"Hoe maakt UEd. het toch, om zulke heerlijke doperwtjes te bekomen?"

vroeg Van Baalen haar: "uit _mijn_ tuin in den Diemermeer kan ik die

maar zoo smakelijk niet krijgen."

"Zeg dat niet," zeide Tante: "ik herinner mij zeer goed, er bij u tot

laat in September te hebben gegeten, als de mijne reeds lang gedaan

hadden."

"Ja! bij mijn vorigen baas; maar mijn tegenwoordige tuinman heeft er

geen verstand van. 't Is of ik het altijd moet treffen, dat ik mij met

lieden behelpen moet, die geen kennis bezitten van hun vak."

"Hoe bevallen UEd. de bruine langstaarten, die UEd. op de Palmmarkt van

Govert Sperwer gekocht hebt?" vroeg Lodewijk aan Van Baalen.

"Hm!" antwoordde deze, het hoofd schuddende: "wat zal ik UEd. zeggen? De

beesten loopen hard genoeg: maar 't is mij wat moeilijk in 't haar te

blijven. Ik zal er moeten uitscheiden. Op de Palmmarkt waren er nog meer

te krijgen geweest; maar juist toen ik er op afkwam waren zij verkocht.

't Is of ik altijd te laat moet komen. Maar daar bedenk ik iets: het

spannetje dat ik heden hier heb, heeft UEd. dat reeds gezien? Dat was

juist een kolfje naar uw hand."

"Ik dank u," zeide Lodewijk: "ik heb nog paarden genoeg, en dan een

boeier bovendien; maar ik recommandeer mij, om ze straks eens te zien,"

enz.

Het gesprek werd na langzamerhand meer algemeen. Pulver, die niet naliet

den goeden wijn van Tante te prijzen en te betuigen, dat hij zulke waar

niet geproefd had, sedert hij bij de roovers had gevangen gezeten,

vermaakte ons nu en dan met zijn kluchtige uitvallen, en Van Baalen

perste ons menigen glimlach af, door zijn manie van zich over al wat hij

had te beklagen. Hetgeen de oude Heer Blaek zeide, was meestal gepast en

verstandig; en hij beviel mij in alle opzichten beter dan toen ik hem

voor 't eerst zag. Echter was het mij toch, als drukte dien man iets

bezwarends op het hart, dat hem midden onder het vroolijk gesprek zijn

goede stemming ontnemen kwam, en zich tusschen hem en zijn

blijgeestigheid plaatste als een wolk voor een heldere zomerzon. Hij zag

er niet uit als iemand, die iets kwaads in 't zin had of een misdrijf

zou begaan; maar wel als iemand die iets bedreven had, dat hem tot

naberouw verstrekte. Tante praatte wakker door, en maakte allerlei

plannen van vroolijke partijen voor de toekomst. Suzanna wierp er

bijwijlen een grap tusschen in: en Lodewijk scheen meer werk van zijn

nicht te maken dan gewoonlijk.

Wij waren aan 't nagerecht, en de Heer Blaek was juist bezig over de

onbeschaamde diefstallen te spreken, die onlangs in de buurt hadden

plaats gehad, toen de knecht mij in het oor kwam fluisteren, dat er een

Heer buiten stond, die mij wenschte te spreken.

"Een Heer om mij te spreken!" herhaalde ik, met eenige verwondering:

"dat hebt gij zeker verkeerd. Wie kan mij hier iets te zeggen hebben?"

"Er is toch geen zwarigheid?" vroegen de dames, als uit éénen mond.

"Waar komt hij vandaan? Is het iemand uit Amsterdam?" vroeg Tante.

"Ik weet niet," zeide de knecht: "'t Is een Monsieur in 't zwart, en,

zoo ik mij niet bedrieg, dezelfde, die in het huisje van Baas Roggeveld

woont."

"En komt die om mij te spreken?" vroeg ik: "ik kan niet begrijpen...."

"Gij moest toch eens gaan zien," zeide Tante: "en kom ons dan daarna

verslag doen. Joris! laat dien Monsieur in de zijkamer."

"Met het verlof van het gezelschap," zeide ik: en oprijzende begaf ik

mij naar de zijkamer; maar wie schetst mijn verbazing, toen ik zag, dat

de man, die op mij wachtte, niemand anders was dan Zwarte Piet, _in

propria persona_.

* * * * *

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

VERHALENDE, HOE ZWARTE PIET FERDINAND MET EEN COMMISSIE BELASTTE EN HOE

SUZANNA EEN GROOTEN KOEK TROK.

"Hoe!" riep ik uit, terwijl ik den struikroover aanstaarde: gij waagt

het!..."

"Ik waag niets, Mijnheer Huyck!" zeide hij: "want ik weet, dat UEd. de

man niet zijt, die mij verraden zult."

"Maar toch!" hernam ik: "ik kan niet beseffen, wat gij mij kunt te

zeggen hebben."

"In de eerste plaats moet ik mij van mijn schuldigen plicht komen

kwijten en u mijn dank betuigen voor het stilzwijgen, dat UEd. aangaande

onze ontmoeting hebt bewaard."

"En hoe weet gij," vroeg ik, eenigszins verwonderd, "dat ik gezwegen

heb!"

"O ho!" zeide hij met een glimlach: "dat kan ik genoeg uit de gevolgen

opmaken. Zoo UEd. maar een woord gesproken, maar een sein gegeven had,

waren de landhaaien mij reeds aan boord geweest, on zou ik hier thans

niet voor u staan, zoo gerust als een Admiraal op zijn dek; want

ofschoon men altijd nog naar Zwarten Piet zoekt, het is in den blinde en

zonder dat men weet, welken koers te houden. Niettemin! ik wil het

gevaar niet loopen van 't avond of morgen te verzeilen en denk deze

haven te verlaten."

"Gij deedt beter," zeide ik, "uw geheele professie te verlaten, *welke u

toch nooit tot een gelukkig einde brengen zal."

"Helaas, Mijnheer!" hernam hij, met een treurigen blik en een diepe

zucht: "hangt het wel van onszelven af, die met vrijen wil te kiezen?

Kan ik tegen wind en stroom opvaren? en moet men niet, als het tij

verloopt, de bakens verzetten? Hoe zou ik, na al het gebeurde, in staat

zijn, mijn wandel te verbeteren en onder een betere vlag te zeilen dan

die ik tot heden gevolgd ben? Zoo ik b.v. Mijnheer voorstelde, mij als

lakei in zijn dienst te nemen, zou zulks UEd. aanstaan?"

"Gij weet," antwoordde ik, om de veronderstelling glimlachende, "dat men

geen lakei huurt zonder attestatiën van goed gedrag te zien: en ik

twijfel, of de uwe van dien aard zijn, dat zij mij voldoen zouden."

"Daar moest UEd. niet op zweren," hervatte hij, terwijl hij een

zwartlederen _portefeuille_ uit den zak haalde, en daaruit eenige

papieren nam, die hij op de tafel uitspreidde: "ik heb hier een menigte

getuigschriften van de deftigste inwoners van Batavia en de Kaap, alle

bewijzende dat de persoon Joachim Waarglas hen in de betrekking van

kamerdienaar, schrijver en hofmeester met de meeste nauwgezetheid

gediend heeft. Lees ze maar eens, Mijnheer! zij zijn zoo voldoende

als...."

"Als zij valsch zijn," viel ik in: "wat hebt gij te maken met

certificaten van eenen Joachim Weerglas, die wellicht nooit bestaan

heeft?"

"Zeer zeker heeft de man bestaan," antwoordde hij, de papieren wederom

naar zich toestrijkende: "maar de goede ziel heeft die niet meer noodig;

daar hij sedert lang onder de groene baren slaapt, om welke reden ik er

des te minder conscientiewerk van gemaakt heb, mij zijn naam toe te

eigenen, en zijn papieren evenzeer, die toch voor niemand meer waarde

hebben en mij daarentegen zeer nuttig zijn, wanneer deze of gene

hapscheer mij komt praaien en verzoeken mijn kleuren te wijzen.--Maar

ook op mijn eigen naam heb ik zeer goede certificaten, die wellicht

beteren indruk op UEd. zouden maken."

Dit zeggende, opende hij een verborgen gedeelte van zijn brieven-tasch

en haalde daaruit wederom eenige papieren voor den dag.

"Wat dunkt u van dit certificaat?" vroeg hij, mij een der bewijsstukken

overhandigende.

Ik nam het op en las niet zonder verbazing een geschrift in de Spaansche

taal, geteekend door den Graaf van Talavera, en getuigende, dat Sander

Gerritz, geboortig van Amsterdam, hem met onkreukbare trouw en ijver

gediend had.

"Dat kan wel zoo valsch zijn als de rest," zeide ik, het hem

teruggevende.

"Ho! ho! men kent aan onze kantoren zoowel als aan de landssecretarie de

naamteekening van den Graaf van Talavera.--Doch hier zijn nog meer

stukken, alle van bekende en nog levende personen: als hier is de

attestatie van Schipper Slingertouw, met wien ik als halfwassen brasem

drie reizen naar de Oost heb gedaan, van Schipper Blauwketting, bij wien

ik twee jaren stuurmansleerling geweest ben, van Kapitein Wijdwimpel,

daar ik onderstuurman bij was, van Kapitein Pulver, waar...."

"Diens handteekening zouden wij terstond kunnen doen erkennen," zeide

ik: "want de man bevindt zich in de eetzaal."

"De duiker, doet hij," riep Sander, zijn papieren snel verbergende: "ik

zou, wel is waar, den ouden pekbroek nog gaarne eens terugzien; maar

och! door kennis krijgt men kennis en men mocht op zulk een wijze dingen

van mij te weten komen, welke ik liever achterbaks houde."

"Mag ik u eens vragen," hernam ik, "of er onder die certificaten geen is

van zekeren Don Manoël, onder wien gij waarschijnlijk ook gediend hebt?"

Sander zag mij een wijl aan met doordringenden blik: "UEd. vraagt mij

naar den bekenden weg," zeide hij vervolgens, "en weet zoogoed als ik,

dat de man er ook bij is, al luidt zijn naam wat deftiger.--Maar dit

daargelaten, UEd. kan uit dit alles besluiten, dat ik onder mijn eigen

vlag niet durf varen en dus wel valsche kleuren dien te wijzen. Hoe wil

ik nu mijn weg beteren, daar ik, 't ga, hoe 't ga, gedwongen ben de

lieden of te bedriegen, of te bestelen?"

"Mijn vader," zeide ik, "is een rechtschapen man: zoo gij u bij hem

begaaft, hem rondborstig uw levensloop verhaaldet, en hem ware begeerte

toondet om uw doolpad te verlaten, zou hij waarschijnlijk in staat zijn,

u kwijtschelding voor uwe begane misdrijven te bezorgen en een beter

vooruitzicht voor de toekomst te openen."

"Al is," zeide Sander, "het schip nog zoo lek en de branding nog zoo

fel, zoo zal de matroos, om zijn leven te redden, niet overboord

springen, wanneer hij haaien voor den boeg ziet. Ik dank u, Mijnheer

Huyck! maar ik heb mijn nek te lief om uw voorslag aan te nemen. Mijn

oogmerk is naar Rusland of Noorwegen te gaan en te zien, of men mij daar

gebruiken kan: want dat loeren achter de struiken, en dat openveteren

van nachtsloten is geen werk voor iemand, die een korvet gecommandeerd

heeft."

"De hemel geleide u," zeide ik: "maar hebt gij mij nu nog verder iets te

zeggen? Het gezelschap wacht mij, en...."

"En dat van een boef, gelijk ik, begint u lastig te worden: dit begrijp

ik. Ik zal het kort maken. Deze kleinigheid verzoek ik u aan te nemen

als herinnering aan onze ontmoeting en als een bewijs mijner

erkentelijkheid."

Dit zeggende, bood hij mij een ring aan, met fraaie _brillanten_ omzet.

"Ik dank u," antwoordde ik, het geschenk afwijzende: "ik heb geen

waarborg, dat gij recht hebt, dien ring weg te geven, en bovendien

verlang ik geen verplichting aan u te hebben."

"De ring behoort mij," zeide Sander, "ik heb dien met het zwaard genomen

van een kaper, die in onze jacht was komen stroopen en wien wij zijn

buit deden overgeven. Doch, begeert gij hem niet, het is wel, zoo blijf

ik uw schuldenaar. Tweemalen hebt gij mij ontmoet: ook deze reis

vertrouw ik op uwe bescheidenheid te kunnen rekenen."

"Nog vier en twintig uren," zeide ik, "wil ik u die beloven; maar zijn

die verstreken, dan acht ik het mijn plicht als burger, uw verblijf te

ontdekken."

"Over vier en twintig uren moogt gij, wat mij betreft, op de daken

schreeuwen, dat Sander Gerritz, Joachim Weerglas en Zwarte Piet slechts

één persoon zijn."

"'t Is wel! maar maak nu, dat gij voortkomt. Ik hoor de gasten reeds

opstaan."

"Nog één verzoek; misschien kent UEd. in Amsterdam zekeren armen poëet,

Lucas Helding, bij name."

Ik knikte toestemmend.

"Welnu! zou ik u mogen belasten met hem dit geld ter hand te stellen. De

man is behoeftig, en ik weet, dat zulks hem niet te onpas komen zal."

Dit zeggende, haalde hij een geldzakje voor den dag, en stak het mij

toe.

"Wat nu!" riep ik verbaasd. "Behoort Helding ook al tot de bende?"

"Neen Mijnheer!"--Maar ik heb den man vroeger gekend; ik weet, dat hij

broodsgebrek lijdt en leven moet van de brokken, die rijke lieden hem

toewerpen, gelijk zij aan hun hof hond zouden doen. Ik heb genoeg om de

reis te ondernemen. Dit geld kan ik missen."

"Verschoon mij", zeide ik: "maar zoo de goede man den oorsprong van dit

geld kende, zou hij het nimmer willen aannemen."

"De henker hale die nauwgezetheid!" zeide Sander, op de lippen bijtende:

"de man, wien ik dat sommetje afhandig heb gemaakt, was een vreemdeling,

die wellicht te Moskou of te Weenen te huis behoort en wien ik het niet

kan terugzenden. Ik wil er mij van ontdoen: kan ik beter handelen, dan

door het aan aalmoezen te besteden? En heb ik dan geen recht, iemand

daarmede te bevoordeelen, die arm en braaf is?"

"Gij zoudt althans rechtvaardiger handelen," antwoordde ik, "door het

aan de lieden terug te geven, die gij bestolen hebt, en die gij kent.

Vergoeding gaat boven aalmoezen."

"Vergoeding!" riep hij ongeduldig uit: "en wat heb ik hem niet te

vergoeden? Hoor eens, Mijnheer! en beoordeel mij. Zes jaren geleden,

voor ik met Kapitein Pulver uitzeilde, had ik kennis aan de dochter van

Helding: een engel van braafheid, de lust van haar vader en van al wie

haar kende. Wij hadden elkander lief: zij zou mijn vrouw worden, zoodra

ik Stuurman was. 's Avonds voor mijn vertrek, daar wij met ons beiden

alleen waren...." Hier begon Sander te snikken.

"Ik versta u," zeide ik, getroffen over de ontroering van den man, bij

wien in weerwil zijner wanbedrijven het goede zaad nog niet geheel

verstikt scheen te zijn: gij waart ondernemend en zij wellicht te

zwak...."

"Ja Mijnheer!--Ik ging op reis. Wij hadden met tegenspoeden van allerlei

aard te kampen. Wij werden door zeeroovers gevangen: en, door nood

gedwongen, trad ik bij hen in dienst. Ik verwierf mij het vertrouwen en

de gunst van het opperhoofd, die mij al spoedig tot zijn Luitenant

verhief. Hoe hij ons verliet en hoe ikzelf na zijn vertrek het bevel

bekwam, en den naam van Zwarten Piet niet minder beroemd maakte dan die

van Don Manoël geweest was, ware te lang om hier te vertellen. De

fortuin liep ons eindelijk tegen: ik werd gevangengenomen, doch

ontsnapte en kwam op een Hollandsch schip terug. Te Heivoet echter werd

ik herkend door een Kapitein, wiens vaartuig ik geplunderd had: ik

ontsnapte den rakkers, die mij zochten, en leidde sinds een zwervend

leven. Van zeeschuimer werd ik struikroover; maar, zooals ik u zeide,

dit laatste beroep begon mij tegen te staan. Ik trachtte intusschen

narichten in te winnen omtrent Klaartje; want, ofschoon ik in de

West-Indiën, en toen ik geen gedachten had haar ooit weer te zien, haar

beeld zoo wat op den achtergrond had gezet, bij mijn terugkomst in mijn

vaderland was het of mijn liefde met dubbele kracht herleefde;--maar

och, Mijnheer! wat moest ik hooren? Zij was weg, zij had haar vader

verlaten, was van kwaad tot erger geraakt, en leidde nu hier, dan daar,

een ongebonden leven.--Ik weet, het is slechts gedeeltelijk mijne

schuld: en echter is het mij, als had ik al die ellende

veroorzaakt.--Ben ik nu den ouden man vergoeding schuldig of niet?"

De gelaatstrekken van Sander hadden gedurende dit verhaal, hetwelk hij

onder gedurig snikken en met een bevende stem gedaan had, dezelfde

bleekheid en ontroering vertoond, welke mij in de kerk des morgens

getroffen hadden. Ik besefte nu, waarom het tafereel, door den Predikant

gemaald, zulk een indruk op hem gemaakt had.

"Helding zal, indien dit alles waar is, van u althans niets willes

aanvaarden," hernam ik, zelf niet wetende, wat te zeggen.

"Dat behoeft ook niet, Helding weet niet, mag niet weten, van wien dit

komt. Nog eens, wat ik u bidden mag, bezorg dit aan den goeden man."

"Hebt gij geen andere gelegenheid?" vroeg ik, eenigszins bedremmeld;

want ik hoorde het gezelschap, dat door de gang kwam en de stoep aftrad.

"Ik heb," antwoordde hij, "onder mijn kennissen geen eerlijke lieden

genoeg, om hun zulk een boodschap op te dragen:--hier ligt het geld: ik

neem het niet weer op: gij zult--gij moet het bezorgen."

"In waarheid!" hernam ik: "het is een commissie, die ik met mijn geweten

niet kan overeenbrengen. Gij maakt mij tot heler van gestolen goed."

"Uw dienaar, Mijnheer! God zegene u." En zich buigende, opende bij de

deur om te vertrekken, toen hem iemand, die juist binnenkwam, met een

vaart tegen 't lijf kwam aanloopen.

"Vergeving! vergeving!" zeide Kapitein Pulver! want deze was het: "ik

kwam mijn hoed zoeken, dien ik hier gelaten heb....; maar wat deksel! de

droes is zoo niet!" en hij bleef Sander met een open mond aanstaren.

Deze was een oogenblik onthutst; maar, zich herstellende, wendde hij het

gezicht naar mij toe en van Pulver af en wilde het vertrek verlaten.

"Maar voor den duiker!" riep Pulver, die al om hem heen gedraaid had:

"heb ik het mis of heb ik het wis? Is UEd., als ik mag vragen...."

"Uw dienaar, Sinjeur!" zeide Sander, zich haastig door de gang naar de

voordeur begevende.

"Maar met uw verlof! een amerijtje geduld!" riep Pulver, hem navolgende:

"Sander! ben je 't? of ben je 't niet? Sandertje! ken je Kapitein Pulver

niet meer?"

Sander zag waarschijnlijk, dat alleen onbeschaamdheid hem uit dezen pas

kon redden. Hij draaide zich aan de voordeur om, trad met een vasten

stap naar Pulver toe en zag hem stijf in 't gezicht.

"Sinjeur!" zeide hij: "hier heeft een misverstand plaats. UEd. heeft den

verkeerde voor. Mijn naam is Joachim Weerglas. Ik heb de eer u te

groeten."

Dit gezegd hebbende, maakte hij rechtsomkeert, liet Pulver bedremmeld

staan, stapte de stoep af, en, in het voorbijgaan het gezelschap, dat op

het voorplein stond, deftig groetende, wandelde hij zonder overhaasting

de plaats af.

"Nu! ik mag lijden dat mijn fokkemast in een nachtkaars verandert,"

zeide Pulver, hem verbaasd naoogende: "indien ik ooit zulk een

gelijkenis meer gezien heb."

"Ik moet zeggen, "Neef!" zeide Tante, toen ik, na den geldzak op mijn

kamer gebracht te hebben, weder buiten gekomen was; "die Monsieur is

lang van stof. Wat had die met u te verhandelen?"

"O! heel wat," zeide ik: "meer dan ik thans vertellen kan."

"Wie was die Heer?" vroeg Suzanna: "mij dunkt, ik heb hem hedenmorgen in

de kerk gezien."

"Gij hadt beter gedaan," zeide ik, een andere wending aan het gesprek

wenschende te geven, "den Predikant aan te zien, dan de jonge Messieurs

te begluren."

"Kan ik het helpen?" hernam Suzanna: "die man dwong mij wel hem aan te

kijken; want hij snikte zoo luid, dat iedereen het hoorde."

"Inderdaad," zeide Henriëtte: "nu gij 't zegt, herinner ik mij ook, hem

te hebben opgemerkt. Hij scheen zeer getroffen door de predikatie."

"Gekheid!" hernam Suzanna: "hij huilde van verdriet bij de gedachte, dat

hij bij gebrek aan contanten al de kermisvermaken zou moeten missen,

welke Dominee zoo treffend afschilderde, zoodat hij als zijn meisje hem

van avond vraagt:

Jan! koop mij een kermis,

zal moeten antwoorden:

Mooi meisje! ik heb er geen geld."

"Nu zijt gij er toch niet achter, Zusje!" zeide ik: "want hij kwam mij

juist verlof verzoeken om met u ter kermis te gaan."

"Zoo! En ik hoop dat gij gezegt hebt; als 't u belieft."

"Ik zeide, wij waren al Heeren genoeg."

"Wel foei! zoo zal ik nooit een vrijer krijgen, als gij die op zulk een

manier afscheept.--Maar, Kapitein Pulver! Hoe is het? Gij kijkt dien

Monsieur nogal na, schoon hij reeds lang uit het gezicht is. Ik heb wel

gehoord, dat de zeelui door oefening een scherp gezicht krijgen! maar

toch! of gij hem zoo door de bladeren heen kunt ontdekken, dat zou mij

verwonderen."

"Kapitein Pulver meende, geloof ik, dat hij den man kende," zeide ik.

"Ja waarlijk!" zeide Pulver, als uit een droom ontwakende: "en ik geloof

het nog."

"Kent gij Monsieur Weerglas?" vroeg Tante, hem naderende: "want ik meen,

dat hij het was."

"Monsieur Weerglas!" herhaalde Pulver: "ik heb nooit een weerglas gekend

dan hetgeen ik aan boord gebruik en gemaakt is door Michiel Blut op den

Zeedijk. De waarheid is, dat de man als twee druppelen water gelijkt op

mijn Onderstuurman Sander Gerritz, daar ik heden van verteld heb."

"De Kapitein," zeide Suzanna tegen Tante, "dacht als Phocas bij

Corneille:

_Tombai-je dans l'erreur ou si j'en vais sortir?_

"Ja Juffertje! als ik Fransch verstond," zeide Pulver, "dan zou ik dat

misschien gedacht hebben; maar ik heb dien _kornoelje_ nooit gekend."

"Kom!" zeide Tante: "laat ons maar niet meer aan dien man denken, en

onze wandeling voortzetten. Daar is Van Baalen al een eind vooruit met

den Heer Blaek, en zij zijn zoo druk over den wissel op Londen aan den

gang, dat zij niet bespeuren, dat wij achterblijven. En de Heer

Lodewijk, waar is die?"

"Ik geloof naar stal," zeide Henriëtte: "om de paarden van den Heer Van

Baalen te zien."

"Aha! zoo hij die boven ons gezelschap verkiest," zeide Suzanna, "dan

zie ik wel, dat ik op hem ook niet zal moeten rekenen, om mij hedenavond

ter kermis te brengen, en ik zal Kapitein Pulver wel te vriend mogen

houden: anders ben ik geheel zonder vrijer."

"Tante heeft wel gelijk," zeide ik stil tegen Henriëtte: "wanneer zij

zegt, dat wij dien Monsieur Weerglas moeten daarlaten. Hij heeft mij ten

minste lang genoeg onttrokken aan een gezelschap, dat mij boven alles

aangenaam is."

"Mijnheer!" antwoordde Henriëtte: "gij herinnert u onze afspraak op den

koepel wel? Wij zouden alle complimenten daarlaten."

"Ik kan het waarlijk niet helpen," zeide ik, "dat gij geen onderscheid

weet te maken tusschen waarheid en complimenten."

Op deze wijze pratende, wandelden wij voort, terwijl Suzanna den zeeman

had beetgenomen, wien zij allerlei vragen deed, en Tante nu rechts dan

links liep, om bloemen te plukken, welke zij alsdan aan de jonge meisjes

kwam aanbieden. Na eenigen tijd vervoegde zich Lodewijk weder bij ons,

of liever bij Van Baalen, met wien hij, na lang loven en bieden, den

koop eens werd over de harddravers, onder beding, dat hij die nog eens

zoude probeeren.

Te huis gekeerd, vonden wij de theetafel, die ons wachtte: en terwijl

wij het geurige kruid dronken, liet ik, mij van alle onzekerheid

wenschende te ontslaan, het gesprek vallen op de Spaansche

aangelegenheden: waarna ik, bij mijn neus langs, de vraag deed, of

iemand den Graaf van Talavera ooit had hooren noemen.

Het kwam mij voor, of de Heer Blaek bij deze vraag eenigszins van kleur

veranderde: hij hield zich althans, of hij dien nooit geboord had; maar

Van Baalen haastte zich te antwoorden:

"Den Graaf van Talavera! wel zeker! wie kent dien niet? Hij was

Vlies-Ridder, Grande van Spanje, Admiraal van Castilië, gunsteling des

Konings; in één woord, een troetelkind van 't geluk;--maar 't kan

verkeeren, zegt Bredero: en met hem is het ook mal afgeloopen. Hij is in

ongenade geraakt, heeft zich uit de voeten gemaakt en niemand weet, wat

er van hem geworden is."

"'t Is waar ook," hervatte ik: "nu herinner ik mij, vroeger wel van den

man gehoord te hebben."

"Stil! stil toch!" zeide Tante, terwijl zij Van Baalen met den elleboog

aanstootte.

"Ik mag er dan toch wel bij vertellen," vervolgde hij, niets van de

geheime wenken van Tante begrijpende, "dat hij eigenlijk een

Gelderschman van geboorte was en zijn loopbaan in 's lands dienst

begonnen is. De Heer Blaek zal zich Baron Van Lintz wel herinneren?"

"Ik, Mijnheer?" vroeg de Heer Blaek, terwijl hij moeite had, om het

theekopje, dat in zijn hand beefde, aan den mond te brengen: "met uw

verlof ... neen ... ik herinner mij niets van hem."

"Niets! Is dan niet.... O! hoe kan ik zoo dom zijn?" zeide Van Baalen,

terwijl hij zichzelven met de vuist voor het hoofd sloeg: "Ik was

waarlijk uw betrekking tot dien man vergeten. Ik verzoek verschooning:

ik heb mij schandelijk voorbijgepraat. Zoo iets kan slechts mij alleen

gebeuren. Ik ben de ongelukkigste man van de wereld."

Nu was ik nog even wijs. Ik keek rond: de Heer Blaek was van zijn

ontsteltenis nauwelijks teruggekomen. Van Baalen ging voort met

_excuses_ te maken. Henriëtte zag met haar groote en fraaie oogen

iedereen beurtelings aan als om opheldering te vragen. Tante bood

theerandjes en confituren aan, en deed haar best om de aandacht af te

trekken. Lodewijk neuriede een Fransch liedje en Suzanna mompelde in

zich zelve:

_"Et jamais dans Larisse un lâche ravisseur

Me vint-il enlever ou ma femme ou ma soeur?"_

Wat Pulver betreft, hij was in zulk een rookwolk gehuld, dat het mij

onmogelijk was zijn gelaat te onderscheiden.

Het gesprek werd nu, zooals meestal het geval is na een dergelijk

_incident_, koud en onbeduidend: ja, het was met een waar genoegen, dat

iedereen het theegoed zag wegnemen, waarna wij gezamenlijk een wandeling

in 't dorp gingen doen. Dewijl de kermisvermakelijkheden, welke wij daar

bijwoonden, niet van dien aard waren, dat de beschrijving daarvan

eenigszins belangrijk voor den lezer zoude zijn, maar slechts dienen

zoude, om mijn verhaal nutteloos te verlengen, zal ik hier alleen

vermelden, dat Suzanna, bij het gooien aan een koekkraam, door de

fortuin begunstigd werd en het geluk had van een grooten koek te

trekken, waarop met gouden letters te lezen stond:

DIT IS

VOOR

MIJN

Ferdinand Huyck · 第 22 / 51 段