het geval worden met de Juffer hierboven. UEd. hebt haar door uw gedrag
beleedigd: en ik, door op het gerucht toe te snellen en haar partij te
nemen, heb niets anders gedaan dan hetgeen elk ander en UEd. zelf in
mijne plaats verricht zoudt hebben."
"Wel, niets was natuurlijker," zeide Lodewijk: "gij wildet gaarne uw
lief voor u alleen houden."
"Ik herhaal nogmaals, en op het plechtigst," vervolgde ik, "dat mijne
kennis aan haar slechts toevallig en zeer gering is, en dat ik verder
niets met haar uitstaande heb. Wat ons betreft, Mijnheer! wij hebben
elkander een paar woorden toegevoegd, waartoe de warmte van het gesprek
aanleiding heeft gegeven. Gold het ons alleen, ik zou niet aarzelen, u
voldoening te schenken: maar bedenk, dat wij in dit geval, om een
armhartig punt van eer, de reputatie van een fatsoenlijk meisje in de
waagschaal stellen: en dit betaamt noch u, noch mij."
"Braaf gesproken!" zeide Heynsz: "een fatsoenlijk meisje is het: haar
papa woont te Deventer: Van Beveren heet hij: zij is een nicht van den
Notaris Bouvelt, en had moeten logeeren bij hem; maar de man, hij is
heel ziek, en had daarom hier een kamer voor haar gecommandeerd."
"'t Is zeker wat verhevens! de nicht van een Notaris!" zeide Lodewijk,
zijn das ophalende en een gezicht zettende alsof hijzelf de neef ware
van den Grooten Mogol.
"Dat is hetzelfde, Mijnheer!" zeide Heynsz: "ik ben maar een
portretschilder; maar voordat iemand affronteere die Juffer, ik zelf
zoude opnemen haar defensie: ik heb ook de kling leeren maniëeren in
Frankrijk, en geëchangeerd kogels met luiden van goede _noblesse_. Wat u
betreft, Mijne Heeren! ik laat u niet van hier gaan, maar zal zenden een
boodschap aan uw ouders, zoo gij niet belooft aan mij, de zaak te
termineeren in goeden vrede."
"Gij zijt een onbeschaamde vlegel," zeide Lodewijk, driftig opstaande.
"Neen, Mijnheer! ik hen een portretteur," zeide Heynsz: "maar ik heb
genoeg experientie, om te weten hoe te handelen met lieden, die
_volontair_ zijn, als UEd."
"Ik wou wel eens zien, dat iemand mij hier hield," zeide Lodewijk, de
hand aan zijn degen slaande: "wat u betreft, Mijnheer Huyck! ik zie wel,
dat alle praatjes niet helpen. Ik zal u hedenavond nog een briefje
schrijven en u een plaats aanwijzen, waar wij de zaak kunnen vereffenen.
En nu, Heer Portretkladder: ruim baan! en maak de deur open, of ik rijg
u aan mijn degen."
"Bah!" zeide Heynsz, bedaard opreizend: "ik ben niet de waard uit het
Hagendoornsche Bosch."
"Wat bedoelt gij daarmede?" vroeg Lodewijk, terugdeinzende, terwijl zijn
gelaat zoo wit werd als papier.
"Ik bedoel daarmede, dat er geschieden dingen, die men waant niet te
zijn bekend, en die het resultaat zouden kunnen hebben, dat zekere
lieden, _bon gré mal gré_, op de binnenplaats van het stadhuis, onder
den blauwen hemel, zouden kunnen hooren voorlezen zeer onaangename
dingen."[6]
"Gij zult mij die woorden nader ophelderen," zeide Lodewijk, Heynsz bij
den arm nemende en ter zijde trekkende, als vreezende, dat ik iets van
het antwoord verstaan zoude.
"Direct!" zeide Heynsz: en tegelijk de deur openende, ging hij het
portaal in, waar Lodewijk hem volgde als een hond, die slagen heeft
bekomen. Heynsz fluisterde hem iets in het oor: en na een kort en
driftig gesprek, keerde de onstuimige jongeling terug en zeide, met een
heesche stem en zonder mij aan te zien:
"Wij zullen de zaken maar blauw blauw laten, Mijnheer Huyck! Ik ben wat
driftig geweest, en Sinjeur Heynsz heeft mij alles opgehelderd."
"Ik verlang niets liever," antwoordde ik, met een stijve buiging.
Lodewijk moffelde even aan zijn hoed, 't geen voor een groet moest
doorgaan, en vertrok.
"Door welke tooverspreuk hebt gij hem zoo mak gemaakt?" vroeg ik aan
Heynsz, zoodra deze terugkeerde.
"Ziedaar wat ik zou vertellen aan UEd., maar aan geen ander," zeide
deze: "die Sinjeur Blaek heeft onlangs met eenige _Compagnons, mauvais
garnemens comme lui_, den boel opgeschept in een nachthuis en den waard
gegeven een _coup d'épee_, waar de man van heeft moeten houden een maand
lang het bed. Die zaak is _geäpaiseerd_ omdat het waren jongelieden van
den fatsoenlijksten stand, en dat een van hen is geweest royaal genoeg
om te geven een goede som gelds. Maar deze Sinjeur Blaek, die eigenlijk
was het meest _coupabel_, heeft niets van zich doen hooren, en dacht,
dat niemand hem had verklapt. Nu heb ik hem gegeven te kennen, dat ik
die _affaire_ wist, haarklein."
"En schroomt gij niet," vroeg ik, "dat hij daardoor uw betrekkingen tot
de Justitie zal leeren kennen?"
"Geen nood: hij zal niet, al _soupçonneerde_ hij iets, daarvan spreken
durven. Ik heb hem gezegd, dat, zoo hij u molesteerde, het muisje zou
hebben een staartje."
"Ik ben u dankbaar voor de genomene moeite; maar toch ongaarne zoude ik
zien, dat hij mij voor een lafbek hield."
"Hoor Mijnheer Huyck! doe wat gij wilt op een andere plaats: dat kan ik
niet verhinderen; maar te mijnen huize zal, zoo ik helpen kan, uws
vaders zoon niet betrokken worden in eenige _querelles_. Voelt UEd.? Wat
behoeft dat _tumult_?"
"Het was niet uit vrees voor dien Heer Blaek, maar om den wille van de
Juffer, dat ik gerucht vermijden wilde."
"Bah!" zeide Heynsz, terwijl hij lachende den vinger omhooghief: "ik heb
te veel _experientie_ om mij te laten foppen. UEd. zal mij geen loer
draaien, zooals UEd. gedaan heeft den Heer Blaek. Ik
weet ook wel, dat UEd. op een beteren voet staat met die mamsel dan UEd.
wel weten wil."
"Wat!" zeide ik, onthutst: "gij weet...."
"Dat UEd. met haar van Naarden gearriveerd zijt! Of ik het weet ... maar
wees niet bang: ik weet wat ik moet zeggen of zwijgen. Ik zal het niet
oververtellen aan Papa."
Men kan zich licht voorstellen, welk een onaangenaam gevoel ik
ondervond, op de gedachte, dat ik van de bescheidenheid diens mans
afhing. Maar tevens begon ik vrees te voeden, of Heynsz ook van mijne
bekendheid met Amelia's vader bewust ware.
"Nu ja!" zeide ik op een onverschilligen toon: "ik heb met haar in de
Naarder schuit gezeten. Wat zou dat?"
"_Juste_! maar UEd. heeft niet gepasseerd den nacht te Naarden: evenmin
als zij."
Ik hield mijn oogen strak op hem gevestigd; maar ik kon niet doorgronden
of hij mij wilde toonen, dat hij het geheim wist, dan wel of hij het
integendeel zocht uit te vorschen. Ik begreep in allen gevalle zeer
voorzichtig en op mijn hoede te moeten zijn, en zeide, zoo bedaard als
in mijn vermogen was:
"Gij, die alles weet, gij weet toch niets, dat ten nadeele van die
Juffer kan strekken?"
"In het minste niet," antwoordde hij: "ware het anders, ik zou haar niet
logeeren in mijn huis. Ho! Ho! Men bedriegt niet Heynsz: ik badineerde
maar: doch _franchement_, indien het een ander ware geweest als UEd.,
die met haar had gemaakt de reis, ik zou toch nemen de moeite van mij te
informeeren, hoe gij beiden u zoo à _l'improviste_ bevondt te Naarden,
zonder dat iemand weet, hoe en vanwaar gij daar zijt gearriveerd."
Ik herleefde; want nu bleek mij, dat hij niets bepaalds wist. "Welnu!"
zeide ik, "daar wij geen van beiden verdachte personen zijn, noch
Mejuffrouw Van Beveren, noch ik, zoo raad ik u maar, u daarover niet
verder te bekommeren. Er zijn zaken van meer belang, die uw onderzoek
kunnen bezig houden."
Met deze woorden rees ik op, nam mijn afscheid en verliet het huis, niet
weinig ontevreden over het noodlot, dat mij scheen te vervolgen en tegen
wil en dank van het eene avontuur in het andere te halen en een rol te
doen spelen in allerlei zaken, waarmede ik niet verlangde iets te doen
te hebben.
NOTEN:
[5] De titel van Mijnheer werd in die dagen alleen aan aanzienlijken
gegeven: deftige leden uit den burgerstand heetten _Sinjeur_: en men
zeide _Monsieur_ tegen den zoodanige, voor wien bovenstaande benamingen
nog te verheven waren. Met _Mevrouw_, _Mejuffrouw_ en _Mademoiselle_ was
het ongeveer hetzelfde.
Noot van den uitgever.
[6] Aldaar werd voorheen het vonnis aan de ter dood veroordeelden
gelezen.
Noot van den Uitgever.
* * * * *
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
VERMELDENDE, HOE FERDINAND EN SUZANNA UIT LOGEEREN GINGEN EN WAT ER OP
HEIZICHT GEBEURDE.
Indien mijn waarde lezers het bovenstaande nauwkeurig hebben gelezen en
onthouden, zullen zij zonder veel moeite kunnen uitrekenen, dat de dag,
volgende op dien, waarop mijn ontmoeting ten huize van Heynsz plaats
had, een Zaterdag was, en wel die, waarop Tante Van Bempden mijn zuster
en mij zou komen afhalen om ons naar haar buitengoed te begeven. Niet
veel later dan negen uren hield haar koets voor onze deur stil, terwijl
Suzanna en ik reeds een geruime poos in de zijkamer hadden staan
draaien, onze zakuurwerken met de staande klok vergeleken, over den
juisten tijd gekibbeld, en het oneens waren geweest of de Muntklok voor-
of achteruitgezet was, en voor de tiende maal aan onze moeder haar
tienmaal herhaalde vraag, of wij niets hadden vergeten van hetgeen wij
buiten noodig hadden, beantwoord, en gegaapt en opgestaan en weer gaan
zitten en alle dergelijke belangrijke handelingen meer bedreven, die men
niet doet dan alleen wanneer men wacht en zich verveelt. Na afscheid
genomen te hebben van mijn moeder, die ons tot op de stoep vergezelde,
hielp ik Suzanna in het rijtuig, van waar mijn Tante haar reeds het
welkom toeriep. Ik hoorde mijn zuster een kreet van verbazing uiten,
stapte na naar het portier binnen, en, vond mij _nez-à-nez_ met ...
Mejuffrouw Henriëtte Blaek.
Intusschen gaven Govert en Aagt de kleine pakjes aan, die wij mede
moesten nemen: er was vrij wat drukte en bereddering: en ieder sprak te
gelijk.
"Wel, Jetje-lief! hoe vaar je? wel Tante! wat is dat een lieve
verrassing," zeide Suzanna.
"Hoe! gaat Juffrouw Blaek ook mede?" riep mijn moeder, van de stoep af,
terwijl zij minzaam goeden dag knikte: "wel Zuster! dat is een recht
aangenaam gezelschap, dat gij aan Santje bezorgt."
"Nietwaar, Zuster!" riep Tante weerom: "ja! ik wist wel, dat Santje niet
aarden kan zonder een kornuitje: en ik denk altijd: hoe meer zielen, hoe
meer vreugd."
"Goeden dag, Mevrouw Huyck!" riep Henriëtte: "is het niet een recht
lieve attentie van Mevrouw Van Bempden, dat zij mij wel mee wil hebben?"
"'t Is klaar Joris!" zeide de knecht, het portier sluitende.
"Vaartwel! Adieu!" klonk het over en weer: en het langzaam voortrollen
der koets maakte een einde aan de afscheidsgroeten.
Nauwelijks waren wij onderweg, of er ontstond eene oogenblikkelijke
stilte: en de verschillende _contenances_, die wij hielden, zouden zeker
niet onbelangrijk geweest zijn in de oogen van een derde, die met onze
innerlijke gevoelens ware bekend geweest. Wij zagen elkander beurtelings
aan: Tante Van Bempden met een blik van zegepraal over het welgelukken
van haar verrassingsplan: Suzanna met een paar oogen, waarin ik, bij de
vreugde over de ontmoeting van haar vriendin, tevens een schalksche
nieuwsgierigheid las, om te zien hoe wij ons zouden houden: Henriëtte,
die mij eerst vrij stijfjes gegroet had, met een eenigszins verlegen
blik. Wat mij betreft, ik was zoo uit het veld geslagen, dat ik niet
wist waarheen te kijken en de zotste figuur mogelijk maakte.
"Komaan!" zeide Tante: "Jetje-lief! nu moet ik u mijn neef Ferdinand
voorstellen. Ferdinand! Mejuffrouw Blaek."
"Ik heb reeds de eer van Mijnheer te kennen," zeide Henriëtte, met een
zoo korte hoofdbuiging en op een zoo drogen toon, dat ik geheel en al
van mijn stuk geraakte en kleurde tot achter de ooren toe.
"Hoe! kent gij mijn neef al?" vroeg Tante, met verbazing: "en hoe is dat
mogelijk? hij komt pas uit verre landen terug."
Ziende, dat Henriëtte op haar beurt een kleur kreeg en dat Suzanna op
haar zakdoek beet om niet te lachen, vatte ik eenigszins moed:
"Mejuffrouw," zeide ik, "is de eerste stadgenoot geweest, die ik op den
vaderlandschen grond ontmoet heb: en UEd. zal bekennen, dat ik het niet
gelukkiger treffen kon."
"Hoe varen Letje? en Keetje?" vroeg Henriëtte, zich naar Suzanna
wendende, als wilde zij mij de gelegenheid afsnijden om verder over onze
ontmoeting op Guldenhof uit te weiden.
"Wel! zeer wel!" zeide Suzanna, ons beurtelings met een verwonderden
blik aanziende: "zij zijn recht in haar schik met het moois, dat
Ferdinand haar gebracht heeft," (men ziet, dat zij mij met geweld in het
_discours_ wilde sleepen:) "wat mij betreft, ik ben maar half tevreden
over hem. Ik had gehoopt, dat zijn tochten hem wat zouden verbeterd
hebben; maar och! hij is te huis gekomen zooals hij gegaan is, behalve
dat hij deze reis geen pruik ophad."
"Welnu! wat wildet gij dan?" vroeg Tante, met haar gewone levendigheid,
en het gezegde van Suzanna voor goede munt opnemende: "hadt gij liever
gewild, dat hij terug ware gekomen als een vervreemde knaap, die zijn
eigen taal verleerd was en met medelijden of verachting op zijn
landgenooten en familie neerzag? Wij hebben, sedert de revocatie van het
Edict, al genoeg Fransche poedeljassen in het land gekregen: en het is
wel zaak, dat wij ten minste de vaderlandsche gewoonten blijven
voorstaan."
"Recht zoo Tante!" zeide Suzanna: "hoe is u de laatste preek van Talard
bevallen?"
"Santje! Santje!" zeide Tante, den vinger dreigend opheffende: "is dat
geoorloofd, aldus met uw tante te gekscheren, omdat ik nu van den
preektrant van Talard houde, waar onze predikanten wel een voorbeeld aan
mochten nemen. Ik geloof, dat ik mijn vaderland daarom even liefheb, al
ga ik nu en dan eens naar de Walekerk, waar zulk een onstichtelijk
gedrang niet is als in onze kerken."
"Neen; maar integendeel een zeer stichtelijk gesprek bij het uitgaan,
over alles behalve de preek. Laatst vroeg mij een diaken, dien ik niet
noemen zal, juist op het oogenblik, dat ik bij 't uitgaan, mijn gift in
't zakje deed, of ik veel engagementen had voor het bal van Mevrouw
Stoppelaar."
"Zoo, ja!" hernam Tante: "maar daar mij zulke vragen niet gedaan worden,
heb ik geen stof tot ergernis en blijf ik evengoed Hollandsch-gezind al
hoor ik nu en dan een Fransche predikatie."
"Zijn dat de fontanges, die UEd. uit Parijs hebt laten komen, Tante?"
vroeg mijn onverbeterlijke zuster, die evenals een echte visscher, nooit
kon nalaten de angelroede uit te werpen, waar zij er gelegenheid toe
zag.
"Dat is hetzelfde onbeschaamde meid!" zeide Tante, glimlachende: "ik
laat mijn fontanges uit Parijs komen, omdat zij hier niet goed gemaakt
worden, en ik zou er u haast naar toe sturen, om school te gaan en wat
eerbiediger te leeren worden jegens menschen van meer jaren."
"'t Is den moriaan geschuurd," zeide ik: "of UEd. haar al de les leest."
"Zoo! komt gij ook uit den hoek?" zeide Suzanna: "neen! dan is het geen
gelijke partij meer! want of ik Jetje al te hulp roep, die weet ik te
voren, dat mij altijd afvalt."
"Die overtuiging bewijst niet veel voor de deugdzaamheid van uwe zaak,"
zeide Henriëtte.
"Zeer nederig aangemerkt," zeide Suzanna.
"En ontegenzeggelijk waar," voegde ik er bij: "want Mejuffrouw Blaek kan
zeker nooit een zaak voorstaan dan die billijk en rechtvaardig is."
"'t Is jammer Jetje! dat wij in een rijtuig zitten," zeide Suzanna:
"anders zoudt gij zeker opstaan en nijgen, om voor zulk een fraai
compliment te bedanken."
"O! ik weet bij ondervinding, dat Mijnheer zeer mooie complimenten kan
maken," antwoordde Henriëtte, den toon van terughouding hernemende, die
mij zoozeer griefde.
"Waarlijk!" zeide Suzanna: "nu dan hebt gij, niettegenstaande uw korte
kennismaking, al meer goede hoedanigheden in mijn broeder ontdekt dan
ik: want ik had er hem nog niet op betrapt; maar dat geeft hoop op de
toekomst."
"Maar vertel mij toch," zeide Tante, die half naar dit laatste gedeelte
van het onderhoud geluisterd had en half gesnuffeld in een paar nieuwe
Engelsche boeken, die zij mede naar buiten nam: "waar en hoe hebt gij
elkander meer gezien? en laat dat gehakketeer toch eens varen."
Ik voldeed met weinige woorden aan haar verzoek; maar, in weerwil van
Tantes vermaning en hoe kort mijn verhaal ook ware, het haalde mij
ettelijke zetten en spotternijen van Suzanna op den hals, die nu eens
beweerde, dat ik een mannetje van zout ware en voor een klein
regenbuitje vreesde; dan weder, dat ik den regen slechts als een
voorwendsel had aangegrepen, om te zien; welke Juffer in den koepel zat;
dan, dat ik al zeer vrijpostige manieren had opgedaan om mij zoo in te
dringen op een plaats, waar ik niets te maken had, enz. Wat Henriëtte
betrof, deze scheen te lijden onder dit gesprek en antwoordde slechts
met ja en neen op de vragen, welke te dier gelegenheid tot haar gericht
werden, zoodat Tante haar houding begon op te merken en haar vroeg of
haar iets deerde, of het haar ook tochtte, of zij ook van plaats wilde
ruilen enz. Suzanna, die wel bemerkte, dat het hem daar niet zat, doch
de reden van Henriëttes handelingen volstrekt niet verklaren kon, werd
van zelf stil en zag mij zijdelings met eenige ongerustheid aan. Ik was
zelf ook lang niet op mijn gemak; maar, al mijn vermogens inspannende,
trachtte ik het zooverre te brengen, dat ik een andere wending aan het
onderhoud gaf en begon het een en ander over mijn reizen te vertellen.
Suzanna, die mijn oogmerk raadde, hielp mij dezen keer trouw voort.
Tante begon belang te stellen in hetgeen ik mededeelde: haar verbeelding
raakte met haar tong aan het wedrennen: en Henriëtte zelve, schoon
altijd min of meer schoorvoetende, mengde zich nu en dan in het gesprek,
glimlachte zelfs bij wijlen, doch verviel, telkens wanneer ik haar
bepaaldelijk toesprak, weder in haar afgepaste, koel beleefde houding.
Zoo duurde het, totdat wij aankwamen te 's Gravenland en het hek van
Heizicht binnenreden.
"Komt kinderen!" zeide Tante, zoodra het rijtuig had stilgehouden voor
de prachtige stoep, waarvan elke trede met kostelijke bloemgewassen
prijkte: "nu moet gij u zien te vermaken tot den etenstijd: want ik zie
daar al dezen en genen, met wien ik het een en ander te behandelen heb:
en ik vrees, dat mij de tijd zal ontbreken, om voor den eten met u op
den dril te gaan."
Wij zagen, dat zij gelijk had; want het voorhuis stond vol lieden, die,
met den hoed in de hand en onder beleefde buigingen, de eigenares van
Heizicht opwachtten. Daar was de timmerman van het dorp, met wien zij in
onderhandeling moest treden over den aanbouw van eenige nieuwe hokken
voor de pauwen en fazanten: de metselaar, die een steenen wal voor den
nieuwen achthoekigen vijver maken zou: de schilder, die een nieuwe verf
zou geven aan het zomerhuisje, zonder nog te gewagen van eenige
leveranciers uit Utrecht en Weesp, die zij besteld had en te woord moest
staan. Zij trad dan ook terstond in een zijvertrek, zonder zich den tijd
te gunnen van zich van hoed en mantel te ontdoen, en wenkte een der
aanwezige personen toe, haar te volgen. Wat de jonge dames en mij
betrof, wij begaven ons naar de kamers, welke wij betrekken moesten, en
waar de dienstboden ons goed brachten, en maakten ons toilet in
behoorlijke orde. Ik althans besteedde daaraan meer tijd en zorg dan
ooit te voren mijn geval was geweest: 't zij, dat ik verlangde wat knap
voor de oogen van Mejuffrouw Blaek te verschijnen, en een beter figuur
te maken, dan toen ik in mijn nat en versleten gewaad op Guldenhof voor
haar opdaagde, 't zij, dat de onaangename gewaarwording, die haar
koelheid bij mij verwekt had, mij belette den noodigen spoed te maken.
Zooveel is zeker, dat, toen ik geheel gekleed en in orde voor den dag
kwam en het huis uittrad om de balsemende buitenlucht te genieten, ik
mijn zuster reeds kant en klaar vond en druk bezig om een ruiker te
maken.
"Te deksel!" zeide Suzanna: "dat toilet heeft lang geduurd. Gij ziet er
uit, of gij uit een doosje kwaamt. En dat alles ter eere van Jetje
Blaek? Dan vrees ik, dat gij vergeefsche moeite doet; want ... maar zeg
mij toch, Ferdinand! zonder gekscheren, is er iets tusschen u beiden
voorgevallen? want ze wilde u nauwelijks te woord staan, en keek bij
wijlen zoo zuur, gelijk ik haar nog nooit heb zien doen." Dit zeggende
hadden de oogen mijner zuster, anders zoo spotacbtig en vroolijk een
uitdrukking van belangstelling, die mij wel bewees, hoe lief zij mij
innerlijk had, en hoe het haar hinderen zoude, indien ik door haar
vriendin niet naar verdiensten behandeld werd.
"Hoor eens, Santje!" antwoordde ik: "ik kan u thans niet alles zeggen;
maar zoo gij mij verplichten wilt, doe dan uw best en maak, dat ik, al
ware het maar een paar minuten, haar alleen spreke: en ik twijfel niet,
of alles zal wel in 't effen komen. Ikzelf gevoel insgelijks behoefte om
op een goeden voet met haar te blijven."
"Maar Ferdinand!" zeide zij, groote oogen opzettende: "nu! gij zult mij
dat wel nader ophelderen ... mij dunkt, dat gij in dat uurtje, op
Guldenhof doorgebracht, uw tijd niet verloren hebt."--En zij keek weer
even schalksch als gewoonlijk.
Op hetzelfde oogenblik werd ons gesprek afgebroken door de verschijning
van Henriëtte aan de voordeur, waar zij staan bleef, als in beraad of
zij zou naderen of terugkeeren; maar mijn zuster riep haar toe, of zij
niet mede eens rond zou wandelen: en met langzame schreden kwam zij de
stoep af.
"Kom! "zeide Suzanna, haar onder den arm nemende: "wij zullen ruim den
tijd hebben, de plaats rond te gaan, eer Tante heeft afgedaan. Laat ons
dit laantje ingaan: ik heb u heel veel te vertellen, en Ferdinand mag
meeloopen, mits hij niet luistere."
Wij draaiden een zijlaan in, en de twee jonge dames begonnen met
elkander te fluisteren, terwijl ik er naast liep, al bij mijzelf
peinzende, wanneer de gelegenheid, waar ik naar verlangde, zich zou
opdoen. Eensklaps stond Suzanna stil: "Wat ben ik toch een loszinnige
meid," zeide zij: "daar heb ik mijn zakdoek op het toilet laten liggen:
wacht! ik ben dadelijk terug." En zonder meer keerde zij zich om, en
liep, vlug als een hinde, weder huiswaarts, ons toeroepende, dat wij
maar langzaam zouden opwandelen, dat zij ons wel zoude inhalen.
"Maar Santje!... wil ik niet met u gaan?" riep Henriëtte haar achterna,
en was reeds van zins haar te volgen.
"Blijf maar! Ferdinand zal u niet opeten," zeide Suzanna van verre: en
Henriëtte, ziende, dat er niets anders opzat, bleef stilstaan en trok
met de punt van haar zonnescherm figuren in het zand.
Ik stond een poos als versteend: en nu de list van mijn goede zuster
mij de gelegenheid verschafte, naar welke ik een oogenblik te voren
reikhalzend uitzag, was het mij, alsof ik nooit in staat zoude zijn,
daar een goed gebruik van te maken. Ik was als met botheid en stomheid
geslagen en ik voelde, dat ik beefde. Eindelijk zamelde ik al mijn moed
bijeen en met een flauwe stem stamelde ik de navolgende woorden uit:
"Mejuffrouw! ik weet niet of ik mij bedrieg; maar ik geloof, dat ik
onwillekeurig uw ontevredenheid heb opgewekt."
Zij zag mij eenigszins verrast aan; doch haar vorige houding weder
hernemende, antwoordde zij op een onverschilligen toon:
"Ik weet niet, Mijnheer! welk recht ik zou hebben om ontevreden op u te
zijn."
Het ijs was gebroken en ik moest voortgaan, wilde ik niet als een
botmuil worden aangemerkt: "Ik geloof," zeide ik, "dat Mejufvrouw Blaek
verheven is boven hetgeen men grilligheid noemt.... Heb ik mij slechts
ingebeeld, dat UEd. heden, nu ik bij u bekend ben, in het gezelschap van
mijn betrekkingen, mij ... kortom ... mij minder vriendelijk behandelt,
dan toen ik mij op Guldenhof bevond?"
"UEd. kan het oogmerk niet hebben om mij te beleedigen?" zeide zij, mij
ernstig aanziende.
"God weet, dat dit de laatste mijner gedachten zoude zijn: en ik verwerp
alle dergelijke uitleggingen mijner woorden. Maar ik bedrieg mij niet:
er is iets voorgevallen ... men heeft mij bij u in een kwaad daglicht
doen voorkomen."
"Mijnheer!... ik weet niet ... maar het schijnt of ik een verhoor moet
ondergaan," zeide zij, kennelijk ontevreden.
Ik begon te begrijpen, dat zij toch niet voor de reden van de
verandering in haar gedrag te mijwaart zou uitkomen, en besloot er dus
zelf op te zinspelen, terwijl ik, nu eens aan den gang zijnde en mijne
eer op het spel ziende, met meerderen moed en warmte aldus voortvoer: