niet weinig vermeerderd, toen een groote taart, ter viering mijner
terugkomst gebakken, op de tafel verscheen en de zintuigen door de
aangenaamste geuren streelen kwam. Witte broodjes, schoteltjes met
kalfsvleesch en ossetong, en heerlijke vruchten, zooals in Europa de
stookkasten van ons land alleen kunnen opleveren, omringden den
hoofdschotel: en de sleutel des wijnkelders werd mij toevertrouwd om een
flesch te halen van den wijn, die mij het best beviel. De kinderen
kregen allen verlof, tot tien uren op te blijven: en de avond liep zoo
genoeglijk af als men bij mogelijkheid verlangen kon: ja de algemeene
vreugde werd door geen ander toeval gestoord, dan dat Tante Letje door
het afbrokkelen van een stuk taart, een confituurvlek op haar
hagelwitten halsdoek kreeg, en dat Jakob een half glas wijn stortte over
eene der prenten, welke hij van Tante Van Bempden gekregen had: twee
ongevallen, die echter, zooverre mij gebleken is, geen blijvenden indruk
bij de lijdende partijen achterlieten.
* * * * *
DERTIENDE HOOFDSTUK.
BEHELZENDE, HOE SUZANNA EN FERDINAND HARREWARREN, EN HOE DE LAATSTE IN
EEN WELKOMSTDICHT VERHEERLIJKT WORDT.
"Ferdinand!" zeide mijn zuster Suzanna, toen zij zich den volgenden
morgen alleen bij mij op mijn kamer bevond, waar zij mij hielp, mijn
kleedingstukken en linnengoed in de kasten te schikken: "gij weet, dat
gij mij nog rekenschap schuldig zijt wegens een gezegde, dat gij u
gistermorgen hebt laten ontvallen."
"Santje!" zeide ik, terwijl ik haar een zijden vest overreikte: "gij
weet, dat ik nog de vierschaar over u moet spannen wegens een misdrijf,
door u begaan."
"Boe! boe! denk niet, dat gij mij met uw groote woorden zult
afschrikken!--Tusschenbeide gezegd, daar zal heel wat speksteen noodig
zijn, om de vlekken uit dit vest te krijgen:--ter zake: wie heeft u
verteld, dat ik uw brieven heb laten lezen?"
"Wat knaagt dat geweten! Wie heeft u verlof gegeven, de gedenkwaardige
memoriën, die ik u toezond, onder het oog van anderen te brengen?"
"Komaan! daar hebben wij een formeele _accusatie_, gelijk mijn vader zou
zeggen: alleen is zij nog, zoo ik mij niet bedrieg, wat _vaag_ en
_ongedetermineerd_: ja--ik kan ook wel stadhuiswoorden samenflansen: ik
weet zeer goed, dat men iemand niet condemneert wegens toegebrachte
slagen, tenzij men eerst wete, op wiens rug de slagen neergekomen zijn.
Vrage: aan wie heb ik uw prulschriften medegedeeld?"
"Antwoord: aan Mejuffrouw Henriëtte Blaek.--Schuldig bevonden! Gij
krijgt een kleur--spoedig tot de _confessie_."
"Wie heeft u dat gezegd?" vroeg Suzanna, terwijl zij uit loutere
verbazing een batisten hemd, dat zij opgevouwen had, weder open liet
rollen.
"Een _irreprochabele_ getuige, Mejuffrouw Blaek zelve."
"Gij hebt haar dan gesproken?--En hoe vindt gij haar?"
"Een zeer aardig meisje!--maar dat doet niets tot het poinct in
quaestie."
"Zeer aardig! Beken maar, dat gij op haar verliefd zijt. Gij krijgt een
kleur--spoedig tot de _confessie_.
"Verliefd! op een meisje, dat ik maar eens in mijn leven gezien heb?
Denkt gij, dat ik zoo spoedig vlam vat?"
"Als wist ik niet, dat de jonge Heeren op uw leeftijd verlieven, wanneer
zij slechts een vrouwenmuts op een bezemsteel zien."
"Altemaal praatjes om van den tekst af te dwalen. Vrage nogmaal, of gij
genegen zijt, buiten pijn en banden, de _confessie_ af te leggen, van te
hebben geperpetreerd het enorme en in een land van goede justitie
intolerabele feit, van aan gezegde Juffer Henriëtte Blaek en de hemel
weet aan wie nog meer te hebben gegeven communicatie van zoodanige
schrifturen en geheime stukken, als u waren toegezonden door den
weledelen Heere Ferdinand Huyck, _juris Romani neo non canonici Doctor_,
en welhaast, _Deo volente_, compagnon in het huis Van Bempden, Van
Baalen en Co?"
"En zoo ik dat nu al bekenne, wat dan?"
"Dan zal ik u verder interrogeeren en vragen wat gij tot uw defensie
hebt te _allegueeren_."
"Dat uw schrift onleesbaar is, zoodat de Heer Van Baalen de handen van
schrik in elkander zal slaan, wanneer hij het ziet: en dat ik de hulp
van Mejuffrouw Blaek, die zich volkomen verstaat op het ontcijferen van
allerlei hiëroplyphen en manuscripten, heb moeten inroepen, om er uit
wijs te worden."
"Die defensie gaat mank; want mijn schrift is net en leesbaar genoeg, en
zoo ik, om het papier te besparen, wat klein geschreven heb, uw oogen
zijn jong en goed, en er zijn overal brillen te koop."
"Ik heb ten minste geen bril noodig om te zien, dat er al heel wat aan
uw kousen zal te mazen zijn, en dat, zoo gij nog een paar dagen langer
op reis waart gebleven, gij hier blootsvoets hadt kunnen aankomen:--doch
laat ons een speldje bij die gekheid steken: en vertel mij eens zonder
omwegen, wanneer, waar, en ter welker gelegenheid gij Henriëtte
gesproken hebt."
"Gij verdiendet, dat ik uw nieuwsgierigheid onbevredigd liet; maar kom!
ik ben een goede broeder en zal medelijden met u hebben; want gij zoudt
misschien barsten van ongeduld, en dat ware ongelukkig voor uw zijden
keurs."
Ik voldeed dan aan haar verlangen, en gaf haar een vrij omstandig
verhaal van mijn wedervaren op Guldenhof, waarmede zij zich niet weinig
vermaakte.
"Maar dat is waarachtig een roman," ving zij aan, nadat ik mijn verhaal
had geëindigd: "en al hadt gij er nog zoo tegen, gij zijt nu toch, naar
de schoone orde der dingen, verplicht op haar te verlieven;--maar gij
ziet, dat uw verhaal mijn vrijspraak medebrengt; want hoe zoudt gij het
mij nu ten kwade kunnen duiden, dat ik uw brieven aan Henriëtte heb
laten lezen? Hadt gij anders wel zulk een heerlijke stof tot onderhoud
gehad? Gij zijt mij veeleer groote dankbaarheid verschuldigd, dat ik in
uw afwezigheid mijn best gedaan heb, om aan een lief meisje goede
gedachten van u te doen opvatten".
"Ik geloof, dat ik dit als een compliment moet opnemen, waarmede gij
zoekt goed te maken hetgeen gij verbruid hebt."
"Ei kom! gij hebt veel te grooten dunk van uw eigene bekwaamheden, om
iets voor mijne complimenten te geven: en ik ben overtuigd, dat de
betuiging van Henriëtte, dat zij gelachen heeft om uw gekke
uitdrukkingen, en uw beschrijvingen bewonderd, uw eigenliefde bijzonder
gestreeld heeft. Ja zelfs, biecht maar zuiver op, hebt gij niet juist
daarom van mijn misbruik van vertrouwen melding gemaakt, ten einde de
gelegenheid te hebben, u met mij over Henriëtte te onderhouden?
Car pour un amoureux
Il est doux de causer de l'objet de ses feux."
Ik glimlachte; want er was veel waars in hetgeen zij zeide.
"Maar pas op!" vervolgde zij: "en hou uw hart achter dubbel slot, immers
vooralsnog: de Heer Blaek zou u toch de hand zijner nicht niet
toestaan."
"Wie denkt er aan hem die te vragen?--maar toch, stel eens, dat ik zulks
deed, mag ik dan weten, wat hij tegen mijn persoon zou hebben."
"Tegen uw persoon?--Niets ter wereld. Maar hij zal allen vrijers den zak
geven, enkel in de hoop, dat het zijn zoon eens behagen zal op zijn
nicht te verlieven."
"Dat komt overeen uit met hetgeen mij de waardin te Eemnes vertelde;
maar zoo die jonge Heer nu niet wil?"
"Spreek er niet van: er schuilt iets achter, ik begrijp niet wat:
slechts eens heb ik eenige dagen op Guldenhof doorgebracht, en toen heb
ik met eigen oogen gezien, dat de oude Heer, voor zijn zoon, het hof
maakte aan zijn nicht. 't Is in allen gevalle zeer edelmoedig van hem;
want dat lieve brokje van een Lodewijk zal zeer rijk worden, en zijn
nicht heeft niets en hangt alleen van ooms goedertierenheid af."
"Hoe!" riep ik uit met eenige verbazing; want deze mededeeling strookte
niet met hetgeen mij door den Heer Bos nopens Henriëttes vader verhaald
was: "ik meende...." hier zweeg ik stil; want ik kon mijn autoriteiten
niet noemen.
"Geloof mij," vervolgde Suzanna: "het is genoeg bekend, dat zij niets
heeft. En haar oom, dit valt niet te ontkennen, heeft recht christelijk
met haar gehandeld."
"Dat is wel mogelijk: en toch staat de man mij in sommige opzichten
tegen: waarom weet ik zelf niet."
"Dat zeide Tante Van Bempden ook, toen hij haar voor een paar jaren ten
huwelijk vroeg."
"Wat! heeft hij zich op zijn ouden dag nog aan een blauwtje gewaagd?"
"Hij is zoo oud niet als hij wel lijkt: zeker is hij in de laatste jaren
merkelijk afgevallen;--maar jawel! hij heeft het beproefd, niet lang
nadat gij van hier vertrokken waart. Zij heeft hem, gelijk aan meer
anderen, geantwoord:
Prince, je chéris trop ma chère liberté,
en heeft ons de vreugd niet willen ontzeggen van in haar een erftante te
blijven beschouwen. Echter zijn zij goede vrinden gebleven, en daardoor
ben ik in kennis geraakt met Henriëtte, voor welke Tante Van Bempden een
bijzondere affectie heeft opgevat, en van wie zij dikwijls getuigt, dat
zij het eenige meisje is, dat welopgevoed van een kostschool
teruggekomen is."
"Maar hoe komt het toch," vroeg ik, na een poos te hebben nagedacht,
"dat die Heer Blaek zoo machtig rijk is, en dat zijn nicht, die toch de
eigen dochter is van zijn broeder, niets bezit? Heeft de Heer Blaek van
zijn vrouw die schatten geërfd?"
"Hoor eens, hoe die jonge heer, die niet verliefd is, zich naar de zaken
informeert! Maar denkt gij dan, dat ik de geschiedenis van die menschen
zoo op mijn duimpje ken?--Of zijn vrouw geld had, weet ik niet; ik
geloof dat hij gelukkig in den handel geweest ia en bovendien ergens een
aardige erfenis gehad heeft: terwijl de vader van Henriëtte daarentegen
den boel er door gelapt heeft en ellendig gestorven is. Hoe dit zij, de
slotsom blijft altijd, dat men haar evenals mij, om onze goede
hoedanigheden zal moeten nemen; want dat wij anders groot gevaar loopen,
als vrijsters te sterven."
Hier werd het gesprek afgebroken door mijn moeder, die mij kwam
onderhouden over de noodzakelijkheid om mij eenige nieuwe
kleedingstukken, als hemden, kousen, enz. aan te schaffen: een
onderwerp, dat, voor 't oogenblik althans, nog belangrijker en zeker
meer spoed vereischende was, dan mijn vrijerij naar een Juffrouw zonder
geld. Daar mijn waarde lezers wellicht niet van deze meening zullen
zijn, zal ik hun dit onderhoud schenken, en evenmin gewag maken van
ettelijke bezoeken van goede vrienden en kennissen, die mij dien morgen
met mijn behoudene aankomst geluk kwamen wenschen.
Wij waren, op den namiddag van denzelfden dag, aan het nagerecht
gezeten, toen men aan mijn vader een gezegeld pakket overhandigde,
hetwelk hij werktuiglijk opendeed, wanende dat het in betrekking tot
zijn ambtsbetrekkingen stond. Maar nauwelijks had hij er een vluchtig
oog in geslagen, of verbaasdheid vertoonde zich op zijn trekken: zijn
deftig gelaat ontplooide zich, en hij barstte uit in een luid gelach.
"Dat gaat u meer aan dan mij, Ferdinand!" zeide hij, mij den brief
overreikende: "ja! lees maar overluid; het zijn geen geheimen!"
Ik nam den brief op en las niet zonder verbazing hetgeen volgt:
"Edelgestrenge Heer!
"Gelijk het vanouds de gewoonte is geweest, dat alle braven zioh
verheugen over het geluk, dat aan vrome en aanzienlijke luiden te beurt
valt, zoo moet de stoffe van blijdschap, welke aan UEG. en geëerde
familie geschonken is, door de behoudene terugkomst van UEGs.
uitmuntenden Heer zoon, ook bij alle rechtschapene ingezetenen dezer
stad een billijke vreugde doen ontstaan.
"Bij mij althans is die vreugde zoo levendig geweest, dat ik mijn gevoel
deswege niet heb kunnen noch willen bedwingen, maar hetzelve in
hoogdravende klanken lucht heb moeten geven, welke ik toevertrouwd heb
aan het nevensgaand papier.
"Mocht UEG. op dit zwakke voortbrengsel mijner nederige zanggodinne een
gunstig oog laten vallen, niets zoude aangenamer zijn aan hem, die onder
ootmoedige aanbeveling in UEGs. protectie, de eer heeft te zijn met den
diepsten eerbied.
UEG. dienstvaardige en gehoorzame
Dienaar en Hoogschatter
LUCAS HELDING."
Mijn adres is op de
Raamgracht, ten huize van
Heynsz, portretschilder.
Het "nevensgaand papier" droeg tot opschrift:
JUBELZANG,
"Uitgegalmd ter gelegenheid der voorspoedige wederkomste van den
Weledelen Heer Ferdinand Huyck, Zoon enz."
Daarop volgde een gedicht van ruim honderd regelen, vrij net geschreven,
en niet beter noch slechter dan de meeste verzen, die men in dien tijd
maakte: ik werd daarin bij Theseus vergeleken, die behouden te Athene
terugkwam. Gelukkig kende de poëet mijn avonturen van Woensdag-avond
niet, anders had hij den Heer Bos als Minos, Amelia als de verlatene
Ariadne en Andries als den Minotaurus kunnen laten optreden. Overigens
werd ik overladen met loftuitingen en afgebeeld als
"Een jongeling, de bloem der Amstellandsche knapen,
Zoo kloek van lijf en leen, van inborst zoo rechtschapen,
Die zedigheid aan moed en geest aan vroomheid paart,
En in des levens bloei reeds toont een mannenaard."
terwijl mijn vader de rijkste _epitheta ornantia_ ontving, die uit te
denken, of bij de oude dichters te stelen waren.
Wij vermaakten ons allen met dit fraaie stuk en ten koste van den armen
vervaardiger, uitgenomen mijn moeder, voor wie het genoeg was, dat
Helding mijn vader en mij lofspraken gaf, welke zij ons in haar hart
waardig keurde, en die beweerde dat het een zeer zoet versje was,
ofschoon hier en daar wat al te hoogdravend voor haar verstand.
"'t Is een heerlijk denkbeeld, om Papa bij Egeus te vergelijken," zeide
Suzanna: "had hij nu maar geweten, hoe Papa 's morgens in verlegenheid
was, toen Ferdinand niet terugkwam, dan had hij die vergelijking nog
verder kannen uitwerken..., ofschoon vader de dwaasheid niet zou gehad
hebben van in 't water te springen."
"Foei Santje! Wat zijn dat voor malle gezegden?" vroeg mijn moeder, die
de geschiedenis van Egeus en Theseus niet volkomen helder voor den geest
had.
"Wel! laat Frits u die historie eens verhalen," zeide mijn vader. "_Age
puer! incipias!_"
En Frits, recht in zijn schik, de op de Latijnsche School verkregen
kunde te mogen luchten, verhaalde nu het geval in al zijn kleuren,
hetgeen ik niet doen zal, teneinde aan de mama's, die in het geval
mijner moeder verkeeren mochten, gelegenheid te laten, zich daaromtrent
door haar in de mythologie onderwezen zoontjes te doen inlichten en zich
in het geheugen der veelbelovende knaapjes te verblijden.
"Verbeeld u nu," zeide Suzanna, nadat het verhaal geëindigd was, dat
Papa, die eergistermorgen niet anders dacht, of Ferdinand was door den
Minotaurus ingeslokt, uit pure wanhoop denzelfden _coup_ had willen doen
als wijlen de Heer Egeus, en gij over hem stondt, als Badeloch
uitroepende:
"Waar wilt gij heen? u zelf verdrinken in de gracht?
Wat zou dat een treffend schouwspel hebben opgeleverd."
"Nu! ik vind dat malle aardigheden," zeide mijn moeder.
"Maar hoe komt die zotte vent van uw terugkomst af te weten?" vroeg mijn
vader.
"Ik heb hem bij den Heer Blaek op Guldenhof ontmoet," antwoordde ik, en
gaf nu opnieuw, ofschoon ditmaal in weinige woorden, een kort verslag
van mijn oponthoud aldaar.
"'t Is een arme duivel," zeide mijn vader: "_poëta famelicus_: en dat
gedicht hebben wij niet voor niet; maar het zij zoo!"
"Wij mochten hem toch wel ten eten vragen," zeide mijn moeder.
"Niet te haastig, beste schat!" hernam mijn vader: "ik verbuig hem niet
tot gastvriend te hebben: wanneer wij zoo terstond bijten aan het eerste
aas, dat hij ons toewerpt, dan hebben wij kans dat hij ons niet loslaat,
maar onze geheele familie lid voor lid bezingt."
"Wel dat ware niet onaardig," zeide Suzanna: "ik ben nog wel ouder dan
Jetje Blaek, en er is nog nooit een vers ter mijner eere gemaakt. Het
wordt hoog tijd, dat ik ook eens uit mijn vergetelheid rake. Ik zou van
mijn kant zeer hartelijk wenschen, dat die poëet eens verzocht werd. Ik
wilde wel zien, of ik hem niet tot mijn aanbidder maken kon."
"Santje! wat zijn dat voor zotheden, die u door 't hoofd malen?" zeide
mijn moeder.
"Ik bedank er hartelijk voor om den man in huis te halen," zeide mijn
vader, "en ik wilde dat hij op zijn Pegasus naar China reed."
"Dat is een verwénsching en een vérwensching tevens," zeide Suzanna.
"Intusschen," vervolgde mijn vader, "zijn beleefdheid moet betaald
worden, en daarmede dient Ferdinand zich te belasten, als zijnde ten
deze de geconcerneerde partij, _heros celebratus_. Zie daar twee
dukaten: die zult gij naargelang van zaken hem aanbieden of op de tafel
laten liggen. Ik geloof, dat die hem nog beter te pas zullen komen dan
een uitnoodiging aan onzen disch, die hem nog een fooi aan de meid
kost.--Hij is met dat al een eerlijke kerel, die veel wederwaardigheden
gehad heeft: en hij verdient een aalmoes, zoo niet voor het goede, dat
hij doet, dan ten minste voor het kwade, dat hij nalaat: en dat zegt,
helaas! al veel."
"En onder welke van die twee categorieën schikt UEd. zijn verzen?" vroeg
Suzanna.
"Onder geene, zottinnetje! dat is een gepatenteerde bedelarij, waartegen
geene plakkaten bestaan."
"Die toch wel noodig waren," hernam Suzanna: "want ik ben van de meening
van den Misanthrope, en zeg als hij, met betrekking tot slechte verzen:
_Qu' un homme est pendable après les avoir faits_."
"'t Is toch zonderling," merkte mijn vader aan, "dat de vrouwen altijd
zoo crimineel zijn. Zoo men u tot Hoofdofficier aanstelde, zou er binnen
de veertien dagen een oproer zijn."
* * * * *
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
WAARIN FERDINAND OP COGNAC ONTHAALD EN TEGEN WIL EN DANK IN NIEUWE
AVONTUREN GESLEEPT WORDT.
Ik wandelde dan, niet lang nadat wij van tafel waren opgestaan, naar de
Raamgracht, en vond weldra het huis dat ik zocht, en hetwelk kenbaar was
aan het, vrij slecht geschilderd, doch sprekend gelijkend afbeeldsel
eener in Amsterdam te dier tijd welbekende groenvrouw, 't welk achter de
glasruiten der zijkamer geplaatst was, nevens een bordje, waarop in
gekleurde letteren te lezen stond: ZACHARIAS HEYNSZ, _Portretschilder_.
Het was een ouderwetsch gebouwde woning, drie verdiepingen hoog behalve
den zolder, met twee kruisramen naast elkander en een vrij hooge, recht
opgaande stoep. Ik schelde aan, de bovendeur ging open, en wel, evenals
zulks alleen in de toovergeschiedenissen en in sommige Amsterdamsche
huizen plaats heeft, zonder dat men kon gewaar worden door welk middel:
eerst toen ik opzag, ontdekte ik, aan het bovenste einde van een vrij
steile, van de voordeur door een kort portaal afgescheiden trap, iets
dat zich in de duisternis bewoog en naar een vrouwelijke gedaante
zweemde.
"Wat is er van je dienst, Sinjeur?" klonk de stem uit de hoogte.
"Ik wilde Monsieur[5] Helding spreken."
"Kom maar op!" antwoordde de stem: "en wees zoo goed, de deur weer
achter je te sloiten."
Ik ontsloot op dit verzoek de deur geheel, en na die weder behoorlijk
gesloten te hebben, trad ik tastende naar boven, mij tot meerdere
zekerheid vasthoudende aan de koord, welke langs den muur liep, en
waarmede de vrouw, die boven stond, de deur had opengetrokken.
"Nou dat trappie op," zeide zij mij, zoodra ik bij haar stond: "en dan
de derde deur aan je rechterhand: maar pas op! het is wat doister hier."
En inderdaad, het was zoo donker, dat ik werk had, mijn voeten op de
rechte plaats neder te zetten. "Voorwaar," dacht ik: "_per ardua ad as
tra!_ zoo onze dichter nooit den top van den Helicon bestegen heeft, het
is niet, dat hij de gewoonte mist om te klimmen."
Ik vond eindelijk de deur, welke ik zocht, en klopte aan.
"Binnen!" riep een stem, die mij toonde dat ik te recht was.
Ik trad in: het was een achterkamertje met één raam, waarvan de ruiten
voor de helft gebroken waren: de vloer was met roode tichelsteenen
belegd, hetgeen in heete zomerdagen zeer frisch, maar 's winters wat
koud moet geweest zijn; terwijl ook de bedstede zonder gordijnen geen
zeer behaaglijk aanzien had. Voor 't overige bestond de geheele inboedel
uit eene tafel en twee stoelen. Op den eenen zat de bewoner zelf, met
een blauwe bakkersmuts op het hoofd, een rood baaien buis aan 't lijf en
kousen van touwwerk aan de beenen. De andere stoel was met de
_garderobe_ des goeden mans beladen: zijn degen stond er tegen aan: zijn
pruik versierde den eenen en zijn hoed den anderen knop.
Het vereischte geen geringe mate van voorzichtigheid om den bewoner te
naderen: daar de vloer grootendeels bedekt was met boeken, wier
versletene, bemorste en gescheurde banden wel getuigden, dat de eigenaar
meer hun innerlijke waarde dan hun uiterlijken tooi op prijs stelde.
"Wel, Mijnheer Huyck!" zeide Helding, oprijzende en zijn kort, zwart
gebrand, pijpje uit den mond nemende: "neemt UEd. waarlijk zelf de
moeite? Waarom heeft UEd. de meid niet boven gestuurd: ik ware wel
afgekomen en vriend Heynsz had ons zijn zijkamertje wel afgestaan."
"'t Is misschien wat vrijpostig, dat ik zoo op kom loopen," zeide ik:
"maar de meid zeide mij, ik moest maar bovengaan. Ik kon niet nalaten,
mijn dank te betuigen voor de beleefdheid,..."
"Te veel eer, te veel goedheid," zeide Helding, terwijl hij mij zijn
stoel aanbood en den anderen ontdeed van de daarop geplaatste
kleedingstukken, die hij gezamenlijk op den bultzak in de slaapstede
wierp: maar wat ik UEd. bidden mag, neem toch eerst plaats, ik ben
geheel verlegen en confuus van de moeite die UEd. neemt om zoo tot de
hanebalken op te klimmen.--Ik woon hier wat hoog."
"Wel! dat is als het behoort," zeide ik, lachende: "een poëet kan niet
te dicht bij de Goden huizen."
"UEd. gelieft te schertsen," antwoordde hij: "maar waarlijk, het is hier
te hoog. Voor mij is dit niets: ik ben dit gewend: alleen 's winters kan
het hier wel wat bar zijn; doch ik blijf er gezond bij en vroolijk. En
waarmede zal UEd. gediend zijn? Nectar of ambrozijn is hier niet te
bekomen; maar ik heb toch nog een paar flacons echten cognac, die mij
overgebleven zijn van een vereering, mij gedaan door den waardigen Heere
Willem De Bron, toen ik een dichtstuk gemaakt had op zijn gouden
bruiloft."
Ik kon niet nalaten bij mij zelven te lachen over de niet onaardige
wijze, waarop Helding, terwijl hij mij beleefdheid aandeed, tevens de
gelegenheid te baat nam, om mij te kennen te geven, dat hij gewend was,
zijn liederen met een _cadeau_ betaald te zien. Ik zocht mij met dat al
jegens hem te verontschuldigen, zeggende, dat ik, zooeven van tafel
komende, niets verlangde; maar het was vruchteloos praten; de gulle man
kreeg een der kostbare fleschjes van onder zijn bedstede voor den dag en
vulde daar twee kleine kelkjes mede, waarna hij mij zwijgend aanzag, als
wilde hij zeggen: "nu ben ik gereed uw lofspraken aan te hooren."
Ik liet hem ook niet lang in verlegenheid: en wetende, dat de menschen
in 't algemeen en de dichters in 't bijzonder nog liever gevleid dan
geprezen worden, zwaaide ik aan het flauwe voortbrengsel zijner Muze
meer lof toe dan ik aan de beste verzen van Vondel zou geschonken
hebben. Ik schaamde er mij wel wat over, maar wat zoude ik doen? de man
had mij zulke onverdiende loftuitingen op rijm vereerd, dat ik hem wel
met gelijke munt in proza diende te betalen. Hij hoorde mij zwijgend
aan, met een glans van genoegen op het gelaat, nu en dan het bovenlijf
buigende, en bij poozen een slokje uit zijn glaasje nemende, hetgeen hij
met zooveel welgevallen scheen te proeven, dat het mij twijfelachtig
voorkwam, wat hem beter aanstond, de lofspraak of de brandewijn.
"Ach Mijnheer!" zeide hij, toen ik mijn kraam van complimenten had
uitgeput: "dachten alle menschen in Holland zooals UEd. en legden zij
allen zulk een juist oordeel en zulk een fijnen smaak aan den dag, het
zou er wat beter met ons Muzenzonen uitzien. Maar helaas! daar is in de
zeven Provinciën geen liefhebberij voor de dichtkunst meer."
"De Heer Blaek," zeide ik, "schijnt u nogal te beschermen."
"De Heer Blaek," antwoordde Helding, "is een waardige schutsheer der
letteren en ik ben hem groote dankbaarheid verschuldigd. Jammer maar,"
vervolgde hij, een weinig bijschuivende, "dat hij zooveel zaken in het
hoofd heeft en daardoor somtijds zoo stil is, zoo afgetrokken. Soms
gebeurt het, dat ik hem de beste regels voorlees, die ik ooit
vervaardigd heb, en wanneer ik aan het einde ben en een klein compliment
verwacht, dan schijnt hij ais uit een droom te ontwaken, en vraagt aan
zijn zoon, hoe de wisselkoers op Genua is, of welken prijs de koffie op
de laatste veiling gehaald heeft."
"Maar zijn zoon dan?" zeide ik, zoetjes aan het gesprek op Henriëtte
wenschende te brengen.