Zoodanig althans was het oordeel, hetwelk mij de omgang met mijn tante

Letje over de personen van haar slag heeft doen vellen. Bij haar

voorzeker bestond de godsvrucht niet enkeld in uiterlijke vertooning,

maar woonde die in naar rein menschlievend hart. Men mocht dan haar

stijve, smakelooze kleeding berispen: de bijbeltaal, waarin zij sprak,

mocht niet altijd evenzeer ter snede worden aangebracht: zij velde

wellicht nu en dan een te gestreng oordeel over schuldige vermaken; maar

niemand kon haar te laste leggen dat zij niet in oprechtheid wandelde.

Haar kennis was niet uitstekend; maar zij bezat, wat oneindig meer

geldt, een vast en onverzettelijk geloof; en zonder aan andersdenkenden

de zaligheid te willen ontzeggen, blikte zij die met vromen Christenzin

als haar wettig erfdeel te gemoet. Zij vooral was wars van

kwaadsprekendheid en voer altijd tegen de zonde, nimmer tegen den

zondaar uit: en wanneer zij zich met kracht tegen de leer der goede

werken verklaarde, moest men niet vergeten, dat in haar volkomen

bewaarheid werd hetgeen onze Katechismus leert, dat het onmogelijk is,

dat een waarachtig geloof niet zou voortbrengen vruchten der

dankbaarheid; want nimmer was haar hart of haar beurs voor den lijdenden

natuurgenoot gesloten, en wanneer zij gaf, vervulde zij letterlijk het

voorschrift des Heilands, en wist haar slinkehand niet, wat naar rechte

uitdeelde. Haar gebrek aan genoegzaam doorzicht en haar zucht tot

liefdadigheid waren oorzaak, dat zij somtijds haar gaven ook aan

onwaardigen wegschonk; doch zij verklaarde meer dan eens, dat zij liever

honderdmalen door slechte lieden bedrogen wilde zijn, dan dat een vrome

noodlijdende ongetroost van haar af zoude gaan.

Een geheel andere vrouw was haar zuster, Mevrouw Van Bempden. Nog zeer

jong gehuwd zijnde met een schatrijken echtgenoot, die, geen naaste

betrekkingen hehbende, haar hij zijn vroegtijdig afsterven aan het hoofd

van een kolossaal vermogen had achtergelaten, had zij zich door haar

maatschappelijke positie gedwongen gezien in de groote wereld te leven,

en haar geneigdheid had zich daar niet tegen gekant. Haar rustelooze,

nimmer lang met hetzelfde voorwerp bezige geaardheid, dreef haar aan,

gedurig nieuwe voorwerpen van belangstelling en verstrooiing te zoeken:

haar dagen rolden voort in eene bestendige afwisseling van gastmalen,

feesten, comediepartijen, speelreisjes, enz. Zij las ook; maar zonder

keus of onderscheid: stichtelijke boeken, romans, brieven, verhalen,

zedekundige werken, poëzij, al wat maar gedrukt werd; doch zij faalde

meestal, wanneer zij iets van het gelezene te pas zou brengen en moest

alsdan de hulp inroepen van mijn zuster Susanna, die, zelve een

liefhebster van lezen en in het bezit van een ijzervast geheugen, zelden

bij die gelegenheid te kort schoot.

Men moet echter uit het bovenstaande niet afleiden, dat Tante Van

Bempden in den slechten zin des woords een wereldsche vrouw was. Schoon

in 't algemeen geen _laudator temporis acti_, durf ik zeggen, dat in die

dagen een ongodsdienstige vrouw iets onbekends was. Tante Van Bempden

ging trouw ter kerke, kende haar Catechismus op een haar, wist zoo goed

als iemand, zelfs met tante Letje, een gesprek over geloofspunten te

voeren en zich zeer dapper te verdedigen, wanneer deze haar berispte,

dat zij nu en dan bij de Remonstranten ter kerke ging: zij was

mededeelzaam, zelfs mild;--maar haar godsdienst was, gelijk men wel

eens zegt, zonder verzuim van affaire. Intusschen, wie haar recht kende,

vond zich gedwongen te verklaren, dat haar gebreken, zoo zij al dien

naam verdienden, uit den maatschappelijken toestand voortvloeiden,

waarin zij geplaatst was, terwijl haar goede hoedanigheden uit haar hart

voortkwamen. Voor mij althans, die nimmer dan weldaden van haar ontving,

ik zou schandelijk doen, indien ik een andere getuigenis van haar gaf,

dan dat zij, alles wel gewogen, eene uitmuntende vrouw was.

"Wees van harte welkom, waarde Neef!" zeide tante Letje, terwijl zij mij

omhelsde: "alzoo sullen de vrijgekochten des Heeren wederkeeren:"

vervolgens zich tot mijn vader wendende: "wel moogt gij, waarde Broeder!

den Profeet nazeggen: brengt mijn soonen van verre, ja van het eynde der

aerde."

De verdere wenschen die zij uitte werd ik verhinderd te verstaan; want

tante Van Bempden had zich voor mij geplaatst en drukte mij, met tranen

in de oogen aan haar hart:

"Goeden dag! beste Ferdinand!" riep zij: "wèl, zijt gij eindelijk daar?

ja, ik durf niets te voegen bij de vrome gezegden van Zuster: anders

zoude ik zeggen met Racine ... hoe zegt Racine ook weêr, Santje?"

Thésée est arrivé, Thésée est en ces lieux,

declameerde Susanna.

"Tusschen twee haakjes," vervolgde Tante, "hebt gij de nieuwe uitgave

van Racine medegebracht, welke ik verzocht had dat gij bestellen

zoudt?... Hoe gelukkig was het, dat ik juist heden in de stad moest zijn

om een comparitie te houden met den Heer Van Baalen, die geloof ik, vrij

raar op zijn neus zal kijken wanneer hij u ziet: want hij verwacht zich

op een klein jongetje met een dik hoofd, een rooden neus en groote

ooren, die niets anders kan dan wat cijferen en wat pennen vermaken, en

gij zijt voorwaar omtrent zoo groot als hij:... gij moet nog niet bij

hem gaan, zoo gij er nog niet geweest zijt; want ik wil uw eerste

ontmoeting met hem volstrekt bijwonen en mij met zijn verbazing

vermaken."

"En nu gij hier zijt, Zuster!" zeide mijn vader, "zult gij ons wel het

genoegen doen van uw rijtuig weg te zenden en hier den avond te blijven

doorbrengen, om de terugkomst van Ferdinand met ons te vieren."

"Eigentlijk," antwoordde Tante, "was ik voornemens geweest, terstond

weêr naar buiten te vertrekken, maar de omstandigheid dat Neef terug is,

verandert mijn plan. Ik zal dan heden-avond blijven: op de voorwaarde

alleen, dat nicht Santje nu haar woord houde en een week of drie bij mij

op Heizicht kome doorbrengen; ik heb haar een kleine verrassing bestemd,

die haar niet ongevallig zijn zal:--en Neef moet ook mede, al ware het

maar voor een paar dagen."

"Hoe!" zeide mijn moeder, mij bij de hand nemende als vreesde zij mij te

verliezen: "hij is pas terug en wilt gij hem ons weder ontnemen?"

"Wel zeker! Bovendien heb ik hem over zaken te spreken. Van Balen komt

Zondag bij mij eten.... Broeder heeft immers al verteld wat het plan

is:--maar ik laat hem zelf oordeelen of ik iets onbillijks vorder?"

"Volstrekt niet," zeide mijn vader: "en het zou de plicht van Ferdinand

wezen, een paar dagen bij u door te brengen, indien het niet veeleer een

genoegen voor hem ware."

"Natuurlijk!" merkte zijn Zuster aan: "het lieve jongetje zou anders ook

te veel van zijn stuk raken, indien hij zoo op een bof het reizend leven

tegen de eentonigheid der stad verwisselde. 't Is beter dat hij zoetjes

aan de verandering wenne.--En bovendien hij mag niet nalaten op Heizicht

te komen: want, zoo als Addison in the fair Rosamond zegt:

The bower and lady both are drest,

And ready to receive their guest."

"Wil ik dan zeggen, dat het rijtuig van Tante Van Bempden maar weg moet

rijden?" vroeg ik.

"Als 't u belieft," antwoordde Tante: "en laat Joris om tien uren

terugkomen."

"En de koets van Tante Letje?"

Wat deze betrof, zij maakte zwarigheid om te blijven; daar het met hare

gewoonte streed, den avond uit te gaan, wanneer zij ter kerke geweest

was; echter werden de bedenkingen, welke zij opperde, zoo heftig

bestreden, en verzocht mijn moeder, aan wier bede zij zelden weerstaan

kon, haar zoo dringend, voor deze reis een uitzondering te maken, dat

zij eindelijk toegaf.

Wij plaatsten ons dan om de theetafel, en ik moet hier tusschen twee

haakjes de bekentenis afleggen, dat onder al de genietingen, welke mijn

terugkomst bij de mijnen mij opleverde, die, van wederom een lekker

kopje van dien goddelijken drank, in echt Sineesch porcelein geschonken,

te mogen smaken, op verre na de minste niet was.

"Nu moet gij ons recht veel vertellen van uw reizen," zeide Tante Van

Bempden: "hoe zegt Lafontaine ook weer van de zwaluw?"

_"Quiconque a beaucoup vû,

Peut avoir beaucoup retenu,"_

zeide Susanna, haar te recht helpende.

"Van harte gaarne," zeide ik: "indien UEd. mij slechts vragen wilt, ben

ik tot antwoorden bereid:" en ik schoof mijn stoel dichter naar den

haren. Maar nu schoven ook de overigen hunne zetels bij en ik zag, dat

mijn taak niet zoo gemakkelijk was, als ik mij die had voorgesteld; want

ik werd van vier of vijf kanten bestormd met vragen van geheel

verschillenden aard; en daar het mij minder gemakkelijk viel, die

gelijktijdig te beantwoorden, dan aan de overigen, om die gelijktijdig

te doen, moest ik wel verzoeken, of men ordelijk wilde te werk gaan, en

ik stelde voor, dat, ten einde niemand redenen tot beklag zoude hebben,

elk der aanwezigen, te beginnen met Tante Van Bempden, die rechts van

mij zat, op zijn beurt mij eene vraag zoude doen. Dit vond goedkeuring,

en nu werd ik beurtelings over de meest uiteenloopende onderwerpen

ondervraagd. Aan Tante Van Bempden, moest ik een beschrijving geven van

het Carnaval, dat ik te Napels had bijgewoond, terwijl Susanna mij over

de kleeding der Oostenrijksche dames ondervroeg: mijn vader stelde er

meer belang in, iets van de gedenkstukken van het Oude Rome te hooren,

en tante Letje wilde weten, hoe ik het toch in dat Heidensche land had

aangelegd om mijn godsdienstplichten uit te oefenen. Toen de beurt aan

mijn goede moeder kwam, drukte de vraag, welke zij deed, haar

moederlijke teederheid volkomen uit; want zij verlangde een volkomen

beschrijving van alle zoodanige personen, die mij op reis van dienst

geweest waren of beleefdheid hadden betoond, en van welke ik in mijn

brieven gesproken had: en zij schepte er een zichtbaar genoegen in, van

hen te hooren gewagen, die in haar Ferdinand hadden belang gesteld.

Toen de eerste nieuwsgierigheid bevredigd was, werd langzamerhand het

gesprek meer algemeen: en Tante Van Bempden, wier gedachten zich zelden

lang bij het zelfde onderwerp bepaalden, en die er van hield de

gelegenheid bij de haren te vatten, nam mijn vader onderhanden, om zijn

oordeel, waarop zij, en met recht, niet weinig prijs stelde, over eenige

nieuw uitgekomen werken te vragen, over welke hij haar echter

grootendeels antwoordt schuldig moest blijven door zijn

beroepsbezigheden slechts zeer weinig tijd tot lezen had, en in de

weinige ledige oogenblikken, die hem overschoten, liever zijn oude

_classici_ bij de hand nam, dan de voortbrengselen van den dag. Toen nu

Tante bemerkte, dat zij omtrent deze punten weinig troost erlangen kon,

begon zij over politiek te redeneeren: een onderwerp, waaromtrent mijn

vader geen ignorantie kon pretendeeren, en welke behandeling hij zich

dus getroostte, hoezeer dat duidelijk op te merken was, dat zulks alleen

uit inschikkelijkheid geschiedde; want vooreerst was hij geen vriend van

met dames over dergelijke stoffen te redekavelen, en ten andere dwong

zijn ambt hem reeds genoeg daarover te hooren en wilde hij, in

gezelschap zijnde, ter ontspanning van zijn geest wel eens over iets

anders praten.

Gedurende het onderhoud van mijn vader met Tante Van Bempden, gaf mijn

moeder, voor wie die onderwerpen veelal te uitheemsch en te hoogdravend

waren, mij een vrij breedvoerig, doch zeer duidelijk verslag van de

gehoorde predikatie, en voegde er nogmaals de betuiging bij van haar

leedwezen dat ik haar niet vergezeld had: Tante Letje zat stil voort te

arbeiden, en vergenoegde zich, met nu en dan een aanmerking betreffende

het een of ander, dat haar meer bijzonder gesticht had, te voegen bij

hetgeen mijn moeder verhaalde: terwijl Suzanna, die, zoo lang het

verslag duurde, zich alleen met haar trekpot en schoteltjes bemoeid had,

na het eindigen daarvan het woord nam en mij vertelde, wie er al in de

kerk geweest was, en met wie zij al in het uitgaan gesproken had.

"Ik ben er gek afgekomen," zeide zij: "ik had mij gevleid, aan mijn

buren in het doophek en aan al wie ik ontmoeten zou, in echten

courantenstijl te vertellen: heden is hier met lang span (alias de

Muiderschuit) gearriveerd de Heer Ferdinand Huyck, zoon van den Ed.

Gestr. Heer Hoofdofficier en broeder van de beminnelijke Juffrouw

Suzanna Alette Huyck;--maar jawel:--pas ben ik op mijn plaats gekomen,

of daar haalt mijn buurvrouw, het dikke wijf van den koperslager, haar

loddereintje uit de tasch en na mij driemalen te hebben aangekeken, als

wilde zij zeggen: "ik weet wat ik weet," en driemalen aan het mooie

zilveren doosje geroken te hebben, steekt zij het mij toe en vraagt: "is

Mijnheer uw broeder ook in de kerk? Wel! wel! dat moet een vreugde

geweest zijn!--Ja, ik heb het al gehoord van de krantenvrouw. En heeft

Mijnheer een goede reis gehad? Wel! wel!"--En eer ik haar kon

antwoorden, daar tikt Betje Du Fay, die aan de andere zijde zat, mij op

den arm. (Je herinnert je Betje Du Fay wel, Ferdinand? de dochter van

Schepen Du Fay met dien haviksneus?) en begint met een schor stemmetje:

"ik feliciteer je wel Santje! met de terugkomst van je broer:" en te

gelijk voel ik de dorre vingers van Mevrouw Muysvaal, mijn

achterbuurvrouw, mijn schouder grijpen als met een arendsklauw, en gonst

het in mijn ooren: "ik heb met veel genoegen vernomen dat uw broeder

terug is. Ik feliciteer u wel:"--en meteen piept het en bromt het voor

en achter mij al de rijen langs, als waren er overal echo's: "ik

feliciteer je wel. Juffrouw Huyck, ik feliciteer je wel:"--zoodat ik

blij was, dat het gezang werd aangeheven, want mijn nek begon mij zeer

te doen van het knikken en buigen.--En bij het uitgaan was het nog

erger; want toen dacht ik, dat ik nooit den dorpel, veelmin de koets zou

bereikt hebben, zoo drong men zich om mij heen: "Is het waar wat ik

gehoord heb? Is Ferdinand waarlijk terug?--Ik kom eerstdaags uw broeder

zien. Hartelijk geluk!" enz. En zoo ging het voort, zoodat mijn ribben

bont en blauw zijn van de stompen en duwen, die ik gekregen heb van al

de lieden, die uit loutere deelneming op mij afkwamen."

"Santje overdrijft weer, volgens haar gewoonte, zeide mijn moeder; "ik

heb maar een paar menschen gesproken die er iets van schenen te weten;

maar Santje schijnt er van te houden, diergelijke opschuddingen in de

kerk te maken."

"De menschen moesten wat meer denken," zeide Tante Letje, "dat de kerk

is een bedehuis, en niet een plaats voor ijdelen klap en onnut gesnap;

maar het is als de profeet zegt: zelfs in mijnen huyze vindt ik haar

boosheyt.--Ik wilde wel, Nicht! dat gij over deze stofte gelezen hadt

een dierbaar boekske, dat geschreven is door de eerzame Weduwe

Knijpduim, en dat ten titel draagt: "over de onchristelijke opschuddinge

in Gods Kerke," waarin dat alles uitvoerig betoogd wordt. 't Is niet

gedrukt; maar zij heeft het ons eens op de oefening bij den zielbezorger

Zoutbrand voorgelezen. Ik zal het u wel eens bezorgen, Santje! het kan u

nuttig zijn."

"Spreek mij niet van Juffrouw Knijpduim, Tante!" zeide Santje: "die kan

mij nooit door woorden of werken meer stichten, sedert ik haar laatst in

de Oude Kerk met een andere oude Juffer een kwartier lang heb zien

kijven en knorren over haar plaatsen, dat geen vischwijven het erger

hadden kunnen doen. En wat mij het meest ergerde, was dat, toen zij

gezeten waren, zij dadelijk de waaiers uitsloegen om te gaan bidden.

Maar de oude Heer Slyper, die achter haar in de ouderlingenbank zat,

tikte haar op de schouders en zeide: "wacht daar liever nog wat mede,

tot gij bekoeld zijt, en denk inmiddels om Matth. V: 24."

"Hoe is het, Santje! krijgen wij geen thee meer?" vroeg mijn vader, die,

ofschoon luisterende naar de redeneeringen van Tante Van Bempden, echter

genoeg van Santjes vertelling gehoord, en te goed den onvergenoegden

blik van Tante Letje bespeurd had, om niet te begrijpen, dat het gesprek

een andere wending moest nemen. Santje begreep dien wenk en haastte

zich, terwijl zij de kopjes vulde, mij te vragen, welke der plaatsen,

die ik bezocht had, ik het liefst tot mijn verblijf zoude kiezen. Van

mijn kant willende medewerken om het gesprek zoo ver mogelijk van het

vorige onderwerp te verwijderen, gaf ik een ontwijkend antwoord, en

begon de voor- en nadeelen op te tellen van al de voornaamste steden,

waar ik eenigen tijd had doorgebracht. Mijn vader moest zich staande dit

gesprek voor eenigen tijd verwijderen om ambtsbezigheden, en nu viel

Tante Van Bempden, die mij van Rome hoorde spreken, mij plotseling in de

rede, om mij te vragen of ik de fresco's in het Vaticaan gezien had.

Ik antwoordde toestemmend en wilde een uitgebreide beschrijving van deze

kunststukken geven; maar kwam er deze reis vrij van; want Tante scheen

de gelegenheid alleen te willen waarnemen, niet om van mij iets te

vernemen, maar om mij een redetwist te vertellen tusschen den

Kunstkooper Tempermes en den Makelaar Mosselzalf, betreffende een haar

toebehoorende schilderij, welke de eerste beweerde dat een origineele

Carlo Dolce was, de andere daarentegen voor een kopie hield. De

behandeling van dit punt gaf aanleiding tot een omslachtige uitweiding

over de Italiaansche school, welke gevolgd werd door een vertoog over

het voortreffelijke der keurslijven v. Douillié, en besloten met een

aanbeveling van den pasteibakker Jakobsz.

De verschijning der jongere leden van de familie, die nu uit de

verschillende scholen terugkwamen, gaf een nieuwe wending aan het

gesprek, door aan Tante een andere bezigheid te bezorgen; want, aan mijn

broeder Frits verzocht hebbende, haar een groot pak aan te reiken, met

grauw papier omwonden, dat uit het rijtuig gekomen en in een hoek der

kamer gelegd was, opende zij het, en vertoonde aan de verheugde kinderen

een menigte prentenboekjes, welke zij onlangs gekocht had en hun ten

geschenke aanbood, aan elk in 't bijzonder de uitlegging op den koop

toegevende van het onderwerp, dat in de boekjes behandeld of op de

plaatjes afgebeeld was, met vele aanwijzingen daarbij, op welke wijze en

ten welken einde zij een en ander best zouden kunnen gebruiken. De

milddadigheid van Tante bracht mij te binnen, dat ik ook geschenken had

rond te deelen, en, zoodra het theegoed van tafel was genomen verzocht

ik Frits en Jakob mij even naar mijn kamer te willen volgen. Zij

voldeden slechts schoorvoetende aan mijn verzoek; want het kostte hun

moeite de geschiedenis van Robinson Crusoë met fraaie houtsneeplaten, en

de galerij van uitheemsche kleederdrachten neder te leggen;--maar des te

hooger steeg hun blijdschap, toen ik, hen in mijn kamer gebracht

hebbende, mijn koffers opende en daaruit een talrijken hoop pakjes,

doozen en andere snuisterijen haalde, waarmede ik hen belaadde, terwijl

ik mijzelf belastte met die voorwerpen, welke het meest gevaar liepen

van te breken of beschadigd te worden.

"Mijn hemel! Ferdinand! waar moet dat alles heen?" vroeg mijn moeder,

toen ik, vergezeld van mijn twee helpers, de zijkamer instapte.

"Zij gelijken wel de drie koningen, die met giften en gaven uit het

Oosten komen," fluisterde Suzanna Tante Van Bempden in 't oor.

"Stil!" zeide deze met een bestraffenden blik: "laat Tante Letje u niet

hooren."

"Mijn tijd! zijn dat allemaal presenten?" riepen mijn zusters Letje en

Keetje, terwijl zij, haastig opstaande, een hoektafeltje bijschoven om

er mijn waren op uit te stallen: de twee jongsten, Karel en Truitje,

klapten in de handen en dansten van vreugde.

"Wel Ferdinand! Ik geloof, dat gij u arm gekocht hebt," zeide mijn

moeder, haar breiwerk neerleggende: "komt toch nergens aan, kinderen! uw

broeder zal het u immers wel wijzen."

"Ik hoop dat er voor mij ook wat bij is," zeide Suzanna, insgelijks

oprijzende en zich nevens mij vervoegende. Zelfs Tante Letje kon haar

nieuwsgierigheid niet bedwingen en ik vond mij weldra door de geheele

familie omringd.

Het was een plechtig oogenblik. Daar stonden zij allen om mij heen in

gespannen verwachting: en de stilte werd alleen afgebroken door

halfgesmoorde uitroepen, als: "wat zou ik toch krijgen? hé! wat ben ik

nieuwsgierig!--Ik weet wel wat ik zou verlangen! Stil toch! hinder uw

broeder niet! Heden! wat een boel dingen!"--Wat mij betreft, ik liet mij

geen woord ontvallen, maar een der zes of zeven scharen, om niet te

gewagen van even zoovele knipmesjes, welke mij werden overgereikt,

aannemende, maakte ik mij gereed om over te gaan tot het lossnijden der

pakjes, toen ik mijn hand plotseling weder ophief.

"Wat is er? wat is er?" vroegen onderscheidene stemmen.

"Zullen wij niet wachten, tot vader weer terug is?" vroeg ik.

Daar keken zij elkander zwijgend en zuchtend aan.

"Wel foei!" zeide Suzanna: "dat is niet mooi, ons ongeduld eerst op de

proef te stellen en dan niet te voldoen."

"Ja! maar mij dunkt dat Ferdinand gelijk heeft," zeide mijn moeder: "'t

Zal vader zeker genoegen doen, de uitpakking bij te wonen, en daar

moeten wij hem niet van berooven. Zijt nu verstandig kinderen!"

vervolgde zij, ziende, dat deze en gene de lip liet hangen. "Uw vader

zal wel zoo aanstonds terugkomen."

"Daar is Papa! daar is Papa!" riepen opeens een paar stemmen: en

terstond liepen al de kinderen de kamer uit en kwamen terug, mijn vader,

die uit zijn studeervertrek juist terugkwam, bij zijn gebloemde

avondjapon voortsleurende.

"Ik geloof, dat ik ter goeder ure terugkom," zeide mijn vader, wien een

blik, op de tafel geworpen, nog meer dan het door elkander roepen der

kinderen, de toedracht der zaak deed begrijpen.

Nu ging de schaar haar gang: en het kleine Truitje was uitgelaten van

vreugd, toen de losgemaakte papieren haar een fraai gekleeden pop deden

aanschouwen.

"Ik hoop," zeide Kareltje, mij met zijn blauwe oogen vragend aanziende:

"ik hoop...." hij durfde toch niet te zeggen wat hij hoopte; want hij

begreep, dat het anders kon uitvallen; maar toen ik hem het voor hem

bestemde toereikte, zag hij dat zijn wensch naar een verfdoos toch

verwezenlijkt was.

Het zou bij u, waarde lezers! weinig belang wekken, indien ik stuk voor

stuk de voorwerpen ging opnoemen, waarmede ik de jongere leden der

familie beschonk; ofschoon gij,--voor zooverre gijzelven ooit in het

geval zijt geweest, dergelijke geschenken na uw terugkomst van een

buitenlandsche reis rond te deelen, of in uw jongere jaren die van

anderen ontvangen hebt,--u de gewaarwordingen nog wel levendig zult

kunnen voorstellen, welke men alsdan gevoelt, en welke te streelender

zijn, naarmate het geschonkene meer de behoefte of den wensch van het

oogenblik bevredigt. Wat mij betreft, ten dezen opzichte slaagde ik zeer

gelukkig; want al wat ik uitdeelde was ook juist hetgeen men verlangde:

en mijn broeders en zusters begonnen reeds te denken dat ik de gaaf had,

op verren afstand iemands gedachten te raden, toen een glimlach mijner

moeder aan de oudsten althans deed gissen, dat de goede vrouw mij in

haar laatste brieven eenige wenken gegeven had omtrent hetgene meest

welkom zijn zou.

Toen nu het kleine volkje beschonken, of, om niet dubbelzinnig te

spreken, begiftigd--was, kwam de beurt aan de grooteren, en Suzanna

zette groote oogen op toen ik haar met een sluier vereerde (men zou

thans zeggen: een voile) die, in aanmerking mijner bekrompen middelen,

als een kostbaar geschenk kon worden aangemerkt. Voor mijn moeder had ik

een netgewerkt zakhorloge medegebracht en voor Tante Letje een

eenvoudigen, doch sierlijk gesneden ivoren waaier, die haar bijzonder

behaagde, omdat hij fraai en toch niet opzichtig was. Tante Van Bempden,

die alles had of kom laten komen, wat de weelde verlangen kon, ontving

een kleine antieke urn, welke ik te Rome had gekocht:--dit geschenk

bracht een langdurige vergelijking teweeg tusschen den antieken en

hedendaagschen smaak in bouw- en beeldhouwkunst.--Eindelijk was mijn

vader niet weinig in zijn schik, toen ik, een doos openschuivende, hem

een kleine verzameling aanbood der Romeinsche munten, die vóór den tijd

der Keizers in gebruik waren, door mij gedurende mijn verblijf te Rome

bijeengebracht. Mijn vader was, ondanks de bezigheden, welke zijn ambt

hem opleide, een minnaar gebleven der classieke oudheid en van alles,

wat daarmede in verband stond: en het was hem de zoetste verpoozing van

zijn arbeid, wanneer hij, in de weinige uren van uitspanning, die hem te

beurt vielen, zich in de lezing en beoefening zijner geliefkoosde

schrijvers verlustigen kon. De brokken uit de Latijnsche dichters,

waarmede hij gemeenzaam was, werden dan ook, gelijk men uit de

vorenstaande bladzijden heeft kunnen zien, niet minder dikwijls in het

dagelijksch gesprek door hem te pas gebracht dan de aanhalingen uit het

_Corpus Iuris_: ja somtijds ontvielen hem die, wanneer hij tegen mijn

moeder sprak, hetgeen dan bij deze, en vooral bij mijn zuster, niet

zelden een glimlach of vroolijke scherts deed ontstaan. Maar niet alleen

de werken der Ouden waren mijn vader dierbaar: al wat zich, al ware het

slechts zijdelings, aan de dagen van Athene of Rome's grootheid hechtte,

was hem welkom: en die geldstukken, wier gehalte of innerlijke waardij

voorzeker van weinig beduidenis was, en die hun meeste waarde daaruit

ontleenden dat het stel vrij volledig scheen, werden door hem met te

meer opgetogenheid beschouwd, naarmate der grootsche herinneringen, die

zij bij hem opwekten.

Ferdinand Huyck · 第 15 / 51 段