Op de beide eerste bevelen had de koetsier eenvoudig: "jawel Mijnheer!"

geantwoord; tegen het laatste vermeende hij evenwel te moeten opkomen.

"Mijnheer!" zeide hij: "het beest is gisteren pas beslagen."

"Ik herhaal u, gij brengt het naar den smid," zeide Van Baalen, "'t is

of ik altijd bedienden aantref, die mij tegenspreken: ik heb duidelijk

gehoord, dat een van die ijzers los zit: en gij komt precies te zeven

voor," enz. Hier herhaalde bij zijne bevelen in dezelfde orde.

"De man is punctueel," dacht ik: "en het schijnt moeilijk hem tevreden

te stellen: in allen gevalle zal het mijne schuld zijn indien ik zijn

begeerte niet begrijp."

Intusschen was Kapitein Pulver, die door zijn patroon was medegenomen,

de koets uitgesprongen ongeveer als een bom, die uit den ketel vliegt.

Zoo de Heer Van Baalen een contrast had willen uitzoeken om met hem te

reizen, had hij er geen beter kunnen aantreffen. Kapitein Pulver was een

kort, dik, rond ventje, zoo zwaarlijvig, dat men zich op een afstand van

hem plaatsen moest om zijn beenen te zien: en boven het ronde lichaam

was een klein, rond hoofdje geplaatst, evenals een knop op een

Delftschen trekpot.

Beide gasten begaven zich onder mijn geleide naar de zijkamer, waar

Tante hen verwelkomde. De Heer Van Baalen maakte bij het inkomen een

buiging in het rond; doch zonder iemand bepaaldelijk aan te zien of toe

te spreken, en schijnbaar geheel andere zaken in 't hoofd hebbende.

Vervolgens haalde hij zijn horloge uit, vergeleek het met het uurwerk,

dat in het vertrek stond, en schudde wrevelig het hoofd.

"'t Is fataal!" zeide hij: "ik had gedacht, zoo goed op mijn tijd gepast

te hebben: en nu is het reeds kwartier over twaalven. Maar mijn horloge

zal wel weer mis zijn. 't Is of mij dit altijd gebeuren moet."

"Ik weet dat UEd. een man van de klok is," zeide Tante. "Zoo uw horloge

en deze klok verschillen, zal het wel aan de laatste haperen."

"Of aan de wegen, die mij belet hebben, genoegzaam spoed te maken.

't Is of ik altijd...."

"Hoe gaat het, Kapitein Pulver?" vroeg Tante, zonder verder naar de

Jobsklachten van Van Baalen te luisteren, aan den goeden Schipper, die

achter zijn patroon buigingen stond te maken en zich met een bonten

zakdoek het zweet af te drogen, dat hem tappelings langs het voorhoofd

liep.

"Ik hoop dat ik geen belet doe, (zooals het mes tegen den oester zei),"

zeide Pulver, zijn buigingen herhalende: "maar UEd. had mij zoo

vriendelijk laten noodigen, dat...."

"In 't geheel niet; gij zijt mij altijd welkom," zeide Tante, en zich

wederom tot Van Baalen wendende en mij aan hem voorstellende: "ziehier

mijn neef Ferdinand," vervolgde zij.

"Zoo!" zeide de Heer Van Baalen, mij met een doffen en verstrooiden blik

aanziende: "het zal mij aangenaam zijn, kennis te maken. Mag ik vragen,

of UEd. reeds iets aan de negotie gedaan heeft?"

"Wel Mijnheer Van Baalen! dat is een vraag!" zeide Tante: "Hoe zegt

Rodrigue ook, Nichtje?"

"UEd. wilt Ferdinand toch niet grootsch maken," zeide Suzanna: "door van

hem te zeggen:

_Ses pareils à deux fois ne se font pas connoitre

Et pour des coups d' essai veulent des coups de maître_."

"Is UEd. dan vergeten, hoe wij de voordeelige schikking onzer zaak met

het huis Bertini te Livorno aan hem te danken hebben?" hernam Tante.

"'t Is waar!" zeide Van Baalen, als uit een droom ontwakende. "Dat was

een meesterstuk! Een zaak die mooi ingewikkeld was ook, en dat nog wel

in een vreemd land. Gij hebt er u goed uit gered, Mijnheer Huyck!--Maar

daar kwam eigenlijk meer rechtsgeleerdheid dan handelskennis bij te

pas."

"Ik twijfel niet," zeide ik, wenschende zooveel mogelijk de goede gunst

van den man te verwerven, "of, niettegenstaande mijn mercantiëele kennis

gering is, mijn goede wil en de voorlichting van den Heer Van Baalen

zullen mij wel in staat stellen om geen geheel onwaardig figuur aan zijn

zijde te maken."

"Wel gezegd!" zeide hij: "de practijk moet het hem doen: ofschoon, het

is thans ook al de goede tijd niet meer: de zaken zijn slap en de

verdiensten verminderen bij den dag: althans het is of het mij altijd

moet tegenloopen. Wanneer ik eens een speculatie doe, die anderen tonnen

gouds in den zak jaagt, moet ik mij met eenige percenten vergenoegen."

"Gij kooplieden zijt evenals de boeren," zeide Tante: "altijd klagen, al

gaat het nog zoo voor den wind. Zal de balans van dit jaar een zooveel

minder voordeelig saldo opleveren dan die van het vorige?"

"Daar valt nog niets van te zeggen," zeide Van Baalen: "maar," vervolgde

hij met een zucht: "het saldo zou eens zooveel moeten bedragen, wanneer

wij den tegenwoordigen koers van het geld in aanmerking nemen, en

nagaan, hoe anderen profiteeren.--En dan die fatale oorlog tusschen

Rusland en Zweden!"

"Ik dacht in mijn onnoozelheid," zeide Suzanna, "dat het best visschen

was in troebel water."

Wij waren intusschen gaan zitten: eenige ververschingen werden

toegediend en aan Pulver werd een pijp aangeboden: ofschoon het anders

de gewoonte niet was, dat er bij Tante aan huis gerookt werd. Maar zij

was, en terecht, van oordeel, dat men aan gasten van een minderen rang

nog meerdere oplettendheden moet bewijzen dan aan hen, die met ons

gelijkstaan, en alles aanwenden, om hen op hun gemak te stellen: daar

zij anders zich lichtelijk verbeelden dat men hen uit de hoogte

behandelt of hun niet geeft wat hun toekomt.

"De weg van Diemerbrug naar Weesp wordt bij uitstek slecht onderhouden,"

zeide Van Baalen: "of liever in 't geheel niet. Ik heb somwijlen

gedacht, dat ik er niet levend af zoude komen: en ik hen overtuigd, dat

mijn rijtuig er van gelust heeft."

"Er bestaat een twist tusschen de Ingelanden en het Zandpad," zeide

Tante, "wie van beiden den weg herstellen moet."

"Et le peuple pâtit de leurs tristes débats,"

zeide Suzanna.

"O Mevrouw!" zeide Pulver, die nu zijn pijp had aangestoken: "indien de

Patroon een reisje op Java gedaan had, of slechts door Zweden, dan zou

hij voorwaar zoo niet klagen. Ik herinner mij Schonen, Smaland,

Ostrogotland en Sundermanland te zijn doorgereisd, zonder dag of nacht

op te houden, schrijlings zittende op een plank op wielen, 't geen men

daar nog wel gelieft een kariool te noemen, en tot voerman een meisje

van vijftien jaren, over dik en dun."

"Dan moet hij veel hebben gehad van een bierton, die vervoerd wordt,"

fluisterde Suzanna mij in.

"Ja!" vervolgde Pulver, terwijl hij een wolkdamp wegblies, "dat was een

benauwde reis, die mij al mijn leven heugen zal: van Rostok af tot aan

Stokholm toe niets als ellende met zuur bier, tweemalen storm, eens door

een Russisch fregat nagezeten, dat ons voor Zweden aanzag: en dan die

wandeling op een plank?"

"Ja!" zeide Van Baalen met een zucht: "gij hebt altijd tegenspoeden

gehad, zoo dikwijls gij voor ons gereisd hebt. En als ik niet wist dat

het uwe schuld niet is, en dat gij een knappe kerel zijt ... hm! hm!"

"Wel Mijnheer!" zeide Pulver: "UEd. doet mij blozen (als de kreeft zei

tegen de braadpan), maar, wat ik zeggen wou, dat alles kwam toch niets

bij hetgeen ik uitgestaan heb toen ik voor de West-Indische Compagnie

voer. Heb ik dat wel eens aan Mevrouw verteld? ik geloof al."

"Welzeker," antwoordde Tante: "maar daar is Neef en de jonge Juffers,

die zouden het misschien wel eens willen hooren."

"O ja! als 't u belieft, Kapitein?" riepen Henriëtte en Suzanna, als uit

éénen mond: en ik betuigde insgelijks, dat ik zeer verlangende was naar

het verhaal.

"Nu ja!" zeide Tante: "straks op de wandeling: dan kunnen de Heer Van

Baalen en ik onze zaken terwijl eens bepraten."

Er was hier niets tegen in te brengen: en zoodra onze lichamen

behoorlijk versterkt waren en Kapitein Pulver, door zijn kopje om te

keeren, getoond had, dat hij genoeg koffie gebruikt had, verlieten wij

gezamenlijk het huis: Tante nam Van Baalen onder den arm en was spoedig

met hem in een druk onderhoud gewikkeld; en wij jonge lieden drongen ons

om Pulver heen, ten einde hem aan zijn belofte te herinneren. Dit was

echter niet noodig; want de man brandde reeds van verlangen om zijn

verhaal te plaatsen.

"Komaan! (zooals de man tegen de nauwe laars zei)" zeide Pulver: "dan

zullen wij met de vertelling maar van wal steken: 't is nog al een

aardigheid voor jongelui, die nooit den neus buitengaats gestoken

hebben, zoo ereis te vernemen, hoe het op het groote vaarwater toegaat,

en dat het niet altijd meeloopt; maar dat zullen wij weldra hooren, zei

doove Tijs. Je moet dan weten, dat het zoo omme ende bij een goeje vijf

jaar geleden is, dat ik voor de Compagnie voer op het Brikschip: "de

Prins te Paard", naar Curaçao bestemd. Wij hadden altijd voor-de-wind en

geen rakje in 't zeil gehad, totdat wij zoo naar mijn beste geheugenis

op vijftien graden N.B. waren gekomen. Het woei een bramzeilskoelte,

genoeg om het schip aan den gang te houden; meer niet: ik was naar kooi

gegaan: en pas had ik naar de gis een uur geslapen, en droomde, dat

moeder Pulver, die ik te huis gelaten had in de blije verwachting, met

al onze zeven kinderen voor me stond, en dat mijn kleine Maarten, die nu

ook al het zeegat uit is, een rateltje in de hand hield en een

vervaarlijk leven maakte, zoodat ik hem een labberdoedas om zijn ooren

gaf, en verzocht of hij op wou houen, toen ik een stem boven mijn hoofd

hoor: "omlaag hou! Schipper! omlaag hou!"

"Wat is er?" vroeg ik, met een schrik opspringende: "wie roept daar?"

En het was of ik nog altijd dat rateltje boven mijn hoofd hoorde.

"'t Is Sander," zei hij.

"Wat nieuws?" vroeg ik weer.

"Hoor je 't niet?" vroeg hij: "zwaar weer ophanden."

Ik sprong de kooi uit: en nu merkte ik, dat hetgeen ik voor het rateltje

van Maarten hield, het kletteren van den regen op het dek was; klik

klakkerdeklak! ging het, puur of zij met zakken vol erreten over de

planken strooiden.

"Heb je ooit meer zoo'n regen gehoord?" vroeg Sander. Sander was mijn

tweede stuurman, een jongen als een vlag, daar ik op rekenen kon als op

mijn zelvers, die zijn werk goed verstond; maar ik was toch eerst wat

knorrig, omdat hij mij in mijn rust stoorde.

"Wel" zei ik zoo: "al regende het handspaken en oude wijven! ben je nou

bang voor een beetje regen, man?" maar ik schoot mijn duffel toch aan,

zette mijn zuidwester op en kwam boven."

"Wel wat zeg je van dat weertje, Schipper?" vroeg Sander.

Ik keek ereis rond: "wat zal ik zeggen?" zei ik zoo: "'t is mooi donker

en ik hou niet van zoo'n hooge zee zonder dat men wind voelt."

"De zee is den gansenen nacht al hooger geworden," zei Sander: "en het

zwerk hangt laag."

Ik keek op mijn klok: het was al vijf uren, en ofschoon de zon al haast

moest opkomen, er was nog geen witte streek in het oosten te zien. De

regen bleef ondertusschen met geweld vallen, en de lucht was zwart als

een inktflesch; maar wat vreemd was, op het water was het helder als de

dag.

"Schip in lij!" riep de Uitkijk, terwijl ik met den stuurman en Sander

bij het roer stond.

Ik haalde mijn kat-oog voor den dag, en jawel: daar zag ik duidelijk een

galjoen, kennelijk van Spaansch makelei: ik kon masten en tuigage klaar

onderscheiden. Maar lang keek ik er niet naar; want ik was niet op mijn

gemak met het weer. De regen had opgehouden; maar de wolken zonken al

lager en lager en begonnen te wervelen en te draaien, als zwarte rook

die naar beneden slaat: en zoover als men zien kon, waren in het

zuidoosten de golven met wit schuim bedekt, en wij hoorden een dof

gerommel onder het water alsof er een aardbeving op volgen moest. "Is

dat donder?" vroeg Sander: "ik wou dat het waar was," zei ik.

Ondertusschen was in de verte de dichte regen loodrecht blijven vallen;

maar na een kwartier ongeveer begon de wind er van onderen tusschen te

spelen en de stralen van den regen zwaaiden heen en weer, eerst lang,

vervolgens hooger op, naarmate de wind klom, tot eindelijk de gansche

watermassa een schuinsche richting kreeg, ik reken zoo van een hoek van

dertig graden met den horizon. Ik had onderwijl alle zeilen laten

bergen; want ik mistrouwde het weer, zooals ik zeide: en ik had geen

ongelijk, als gij hooren zult. De regen viel gedurende eenige minuten

dicht als een gordijn naar beneden: toen hij opeens zich verspreidde

alsof hij weggeblazen werd en in rook verdween. Recht op ons af echter

kroop een witte streep over het water als stof op den grooten weg,

wanneer het lang droog is geweest. Wij hoorden het doffe geluid al

sterker en sterker, en mijn schip begon te kraken en te zuchten, of het

zijn lot voorzag. Bof! daar kwam de orkaan: een golf als een berg sloeg

over het dek en het was mij, of ik met honderd dozijn natte handdoeken

in mijn facie geslagen werd: en eer ik nog: "berg je!" roepen kon, daar

kwam er een tweede, die mij oplichtte alsof ik een stuk kurk ware

geweest, zoodat ik, met al wat er op het dek was, goedschiks kwaadschiks

overboord werd gespoeld: en plof! daar dook ik kopje onder, eer ik den

tijd had om een schietgebedje aan onzen Lieven Heer te prevelen. Toen ik

weer boven kwam, zag ik mijn schip reeds op een goeien afstand: en met

recht droeg het zijn naam van: "de Prins te Paard"; want het huppelde en

hobbelde over de golven als een ruin, die den kolder in den kop heeft,

en ik zag wel in, dat ze met dat booze weer geen sloep konden uitzetten

om mij op te zoeken.--Pulvertje maat! dacht ik bij mijzelven: 't is met

je gedaan: bid een Onze Vader en daarmee uit. Maar krek als ik zoo

dacht, en op het punt stond van weer te zinken, daar voel ik mij op een

stevige manier in mijn wammes pakken en achteruit sjorren. Dat's een

haai! meende ik zoo, die mij voor zijn ontbijt wil nemen, en ik dorst

niet omkijken van schrik, maar jawel! "Hier ouwe!" hoorde ik achter mij

zeggen: en wie was het? niemand anders dan Sandertje, die, juist als ik,

overboord gedwaald was. Maar hij was gelukkig net te land gekomen...."

"Gij meent, te water gekomen," viel Suzanna in.

"Juist, als de Juffer recht aanmerkt: net te water gekomen naast het

groote varkenshok, dat ook overboord gegaan was, en hij had het handig

beetgepakt. Ik moet zeggen, door een bijzondere bestiering Gods, was hij

naar mij toegedreven en wel zoo dicht dat hij mij grijpen kon, zoodat ik

nu ook kon aanklampen. Daar zaten wij nu op onze kist, als twee kikkers

op een kluitje, en dreven al verder van ons vaartuig af; maar ik zei:

"Sandertje! hou maar goeien moed: Onze Lieve Heer heeft ons tot dusverre

bewaard; Hij zal ons nog wel verder bewaren." "De droes ouwe!" zei

Sander, een beetje later: "je kijkt al uit naar "den Prins te Paard",

alsof die naar ons toe kan komen rijen; maar draai liever je hoofd ereis

om: daar is de Spanjool, die is dichter in de buurt." Ik keek naar dien

kant uit, waar Sander heen wees; en hij had gelijk ook; daar danste onze

logge Don als een bruinvisch op en neer. "Ja!" zei ik: "hij zal mij

welkom zijn (zooals de spinnekop van de vlieg zei); maar 't is duizend

tegen een, dat hij ons te zien krijgt." Ondertusschen, het ergste van de

bui was over: en het begon al mooi licht te worden, zoodat het niet lang

duurde, of ik kon de manschap van het vreemde schip onderscheiden: en,

wat nog grooter geluk was, wij naderden het al meer en meer. Zij zouden

ons echter nog niet bespeurd hebben; maar daar voel ik, dat er iets op

mijn borst drukte: ik tast er naar, en ik merk, dat ik mijn roeper, dien

ik aan boord nog gebruikt had, en dien ik tusschen mijn duffel en mijn

ondergoed had ingestoken, bij geluk behouden had. Heb ik jou daar! dacht

ik, en meteen zette ik hem aan mijn mond en schreeuwde alsof er vijf en

twintig speenvarkens gekeeld werden, totdat ik geen asem meer in mijn

longen had. Toen was de beurt aan Sander: en toen weer aan mij, totdat

zij eindelijk aan boord van den Spanjool opmerkzaam werden en den kijker

op ons richtten. Zij zagen ons:--het weer was bedaard: er werd een sloep

uitgezet, en om kort te gaan, het leed geen half uur of wij stonden op

het dek van het galjoen. Ik keek terstond uit, of ik "den Prins te

Paard" ook zag; maar die was schoot gegaan, en ik moest alle gedachten

opgeven, om hem vooreerst terug te zien, daar de Spanjool een

verschillenden koers hield. Het galjoen kwam van Cadix en was voor

Carthagena bestemd, waar het, geloof ik, geld moest brengen. Het was nog

al wel gebouwd, voerde twaalf stukken en was redelijk bemand ook. Daar

voer ik nu met den Don op genade mede en kon mee poot aan spelen voor de

sobere victualie, en in plaats van zelf te commandeeren was het

_siveplei_ en _besolosmanos_, zonder andere belooning dan vrij licht bij

dag en een schoteltje linzen nu en dan, daar Ezau geen halve penning,

laat staan zijn eerstgeboorterecht, voor zou gegeven hebben; maar dat

was het minste, en ik was blij, dat ik er met fatsoen van afkwam (zooals

de edelman zei, toen hij tot den strop veroordeeld was en de gratie

verkreeg van onthoofd te worden). Wat mij het meeste hinderde, was, dat

ik nu zoo uit mijn koers werd gestuurd, en al bij mijn eigen

prakkezeerde, hoe ik van Carthagena weer terug zou komen; want gij

voelt, naar Carthagena moest ik mee: 't is op zoo'n vaart niet als met

de trekschuit, waar men de lieden onderweg uit kan zetten."

"Gij hadt echter," zeide ik, "een vaartuig kunnen ontmoeten, hetwelk u

overnam en nader tot de plek uwer bestemming bracht?"

"Jawel degelijk ontmoetten wij een vaartuig," antwoordde Pulver: "en dat

was juist ons ongeluk. Gij moet dan weten, dat zoo ongeveer op 12 graden

N.B., zes dagen nadat wij bij den Don aan boord waren, wij een groot

vaartuig boven den wind in 't vizier kregen, dat met alle zeilen

bijgezet op ons afkwam. Het was een korvet, en zooverre wij konden

oordeelen, sterk en stevig gebouwd, en met een manschap, die haar

ambacht goed verstond, aan boord; want het voerde een takelage en ging

door het water dat het een lust was om te zien. Maar hoe mooi wij het

vonden, wij hadden toch niet veel zin in het voorkomen van onzen maat;

want hij voerde geen kleuren en had zoo iets over zich, alsof hij zeggen

wou: "wat doe jelui in mijn vaarwater?" Nu, de Don dacht er ook zoo

over: want hij schudde het hoofd en liet van zijn kant alle zeilen

bijzetten om uit het gezicht van onzen vriend te geraken. Maar deze

scheen alzoo gesteld op ons gezelschap als een boer op een doedelzak, en

hij bleef zoo netjes achter ons voortzeilen als een rijknecht achter

zijn heer. De Don keek mooi zuinig; hij zag wel, dat hij van die

beleefdheid niet verschoond zou blijven en hij keek zijn equipage eens

rond, om te weten of hij staat op hen zou kunnen maken, indien de

vreemdeling eens kwade voornemens had. Toen riep hij mij bij hem, want

ik slenterde ook al wat heen en weer over boord, en hij vroeg mij, wat

ik wel van dat andere schip dacht?--"Wat zal ik zeggen," zei ik in

zoogoed Spaansch als ik spreken kon: "ik hou niet van die nieuwsgierigen

(zooals de bakker zei, toen de broodwegers bij hem aan huis kwamen): ik

geloof, dat die korvet daar meer lust heeft om kennis te maken met ons

dan wij met haar."--"Zoo denk ik er ook over," zei hij, "en ik wou dat

hij zijn eigen weg ging. Maar in allen gevalle zal hij toch aan mijn

dubloenen niet komen, zonder er om te bakkeleien," zei Don Ricardo,

terwijl hij zijn knevels opzette. "Kan je een stuk bedienen?" vroeg hij.

"Dat zou ik hopen," zei ik, "en een handspaak zwaaien ook."--"Best!" zei

hij: "dan zal ik ereis kijken, of je de kost verdient, dien ik je geef."

En met liet hij al het volk op het dek komen en klarigheid maken om te

vechten. De stukken werden geladen, de musketten opgebracht, handspaken

uitgehaald, de kogels bij de mortieren geplaatst en ieder met kortjan in

zijn gordel voorzien. Maar terwijl wij nog bezig waren, daar zagen wij

op het vreemde schip een vlammetje voor den dag komen, en br....r! daar

vloog ons een kogel door het want en viel de heele bramsteng over het

dek. "Dat 's een onbeleefde vent!" zei ik zoo: "maar hij weet ook goed

te mikken."

"Wij kunnen hem toch niet ontzeilen!" zeide Don Ricardo: "maar wij

zullen hem toonen, dat wij ook wat durven."--Met gaf hij last om zeil te

minderen, en dat iedereen zich klaar zou houden. Ondertusschen kwam de

korvet statig aanzeilen en was weldra zoo dicht bij, dat wij de manschap

op het dek konden zien--en onvriendelijk genoeg zagen zij er uit: want

het waren al handspaken en korte pieken en enterbijlen die men blinken

zag. "'t Is een vrijbuiter!" zei ik zoo tegen Don Ricardo, terwijl ik

met de lont in de hand stond. Hij knikte van ja, en wees meteen op een

rooden lap, die op het roofschip in top werd gehaald. Toen liet hijzelf

de koningsvlag van Spanje waaien, en dadelijk bij den wind stekende,

vertoonde ons vaartuig de bakboordzij aan den roover. "Vuur!" zeide toen

Ricardo: en: pan! pan! daar gingen zes schoten achter elkander af, den

vrijbuiter vlak in den boeg, dat de witte splinters uit het zwarte

gangboord vlogen. Maar op hetzelfde oogenblik loefde het roofschip mee

en gaf ons de volle laag. Krak! krak! daar lag onze fokkemast met want

en tuigage en al in zee. Maar door de plotselinge beweging van het

schip, dat niet zoo gauw stoppen kon, waren wij uit elkander geraakt en

wij hadden misschien, daar het nog al hard woei, gelegenheid gehad om te

ontsnappen, indien het tijdig genoeg ons gelukt ware een noodmast op te

krijgen; maar eer wij daarmee klaar waren, liep de roover ons achterom

en herhaalde zijn beleefden groet van daar even, dat de boeilijn over de

nok kwam en niemand zich kon herkennen; terwijl hij nu zijn zeil

geborgen had en de enterhaken bij ons aan boord smeet. Daar zaten wij nu

aan elkander vast en in een oogenblik kwamen er uit den rook en damp wel

vijftig lieve jongens op ons dek te voorschijn, ook met een ander

voornemen als om een pijp met ons te rooken. Nu schaarden wij ons om den

Don, en ik moet zeggen, de Spanjolen hielden zich als wakkere kerels en

lieten de onbeleefdheid niet onbeantwoord: en Sandertje en ik wij

toonden ook, dat wij meer konden doen dan linzen eten, en wij sloegen er

op, dat het een aard had. Maar daar sprong in eens de Kapitein van de

roovers op ons af: en een kerel, die er meer uitzag om bang voor te

worden, heb ik nooit ontmoet."

"Ja!" zeide Henriëtte: "ik geloof dat die Heeren er zelden vriendelijk

uitzien."

"En dan," voegde Suzanna er bij, "als men recht benauwd is voor nommer

één, dan lijkt alles nog leelijker."

"Leelijk was hij juist niet, Juffertje!" hervatte Pulver: "'t was een

groote, schoone vent met een houding als een Admiraal en oogen als

glimmende kolen. "_Caracho_!" zeide hij, dat, geloof ik, in 't Spaansch

zooveel wil zeggen als: "geef u over!"--Nu! hij had niet veel

welsprekendheid noodig om het ons te beduien; want de grootste helft van

onze Senhores lag al met Don Ricardo op het dek naar de wolken te

kijken: en de andere helft was zoo toegetakeld en zoo in de war, dat zij

de maan niet van een Edammerkaas zouden hebben kunnen onderscheiden."

"En waart gij zelf onbeschadigd?" vroeg ik.

"Er was een kogel door mijn hoed gekomen," antwoordde Pulver, "die mij

zoo netjes had doen groeten alsof er een Schout-bij-Nacht monstering

kwam houen; maar anders, wonden had ik niet."

"Wel, dat noem ik zonderling," zeide Suzanna, het dikke lichaam van den

schipper glimlachende aanziende.

"Je wilt zeggen, Juffertje! mijn buik was nogal een mooi wit geweest om

op te mikken? Maar zoo gaat het: er lag een Senhor naast mij, die drie

kogels gekregen had en toch maar een vent was niet veel dikker dan mijn

linkerarm. Maar ieder kogel heeft zijn opschrift, weet je? Nu, om weer

op ons verhaal te komen (zooals mijn eerste stuurman placht te zeggen

als hij 's ochtends zijn oorlam nam), de rooverkapitein was op het dek

gesprongen en zwaaide een blanke sabel in zijn vuist, die niet van stroo

was. Ik dacht bij mijzelven: Pulvertje, mijn man, daar is je leste uur

geslagen: te meer toen ik zoo rondkeek en zag, dat ik op degenen, die

nog leefden al zooveel kon rekenen als op een gekauwden kabel. Wat zou

ik doen? Ik lei mijn handspaak neer, en wachtte af, wat het geven zou.

Maar daar was Sandertje, die had maar in 't geheel geen trek om zich

over te geven, en net zooals een van die ongenoode gasten hem bij de

lurven wou pakken, daar sprong hij als een ondernemende durf-al die hij

was, recht op den rooverkapitein aan en hieuw naar hem als een dolleman!

"Hier weerlichtskind!" zeide hij: "hou daar, beroerde bl....."

"Nu ja!" zeide ik: "wij behoeven die uitdrukkingen zoo nauwkeurig niet

te vernemen."

Ferdinand Huyck · 第 20 / 51 段