het met Sander en mij er slecht hebben uitgezien, gelijk je op zijn tijd
zult hooren (zooals de dief, die zijn vonnis beethad, tegen zijn maat
zei, die het nog krijgen moest). Sander sloeg dan in 't wilde op den
roover; maar daar waren er aanstonds vijf of zes van die lieve jongens
bij, die hem in zijn baaitje namen en hem op het dek haalden: en juist
was er een, die zijn bijl oplichtte om hem met de complimenten naar zijn
grootje te sturen, toen de rooverkapitein in 't Spaansch gelastte, dat
zij hem sparen zouden: en ik, die ook begreep, dat de jongen beter deed
zich stil te houden, ik riep uit al mijn macht: "Sandertje, mijn vriend!
Ben je mal? Wat wil je toch uitvoeren?" En zoo meteen als ik dat zei,
keek de Kapitein mij aan en, naar mij dacht, iets vriendelijker dan de
overigen: en toen fluisterde hij iets in de ooren aan een kameraad van
hem. Sandertje en ik werden aan mekaar gebonden, en zoo werden wij,
namelijk allen die nog leefden, op het roofschip overgebracht en
tusschendeks gesmeten."
"Dat was zeker al heel vriendelijk," merkte Suzanna aan.
"Zooals je zult komen te hooren," vervolgde Pulver: "wij gingen onder
zeil en het duurde zoo wat ongeveer vier of vijf etmalen dat wij in dat
Satansche hok bleven opgesloten zonder zon of maan te zien: alhoewel,
dit moet ik tot eer van den vrijbuiter en van zijn kok zeggen, wij
kregen, ofschoon gevangenen, beter eten dan op het Spaansche schip.
Eindelijk, den zesden dag geloof ik, liet men ons op het dek hijschen.
Ik keek ereis rond om de hoogte te nemen; maar Joost haal me zoo ik de
plaats herkende, waar wij ons bevonden: en dat was nogal natuurlijk,
daar ik er nooit geweest was. Wij lagen voor anker in een zeestraat;
althans voor zooverre ik in dien korten tijd heb kunnen bespeuren: het
was zout water, en zoo helder, dat men het zand van den bodem en al de
visschen, die er heen en weer zwommen, onderscheiden kon. Rechts en
links een muur van rotsen, die naar mijn gissing wel vijfhonderd voet
uit het water oprezen, en zoo steil, dat men zou gedacht hebben, zij
waren den dag te voren van elkander gespleten: overal groeiden er boomen
en struiken op, waar maar een beetje aarde en een scheur in de rots was
om zich op vast te hechten: terwijl het kanaal op sommige plaatsen zoo
smal was, dat de takken van weerskanten elkander ontmoetten bijwijze van
een _berceau_, zoo als men dat op zijn Fransch heet, geloof ik; en dan
had men er vogels in van alle soort, duiven en spechten en eenden, en
nachtegalen, die zongen, dat het een lust was, en witte kraanvogels, en
zwarte kraanvogels, en grijze kraanvogels, die hier en daar stonden te
kijken, met een verwaandheid als een diender voor een Sinterklaaswinkel.
Maar ik had niet lang tijd om alles nauwkeurig op te nemen: wij werden
in de jol neergelaten en een eindweegs van het schip gevoerd, tot wij
ons op een stee bevonden, waar het water een inham in de rotsen maakte.
Hier was een landingsplaats en een natuurlijke trap in de rots, die wij
op moesten: het was er bijwijlen mooi donker: want het hing er zoo dicht
van takken en struiken, dat de zon geen gelegenheid had om er door te
schijnen; en er liepen overal hagedissen, zoo vlug en zoo glinsterend
als ik ze mijn leven niet gezien heb.--Nu! toen wij boven op de hoogte
waren, moesten wij er aan de andere zijde weer af, en kwamen zoodoende
in een vallei, waar dan eigenlijk het ware verblijf van de zeeroovers
was: en een goede schuilplaats was het, want wie den ingang tot de
zeestraat en het pad over de rots niet kende, zou er jaren naar gezocht
hebben. Hier bracht men ons in een groote schuur, waar dag en nacht
schildwachten met geladen vuurroeren voor stonden: 't geen mooi onnoodig
was; want al hadden wij willen en kunnen wegloopen, ik weet niet waar
wij heen waren gegaan. Alle dagen kwam men een van de met ons gevangen
Senhores halen en die kwam dan niet weerom. "Die is er om koud", zei
Sander dan. Maar ik zei: "neen! dan zouden zij ons zoo lang den kost
niet gegeven hebben; maar zij geven hun de keus om gehangen te worden of
dienst bij hen te nemen; dat is zoo zeerooversmanier."--Wij dachten al,
wanneer zal de beurt aan ons komen? toen eens op een dag een allerliefst
Juffertje binnenkwam, een meisje zoo van veertien of vijftien jaren,
naar ik gis, met een recht vriendelijk gezichtje en een heel net kleedje
aan: "zijn er hier geen Hollandsche zeelui?" vroeg zij in zuiver
Nederduitsch. Sander en ik wij keken elkander aan, alsof wij het te
Keulen hadden hooren donderen. "Tot je dienst," zeiden wij allebei: "wat
is er van je believen?"--"Wilt ge zoo goed zijn, mij te volgen?" zei zij
toen weer, met een allerliefst stemmetje. "Niets liever dan dat,"
antwoordden wij; want wij hadden mooi onze bekomst van in die stinkende
schuur te zitten. Zij ging vooruit; de schildwachten presenteerden het
geweer voor haar, krek of zij een prinses ware geweest, en zoo wandelden
wij achter haar over het veld, totdat wij aan een heel aardig zomerhuis
kwamen, dat tusschen hooge kokosboomen gelegen was. Hier stond weer een
kerel op schildwacht, die ons met haar doorliet. Zij stootte een zijdeur
open en wij zagen een man zitten met een sitsen gebloemden japanschen
rok aan zijn bast, druk bezig met schrijven.--"Hier zijn de twee
Hollanders. Papa!" zeide het Juffertje. De vreemde Heer keek op: het was
warentig de rooverkapitein.--"Hoe heet je?" vroeg hij, terwijl hij mij
strak aankeek.
"Harmen Pulver," zei ik:--"Wat duivel spreekt UEd. ook al Duitsch?"
"Gij komt hier om te antwoorden: en niet om vragen te doen," zei hij,
met een barsche stem, terwijl hij de wenkbrauwen samentrok. "Hoe oud
zijt gij?"
"Vijf en veertig jaar," zei ik weer, terwijl ik mijn kop krabde.
"Hoe kwaamt gij op dat Spaansche schip verzeild?" vroeg hij alweer.
"Wel!" zei ik: "dat wil ik wel ereis vertellen:"--en zoo zei ik hem de
gansche waarheid, van stukje tot beetje. Hij luisterde heel aandachtig
toe en vroeg mij vervolgens, hoe lang ik ter zee gevaren had, of ik
vrouw en kinderen te huis had en zoo al meer. Toen draaide hij zich naar
Sandertje, die ook zijn naam en zijn jaren op moest biechten.--"Sander
Gerritz!" zei hij toen, "gij zult vooreerst in mijn dienst blijven, tot
zoolang ik een andere bestemming voor u vinde. Amelia! breng dien knaap
naar achteren en zeg aan Diego, dat hij hem een stel kleederen bezorge
en in zijn werk onderrichte."
Bij dit gedeelte van Pulvers verhaal kon ik niet nalaten, verwonderd op
te zien. "Amelia," herhaalde ik: "heette zijn dochter Amelia?"
"Wel ja, Amelia!" hernam Pulver: "een mooie naam voor de dochter van een
rooverkapitein. Nu, dat is tot daar aan toe. Het meisje was in allen
gevalle een lief en vriendelijk ding: zij wipte de kamer uit en Sander
volgde haar, niet recht zeker of hij wel of kwalijk deed, geloof ik;
want hij keek mij een keer of drie aan in 't heengaan, als een
tolgaarder zou doen, wien ze onzuivere munt in de hand gestopt hebben.
"Nu komt mijne beurt," dacht ik.--"En gij, Harmen Pulver!" zei de
Kapitein, "gij zult Onderstuurman bij mij worden, overmits ik den mijnen
in het laatste gevecht heb verloren."--"Ik bedank u hartelijk," zei
ik.--Toen zette hij een gezicht, alsof hij mij op wou vreten. "Wat," zei
hij, "en waarom niet?" vroeg hij, alsof het een Admiraalsbaantje was,
dat hij mij gepresenteerd had.
"Wel!" zei ik weer: "omdat...." en meteen snuffelde ik in mijn broekzak,
waar ik nog, spijt schipbreuk en roovers en al, een klein zakbijbeltje
had bewaard, en ik sloeg het open: "kijk!" zei ik, en wees hem op het
achtste gebod."
"Dat was braaf gehandeld," zeide Henriëtte: en Suzanna zag den dikken
man met eenigen eerbied aan, alsof zij een innerlijke gelofte deed, van
ten minste de eerste tien minuten den spot niet met hem te drijven.
"En hoe nam de zeeroover dat op?" vroegen wij allen als uit éénen mond.
"Wel dat viel mee (zooals de dronken bottelier zei, toen hij met de
gangtrap in zee rolde).--Hij keek wel eerst wat stuursch, maar het
maakte toch indruk, merkte ik: "ik wil geen theologisch dispuut met u
beginnen," zei hij: "anders zou ik u kunnen overtuigen, dat dit artikel
(hij noemde het een artikel: de man was ook niet vast in de leer!) dat
dit artikel," zeide hij, "op mijn beroep niet toepasselijk is. Ik ben
hier zooveel als Souverein, geloof ik," zei hij: "en in oorlog met alle
natiën: alleen heb ik nog een gekkelijk zwak voor Hollanders, ofschoon
zij het niet aan mij verdiend hebben.--Ik geef u nog een uur om te
bedenken," zei hij; en meteen vouwde hij heel bedaard het papier dat hij
geschreven had, dicht, en stond op om heen te gaan.--"En zoo ik het nu
niet aanneem," zei ik: "wat dan?"
"Dan wordt gij gehangen," zei hij, op denzelfden toon, alsof hij mij de
keus had gelaten tusschen een slok brandewijn of een glas rood, en hij
stapte de deur uit."
"Uw toestand moet alles behalve vroolijk zijn geweest," merkte ik aan.
"Om den drommel niet," zeide Pulver: "maar ik had er mij al zoo half en
half op verwacht en mijn besluit was genomen; want ik dacht: men moet
toch eenmaal dood en dan nog liever als een Christenmensch gestorven.
Zoo ging ik zitten en dacht: ik zal mijn laatste uurtje toch zoo goed
mogelijk besteden en lezen een kapitteltje uit de Schrift: en met dat ik
daaraan bezig was, zoo komt mij dat Juffertje weer binnentrippelen. "Och
Kapitein!" zei ze zoo: "vertel mij toch ereis wat van Holland: ik hoor
zoo graag van Holland spreken."--"Lief Juffertje!" zei ik, "dat zou ik
met plezier doen, waarom niet; maar ik heb nu zoo slecht den tijd, want
over een uur, weet je, moet ik gehangen worden: en daarom dien ik mijn
leste oogenblikken wel te besteden met mijn ziel in een staat van genade
te brengen, en nog eens aan mijn arme vrouw en zes bloeien van kinderen
te denken, die ik ik huis heb gelaten." En met voelde ik dat mijn oogen
overliepen. "Wat!" zei zij: "hebt gij vrouw en kinderen?" en zij begon
ook mee te schreien, de goede medelijdende ziel. "En wie wil u laten
hangen?" vroeg zij: is het Papa?--Ja?--In dat geval, zal ik hem zoo lang
smeeken en bidden, tot hij u genade geeft."--"Juffertje!" zei ik: "het
hangt van mij af, om te blijven leven; maar dan moet ik dienst nemen bij
uw vader; en zie je, dat kan ik nu zoo maar niet met mijn geweten
overeenbrengen."--"En waarom niet?" vroeg zij, met een heel natuurlijk
stemmetje. "Ja!" zei ik zoo, "om dat rooversbedrijf, dat strijdt zoo wat
tegen goddelijke en menschelijke wetten." Toen keek zij mij heel strak
in 't gezicht, omtrent even strak als haar vader gedaan had. "Ik weet
het," zei zij toen, snel sprekende, net alsof zij bang was voor hetgeen
zij zeide: "ik weet het:--spreek daar niet meer over. Gij hebt gelijk:
ik ben het slechts ontwend, dergelijke waarheden te hooren. Lees voort
en ik zal u niet storen: maar ik wil hier blijven: ik moet met mijn
vader spreken: dat zal zoo niet afloopen."
"Zonderling!" zeide Henriëtte, zich een traan uit het oog wisschende:
"en hoe kwam de vader van een meisje, dat zoo sprak, aan het hoofd van
een roofschip?"
"Dat is wat ik ook dikwijls gedacht heb, Juffertje!" zeide Pulver: "maar
UEd. zal nog meer hooren. Juffrouw Amelia dan ging over mij zitten, met
de armen gekruist en terwijl zij stipt voor zich keek. Het uur was
nauwelijks verloopen, of daar stapte haar vader weêr binnen: "Wie heeft
u geheeten, hier te komen?" vroeg hij aan zijn dochter: "laat ons
alleen."--"Neen!" zei zijn dochter: "dat doe ik niet, of gij moet mij
eerst beloven, dien man vrij te laten. Hij heeft vrouw en kinderen," zei
zij, terwijl zij de handen vouwde. "Laat hem gaan, vaderlief, gij zult
het immers aan uwe kleine Amelia niet weigeren?" en zoo ging zij voort,
terwijl ze hem allerlei lieve woordjes gaf, en hij wrevelig voor zich
bleef kijken. Eindelijk scheen hij eenigszins tot andere gedachten te
komen: hij nam haar bij de hand, zei iets tot haar in 't Spaansch, en
bracht haar, half willig, half onwillig de kamer uit. Ik hoorde echter
dat hij haar buiten de deur een zoen gaf: dat dacht mij een goed
voorteeken te zijn. Toen kwam hij weer tot mij: "Wel!" zeide hij: "hebt
gij uw besluit genomen!"--"Ja," zei ik. "En wat is het, kort en goed,
zonder teksten?" vroeg hij, "ja of neen?"--"Neen!" zei ik. "Dus hangen?"
vroeg hij weer.--"Neen! ook niet," zei ik, "immers niet met mijn
wil."--"Gij begrijpt toch," zei hij, "dat er geen derde keus overblijft.
Ik kan toch niet iemand, die eenmaal hier geweest is, levend laten
vertrekken om, als hij te huis is, mijn schuilplaats te
verklikken."--"Hoor, weet je wat, Kapitein!" zei ik: "laat mij gerust
gaan, al ware het op dezelfde manier waar ik op gekomen ben, van mijn
bezoeken zal je geen last meer hebben, dat beloof ik u: en om aan
anderen den weg te wijzen, dan moest ik hem eerst zelf kennen. 't Is
waarachtig beter, dat gij mij het leven schenkt: gij weet niet hoe het u
naderhand nog kan te pas komen: als b.v. de Heeren van de Compagnie u
eens bij de kladden krijgen, dan zal het u meer goed doen, als ik in uw
voordeel spreken kan, dan dat ik nu aan een van die gindsche hoornen
bungelde."--Hij scheen even na te denken: "gij kunt onze levenswijs nog
niet beoordeelen," zei hij: "een man moet weten, wat hij kiest of wat
hij verlaat." Met floot hij en er kwam een aardige jongen in een
matrozenpakje binnen, aan wien hij in 't Spaansch zijn bevelen gaf.
"Volg dien knaap!" zei hij toen: "die zal u brengen, waar gij wezen
moet!" Wat zou ik doen? Ik maakte een strijkage en ging ons maatje
achterna, die mij buitenshuis bracht en naar een ander gebouw, waar de
bende gewoon scheen te zijn haar middagmaal te nemen. Hier kwam er een
hoop bij elkander alsof zij van den toren van Babel gestuurd waren, volk
van alle natiën en tongen: er waren er Portugeezen, Spanjolen,
Engelschen, Italiaanders, Françoisen, Hollanders ook, schande genoeg! En
ik moest mee aanzitten en zien hoe het er toeging. Ik moet zeggen, die
schelmen hadden een tafel of het voor een Burgemeester was: vleesch en
gevogelte van allerlei soort: en wijn, zooveel hun lustte en van den
besten ook. Ik dacht: Pulvertje! dat is allemaal om u te verleien; maar
deze reis zal het hun niet lukken.--Ondertusschen waren er een paar
naast mij gaan zitten, die vertelden mij, hoe goed zij het hadden onder
Don Manoël, zoo noemden zij den Kapitein, en wat een dwaasheid ik doen
zou, indien ik niet met hen bleef: en onderwijl schonken zij mij al in,
den eenen kroes voor, den anderen na. Maar ik lachte in mijn vuist: en
dacht: als het op pooieren aankomt, dan ben ik nog niet bang: ik heb een
bast, die kan er tegen, zooals Thomasvaer in de klucht zeit. En
bovendien had ik van al het praten een keel gekregen, zoo droog of ze
van een weverswammes gemaakt was. En ziet, mijn buren raakten allebei
zoo mooi bezorgd, dat zij van de bank rolden. Toen kwam er een ander,
die wou mij een papier laten teekenen; maar ik smeet het wat deftig over
de tafel heen: waarop er een was, die mij te lijf wou: maar ik gaf hem
een muilpeer, dat hij naar de tweede niet vroeg. Toen vielen zij
allemaal op mij aan; en bonden mij en smeten mij in een hok, waar ik
tijd had om uit te slapen. Den volgenden morgen kwamen er vier kerels
mij halen, en begonnen mij met een doek over mijn kluisgaten te binden,
dat ik niet zien zou wat zij in 't vizier hadden. Ik kreeg slechte
gedachten, toen zij mij naar buiten brachten, en meende, nu was mijn uur
gekomen, en ik moest maar mijn best doen om als een vroom Christenmensch
te sterven; maar jawel! ik had pas een eindweegs opgekuierd, of ze
smeten mij in een sloep, en na een tijdlang roeiens, merkte ik aan den
wind, die op mijn frontwerk speulde, dat wij kort aan zee waren. Opeens
werd ik aan boord van een schip geheeschen: "zouden zij mij nu naar
zeemansmanier aan de ra hangen?" dacht ik; maar ook al niet: ik werd
tusschendeks gelaten, ik hoorde het anker lichten, en wij staken van
wal. Het duurde zeker wel twintig dagen, eer de reis ten einde was, en
ik bleef al dien tijd beneden, zonder eens op het dek te mogen komen, en
zonder dat iemand boe of ba tegen mij zei: gij kunt denken, of ik ook
het land had. Eindelijk liet men het anker vallen: ik werd weer
geblinddoekt, in de sloep gelaten en aan wal gebracht. Toen mij de doek
werd afgenomen, zag ik, dat ik in een klein boschje was, doch waar, wist
Joost. Een van de roovers, die Hollandsch sprak, stond naast mij en
stelde mij een geldzakje ter hand. "Houdaar!" zei hij: "en maak dat je
naar den bl---- komt. Gij hebt slechts het eerste pad het beste te
volgen, om menschen te vinden. Maar zoo gij ons altemet mocht herkennen
t'avond of morgen, draag zorg dan ons niet te verklappen, noch ons na te
volgen, of...," hier maakte hij een beweging, die ik best begreep. "Geen
nood," zei ik, "en goeie reis (zooals de man, die zich baadde, tegen de
haaien zei.)" Weg liepen zij: en ik stond alleen te kijken als malle
Piet. Maar ik dacht, ik zal den anderen weg kiezen: en zoo liep ik dwars
door het boschje heen, mooi nieuwsgierig waar ik zou aanlanden, tot ik
aan een soort van huisje kwam, waar ik een paar negers vond, die mij te
recht hielpen, en mij naar de Havannah brachten, want daar was ik geen
twee geweerschoten van verwijderd. Ik kuierde de stad binnen en vond al
gauw een plaats om onder dak te komen, bij een ouden landsman, dien ik
er wonen wist. "Wel Kapitein Pulver," zei die, toen hij mij zag: "hoe
kom je zoo uit de lucht vallen?" "Patientie!" zei ik, "dat zal ik u
naderhand wel eens vertellen." Den volgenden dag ging ik ereis op mijn
kuier, maar, schoon ik in een paar kooplieden, die ik onderweg
ontmoette, twee van Don Manoëls volk meende te herkennen, en schoon er
een net getuigd en gekoperd brikje onder Portugeesche vlag in de haven
lag, dat al rare vermoedens bij mij deed ontstaan, ik paste wel op, mijn
mond dicht te houden, zoo lang ik er bleef: 't geen gelukkig korter was
dan ik eerst vreesde: want er kwam eenige dagen daarna gelegenheid om
naar Curaçao te varen, waar ik "de Prins te Paard" bij geluk nog vond,
die juist het anker zou lichten, en je kunt denken, hoe zij allen te
kijken stonden, toen zij mij in levenden lijven weerom vonden; want zij
dachten niet anders, of ik had uit de groote spoelkom gedronken. Nu
vraag ik u, of Kapitein Pulver al rare ondervinding heeft opgedaan?"
"Mij dunkt zij hebben nogal wat met u gesold," zeide Suzanna: "doch het
schijnt u geen kwaad gedaan te hebben, en gij zijt tegen de verdrukking
aangegroeid.--En hebt gij naderhand nooit iets van dien rooverkapitein
vernomen?"
"Neen," antwoordde Pulver: "en ik heb ook nooit verlangd de kennis te
hernieuwen (zooals de dief tegen den beulsknecht zei). Maar ik meen dat
hij, zoo wat een jaar nadat ik hem gezien heb, verdwenen is:--althans
later heb ik niet meer van hem hooren spreken, maar wel van een anderen
zeeroover, die onder den naam van Zwarten Piet doorging, en geen haar
beter was dan zijn voorganger."
"Zwarte Piet!" herhaalde Henriëtte: "is dat dezelfde, wien men beweert,
dat hier in den omtrek rondzwerft en de wegen onveilig maakt."
"Foei! laten wij niet over dieven spreken, die zoo in de buurt huizen,"
zeide Suzanna: "dat geeft maar slapelooze nachten. Maar van uw vriend
Sander, hebt gij daar nooit tijding meer van gehad, Kapitein?"
"Neen!" antwoordde hij: "en ik vrees, dat hij smaak in 't rooversleven
gekregen heeft; want hij was altijd een ondernemende gast; 't zou jammer
van den jongen bol geweest zijn; doch het bloed kruipt waar 't niet gaan
kan."
De dames gingen voort, den Kapitein nog over vele bijzonderheden te
ondervragen. Wat mij betreft, ik was stil geworden. Het weinige, dat de
verhaler zoo van het uiterlijke voorkomen als van de handelwijze van Don
Manoël en zijn dochter gezegd had, en de naam van Amelia, aan deze
laatste gegeven, hadden zonderlinge vermoedens bij mij doen ontstaan,
waaraan ik hechten bleef, in weerwil van mijzelven. Wenschende,
hieromtrent nader onderricht te ontvangen, wachtte ik het oogenblik af,
dat de jonge meisjes met haar ondervragingen hadden afgedaan en zich
vermaakten om in de _menagerie_, waar wij waren aangekomen, de
goudlakensche faisanten te voederen, terwijl Pulver zijn versch gestopte
pijp door middel van een brandglas aanstak, om dezen laatste te vragen,
mij nader te beschrijven, hoe die zeeroover er toch wel uitzag.
"Wel! zooals ik UEd. gezegd heb," zeide hij: "een groote forsche kerel
met een _sombrero_ op het hoofd, een plantersbuis en een zeemansbroek,
een koppel pistolen...."
"Ja," viel ik in: "en naderhand een japansche rok; maar zijn gelaat?"
"Een knap slag van een vent: een paar fiksche oogen ... wat zal ik er
meer van zeggen?"
"En zijn dochter?"
"Ja! een aardig meisje, of zij zwart of blond was weet ik niet meer: een
goed gezicht ... en zoo groot als een meisje van veertien, vijftien
jaren."
Met deze opheldering moest ik mij voor het oogenblik wel tevreden
stellen: en de klank van den bengel, die ons de aankomst van nieuwe
gasten verkondigde, deed ons spoedig weder den weg huiswaarts nemen. Wij
vonden den eigenaar van Guldenhof en zijn zoon op de stoep met Tante en
Van Baalen in gesprek. De Heer Blaek was de eerste, die naar ons
toekwam. Zijn kleeding was vrij wat keuriger, zijn gelaat vriendelijker
en zijn toon beleefder, dan toen ik hem in zijn koepel ontmoette. Hij
groette ons op een zeer heusche wijze, zeide iets zeer vleiends aan
Suzanna, kuste Henriëtte, en zich vervolgens tot mij wendende, drukte
hij mij de hand en vroeg mij om verschooning, zoo mijn onthaal op
Guldenhof niet was geweest gelijk het behoorde. "Maar mijn lieve Heer
Huyck!" zeide hij: "alles werkte ook samen om mij verkeerde vermoedens
jegens u te doen opvatten: uw kleeding, de verrassing van het oogenblik,
het verhaal van dieverijen in de buurt gepleegd, en zoo voort. Nu! doe
mij vermaak en toon mij, dat UEd. mij geen kwaad hart toedraagt, door
mij eens te komen bezoeken.--Gij zult mij altijd welkom wezen, en het
zal mijn zoon ongetwijfeld aangenaam zijn, nadere kennis met u te maken.
Sta mij toe, u aan elkanderen voor te stellen. Lodewijk was niet in zijn
schik," vervolgde hij, zich tot Henriëtte wendende, "dat gij, zoo zonder
hem daar iets van te zeggen, herwaarts getrokken waart. Gij weet, dat in
uwe afwezigheid Gildenhof weinig bekoorlijks voor hem oplevert."
"Dat wist ik niet, Oom!" zeide Henriëtte: "en zoo ik hem niet gezegd
heb, dat ik hierheen ging, het is, omdat hij zich in de laatste twee
dagen niet te huis heeft laten zien."
Ondertusschen was Lodewijk op den wenk zijns vaders ons genaderd, echter
niet met die haast, welke de Heer Blaek wilde doen gelooven, dat hem
naar zijn nicht dreef.
"Komaan Lodewijk!" zeide zijn vader: "ik weet, gij zult verlangen om
Jetje wat te beknorren; maar eerst moet ik u aan den Heer Huyck
voorstellen, en u gelegenheid geven, om, evenals ik reeds deed, hem voor
onze misvatting en onbeleefdheid verschooning te vragen."
Lodewijk en ik groetten elkanderen met die uiterlijke beleefdheid, welke
de samenleving voorschrijft ook aan hen, die elkanderen niet lijden
mogen.
"Wij hebben de kennis reeds hernieuwd," zeide ik.
Lodewijk zag mij schuins aan, en vervolgens, zich tot de dames wendende,
begon hij, waarschijnlijk om mij te vermijden, een druk gesprek met
Henriëtte, zoodat zijns vaders gelaat van tevredenheid blonk, en deze
nauwelijks de buigingen opmerkte, waarmede Kapitein Pulver hem
begroette.
Niet lang daarna kwam de boodschap, dat het middagmaal was opgedischt,
en begaven wij ons naar de eetzaal. Tante plaatste zich tusschen de
beide oude Heeren: naast Van Baalen kwam Kapitein Pulver te zitten,
vervolgens mijn onwaardig ik, dan Henriëtte, en Lodewijk werd tusschen
haar en Suzanna geschikt. Ik maakte, gelijk men denken kan, van de
gelegenheid gebruik, om aan mijn buurjuffer alle mogelijke kleine
oplettendheden te bewijzen, zonder juist op te merken, of liever zonder
er mij aan te storen, dat haar oom dit vrij zuur aanzag, en zich
waarschijnlijk reeds beklaagde, dat hij mij den toegang tot zijn huis
had opengezet. De afgetrokkenheid van den Heer Blaek ontsnapte echter
niet aan Suzanna, noch zelfs aan Tante, die hem er over begon te plagen.
"Ach Mevrouw!" fluisterde hij eindelijk, glimlachende: "er was een tijd,
waarin ik niet afgetrokken was in uw bijzijn, en het zoude van u
afhangen, dien tijd te doen herleven."
"Ei kom! Het is een hoofdstuk uit de oude geschiedenis, dat gij
voordreunt," zeide Tante, lachende.