"Hoe kunt gij mij dus kwellen en een ongunstige wending geven aan al

wat ik zeg? Laatstleden Woensdag op Guldenhof hadden wij op zulk een

aangename wijze kennis gemaakt en waren op zulk een gullen, vroolijken

voet van gemeenzaamheid gekomen, die mij zooveel zoets en genoeglijks

voor de toekomst beloofde: en thans wilt gij mij nauwelijks met een

antwoord verwaardigen.... Wat zeg ik? reeds toen UEd. mij eergisteren

te Muiden voorbijreed, was uw groet zoo kort...."

"Mijnheer!" riep zij verrast uit, terwijl ik in haar oogen haar

verontwaardiging las en haar verbazing, dat ik van die ontmoeting gewag

durfde maken.

"Of is het wellicht die ontmoeting zelve," vervolgde ik, "welke bij u

tot verkeerde oordeelvellingen omtrent mij heeft aanleiding

gegeven?--UEd. zwijgt!"

"Inderdaad, ik weet niet, wat ik antwoorden zal," zeide zij, na eenige

aarzeling: "ik ben uwe zedenmeesteresse niet, het is mij natuurlijk

onverschillig met wie UEd. omgaat...."

Het hooge woord was er uit, en ik zegende mijn besluit om een verklaring

uit te lokken.

"Veroorloof mij, de overtuiging te behouden," zeide ik, "dat die

ontmoeting alleen u niet tegen mij zoude hebben ingenomen, en dat uw

Heer Neef, wien ik te Naarden ontmoette, en die zelf wellicht te mijnen

opzichte door den schijn misleid werd, UEd. gedachten heeft ingeboezemd,

die het mijn plicht is, u te ontnemen."

Henriëtte werd bleek en een traan glinsterde in haar oog: ik zag, dat ik

juist geraden had.

"Ik ben eerst een paar dagen bij de mijnen terug," vervolgde ik, "en er

ligt mij veel aan gelegen, dat mijn goede naam ongekrenkt blijve. Vooral

stel ik er prijs op, dat UEd. mij niet verkeerd beoordeele. Zoude UEd.

weigeren, aan mijn woorden geloof te slaan, wanneer ik u als man van eer

verklaar, dat ik de Juffer, met wie ik mij toen bevond, geheel bij

toeval heb ontmoet, dat zij mij niets is, en dat er tusschen haar en mij

geene andere betrekking bestaan heeft, dan die de gestrengste

zedelijkheid zoude kunnen veroorloven? Ware dit anders, zou ik dan

schaamteloos genoeg zijn geweest om dit gesprek te beginnen? Had ik niet

veeleer gezwegen en gebloosd?"

"Mijnheer!" hernam zij, na eenige oogenblikken zwijgens: "er rustte

hoegenaamd geen verplichting op u, mij rekenschap van uwe daden te

geven. Het is waar, men heeft mij verteld ... ik heb gedacht ... om 't

even wat. Ik beken, ik heb u niet beleefd behandeld..., en dat was

verkeerd van mij, ik verzoek verschooning daarvoor."

"In 's hemelsnaam!" riep ik verheugd uit: "spreek toch niet van

verschooning vragen, de schijn was tegen mij ... en ik ben het, die u

vergiffenis moet afsmeeken voor de onbescheidenheid, waaraan ik mij heb

schuldig gemaakt."

"Welaan!" zeide zij, met een bekoorlijken glimlach, "dan zullen wij ons

maar over en weer _quitte_ rekenen en over dat lastige geval niet meer

denken."

"Gij geeft mij het leven weder," riep ik: en tevens de lieve hand

aanvattende, waarmede zij zich steelsgewijze de oogen had afgedroogd,

drukte ik er een eerbiedigen kus op.

"Ei zoo!" riep Suzanna, die huppelende en in de handen klappende kwam

aangeloopen: "uit welk land hebt gij die manieren medegebracht?"

"Wel Santje!" zeide Henriëtte, rood wordende: "ik dacht, dat gij nooit

terug zoudt komen."

"Hoort gij, Broertje!" zeide Suzanna: "gij schijnt het talent nog niet

te bezitten om iemand den tijd kort te doen vallen."

"Wie zegt, dat Mejuffrouw mij vergunnen wil, zulks te beproeven," zeide

ik lachende.

Suzanna keek mij zijdelings aan en trok uit de opgeruimdheid van mijn

gelaat de juiste gevolgtrekking, dat ik naar wensch geslaagd was:

terwijl zij hiervan nog nader de zekerheid bekwam, toen zij op onze

verdere wandeling bespeurde, dat Henriëtte een zeer minzamen toon jegens

mij aannam, als wilde zij haar koelheid van dien morgen weder goedmaken.

Wat mij betrof, ik was door dezen aangenamen omkeer zoo verrast en

gevoelde mij zoo innerlijk gelukkig, dat ik er stil van werd en mij

zelfs kwalijk verdedigde tegen de plagerijen van Suzanna, die mij

beschuldigde een druiloor te zijn, en een zeer slecht gezelschap voor

jonge dames. Ik begon op het laatst zelf te gelooven, dat zij gelijk

had, en dat ik een mal figuur maakte. Ik bedroog mij echter: en met een

weinig meer ondervinding in liefdezaken zoude ik geweten hebben, dat een

welopgevoed en weldenkend jong meisje zich meer gestreeld gevoelt,

wanneer iemand, die haar zijn hof maakt, zich in haar tegenwoordigheid

bedeesd en ingetogen betoont, dan wanneer hij zijne gewone luchthartige

vroolijkheid bewaart. In het laatste geval toch kan zij wanen, dat hij

slechts aan zich zelven denkt: in het eerste, dat haar tegenwoordigheid

hem in ontzag houdt: en het kan niet missen, of deze gedachte moet

streelend zijn voor haar eigenliefde,

Doch er was nog een reden, welke mij stil maakte en, zelfs in het

bijzijn van de bevallige Henriëtte, stof gaf tot overdenkingen, die haar

niet betroffen. Al pratende en wandelende waren wij tot aan het

achterste gedeelte der hofstede geraakt. Wij volgden een smal en net

opgeharkt laantje, dat rondliep om een vrij aanzienlijk stuk weiland,

waarvan het door een doornenhaag was afgescheiden, terwijl aan de andere

zijde een elzenschering en greppel de uiterste grenzen afteekenden, die

het buitengoed scheidden van de onbebouwde heide, tusschen de niet

overal even dichte takken dier elzen kreeg men nu en dan den toren van

Naarden en de omgelegen bosschen in 't oog: en het gezicht van het een

en ander bracht, gelijk zich begrijpen laat, herinneringen bij mij

teweeg, nog te versch en te krachtig, om die zoo opeens te kunnen

verbannen. Aan het einde van dit laantje bevond zich een bergje (gelijk

men een kleine onevenheid van den grond noemde, door het aanbrengen van

plaggen opgehoogd) en daarop een groote groen geschilderde zitbank, die

in den vorm eener halve maan rondliep, en gelegenheid gaf, om onder het

lommer van een fraaien treur-esch uit te rusten en een niet onbevallig

landgezicht te beschouwen. Immers, wanneer men naar de buitenzijde zag,

weidde het oog over de uitgestrekte heide, met paarse bloemen overdekt

en waarboven die dunne wasem golfde, die zich altijd bij heeten

zonneschijn vertoont. Kortbij was een gedeelte van den barren grond

afgezand en terwijl het bovenste gedeelte van den daardoor ontstanen

heuvel, op het tijdstip, toen wij daar ter plaatse kwamen, met eene

kudde lammeren bedekt was, die aan het landschap eenige levendigheid

bijzette, stuitten de heete zonnestralen op den benedenkant en deden

het witte zand schitteren met een verblindenden glans. Wanneer men de

vermoeide oogen van daar afwendde, kon men die binnenwaarts laten

uitrusten op het hooge dennenbosch, dat aan den voet van het bergje

begon en waar onderscheidene paden en watertjes op een schilderachtige

wijze doorheen kronkelden,--of op de nog donkerder beuken, die, verder,

hun zware en weelderige takken spreidden over een vrij breed water,

hetwelk aan de eene zijde van het weiland liep. Heerlijk was de

terugspiegeling van het loof in het heldere nat, waarvan de kalme

oppervlakte niet verbroken werd dan door de kringen, welke nu en dan

daarin gevormd werden door den koning onzer binnenwateren, den vratigen

snoek, of door eenige schoone lakenveldsche koeien, die met een statigen

tred het weiland verlieten om koelte en schaduw in den frisschen plas te

zoeken; maar, eens daarin gekomen, zoo stil en onbeweeglijk bleven,

alsof zij een bekwamen schilder stonden af te wachten, die hem met zijn

kunstpenseel op het doek zoude vereeuwigen. Maar wat geen penseel zoude

hebben kunnen teruggeven, was de verrassende uitwerking der

zonnestralen, die, hier en daar zich een weg banende tusschen de breede

takken, door de oppervlakte des waters heen op den zandigen bodem

afstuitende, al de kleuren van den regenboog in ontelbare mengelingen te

voorschijn riepen.

Terwijl wij, op ons gemak neêrgezeten, ons in deze beschouwing

verlustigden, en het verkwikkende genot van de vrije natuur, gepaard met

de aangename gewaarwording van uit te rusten na eene vrij verhittende

wandeling, ons alle drie in een stille en weldadige stemming gebracht

had, hoorden wij opeens in de nabijheid roepen en praten en herkenden

weldra de stem van Tante Van Bempden, die zich beurtelings uitzette om

hop! hop! te roepen en dan weder een min schellen toon aansloeg en een

onderhoud scheen voort te zetten met iemand, die haar vergezelde. Wij

stonden op, ofschoon slechts langzaam; want ik geloof, dat geen van ons

tevreden was van in zijn mijmeringen gestoord te worden: wij

beantwoordden het hop! hop! met al de kracht onzer longen en begaven ons

intusschen naar het dennenbosch, waaruit het geluid scheen voort te

komen, en waar wij weldra Tante gewaarwerden, in gesprek met een kloeken

landman, wien ik terstond herkende voor den man, dien ik in de Soester

herberg ontmoet had en onder den naam van Baas Roggeveld heb ten

tooneele gevoerd.

"Zoo! eindelijk gevonden?" zeide Tante, terwijl zij ons naderde, "gij

laat mij ook mooi loopen. Kunt gij _nog_ verder gaan?"

"Wel Tante-lief!" zeide Suzanna: "wie had ooit kunnen denken, dat UEd.

ons zoudt komen opzoeken? Er stonden zooveel menschen om u heen, dat ik

mij overtuigd hield, al bleven wij een uur weg, u nog bezig te vinden."

"Neen! dat hebben wij spoediger afgehandeld," zeide Tante: "en dan, de

meeste dier _besognes_ zijn gaandeweg geschied. Daar is Baas Roggeveld,

die had ook al lang afgedaan gehad, indien hij zoo stijf niet op zijn

stuk stond, om mij zijn koeien eens zoo duur aan te willen smeren als

het vorige jaar."

"Mevrouw dolt er altijd mee," zeide Roggeveld, grinnikende en het hoofd

schuddende: "eens zoo duur! nou kaik! in dat geval! twaalfhonderd gulden

de tien! 't is twintig gulden meer per stut dan in 't leste jaer, dat 's

waer; maer in dat geval, wil ik ereis zeggen, het binnen er ook biestjes

naer. Die van verleden zeumer vielen een beetje mager; maar deuze mostje

ereis voelen, in dat geval! zoo modderig als klinkklare butter: ik wed,

je heit ze in je hiele land zoo niet staen, wil ik er ereis zeggen."

"Neen! dat geloof ik ook," zeide Suzanna: "dat kan Tante niet

tegenspreken."

"Hoe heb ik het met u, Santje!" zeide Tante: "wat weet gij van koeien

af?"

"Ik weet alleen dat de man letterlijk gelijk heeft," zeide Suzanna:

"want in uw heele land staan geen koeien: zij staan alle in 't water."

"Nou kaik! in dat geval, wü ik ereis zeggen," zeide Baas Roggeveld,

recht in zijn schik met deze aardigheid: "daar het de Juffer Tante toch

ereis beet 'ehad."

"Of jou, Baas Roggeveld," zeide Tante, "maar dat is hetzelfde: ik betaal

toch niet meer dan verleden jaar. Gij weet, ik ben een vaste klant van

u: en 't vee is anders van 't jaar niet duur."

"Dat is 't net niet," antwoordde de landman; "ofschoon het er dan naer

is ook: jae kaik, als je ander slag van biesten hebben wou, die kon je

krijgen te kust en te keur: en veur weinig geld ook; maer, in dat geval,

wil ik ereis zeggen, 't is maer omdat je op 't soort bent 'esteld, van

niet as lakenveldsche te willen hebben: en dan had je reis motten zien,

hoe weinig er van te krijgen zijn. 't Is niet, as of ie ze veur een

vasten merktprijs kunt koopen: maar je mot ze zoo bij een occasie

treffen: en wil je wel eleuven, dat ik er heel veur naer Alfen heb

motten rijen, omdat ik hoorde dat er een boer weunde, die er een paer

'efokt had? Jao! vraeg het maer aan Meneer, die zal ook wel weten, dat

het zoo gemakkelijk niet is, in dat geval."

"Wat ik er van weet," zeide ik, mij met mijn hoed in 't aangezicht

waaiende, opdat hij mij niet herkennen zou, "is, dat gij ze voor fl 80

't stuk gekocht hebt van Peer de Groot en er dus een aardig sommetje aan

verdient."

"Wel haegels kaik ereis!" zeide Roggeveld, groote oogen opzettende:

"nou in dat geval wil ik ereis zeggen...."

Maar hij zeide niets; doch bleef mij verbaasd staan aangapen.

"Hoe kunt gij dat weten, Neef?" vroeg Tante, insgelijks niet weinig

verwonderd.

"Ja Tante! ik ben zoo wat half een toovenaar," zeide ik, lachende, "maar

laat hij het maar ontkennen, als hij durft." En, niet verlangende mij

aan een herkenning bloot te stellen, welke tot het weder ophalen van

vroegere tooneelen aanleiding geven kon, draaide ik mij om en haalde

voor Henriëtte, die, waarschijnlijk weinig belang stellende in dit

gesprek, een eind vooruitgeloopen was en begeerig opzag naar eenige

hoogwassende kamperfoelie, den tak naar beneden, dien zij niet bereiken

kon.

Wij waren langzamerhand een uithoek der plaats genaderd, waar een open

hek op een buitenweg bracht. Deze plek was bijzonder wild, en met een

menigte heestergewassen begroeid; maar wat er den meesten roem aan gaf,

waren twee eikeboomen van ongemeene grootte, die aan weerskanten eener

vervallene schaapskooi stonden. De eene, door storm of onweder van zijn

kruin beroofd, scheen door zijn dikte te vergoeden, wat hij aan hoogte

verloren had, en zijn zware armen waren met het dichtste loof bedekt;

de andere droeg minder bladeren, en had een holte in den tronk; maar

verhief zich nog altijd statig naar boven. Tante Van Bempden had, niet

oneigenaardig, dezen met den naam van _Philemon_, en genen met dien van

_Baucis_ gedoopt.

Op deze plek hield Tante stil en voegden wij ons bij haar.

"Nu, zooals gezegd is, Baas Roggeveld!" zeide zij: "vijftien gulden meer

dan in 't voorleden jaar wil ik voor 't stuk wel geven; maar ook niet

meer."

"'t Is warentig wat te krap," antwoordde hij: "maer in dat geval, wil ik

ereis zeggen, as het zoo mot, dan mot het. Maer dat ik er op verdienen

zou, zoo as die jonge Heer daer zeit, dat heit ook al niet over; maer 't

is net krek of ik jou ken," vervolgde hij, mij aanziende en zich den kop

krabbende.

"Dat is mijn neef," zeide Tante: "misschien hebt gij hem hier wel

ontmoet voor een jaar of wat."

"Dat kan wel 'ebeuren," zeide Roggeveld, terwijl hij nogmaals den blik

op mij sloeg en de uitdrukking van zijn gelaat bewees, dat hij niet

volkomen met deze verklaring tevreden was: "maer zeg ereis Mevrouw!"

vervolgde hij, alsof hem eensklaps iets te binnen schoot: "mag ik wel

zoo vrij zijn, in dat geval, om je ietwes te vragen?"

"Wat is er van uw dienst?" vroeg Tante.

"Ik zou wel ereis vragen, in dat geval, wil ik zeggen, of de Czaar van

Rusland weer in het land is."

"Wel neen!" was het antwoord: "hoe komt gij daar aan?"

"Nou kaik! Hoe kunnen zij de menschen dan zoo foppen?" en hij gaf een

verhaal van 't voorgevallene te Soest, hetwelk ik achterlaat, daar het

niemand vermaken zoude, dit tweemaal te hooren, doch waarin onze dames

ongemeen veel behagen schepten.

"Men heeft u een kool gestoofd," zeide Tante: "maar het schijnt met een

goed oogmerk te zijn geschied."

"Ja! dat mag wel zoo!" zeide hij; "in dat geval. Maer is het waer, dat

zij het huisje, waar Czaar Peter te Zaandam in 'ewoond heit, niet meer

verhuren, maar laten het leeg staan?"

"Wel natuurlijk," zeide Tante.

"Nou kaik! hoe kan een mensch zoo teugens zen aigen zelvers wezen?" riep

hij in verbazing uit: "geen geld te trekken van een huisje! Neen! as het

zoo most wezen met de weuning, die ik hier op 's Gravenland heb staen,

die ik van mijne vrouws mortje geürven heb, weet je, of aigenlijk men

vrouw dan, wil ik ereis zeggen, dan verkoft ik het gauw, in dat geval."

"En gij zoudt gelijk hebben," zeide Tante: "maar die menschen te Zaandam

hebben ook gelijk; daar zij meer verdienen met het huisje te laten zien

dan er huur van te trekken."

"Wel kaik! ze kosten het iene doen en het aêre niet laten," zeide

Roggeveld: "maer ik wou toch wel ereis weten, in dat geval, wat er aan

zoo'n huisje meer te zien is as an en aêr."

"Maar _à propos_!" zeide Tante: "wie is die Monsieur Weerglas, aan wien

gij uw huisje verhuurd hebt?"

"Wattie doet, weet ik niet, maer hij heit splint en betaelt op zen tijd.

't Is nog een jong gezel en hij weet aerdig te praeten. Hij gaet wat

deftig 'ekleed ook Zundags."

"Een jong gezel, die deftig gekleed gaat en geen handwerk uitoefent!"

zeide Tante, het hoofd schuddende: "ik hoop maar, dat daar niets achter

schuilt."

"Ja! in dat geval, wil ik ereis zeggen," zeide Roggeveld eenigszins

onthutst: "as er ietwes after school, had ie gauw bij mij afedaan: maar

dat's tot darentoe. Nou Mevrouw! zoo as 'ezeid is; morgenavond kom ik

toch hier met de vrouw om de kermis te zien, in dat geval zal ik de

koeien Maandagavond of Dinsdag-ochtend hier bezurgen."

"In dat geval zal ik ze hier verwachten," zeide Tante: en de landman

wandelde na herhaalde groete het hek uit, terwijl wij den terugtocht

aannamen, daar de bengel reeds voor den eten luidde. Wij spoedden ons

naar huis, waar wij weldra aan den disch een paar heerlijke tarbotten

zagen rooken. Na het middagmaal nam Tante mij ter zijde, om mij te

onderhouden over de nieuwe betrekking, welke ik in het huis Van Bempden,

Van Baalen & Co. ging vervullen. Daar dit gesprek echter van een geheel

mercantiëelen aard was, zal ik er hier geen gewag van maken, zoomin als

van hetgeen verder dien avond voorviel, en waarvan ik mij alleen

herinner, dat ik smoorlijk verliefd naar bed ging.

* * * * *

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

WAARIN VERHAALD WORDT, WIEN FERDINAND IN DE KERK ZAG: EN WELKE GASTEN OP

HEIZICHT KWAMEN ETEN.

Het ontbijt vond ons den volgenden morgen allen kant en klaar om ons

naar de kerk te begeven. Hetzij, dat de dorpsklok verzet was, hetzij dat

de koetsier te laat met het rijtuig voor was gekomen, de Predikant was

reeds op stoel, toen wij het Godshuis binnentraden. Geheel vervuld door

de troostrijke gedachte, dat ik, na zoolang uitlandig te zijn geweest,

mij weder voor het eerst in een Vaderlandsche kerk bevond, hield ik mij

alleen met den plechtigen eeredienst bezig, zonder, gelijk wellicht

geschied zou zijn, indien ik vroegtijdig, bij het aangaan, of minder

opgewekt ter kerke gekomen ware, mij met de aanwezigen te bemoeien. Toen

echter de Predikant het eerste deel zijner rede ten einde had gebracht,

en de gemeente van deze gelegenheid gebruik maakte om naar gewoonte te

hoesten en zich te snuiten, liet ik even den blik over de vergadering

weiden en werd ik in een der meer verwijderde mansbanken iemand gewaar,

dien ik verre was te dezer plaats te verwachten, en dien ik tot mijn

verbazing herkende voor het hoofd der drie struikroovers, die mij hadden

aangerand: den zoo gevreesden Zwarten Piet, nog deftiger gekleed dan

toen ik hem op den weg zag. Zijn oogen ontmoetten de mijne:

waarschijnlijk had hij mij reeds vroeger opgemerkt: hij knikte mij,

vriendelijk, doch bijna onmerkbaar, toe, lei den vinger op den mond, als

wilde hij mij stilzwijgendheid aanbevelen, en zag toen weder aandachtig

den leeraar aan.

Deze zonderlinge ontmoeting bracht, gelijk men denken kan, geen kleine

ontroering bij mij te weeg, en ik raakte geheel uit de stemming, waarin

ik mij bevond: zoodat ik in het eerst buiten staat was, eenige

oplettendheid te schenken aan de woorden van den Predikant, die mij als

ijdele klanken in de poren gonsden, zonder dat mijn hart die gevoelde of

mijn verstand die bevatte: ik kon niet nalaten het oog gedurig op den

straatroover te werpen, die het zijne daarentegen onafgebroken op den

Predikant bleef vestigen, als ware hij bevreesd geweest, dat hem een

woord zou ontsnappen. In den beginne schreef ik zijn houding aan

goddelooze huichelarij toe; maar weldra bleek mij, dat ik verkeerd

oordeelde. Het zou dien avond, gelijk ik reeds met een woord heb doen

verstaan, kermis zijn op 's-Gravenland: en, als men weet, zijn de

Predikanten bij die gelegenheid gewoon, zoodanige stoffen te kiezen, als

welke zij geschikt achten om er gepaste vermaningen en waarschuwingen

uit te putten tegen alle soort van losbandigheid, dronkenschap en

ontucht, waartoe dergelijke volksfeesten niet dan te vaak aanleiding

geven. Zoodanige kermispreeken, hoe nuttig en betamelijk ook, voor

zooverre zij bestemd zijn om indruk te maken op de dorpelingen, ten wier

behoeve zij worden opgesteld, boeien doorgaans minder de aandacht der

meer aanzienlijken onder de toehoorders, die de kermis niet of slechts

terloops bezoeken en zeker minder gevaar loopen van aldaar tot die

zonden te vervallen, waartegen de stem des leeraars zoo ernstig

waarschuwt: te meer, daar de Predikanten bij zoodanige gelegenheden nog

wel eens gewoon zijn een oud paard van stal te halen.

Dit was echter thans het geval niet: de leeraar was eerst sedert kort

beroepen, en men had dus de zekerheid van, zoo niet iets

voortreffelijks, althans iets nieuws te hooren. Doch bovendien was ik

reeds bij den aanhef aangenaam verrast geweest door den ernst en de

sierlijkheid zijner voordracht, en door de verstandige wijze, waarop hij

zijn onderwerp behandelde. Het leerstellige en uitlegkundige slechts

even aanroerende, legde hij er zich voornamelijk op toe, om indruk te

verwekken en zijn toehoorders door treffende voorbeelden, door

ontzettende schilderingen en door krachtige toespraken te schokken,

overtuigd, dat zoo de leer, welke bij gewone gelegenheden wordt

gepredikt, meer duurzaam werken moest, die, welke hij thans verkondigde,

meer dadelijk uitwerkselen moest teweegbrengen.

Het was dan, toen in het tweede deel zijner rede de Predikant een

treffend tafereel ophing van de vreeselijke gevolgen, welke, zoo in dit

leven als hiernamaals, de zonde met zich sleept, dat ik de duidelijkste

bewijzen zag, hoe de aandacht van den struikroover geen veinzerij was.

Zijn oogen begonnen in tranen te zwemmen, zijn boezem hijgde, en hij

scheen zoodanig door zijn aandoeningen overstelpt, dat hij eindelijk het

gelaat op den voor hem liggenden bijbel voorover boog en het, hoorbaar

snikkende, met beide handen bedekte. O! dacht ik bij mijzelven, indien

eens het goede zaad bij dezen man in vruchtbaren akker gevallen ware, en

hij zich bekeeren mocht van den slechten weg, dien hij is ingeslagen!

Welk een zegepraal zou dit voor den vromen leeraar zijn, en hoe zou hij

juichen over het afgedoolde schaap, dat hij door Gods bijstand tot den

eenigen Herder had teruggebracht!--en bij het nagebed zond ik ook het

mijne op voor den armen boeteling.--Intusschen was ik niet weinig

verwonderd, toen ik in het uitgaan opmerkte, dat onderscheidene

notabelen van het dorp, waaronder de timmerman en de schilder, den man

heuschelijk groetteden, en zelfs deze en gene hem een woord in 't

voorbijgaan toesprak.

Te huis gekeerd, vereenigden wij ons in de zijkamer, om aldaar de gasten

af te wachten, die Tante ten eten genoodigd had, bestaande, behalve uit

de beide Heeren Blaek, uit mijn nieuwen compagnon, den Heer Van Baalen,

en uit zekeren Kapitein Pulver, die voor de firma voer. Niet lang duurde

het, of de koets van den Heer Van Baalen kwam het hek binnenrijden.

Ik had dezen Heer vroeger meermalen ontmoet; maar hem nooit met die

belangstelling gadegeslagen, welke hij thans bij mij moest opwekken, nu

het bepaald was, dat ik met hem in een nauwe betrekking zou komen en

dagelijkschen omgang hebben. Ik was evenals de zoodanige, die, een verre

zeereis zullende ondernemen, den persoon, die hem toevallig aan de haven

voorbijgaat, slechts met een onverschilligen blik beschouwt, maar weldra

hem met de grootste opmerkzaamheid gadeslaat, nu hij verneemt, dat de

onbekende zijn reisgenoot zal wezen: en alsdan uit zijn houding, woorden

en gebaren tracht op te maken, of hij in hem een aangenamen, dan wel een

lastigen makker zal aantreffen.

Op dezelfde wijze keek ik den Heer Van Baalen aan, toen ik hem, met de

dienstvaardigheid, welke ik hem uithoofde zijner meerdere jaren en onzer

aanstaande betrekking verschuldigd was, uit het rijtuig hielp. Ik kan

niet zeggen, dat de eerste indruk, dien hij op mij maakte, zeer gunstig

voor hem uitviel. Wel wist ik uit oude herinnering, dat hij een man was

van meer dan gewone lengte, mager en droog en van geen innemend

voorkomen; maar het scheen mij toe, als ware hij nog in lengte

toegenomen en in vleesch verminderd: zijn bleeke, dorre tronie had een

nog onvriendelijker uitdrukking dan voorheen: ja, toen hij, uit de koets

gestapt, voor mij stond, deed hij mij volkomen aan een gekleed cadaver

denken. Hij beantwoordde ternauwernood mijn eerbiedigen welkomstgroet

en buiging, keek mij aan, alsof hij zich bij geene mogelijkheid konde

voorstellen, wie ik toch wezen mocht, wendde zich vervolgens tot den

koetsier, en riep dezen toe:

"Reinier! gij zorgt dat gij precies te zeven uren weer voor zijt:

precies te zeven uren: en gij ziet het rijtuig goed na; want ik vrees

dat het heel wat te lijden heeft gehad: en gij brengt het bijdehandsche

paard naar den smid en laat het opnieuw beslaan."

Ferdinand Huyck · 第 19 / 51 段