nu, de jeugd mag wel wat los zijn: hij schept er altijd vermaak in, den
ouden Helding wat te plagen. Soms fluit hij een deuntje, terwijl ik aan
't voorlezen ben, of maakt proppen en broodballetjes en knipt mij die
tegen den neus. Ja! er zijn geen poetsen, die hij mij niet speelt. Heeft
hij mij laatst niet buiten mijn weten een scharlaken lap op den rug
gespeld en _quasi_ om een boodschap aan den pluimgraaf, naar de
menagerie gestuurd, waar de kalkoenen mij aanvlogen als dol? En een
andere reize, toen ik een lichtkleurige broek aanhad, stuurde hij zijn
honden een moddersloot in en liet die vervolgens tegen mij opspringen,
zoodat ik, geen andere kleding bij mij hebbende, den gansenen avond voor
het keukenvuur heb moeten zitten om mij te drogen, en zeker niet weer in
de zaal had durven verschijnen, indien Mejuffrouw Henriëtte, van mijn
ongeval gehoord hebbende, zich mijner niet ontfermd had en mij uit de
oude plunje van haar oom een ander kleedingstuk had opgeschommeld.
Zooals ik zeg: het is een vroolijk Heer; maar ik moet het van hem wel
verdragen! wij zijn zulke oude kennissen: en hij heeft soms wilde buien
ook."
Ik schudde het hoofd en beklaagde bij mijzelven den armen man, die op
zijne jaren om een aalmoes zulke vernederingen dulden moest. "En
Mejuffrouw Blaek," zeide ik toen: "zij althans schijnt u zeer genegen."
"O Mijnheer! Een engel is zij. Wel is waar, zij vat niet altijd de fijne
knepen der poëzie! maar anders, een hart heeft zij ... zooals geen
meisje uit de stad. Ja! zoo dat eens een huwelijk geeft, de Heer
Lodewijk zal dan een juweeltje van een vrouw aan haar hebben, dat
verzeker ik u."
"Is dat huwelijk reeds bepaald?" vroeg ik, eenigszins onrustig.
"De oude Heer zou het gaarne zien; maar, tusschen ons gezegd," vervolgde
hij op een vertrouwelijken toon: "de Heer Lodewijk wil, geloof ik, zijn
vrijheid nog wel wat behouden: ja! ja! dat geeft somtijds onpleizierige
tooneelen; maar, ik mag niet uit de school klappen. Eergisteren onder
anderen, toen UEd. Guldenhof verlaten hadt, was het er vrij onstuimig
... ja! de oude Heer heeft niet gaarne dat andere jongelieden hun hof
aan Juffrouw Jetje maken. Zoo ik mij op uwe bescheidenheid verlaten kon,
zou ik UEd. kunnen verhalen, wat er bij die gelegenheid voorviel."
Ik antwoordde niets; want, ofschoon vrij nieuwsgierig, wilde ik den man
niet aanmoedigen om familietwisten, waarvan het toeval hem getuige had
gemaakt, aan mij te openbaren. De brandewijn had intusschen op Helding
zijn invloed uitgewerkt en hem spraakzaam, of liever, openhartig
gemaakt. Hij nam mijn stilzwijgen op als een bewijs van toestemming en
ging aldus voort:
"Pas was UEd. uit het oog, of daar begon het lieve leven. De Heer Blaek
zette een gezicht, zooals hij alleen bij feestelijke gelegenheden doet:
"past het een fatsoenlijk, welopgevoed meisje," vroeg hij, "met een jong
Heer alleen te zitten en drank met hem te gebruiken?" Toen sloeg mijn
lieve Flora (ik ben schertsenderwijze gewoon haar Flora te noemen) haar
oogjes neder en zeide: "Oom! ik heb geen drank geproefd: ik heb zelfs
geen woord met den Heer Huyck gesproken, eer hij zich bekend gemaakt
had."--Dat lieve stemmetje had de gewone uitwerking: en de
omstandigheid, die zijn nicht hem mededeelde, scheen den ouden Heer een
pak van 't hart te nemen. "Zoo!" zeide hij, "had je hem nooit meer
gezien? Maar hoe weet je dan, of hij u geen knollen voor citroenen in
handen gestopt heeft: gij deedt beter, niet meer zoo alleen naar den
koepel te gaan; er zwerft zooveel slecht volk tegenwoordig langs den
weg, en een gauwdief neemt alle namen aan. Baas Roggeveld heeft ons
immers nog verteld van die inbraak. 't Is zeker volk van de bende van
Zwarten Piet. En dan kleeden zich die schelmen soms als Heeren en
sluipen in de huizen, om te zien, of er iets van hun gading is."--"Ja!"
zeide de Heer Lodewijk: "en wanneer zij niets anders vinden, pakken zij
de mooie meisjes ook al mede."--Ik kan u zeggen, Mijnheer Huyck, het
denkbeeld deed mij schrikken! verbeeld u, mijn aanbiddelijke Flora,
Een pronkstuk dat het oog van ieder kan betooveren
Ontschaakt door 't gruwzaam feit van goddelooze rooveren,
Gelijk de schoone, die Alcides had geroerd,
Bij ('k weet niet welken) stroom door een Centaur ontvoerd.
En zoo vroeg ik, of het ook zaak ware, al het fraais, dat de koepel
bevatte, naar huis te voeren: "want," zeide ik:
"Want, Heer! geloof mij, volle kasten
Zijn niet vertrouwd bij zulke gasten."
"Maar meisje! meisje!" zeide de oude Heer al wederom: "hoe kon je toch
zoo onvoorzichtig zijn, dien man hier binnen te laten?"--
"Wel," zei Juffrouw Jetje: "ik heb hem niet binnengelaten: hij is hier
vanzelf gekomen. Ik kon hem toch niet wegjagen: of had ik naar huis
moeten vluchten en kletsnat worden en den koepel open laten staan voor
een iegelijk? Maar ik kon immers wel zien, dat hij een fatsoenlijk man
was."--"Taratata!" zei toen de oude Heer: "wat gaat dat mondje weer rad.
Nu geef mij maar een zoen, Jetje! wij zullen er niet meer over spreken.
Het is eigenlijk de schuld van Lodewijk: die had hier al lang moeten
zijn om u af te halen, maar hij heeft zijn tijd met Helding op het
biljart verbeuzeld. Kom Lodewijk, geef je nicht een arm."--"Neen," zei
mijn lieve Flora: "ik weet wel, dat Lodewijk liever alleen loopt.
Helding zal mijn cavalier zijn, zoo hij wil, en zijn regenscherm hem
niet hindert."
"Wel," zei ik, "al had ik er duizend te dragen, en nog als Atlas een
wereldbol bovendien op mijn schouders, ik zou mijn last niet tellen om
zulk een eer te mogen genieten:"--en zoo streek ik met de Juffrouw naar
huis: terwijl de oude Heer niets deed als Lodewijk zuur aankijken, en
Lodewijk een deuntje floot.--En och heden! ik kan het u wel zeggen,
Mijnheer Huyck! UEd. zal er toch geen misbruik van maken: ik weet heel
goed, wat het liedje was, daar hij de wijs van neuriede, en waarom de
oude Heer er zoo korzelig over was. Het is omtrent zoo:
Ja! Zij is aardig, jong en teer;
Maar 'k min de gulde vrijheid meer.
Ik wil, ik wil haar niet.
Een breidel knelt, ofschoon van goud:
Te vroeg getrouwd, te laat berouwd.
Ik wil, ik wil haar niet.
En dat maakte ook, dat de oude Heer geen woord sprak over tafel en dat
zij 's avonds vrij wat woorden hadden met elkaar. 't Was goed, dat zij
beiden gistermorgen ieder op zijn eigen gelegenheid naar de stad
keerden, en daardoor de twist niet hervat kon worden.--Intusschen: de
oude Heer is danig op die verbintenis gesteld, en als de Heer Lodewijk
wat wijzer en bedaarder is geworden, zal hij zijns vaders zin toch wel
doen.--'t Is maar niet pleizierig, dat het zooveel gehaspel geeft;--maar
in 's hemels naam: mondje dicht, Mijnheer Huyck!"
"Geen woord zal er van over mijn lippen komen," zeide ik:--"maar mij
dunkt, dergelijke tooneelen en een dergelijk vooruitzicht moeten voor
Mejuffrouw Blaek allesbehalve aangenaam zijn."
"Dat is waar," hernam Helding: "maar zij heeft het anders kostelijk bij
haar oom. 't Is hartje wat lust je, mondje wat begeer je? De oude Heer
heeft haar lief als den appel van zijn oogen. En zij verdient het; want
zij is een engel. Och! als ik haar zoo aanzie!..." hier hield hij ineens
op, schudde het hoofd, zag voor zich: en een paar tranen rolden den
ouden man langs de wangen.
"Wat schort er aan?" vroeg ik, eenigszins verbaasd over deze verandering
in 's mans gemoedsgesteldheid, en niet wetende, waar ik zulk een
plotseling opgekomen droefgeestigheid aan had toe te schrijven.
"Och!" hernam hij met een zucht: "als ik haar aanzie, dan herinner ik
mij altijd mijn Klaartje:... dat was ook zulk een lief vroom kind, en
had ook zulk een paar groote vriendelijke oogen, evenals zij.--Och ja!
zoolang zij bij mij was, ging het mij nog goed en leefde ik niet in
ellende en eenzaamheid zooals thans: en schoon wij het niet breed
hadden, wij waren tevreden: alles was altijd netjes en knap om mij heen:
Klaartje verdiende ook wat voor de huishouding: en als zij dan te huis
was van den winkel, en over mij zat om een muts of hoed op te maken, en
luisterde naar mijn verzen,--kijk! dan was ik zoo gelukkig, dat ik het
met geen Burgemeester zoude geruild hebben; maar nu is dat alles
voorbij; ik leef alleen en verlaten en niemand bekommert zich over den
armen Helding.--'t Is waar, ik heb den naam van een vroolijke snaak te
zijn:--en dat ben ik ook, in gezelschap; omdat ik van aard gezellig hen
en die droevige gedachte dan uit het hoofd stel. Maar als ik alleen ben,
och! dan heb ik soms bange oogenblikken." "Gij hebt dus het ongeluk
gehad, uw dochter zoo jong te verliezen?" vroeg ik deelnemend.
"Te verliezen, juist Mijnheer!" antwoordde hij, somber voor zich ziende.
"Zulk een verlies is zeker onherstelbaar," zeide ik: "maar de
herinnering aan de goede hoedanigheden der afgestorvene zal hij u toch
niet louter pijnlijke, maar ook wel zachte en streelende aandoeningen
verwekken."
"Der afgestorvene!" herhaalde hij: "gave de hemel dat zij gestorven
ware!... ofschoon het mogelijk is ... ik weet het niet.--Neen, Mijnheer,
zij is mij niet door den dood ontvallen. Zij heeft mij verlaten, mij,
haar vader, die haar zoo liefhad. Zij is de wijde wereld ingegaan:--en
wat is de wijde wereld anders voor een jong meisje als zij was, dan de
verderfenis?--Doch ik moest daarover niet spreken:--het is alles
wellicht mijn schuld: ik had haar beter gade moeten slaan. Vergeef mij,
Mijnheer! het past mij niet, u over mijn eigen leed te onderhouden."
"En waarom niet?" vroeg ik, een innig medelijden met den man gevoelende:
"het geeft altijd troost, zijn pijnlijke gedachten te kunnen uitstorten
bij iemand, die het wel met ons meent."
"Neen, Mijnheer!" zeide hij, met meerdere waardigheid dan ik gedacht
had, dat hij kon aannemen: "er zijn rampen van dien aard, dat haar
mededeeling geen troost kan aanbieden.--Er is slechts één ding, dat mij
opbeuring zou kunnen geven, en dit zou het bericht zijn, dat zij van den
slechten weg, dien zij bewandelt, ware teruggekeerd. Och! dat het
verloren schaap berouwhebbend weder bij mij kwame! Ik zou haar immers
weer aan mijn hart drukken en alles zou vergeten en vergeven zijn: zij
zou mijn armoedje deelen: en misschien beleefden wij nog gelukkige
dagen."
"Maar, zoo ik vragen mag, hebt gijzelf geene pogingen gedaan om haar op
te sporen en van het doolpad af te brengen?"
"Och Mijnheer!" antwoordde hij, de schouders ophalende: "tot zulke
nasporingen is geld noodig: en dat heb ik niet. Ik ben al meer dan eens
bij den Onderschout over de zaak geweest; maar die wil er niets aan
doen, en zegt, dat hij wel dagwerk zou kunnen krijgen van al de meisjes
op te zoeken, die de Breeveertien op zijn."
"Nu," zeide ik, "zoo de Onderschout u niet wil voorthelpen, waarom zijt
gij dan niet tot mijn vader gegaan?"
"Tot den Ed. Gestr. Heer Hoofdofficier! Ho! dat durfde ik zoo niet: dat
ware te onbescheiden geweest."
"Onbescheiden!" herhaalde ik: "onbescheiden om mijn vader in zijn
ambtsbetrekking te spreken?--Zoo gij daarvoor vreest, dan wil ik uw
boodschap wel doen."
"Wel! ik zou UEd. de moeite niet hebben durven vergen; maar och ja! doe
dat, Mijnheer Huyck! Ik zal er u levenslang voor dankbaar zijn."--En de
tranen glinsterden den man in de oogen, terwijl hij mijn handen drukte:
"Och!" vervolgde hij, "wat heb ik een gelukkige ingeving gehad, van UEd.
dat gedicht te zenden; anders ware ik nooit met UEd. in kennis
gekomen.--Ik was eerst al huiverig, of UEd. het niet te gebrekkig zoudt
vinden; want ik had het nog niet in mijn vriendenkrans voorgelezen en
het was dus nog onbeschaafd."
"Is dat anders uw gewoonte?" vroeg ik, eenigszins verwonderd, want ik
was niet op de hoogte van de manier, die onder onze zoogenaamde dichters
heerschte.
"Welzeker, Mijnheer!--Wij hebben een vereeniging om de veertien dagen,
waar de braafste dichtgeesten der stad leden van zijn: daar lezen wij
onze verzen voor en ieder maakt zijn aanmerkingen: en dan worden de
zwakke regels naar het gevoelen der meerderheid verbeterd.--O! het is
een zeer vermakelijk gezelschap! Mijn eenig leedwezen is, dat ik de
vrienden niet tot mijnent kan ontvangen; want helaas! dat gedoogen mijn
omstandigheden niet. Anders, wij mogen een gast inleiden: en ik zou mij
het tot eer rekenen,... maar het ware al te onbescheiden, zoo iets te
durven hopen."
"Wel, waarom dat?" zeide ik lachende, en in de veronderstelling, dat
daarvan wel nooit iets komen zou: "ik zou zeer gaarne dien krans eens
bijwonen.--Maar het wordt mijn tijd, Mijnheer Helding! en ik zal u
verlaten.--Nu! ik beloof u, ik zal uw zaak ter harte nemen."
Helding hernieuwde zijn betuigingen van dankbaarheid en van vreugde over
de eer van mijn bezoek: en, na de twee dukaten behendig in mijn kelkje
te hebben laten vallen, wilde ik mij verwijderen; maar, ondanks mijn
tegenzeggen, begeerde hij volstrekt mij uitgeleide te doen en mij op de
trap voor te gaan, waarvan hij door dagelijksche gewoonte best in staat
was mij de afgesleten treden aan te wijzen. Halverwegen gekomen, waar
een klein zijportaaltje naar de deur eener voorkamer geleidde, hield hij
stil en luisterde.
"'t Is of men het daarbinnen niet eens is," zeide hij, op de gesloten
deur wijzende.
"Inderdaad," zeide ik: "mij dankt, er vallen hooge woorden." En ik stond
insgelijks stil; want de stemmen kwamen mij bekend voor.
"Het is, zoo waar ik leve, de Heer Lodewijk Blaek!" zeide Helding:
"misschien zocht hij mij en heeft hij zich eene verdieping vergist."
"Stil!" zeide ik, met drift, terwijl ik aandachtig luisterde:--ik hoorde
een vrouwenstem, welke ik verre was van hier te verwachten, met kracht
de navolgende woorden zeggen:
"Nog eens, Mijnheer! ik verzoek u dit vertrek te verlaten, of gij zult
mij dwingen om hulp te roepen."
"Is het wel mogelijk!" riep ik: en terstond, door een onwillekeurige
gemoedsbeweging voortgestuwd en zonder over de gevolgen na te denken,
stootte ik de deur open en trad binnen. Ik had mij niet bedrogen. Midden
in het vertrek stond Amelia, met vlammende oogen en in een houding,
eener vorstin waardig, en wees met uitgestrekten arm de deur aan
Lodewijk Blaek, die volstrekt niet genegen scheen aan den wenk te
voldoen.
Mijn binnenkomst veroorzaakte geen geringe uitwerking. Amelia herkende
mij terstond; zij kleurde even: en haar arm latende vallen, deed zij een
schrede zijwaarts naar mij toe, als wilde zij zich onder mijn
bescherming stellen.
"Wie is daar?" vroeg Lodewijk, die met den rug naar ons toe stond en
zich eensklaps omkeerde: hij herkende mij, verschoot van kleur, maar
herstelde zich dadelijk en zag beurtelings Amelia en mij aan met een
schamperen glimlach.
"Aha!" zeide hij: "ziedaar een welkomer gast! Nu zie ik inderdaad, dat
ik het veld zal moeten ruimen."
Ik gevoelde de noodzakelijkheid, een poging aan te wenden, om zijn kwade
vermoedens weg te nemen.
Mijnheer!" zeide ik, "gij bedriegt u. Ik verklaar u als man van eer: ik
was onbewust dat deze Juffer hier woonde, en, van een bezoek bij den
Heer Helding terugkomende, vond ik mij genoopt binnen te treden, omdat
ik mij verbeeldde, dat hier iemand onbehoorlijk behandeld werd."
"Mijnheer!" zeide Lodewijk: "zoo ik het ben, wien gij een onbehoorlijke
handelwijze toeschrijft, dan zult gij mij rekenschap van die uitdrukking
geven."
"Ik zeide alleen, dat ik mij zulks verbeeldde," hernam ik, ongezind mij
een noodeloozen twist op den hals te halen: "Mejuffrouw alleen kan hier
beslissen of mijn vermoeden ongegrond was."
"O! _Mademoiselle_ zal u wel gelijk geven," hernam Lodewijk, met
bitterheid: "want dat gij, die met haar in de stad zijt gekomen, niet
zoudt weten, waar zij zich ophield, dat zult gij mij toch niet
wijsmaken."
"Wees voorzichtig!" zeide ik, gevoelende dat ik warm werd: "ik ben niet
gewoon, dat iemand aan de waarheid mijner gezegden twijfelt."
"Om 's Hemels wil! Mijnheer Lodewijk! Mijnheer Huyck! bezit uw zielen
toch in lijdzaamheid:" riep Helding, angstig tusschen ons intredende;
"verstaat elkanderen:
En laat geen dwaze drift u beider ziel doen blaken!"
"Gij hebt mij geaffronteerd!" zeide Lodewijk, de hand aan zijn degen
slaande: "en gij zult er mij rekenschap van geven."
"Wanneer gij wilt," hernam ik in drift: "maar wij zullen eerst beiden
dit huis verlaten en aan Mejuffrouw het bijwonen van zulke ergerlijke
tooneelen besparen."
"Tot uw dienst," zeide Lodewijk, zich den hoed in de oogen drukkende, en
Helding, die hem bij den arm hield, ter zijde schuivende.
"Een oogenblik!" riep Amelia, zich snel bij de deur plaatsende:
"Mijnheer! vervolgde zij tot Lodewijk: "ik heb u zooeven verzocht mij te
verlaten: thans begeer ik, zoo gij prijs stelt op den naam van een
fatsoenlijk man, dat gij mij nog een oogenblik aanhoort. Deze Heer heeft
de waarheid gesproken. Hij wist niet, hij kon niet weten, dat ik mij
hier in huis bevond. Hoe gij mij hebt weten uit te vorschen, is een
raadsel, dat ik niet verlang te onderzoeken. Ik weet niet, welke
gedachten gij omtrent mij koestert en wil die ook niet kennen; maar dit
verklaar ik u, dat alle beleedigende uitlegging, welke gij aan mijne
korte kennis met den Heer Huyck zoudt willen geven, op verkeerde gronden
berust."
"Dacht ik het niet?" zeide Lodewijk: "_Mademoiselle_ is te beleefd om
Mijnheer tegen te spreken."
"UEd. ziet het, Mejuffer!" zeide ik: "deze Heer wil geen rede verstaan
en heeft vast besloten om uit al wat hij ziet of hoort, valsche
gevolgtrekkingen te maken."
"Waarlijk, Mijnheer Lodewijk!" zeide Helding: "UEd. is in dwaling: het
was wel degelijk aan mij, dat de Heer Huyck een bezoek kwam geven! en
ZEd. zou deze deur stilletjes zijn voorbijgeloopen, indien ik ZEd. niet
op het gerucht opmerkzaam had gemaakt."
"Mijnheer!" zeide Amelia, zich tot den dichter wendende: "gij zijt een
man van jaren: ik bid er u om: vereenig u met mij, om dezen Heeren te
verzoeken, mij te verlaten, en te vergeten dat zij mij ooit gekend
hebben."
"Kom Helding! gij hoort het," zeide Lodewijk, spottende: "neem mij dan
bij den arm en gooi mij de deur uit."
"Het is genoeg, Mijnheer!" zeide ik: "gij hebt verstaan, dat Mejuffrouw
alleen wenscht te zijn: en gij zult haar verlangen eerbiedigen zoowel
als ik: en zoo gij daaraan niet vrijwillig voldoet, zal ik zoo vrij zijn
te doen, wat gij aan Monsieur Helding voorstelt."
Onder het uitspreken dezer woorden nam ik hem bij den arm, an er ware
ongetwijfeld een tooneel van geweld op gevolgd, toen de deur weder
openging en Heynsz, de huisheer, in eigen persoon binnentrad.
"Mij dunkt," zeide hij, "dat men het hier niet eens is, en dat hier meer
leven gemaakt wordt, dan betaamt in een fatsoenlijk huis. Ik wist niet,
_Mademoiselle_! dat UEd. ontving zulke drukke visites. Had ik kunnen
raden dat dit was uw habitude, ik had u niet verhuurd deze
appartementen; want ik ben niet gewoon... maar wat zie ik? Mijnheer
Blaek! gehoorzame dienaar. Hoe vaart uw Heer vader? mijn goede vriend
Helding ook al hier! Mijnheer Huyck! welkom in 't Vaderland! Maar mag ik
weten, wat dit alles heeft te beduiden?"
"O! niets ter wereld!" zeide Lodewijk: "ik kwam aan de Juffer een bezoek
geven; en Mijnheer begrijpt dit kwalijk te moeten nemen."
"Monsieur Heynsz," zeide Amelia met waardigheid: "ik heb deze kamer van
u gehuurd en dit geeft mij recht om te vorderen, dat ik er mijn vrijheid
op moge genieten."
"Uw vrijheid! _Certainement_!" zeide Heynsz, die haar verkeerd begreep:
"niemand kan u verbieden, te ontvangen _visites_; maar dit huis heeft
altijd _gejouisseerd_ van een _honnetten_ naam: en ik logeer geene
dames, die ... die meen ik ... Heeren bij zich ontvangen. UEd. verstaat
mij?"
"Neen, Mijnheer! ik versta u niet," antwoordde Amelia, terwijl zij
kleurde van schaamte en verontwaardiging: "en gij verstaat mij nog
minder: "ik begeer juist vrij te zijn om _niemand_ te ontvangen: en als
Heer des huizes zult gij mij verplichten, zorg te dragen, dat niemand
mijne kamer kome oploopen alsof ... het een herberg ware. Ik wil alleen
zijn, en zoo mij dit niet vergund wordt, zal ik naar een ander verblijf
moeten uitzien."
"Mij dunkt," zeide ik, Heynsz aanziende, "dat Mejuffer niets onbillijks
vordert."
"Integendeel!" zeide hij: "zij spreekt als een boek: ik was in erreur.
Allons! Mijne Heeren: gij hebt gehoord de intentie van Mejuffer. Kom,
vriend Helding! opgemarcheerd."
"Ik heb de eer nederig mijn compliment te maken aan het geëerd
gezelschap," zeide Helding, terwijl hij rondboog met de blauwe muts in
de hand, en vertrok.
Gerustgesteld door de tegenwoordigheid van Heynsz, in wiens bijzijn ik
begreep, dat Amelia geene beleediging te vreezen had, maakte ik
insgelijks een buiging en verliet de kamer, doch bleef in 't portaal
staan, daar ik Blaek niet wilde ontloopen.
"Vaarwel, fiere schoone!" zeide deze, die nu wel inzag, dat hij voor het
oogenblik alle hoop moest opgeven: "het doet mij recht leed, dat ik u
misschien gedwongen heb te veinzen, dat gij met dien Heer niets
uitstaande hadt. Nu! ik begrijp, dat hij de oudste brieven heeft, en zal
u heden niet meer lastig vallen.--Mijnheer Huyck! gij gaat nog niet
heen! Ik heb u twee woorden te zeggen."
"Ik wachtte u," zeide ik, langzaam voor hem uit de trappen afdalende.
"_Eh bien_! wat zal dat zijn?" riep Heynsz, ons achternavolgende: "de
Heeren zullen immers zoo dwaas niet zijn, op straat te maken rusie!
Indien zij nog quaestie samen hebben, mag ik dan verzoeken, dat zij
komen in mijn zijkamer en daar bedaard met elkander spreken over deze
_affaire_."
Onder het uiten dezer woorden was hij ons reeds voorbijgeschoten, en,
terwijl hij de voordeur met de eene hand dichtsloot, opende hij met de
andere die van de zijkamer. Er zat dus niets anders op dan aan zijn
verzoek te voldoen. Ik ging dadelijk binnen en bleef tegen den rug van
een stoel leunen, in afwachting van hetgeen volgen zoude. Lodewijk trad
mij eenigszins schoorvoetende en mompelende na, en hield zich, als ware
hij verdiept in de beschouwing van eenige portretten, die aan den wand
hingen. Toen trad Heynsz binnen, sloot voorzichtig de deur achter zich
toe, schoof stoelen aan en zette zich in een armstoel, met al de
deftigheid van een Turkschen Pacha: en ik kon niet nalaten van bij
mijzelven te lachen om de vergelijking, welke ik maakte tusschen den
gehoorzamen ambtenaar, die de bevelen van den Hoofdschout staande en
zonder tegenspraak aanhoorde, en den deftigen huisheer, die des
Hoofdschouts zoon in 't verhoor ging nemen.
"Mijne Heeren!" zeide hij, zoodra wij alle drie gezeten waren: "ik weet
bij eigene experientie, waartoe jeugdige passie kan vervoeren ons allen.
Ik heb daar exempels van gezien bij menigten. De Heeren weten, dat ik al
wat _traversen_ en _recontres_ heb gehad." "Met verlof," zeide Lodewijk,
de beenen over elkander kruisende, en op zijn horloge ziende: "kunt gij
het niet wat kort maken? want ik moet te zes uren bij La Place zijn om
een paar harddravers te probeeren, en het is nu al kwartier."
"Het is verre van mij, UEd. te willen ophouden," hernam Heynsz: "alleen,
mag ik zoo vrij zijn van u te vragen, wat het motief is van de
quaestie?"
"Ik ben niet gewoon," zeide Lodewijk, "bij een zaak van eer andere
lieden in te halen, dan Cavaliers van mijn stand."
"Wat mij betreft," zeide ik, "ik wil gaarne Sinjeur Heynsz tot
scheidsman nemen: zijn stand of de onze doet hier niets toe: hij heeft
recht te onderzoeken, wat er in zijn huis is voorgevallen: en, oprecht
gesproken, ik acht het voor alle partijen verkieslijker, dat over deze
zaak buiten af geen gewag gemaakt worde. Ik ben dus bereid, alles,
zooals het zich heeft toegedragen, te verhalen: en dan zal de Heer Blaek
zelf bespeuren, dat er eigenlijk geen reden tot geschil bestaat."
"Zoo gij mij liever verschooning wilt vragen, dan met mij een wandeling
buiten de poort te doen, dan zeker is alles spoedig gevonden," zeide
Lodewijk, mij spotachtig aanziende.
"Ziedaar, wat wij nader zien zullen," zeide ik: "laat mij, als 't u
belieft, eerst uitspreken. Ik begin met te bekennen, dat UEd.,
oordeelende naar de omstandigheden, voor zooverre zij bekend zijn,
misschien aanleiding hebt kunnen vinden, om te denken, dat de Juffer
geen weerstand aan uw voorstellen zou bieden; maar, vergun mij UEd. te
zeggen, dat, toen zij u met nadruk verzocht, haar te verlaten, en UEd.,
in weerwil daarvan, haar met uw bijzijn lastig bleeft vallen, uw gedrag
niet langer te rechtvaardigen was."
"Voor den duivel!" riep Lodewijk driftig, "neemt gij het op dien
toon?--Bah!" vervolgde hij, lachende: "ik heb er wel honderd gekend, die
eerst zoo koppig waren als stieren en naderhand zoo mak als lammetjes,
zoodra ik de geeltjes liet klinken."