen!" daar komt een Monsieur binnen: "Monsieur Lucas

Helding"--"Dezelfde," zeg ik. "Dan moet ik u dit zakje overhandigen,"

zegt hij: "wees zoo goed, mij quitantie daarvoor te geven." Met begon

hij het geld op de tafel uit te tellen: alle gerande Zeeuwsche

Rijksdaalders. Ik was zoo buiten mijzelf, dat ik beefde als een rieten

blad. "Maar man!" zeg ik: "UEd. is zeker abuis. Ik ben geen geld te

wachten."--"Geen abuis ter wereld," zegt hij, terwijl hij het geld al

vast voortelde: "zoo UEd. Lucas Helding is: 29, 30, 81."--"Maar van wie

komt het toch?" vroeg ik.--"Ja! dat mag ik niet zeggen: 45, 46,

47."--Het was mij alsof alles mij draaide voor de oogen! zulk een som

gelds te zien.--"Wel!" zeide Heynsz: "ik zou het maar opsteken. Men moet

zoo geen koren van den molen sturen."--zeide ik: "Sinjeur Heynsz! wees

zoo goed en schrijf mij de quitantie eens. Gij zijt nu toch bezig: en ik

zou niet in staat zijn, een letter op 't papier te stellen, zoo confuus

ben ik."--"Daar heb ik niet tegen," zeide hij: "hoe groot is de

som?"--Tweehonderd zestig gulden," zei de vreemde persoon.--Nu, Heynsz

schreef het reçu: ik teekende, en de man kuierde weg. "Begrijp je daar

iets van, Sinjeur Heynsz?" vroeg ik. "Neen," zei hij: "maar 't is een

buitenkansje, daar ik u geluk mee wensch...." "Ken je dien man?" vroeg

ik weer. "Jawel!" zeide hij:"'t is een kantoorknecht bij Van Baalen."

"Dat die drommelsche verklikker ook tegenwoordig moest zijn," dacht ik,

bij dit gedeelte van Heldings verhaal. Deze vervolgde:

"Dat was aan geen doove gezeid. Ik gaf mijn geld aan Heynsz om te bergen

en liep naar den Heer Van Baalen. Maar jawel! Ik had pas een paar

woorden gezegd, of ik merkte, dat het alweer mis was. "Ik geef mijn geld

zoo niet weg," zeide hij, en liet daarop den kantoorknecht roepen, die

juist aan huis was. Toen kwam het hooge woord er uit: hij had het van

UEd. gekregen om het mij te bezorgen."

Hier zette mijn geheele familie groote oogen op en ik sloeg de mijne

neder, mijn noodlottig gesternte verwenschende.

"Ik wist niet, dat uwe middelen zoo ruim waren," zeide mijn vader met

bevreemding.

"Het spijt mij, dat het ontdekt is," hernam ik: "maar ik kan u

verklaren, Monsieur Helding! dat uw dankbetuigingen niet aan mij

behooren gericht te zijn. UEd. is het geld evenmin aan mij verschuldigd

als aan den kantoorknecht, die het u gebracht heeft; want beiden hebben

wij het van een derde ontvangen: en de hand, die 't mij ter hand stelde,

wil niet genoemd zijn."

Mijn toon was zoo ernstig, dat Helding overtuigd scheen. Nu keek hij

mijn vader aan; maar deze schudde het hoofd, en mompelde: "_Etiam per

interpositam personam donatio consummari potest_; maar ik begrijp er

niets van."

"En mag ik er volstrekt niet naar raden, wie de zender is?" vroeg

Helding.

"Ik verzeker u," was mijn antwoord, "dat gij daar vergeefsche moeite toe

zoudt doen. Het is mij bovendien volstrekt verboden u iets dienaangaande

te vertellen."

Helding zuchtte en haalde de schouders op: "in dat geval ben ik UEd.

toch altijd dankbaar voor de bezorging," zeide hij: "en hetzij UEd. de

zender zijt of niet, zoo wil ik toch niet nalaten, UEd. het tweede

oogmerk mijner komst mede te deelen, zijnde om UEd. te noodigen op een

klein partijtje, dat ik sedert lang aan eenige mijner kunstvrienden

schuldig ben en nu eindelijk in staat ben gesteld, hun te geven."

"Mijn waarde Monsieur Helding!" zeide ik: "ik ben volstrekt niet op de

hoogte, om met geleerde lieden om te gaan, en zal bovendien thans

drukten genoeg aan de hand krijgen, die mij dergelijke partijen wel

zullen beletten."

"Ja! dat vind ik ook," zeide mijn moeder, mij met bezorgdheid aanziende:

"dergelijke partijen duren somtijds laat: men gebruikt er meer dan

gewoonlijk, de gezondheid lijdt er door."

"Och! UEd. meent het niet," zeide Helding: "de Jongeheer kan immers naar

huis gaan wanneer hij verkiest, en behoeft niet meer te drinken dan hem

lijkt; een glas roode wijn kan op zijne jaren zooveel kwaad niet: en dan

bovendien, de Jongeheer heeft het mij beloofd."

"Het zij verre van mij, hier, ongeroepen, wijsheid te willen

verschaffen," zeide mijn vader: "maar ik geef u, Monsieur Helding!

vriendschappelijk in bedenking, of gij weldoet de verkregene som zoo

dadelijk te gebruiken om uwe vrienden te trakteeren. Ik weet wel, gij

poëten acht het geld als slijk en denkt met Horatius:

_Nullus argento color est avaris abdito terris_:

maar toch, ik denk, dat het oogmerk des zenders geweest is, dat gij er

u-zelven mede te goed deedt, en niet, dat anderen het verbrasten."

"UEd.-Gestr. spreekt zeer waar," zeide Helding: "maar wat is het geval?

Ik ben nu al zoovele jaren lid van een vriendenkring ter onderlinge

oefening in de dichtkunst. Volgens de instellingen van ons genootschap

moeten wij maandelijks bij een der leden vergaderen, die de overigen

ontvangt en hun een glas wijn schenkt naar zijn vermogen. En daar zij nu

weten, dat ik geen kelder heb, wisten zij het altijd zóó te schikken,

dat mijne beurt werd overgeslagen. Ik heb nu zoovele jaren altijd op

hunne kosten wijn gedronken, en nu wilde ik wel voor eens in mijn leven

hunne beleefdheid te mijnen opzichte vergelden."

"Dat is edelmoedig gedacht," zeide mijn vader: "maar toch, draag zorg,

dat gij niet alles aan den wijn verdoet: en bepaal u dan bij hen, aan

wien gij een traktement schuldig zijt."

"Nu ja!" zeide Helding: "of er een paar meer of minder zijn, dat zal er

zooveel niet toe doen: en aan den jongen Heer, die mij in staat gesteld

heeft mijn huishuur te voldoen, wilde ik toch ook wel toonen, dat ik

niet ondankbaar ben. 't Is zeker wel wat vermetel van mij, te durven

hopen, dat iemand als de Jongeheer Huyck mij de eer aan zoude doen mijn

arme woning te bezoeken."

"Volstrekt niet," hernam mijn vader: "en ik heb er niet tegen, dat mijn

zoon van uw uitnoodiging gebruik make, indien zijn kantoordrukten het

niet beletten en hij voor dien avond niet verzeid is."

"Maar lieve engel!" zeide mijn moeder, vreemd opziende: "gij; meent het

immers niet?"

"Kom, Keetje-lief!" zeide mijn vader: "wees maar tevreden: _indulge

veniam puero_."

"Ja!" zeide zij, de schouders ophalende: "als ge Latijn begint te

praten, zal ik maar zwijgen," en zij schudde het hoofd, terwijl haar

geheele wezen te kennen gaf, dat zij die partij niet goedkeurde.

"Ziezoo! dat is treffelijk," zeide Helding, terwijl hij zich tot mij

wendde, en de handen wreef: "UEd. zal zien, het zal in orde zijn. Heynsz

heeft mij veroorloofd, de gasten op zijne kamer te ontvangen, dan

behoeven zij zoovele trappen niet te klimmen...."

"En hebben minder gevaar er af te rollen," dacht ik.

"En ik zal de Juffrouw, die beneden mij woont, verzoeken koffie te

schenken: dan heeft het goede mensch ook reis een verzet: want zij zit

den geheelen dag te kniezen en te zuchten."

"En zal die Juffrouw dan alleen met al die Heeren zitten?" vroeg Moeder.

"Wel neen, Mevrouw!" antwoordde Helding, lachende! "zij zal op haar

kamer blijven en ons de koffie sturen.--Och! het is een lief meisje, zoo

vriendelijk, zoo zachtzinnig: nietwaar Mijnheer?" vroeg hij, mij tot

getuige nemende.

"Zoo Ferdinand! Kent gij die Juffrouw ook al?" vroeg mijn moeder, half

schertsend, half bestraffend.

"Dat is te zeggen, ja, ik heb haar in 't voorbijgaan gezien, toen ik

Monsieur Helding bezocht," antwoordde ik.

"Nu ja, gezien," zeide Helding: "en een grooten dienst gedaan

bovendien.--Nu zij is ook altijd recht dankbaar; want zoo dikwijls ik

haar op de trap ontmoet en een praatje met haar maak, vertel ik haar van

UEd. en dan glinsteren haar oogen als twee sterretjes."

"Wat is dat voor een juffer?" vroeg op zijn beurt mijn vader, met een

strakken blik: "en wat zijn dat voor diensten, die Ferdinand haar

bewezen heeft?"

"Och! een zedig meisje," zeide Helding, "die geen Christenziel bij haar

ziet, en nooit uitgaat: en vroom ook;--maar zij woont dan bijster alleen

en verlaten. Daar heb je den Notaris Bouvelt, daar ik geloof dat het een

stuk van een nicht af is, die komt niet eens naar haar omzien. De man is

ziek, dat is mogelijk; maar kon hij niet eene van zijn dochters zenden?

al was het maar om haar naar de kerk te brengen, waar zij nu niet alleen

naar toe durft gaan. Gisteren nog vroeg ik haar, zoo bij manier van

spreken, waar zij ter kerke geweest was: en zij antwoordde mij, dat zij

sedert haar komst te Amsterdam nog geen voet over den drempel heeft

gehad, omdat zij niet alleen durfde uitgaan. En toen vroeg zij mij, of

ik geene zuster of nicht had, die op jaren ware, en haar derwaarts zou

kunnen geleiden."

"Arme ziel!" zeide Tante Letje, met deernis: "zij is gelijk aan den

geraakte, die de genezende wateren van Bethesda niet kon genaken, omdat

er niemand was om hem op te nemen."

"Maar dat heldert nog niet op, wat Ferdinand met haar te maken had,"

zeide mijn vader.

"Anders niet," zeide ik, "dan dat ik haar bevrijd heb van iemand, wiens

bezoek haar lastig was; doch Monsieur Helding weet, dat wij den naam des

onbescheiden indringers niet voegzaam kunnen noemen."

Mijn vader zweeg en nam een snuifje. Ik wist, wat dit beteekende; want

de snuifdoos kwam slechts bij bepaalde gelegenheden uit den zak:

namelijk wanneer hij hoofdpijn had, in de pleitzaal bij lange

pleidooien, in de kerk bij vervelende predikatiën, wanneer hij iets

zwaarwichtigs op te stellen had, of wanneer hij misnoegd was. Hij bleef

echter dien gansenen avond even vriendelijk jegens mij: ik vermoedde

derhalve, dat zijn ontevredenheid alleen op Heynsz zoude nederkomen, die

hem van het voorgevallene tot zijnent onkundig had gelaten.

Na een onbeduidend gesprek nam Helding zijn afscheid van het gezelschap,

mij meldende, dat de bijeenkomst, waarop hij mij genoodigd had, den

volgenden Donderdag te zes uren zoude plaats hebben, terwijl ik van mijn

kant beloofde intijds aanwezig te zullen zijn. Toen ik den man

uitgeleide deed naar de voordeur, vroeg hij mij, of ik reeds, ingevolge

mijn belofte, hem de vriendschap gedaan had van met mijn vader over zijn

dochter te spreken. Ik antwoordde, gelijk de waarheid was, dat ik zulks

terstond had verricht: doch dat er met de verlangde nasporingen wel

eenige tijd zoude verloopen, vermits het verloren schaap zich sedert

lang niet meer in Amsterdam bevond en waarschijnlijk van naam was

veranderd. Helding toonde zich hoogst erkentelijk en maakte nog

verscheidene verschooningen over de moeite, welke hij mijnen vader en

mij veroorzaakte, waarna hij vertrok.

Bij het gezelschap terugkeerende, vond ik mijn moeder bezig mijn vader

minzaam te beknorren, dat hij mij naar dat poëtenmaal liet gaan.

"Ik hoop," zeide mijn vader, "dat Ferdinand oud en wijs genoeg is, en

zich weet te matigen. Gij wilt toch niet, Keetje-lief, dat wij een

knaap, die nu ruim twee jaren op zijn eigen wieken gedreven heeft, weder

als een schooljongen gaan behandelen? En hoewel ik niet verlang, dat hij

Helding tot een huisvriend make, zoo heeft mij de dankbaarheid des mans

toch getroffen en wil ik niet, dat hij ons van hoovaardij beschuldige.

Had ik echter vooraf geweten," voegde hij er glimlachend bij, "dat zich

zulk een innemende koffieschenkster daar bevond, ik had mij nog eens

bedacht."

Men kan zich voorstellen, dat ik bij dit alles niet zeer op mijn gemak

was en met schrik opzag tegen het losbersten der donderbuien, die zich

van alle kanten boven mijn hoofd samenpakten. Maar mijn ongerustheid

moest nog vermeerderd worden. Den volgenden dag kwam er een mand van

Tante Van Bempden, met groenten en vruchten, welke zij aan mijn moeder

stuurde, en een brief er bij van Suzanna aan mij, van den volgenden

inhoud:

"Sinjeur Ferdinand!

Ferdinand Huyck · 第 23 / 51 段