"Ma foi!" hernam Heynsz, "indien zijn crediteuren hem laten plakken, zij

zullen lang wachten eer zij blaauw tellen hunne vingers aan zijn geld,

en het zal hen wel verveelen, hem te geven de kost.--Ik weet de _science

certaine_, dat hij kaal is als de oude Heer Job."

"Kent gij den kleêrmaker Melisz, ter wiens rekwisitie hij vervolgd is?"

vroeg mijn vader.

"Of ik hem ken? Ik heb geschilderd het portret van hem, zijn vrouw, en

zijn dochter: 't was jammer van de schoone coleuren, besteed aan die

leelijke bakkes."

"Welnu! tracht hun dan te beduiden, dat zij het arrest opheffen, en

geduld hebben. Ik zal zorgen, dat de debiteur zich niet verwijdere: en

ik vlei mij, dat hij een goeden borg zal vinden. De man is ongelukkig:

en, hoewel een gewezen Koning zijn schulden behoort te betalen gelijk

een gewoon burger, dient men toch medelijden te hebben met iemand, die

van zulk een hoogte gevallen is. Maar laat ons voortgaan.--Wat is er

verder?"

"N°. 2. De diefstal bij den Juwelier Levi Samuëlz, is gecommitteerd door

Mozes Abramsz, alias Mortje la Hayne, thans resideerende in den

Duvelshoek, n°. 110."

"Mozes Abramsz!--Een oude kennis:

_extenuata gerens veteris vestigia poenae;_

maar zijt gij daar zeker van?"

"Zeer zeker. UEd. Achtbare weet dat ik vanouds heb een fijnen neus om te

attrapeeren dieven van juweelen. Karel de Speelman, die hem assistentie

heeft gegeven in het uitsnijden der glasruiten, en het goed op straat

heeft aangenomen, is de man die hem heeft verklapt; ik geloof dat zoo

Abramsz bij het deelen als een bonnette dief had gehandeld, de Speelman

wel zou gehouden hebben den mond."

"Best! Gij geeft vier dukaten aan Karel den Speelman en waarschuwt hem,

dat hij binnen vierentwintig uren de stad moet verlaten, of dat ik hem

anders als complice zal laten pakken. Verder!"

"N°. 3. Campo Weyerman heeft de Loge der Vrijmetselaren in de Stilsteeg

geopend met een heerlijke aanspraak en een fraai poême, waarin hij hun

heeft geschilderd het groote belang van deugd en moraal. Alles is

afgeloopen in complete orde."

"Zeer wel; doch wat mij minder moreel en deugdzaam voorkomt, is, dat die

zelfde Campo een fatsoenlijke burgerdochter uit 's Hage, buiten weten

van haar ouders, te zijnen huize heeft getroond. Waarom heb ik daar niet

eer tijding van gehad?"

"Het is gebeurd in mijn absentie. Ik kom het heden eerst te vernemen en

ging juist aan UEA. dit verhalen."

"Genoeg! draag zorg, dat de ouders ondershands bericht bekomen van het

verblijf hunner dochter, en hou intusschen den knaap in 't oog. Het is

de eerste reis niet, dat hem iets dergelijks gebeurt; hij is

onverbeterlijk en behoort onder diegenen, _qui hostili more matrimonia

student sibi conjungere_.--Wat meer?"

"N°. 4. Wij hebben het adres gevonden van dien Jean Albert, welken de

Fransche politie vruchteloos door geheel Europa opspoort."

"Voortreffelijk! dat vergoedt uw verzuim met Campo. En waar houdt hij

zich op?"

"Hij heeft niet gequitteert Parijs een oogenblik en logeert er nog

altijd in de kleine straat du Bac. Ah! 't was een _rusé compère_, die

zelfde Jean Albert: ik heb hem gekend heel wel aan het Bagne. Hij heeft

nog eens aan mijn Heer d' Argenson geschreven, dat zoo hij hem wilde

aanstellen als _chef de la Police Secrète_, er binnen zes maanden geen

straatroof meer in Parijs zoude plaats hebben."

"'t Is wel! Gij zult mij de bewijzen opgeven die ter zake dienstig zijn,

opdat ik deze tijding aan mijn ambtgenoot te Parijs schrijve. Wat is er

meer?"

"N°. 5. Ziehier het lijstje der sedert gisteravond aangekomen personen."

"Hm! hm!" zeide mijn vader: en hij begon halfluid een soort van

vreemdelingslijst te lezen, welke hij met aanmerkingen verzeld deed

gaan:

"_Donderdag morgen_: de Heer _Du Bourg_: (hm! die komt hier zien, of hij

het geld, dat hij aan de Bank te Aken verspeeld heeft met de acties op

de Zuid terug kan winnen:--_Iusus res antiqua ... sed pro tempore abiit

in lacrimas_....) met twee bedienden, logeert in den gouden Bal.--(De

kastelein is een jong beginner. Gij zorgt, dat hij gewaarschuwd worde,

niet te veel krediet te verleenen aan dien avonturier, ondanks zijn

fraaien stoet:)--de heer Peperkorrel uit Hoorn: Jacob Jansz en familie

uit Alkmaar: Nathanaël Rosen uit Berlijn, bij Levi den uitdrager in de

Muiderstraat:--(die komt zeker een collecte doen:--) Peer, de Manke,

Joost Roelifs en Symen de Beer, ketelboeters, in de Drie Verrotte

Kamizooltjes:--(gij zult onderzoeken waar dat volkje den tijd

doorbrengt:--) De heer Blaek en familie van buiten.--(Ik heb u reeds

meer gezegd, dat het heen en wedertrekken der lieden naar hunne

buitenplaatsen en terug niet behoeft vermeld te worden:) Jan Cornelisz,

koekebakker van Haarlem enz. enz. Volgen de lieden die met de schuiten

gekomen zijn."

Ik gevoelde een vreemde gewaarwording, toen ik den Heer Blaek en de

zijnen zoo zonderling verzelschapt zag. Mijn vader vervolgde:

"In de schuiten van Haarlem niemand die suspect was dan alleen de knecht

uit het groote koffiehuis in 's Hage die door zijn meester wegens

diefstal verjaagd is. (Men houde dien man in 't oog.) Met de schuiten

van Utrecht:" hier zweeg mijn vader een oogenblik en scheen met zijn

potlood eenige namen aan te schrappen, als van personen, die hij der

bewaking aanbeval: "met de schuit van Weesp: twee officieren van 't

Oranje Regiment: twee deserteurs uit Hanover: (aangeschrapt!)--enz.--Met

de schuiten van Muiden...."--werd ik dubbel aandachtig:

"Met de schuiten van Muiden: hm! hm! de Heer Ferdinand Huyck."

"Ik vat deze gelegenheid aan, UEA. mijn gelukwenschingen aan te bieden,

over de voorspoedige terugkomst van uw Heer zoon."

"Ik dank u.--Wie is die juffrouw Bos: die ik op de lijst vinde?"

Ik begon over al mijn leden te beven: het antwoord van Heynsz stelde mij

echter gerust.

"De dochter van den tabakskooper op den hoek van de Leliegracht."

"Er zijn dan twee Juffrouwen Bos van Muiden gekomen," dacht ik bij mij

zelven: "of het vernuft van Heynsz is verschalkt."

"En die Juffrouw Van Beveren? vervolgde mijn vader: "waar neemt die haar

intrek?"

"Bij uwen onderdanigen dienaar," antwoordde Heynsz: "een aardig meisje

uit Deventer, dat mij door deftige lieden is aanbevolen...."

"'t Is wel!" zeide mijn vader: "Vervolg: wat geven de tijdingen van

buiten?"

"N°. 6. De bende, welke weder eenige dieverijen en huisbraken onder

Gooiland heeft bedreven, bestaat uit drie personen, indien namelijk mijn

informatiën juist zijn."

Hier werd ik opmerkzaam, gelijk men denken kan. "Het zou nog al kluchtig

zijn, dacht ik, "indien ik den aanval, op mij zelf gedaan, hoorde

vertellen."

"De een," vervolgde Heynsz, "is een Bohémien, een Heiden, met name Peer

Hendriks, alias 't Haentje, en op zijn Heidensch Baerlo. Hij is heden

morgen, zoo ik hoor, door den veldwachter van Bussem geapprehendeerd

geworden:--de tweede is Andries Mathyssen gewezen matroos, de zoon van

een boerin, nabij Oud-Naarden."

"Ik ken hem en zijn moeder," zeide mijn vader: "hij stond vanouds in het

kladboek aangeschreven: _atro carbone notatus_."

"Uw Heer zoon," vervolgde Heynsz, "zal UEA. kunnen vertellen, hoe die

Andries gister-morgen den beest heeft gespeeld in de herberg te Zoest.

Hij is vandaar naar zijn woning gekeerd; maar, toen heden-morgen de

dienaars hem kwamen opsporen, was de vogel gevlogen."

"Hij zal wel in het net komen," zeide mijn vader. "En de derde?" "De

derde, en die zooveel als de voornaamste der bende is, schijnt na al

hetgene men van hem vertelt, niemand anders te wezen als de beruchte

Zwarte Piet, die vroeger in de West-Indien heeft geexcerceerd het

bedrijf van zeeroover, en nu, bij gebrek van beter, zich met

straatschenderij geneert. Wat dien betreft, hij is geen vogel om zich

zoo gemakkelijk te laten knippen; maar Tys de Blindeman zal zien of hij

hem niet op kan loopen en mij bericht sturen van zijn gangen."

"Goed!--maar nu het belangrijkste van allen: de Vliesridder?--Het gij

eenig bericht omtrent hem?"

"N.° 7. De Vliesridder is met zijn dochter gisteren-morgen om half acht

ure uit Amersfoort gereden met een huifwagen van De Geus: te Zoest heeft

hij stilgehouden en, aldaar onbescheiden behandeld zijnde door dien

zelfden Andries Matthijssen, van wien ik zoo even sprak, hem een stoot

gegeven, die bijna bespaard had aan den scherprechter de moeite, hem van

dienst te kunnen zijn:--althans zoo vertelt kleine Simon de marskramer."

"Goed!--Verder!" zeide mijn vader.--Men kan licht beseffen met welk een

aandacht ik luisterde naar een opgave, welke voor mij zoo belangrijk

werd.

"Zij hebben te Eenmes het middagmaal gebruikt, zijn bij Naarden beiden

uit de kar gestapt ... en sedert heeft men niets van hen vernomen."

"Niets!" herhaalde mijn vader, op een toon, die de hoogste

ontevredenheid te kennen gaf: "is Simon hen dan niet achtervolgd?"

"Ed. Achtb.! Simon had last Andries mede in het oog te houden, en het is

hem gegaan gelijk den man, waarvan spreekt vader Cats, die vangen wilde

twee hazen te gelijk."

"Hij had zich aan den Vliesridder moeten houden.--Andries begaat voor

alsnog zijn diefstallen buiten onze judicatuur, en het is meer uit

beleefdheid voor onze Gooische naburen, en uit voorzorg, dat wij de

moeite op ons nemen, zijn gangen na te gaan.--Maar de Vliesridder!

Iemand tegen wien het hooge landsbewind een bevel van apprehensie heeft

uitgevaardigd!--dat is een man van meer beteekenis, zou ik denken.

"Mag ik UEA. doen opmerken, dat alle kasteleins en voerlieden tusschen

hier en Arnhem hebben zijn portret, en dat hij gevat moet worden, zoodra

hij zich op het rechtsgebied vertoont."

"Dat is nog niet genoeg! Hij moet gevat worden, eer hij in staat zij, of

zelf, of door anderen, papieren te lichten, die zich hier te Amsterdam

moeten bevinden en van het hoogste belang zijn. Het is geen gewoon

mensch met wien gij te doen hebt: hij kent de zaken en zal list tegen

list stellen. Bovendien heeft hij nog vrienden en betrekkingen, die hem

de behulpzame hand zullen bieden. Er moet hier dus een dubbele

waakzaamheid plaats hebben. Kunt gij niet nagaan, met wien hij hier ter

stede korrespondentie voert?"

"Nog niet, Ed. Achtbare!--doch zoo UEA. verkiest, zou men kunnen

waarschuwen de post, en dan zijn er middelen genoeg om te komen achter

het geheim."

"Hij zal zijne brieven zelf niet schrijven.--Wist ik hier maar iemand,

met wien hij betrekkingen heeft onderhouden."

Mijn goede vader dacht weinig, dat de persoon, die in staat was, hem de

meest voldoende narichten te geven, zich als derde in het vertrek

bevond. Het gehoorde had mij intusschen zoo sterk aangegrepen, dat ik

geen acht meer kon geven op het laatste gedeelte van het onderhoud

tusschen mijn vader en Heynsz, hetwelk over voor mij onverschillige

zaken liep en slechts korten tijd duurde, waarna de ondergeschikte

ambtenaar, op dezelfde geheime wijze als waarop hij gekomen was, het

vertrek weder verliet. Deze oogenblikken van respijt kwamen mij wel te

stade. Ware hij terstond vertrokken, ik zoude, geloof ik, in weerwil van

mijn beloften aan den Heer Bos (of aan den Vliesridder, gelijk ik hem

had hooren betitelen) alles aan mijn vader bekend hebben! want dan ware

ik zeker geweest, dat zijn doordringend oog een geheim op mijn gelaat

zou gelezen hebben. Mijn toestand was met dat alles kwellend: ik

begreep, dat eenmaal mijn geheim zoude moeten uitkomen, dat dan wellicht

het _crimen reticentiae_ mij ten laste zou gelegd worden: dat bovendien

mijn vader zelf beticht zoude kunnen worden, der zake niet onkundig te

zijn geweest:--en dan, al ware het maar alleen de gedachte van mijn

vader onvergenoegd te zien, dat hij zijn ambtsplicht niet volbrengen kon

gelijk hij wenschte: het middel te bezitten, om hem daartoe in staat te

stellen, en gedwongen te zijn, dit voor mij te houden: O dit viel mij

hard! En toch! ik zou mij zelven veracht hebben, indien ik in staat ware

geweest, den man, die mij het leven gered had, aan hen, die zijn

vrijheid belaagden, te kunnen verraden.

Ik veinsde derhalve door te slapen, en rees niet eerder uit mijn

schuilplaats op, dan nadat Heynsz reeds een poos vertrokken was.

NOOT:

[4] Men herinnere zich, dat de steller van het Handschrift de zaken

voordraagt zoo als die in zijnen tijd bestonden.

Noot van den uitgever.

* * * * *

TWAALFDE HOOFDSTUK,

WAARIN MEN NADERE KENNIS MAAKT MET DE LEDEN DES FAMILIE EN WAARIN TANTE

LETJE EEN CONFITUURVLEK OP HAAR HALSDOEK BEKOMT.

"Welnu!" vroeg mijn vader, die nog altijd te schrijven zat: "zijt gij

wel voldaan van uw slaapje? mij dunkt, gij waart ook in het geval van

Argus: _Succubuisse oculos, ad opertaque lumina somno_.

Ik voelde dat ik een kleur kreeg, toen ik antwoordde dat mij de rust

verkwikt had.

"Dat verheugt mij," zeide mijn vader: "ik had al half berouw, dat ik u

bij mijn gesprek met Heynsz had laten assisteeren: maar gij sliept zoo

gerust, dat de stads-omroeper zelf u niet wakker geschreeuwd zoude

hebben. En is er altemet iets geweest dat u het eene oor is ingekomen,

zoo vertrouw ik, dat zulks het andere oor weer is uitgegaan, en verzoek

u althans er niemand, zelfs mij niet, iets van te laten blijken."

Dit was juist hetgeen ik zelf ook verlangde, en ik verzekerde mijn

vader, dat ik van ganscher harte aan zijne aanbeveling voldoen zoude.

"'t Is wel!" zeide hij: "neem nu een stoel en ga bij mij zitten. Wij

moeten een onderhoud hebben, dat ik liefst niet te lang wilde

uitstellen: wij hebben nu den tijd: en in de volgende dagen zullen wij

over weinige oogenblikken kunnen beschikken: want men zal u wel komen

bezoeken en het zal zijn:

Salutant, ad coenam vocant, adventum gratulantur,

gelijk Terentius zegt. Of zijt gij nog te slaperig om naar mij te

luisteren?"

Ik betuigde, dat ik volkomen bereid was hem aan te hooren; waarop hij

aldus begon:

"Gij zijt nu weder terug: en ik vertrouw dat zulks niet zal zijn om uw

dagen in ijdele ledigheid door te brengen, en een straatslijper te

worden."

"In-tegendeel, vader! Niets zal mij aangenamer zijn, dan mijn tijd op

een nuttige en werkzame wijze door te brengen."

"Zeer goed! ledigheid is een duivelsoorkussen. Gij weet, wat Ovidius

zegt:

_Quaeritur, Aegisthus quare sit factus adulter. In promptu est

ratio: desidiosus erat._

En welk beroep zoudt gij u liefst verkiezen?"

"Ik beken u," antwoordde ik, "dat ik daaromtrent mijn keus niet zoude

weten te bepalen."

"Hm!" zeide mijn vader, het hoofd schuddende: "daar houde ik niet van.

Een jong mensch moet altijd voor dit of dat vak een voorkeur hebben. Ik

haat onverschilligheid in dat geval: die is niet natuurlijk op uwe

jaren, tenzij bij domkoppen en losbollen, onder geene van welke

categoriën ik u rangschik.

"UEd. weet, dat ik het verwijt van onverschilligheid niet verdien, en

dat ik als kind een bijzondere geneigdheid had tot den zeedienst, welke

echter vroeger om gegronde redenen niet heeft kunnen ingewilligd worden,

en mij thans ook weinig zou baten, daar ik te oud ben om te beginnen. Ik

heb intusschen, zoo vaak ik over het onderwerp nadacht, te recht of te

onrecht gemeend, dat de reden, waarom UEd. geweigerd hebt mijn

liefhebberij ten deze in te willigen, daarin gelegen was, dat UEd. iets

anders voor mij op het oog hadt. UEd. heeft mij laten studeeren en zult

misschien verlangen, dat ik advocaat worde:--doch ik beken, tot mijn

leedwezen, dat ik op reis veel verleerd heb, en mij weêr druk zal moeten

oefenen, wil ik der balie geen schande aandoen."

"Dat laat zich alles wel hooren," zeide mijn vader, met een glimlach:

"bovendien, hoezeer ik voor mij de betrekking van advocaat, _nobile

illud officium_, boven alle andere stel, en u, wat mij betreft, gaarne

gezien had onder de zoodanigen,

qui iuris nodos et legum aenigmata solvunt,

levert echter dat ambt, althans in de eerste jaren, weinig verdiensten

op: en, hoezeer ik niet in een bekrompen stand leef, is mijn vermogen te

gering en mijn huisgezin te groot, om u, zoo gij het trouwen eens in 't

hoofd kreegt, een behoorlijk uitzet te geven. Ik zou u wel door mijn

invloed aan dezen of genen post kunnen helpen: maar ieder heeft zijn

eigene inzichten, en, schoon ik die van anderen eerbiedig, heb ik voor

mij een tegenzin aan het uitdeelen van bedieningen. Gij moet door uw

eigene bekwaamheid protectie verdienen, en niet door gunst alleen

voortkomen. Intusschen, ik moet u thans gulweg zeggen, dat het mij in

zekere opzichten niet spijt, dat uw keus nog niet gevestigd is; want nu

vlei ik mij, dat gij te meer geneigd zult zijn te doen hetgeen u

voordeeligst zijn kan.--Wat zoudt gij van den handel denken?"

"De handel is een heerlijk iets," antwoordde ik, eenigszins verwonderd

over deze plotslinge vraag: "maar dat men niet zonder fondsen beginnen

kan."

"Niet! En hoe doen dan zoovelen, die hier met een paar schellingen in

den zak (God weet waar vandaan!) komen aanwaaien, menschen,

quorum nemo queat patriam monstrare parentis,

en die, eer men hun rechten naam nog weet, aan het hoofd van een huis

van negotie staan?--Doch gij hebt gelijk.--Gij moet ook met iets

beginnen en daartoe doet zich eene gunstige gelegenheid op. Gij weet,

het huis Van Bempden, Van Baalen en Comp. heeft, sedert den dood van uw

oom, onder die zelfde firma, maar alleen onder de directie van

laatstgemelde blijven bestaan. Uw tante heeft haar geld daarin gelaten;

maar haar oogmerk was en is nog, u, bij uw terugkomst, mede in die zaak

te plaatsen en deelgenoot der firma te maken. De gelukkige uitslag uwer

pogingen te Livorno aangewend, om bij de liquidatie van de firma Bertini

nog een deel terug te bekomen van hetgeen dat huis aan uw tante schuldig

was, heeft haar goede gedachten omtrent uw bekwaamheid ingeboezemd."

"Ik ben mijn tante zeer verplicht voor den goeden dunk, dien zij van mij

heeft, en herken haar vriendschap te mijwaart."

"Gij hebt ook elders op uw reizen persoonlijke kennis gemaakt met

verscheidene Correspondenten van het huis, en, naar eenige uitdrukkingen

te oordeelen, welke sommigen hunner in hun brieven omtrent u hebben

gebezigd en welke uw tante mij medegedeeld heeft, komt het mij voor, dat

gij hun wel bevallen zijt. Dit kan nooit kwaad en zal bij hen het

crediet voor het huis niet doen dalen, wanneer gij daar associé van

wordt. Wel is waar,

omnia non pariter rebus sunt omnibus apta,

en gij zijt niet van jongs af tot den handel opgeleid; maar ik vlei mij,

dat eenige inspanning, gevoegd bij de op uw reizen verkregen

ondervinding, en vooral de leiding van den Heer Van Baalen, u weldra op

de hoogte zullen brengen, waar gij op wezen moet. Het komt er nu slechts

op aan om te weten, of gij geen tegenzin in het beroep zelf hebt."

"Ik geloof, dat ik mijn fortuin met voeten zou stooten, indien ik zulk

een aanbod niet dankbaar aannam; maar is de Heer Van Baalen insgelijks

met deze schikking volkomen tevreden? En ziet hij er niet tegen op, een

onbedrevene als mij tot compagnon te nemen?"

"Hij Heeft geene zwarigheden gemaakt; en de drie ton, welke uw tante in

het huis heeft gelaten, wegen ook nog al tegen eenige bedenkingen

op.--Nu! ik wensch u geluk, en ik hoop, dat gij u zoowel zijne achting

als het vertrouwen uwer tante zult waardig maken."

Ik kan niet ontkennen, dat mijn eigenliefde zeer gestreeld werd met het

vooruitzicht, dat zich voor mij opende. Ik was nu geen ledigganger meer,

die zonder bepaald doel in de wereld voortleefde, neen, ik zag mij, als

deelgenoot in een bloeiende zaak, geplaatst in een betrekking, waarin

het slechts van mij afhing een ruim bestaan en de achting mijner

medeburgers te verwerven. Ik kon niet nalaten mijn blijdschap aan mijn

vader te betuigen: de geheele geschiedenis van den vorigen dag was voor

mij op den achtergrond teruggeplaatst, en, alleen denkende aan hetgeen

mij thans was medegedeeld, deed ik dienaangaande een menigte vragen,

welke mijn goede vader het zich een genoegen maakte, te beantwoorden.

Ons onderhoud deed den tijd met snelheid vervliegen; en nog waren wij

aan 't redeneeren, toen het ophouden van een rijtuig voor de huisdeur en

het klinken der schel ons verwittigden, dat onze dames uit de kerk

terugkwamen.

Wij gingen naar de zijkamer. Er stonden niet slechts eene, maar twee

koetsen voor de deur. Uit de eerste kwam mijn moeder met Susanna en

tante Letje: uit de tweede tante Van Bempden: en weldra traden de vier

dames de kamer in: tante Letje, in haar effen violetkleurig taffen

gewaad, met haar stijve neepmuts, zonder eenig cieraad, dan haar

prachtigen kerkbijbel met schildpadden band en gouden sloten: en tante

Van Bempden met hare fontanges, Brusselsche kanten, en honderden van

linten en kwikken:--twee volkomen kontrasten; maar beide, elk in haar

soort, voortreffelijke menschen.

Tante Letje, welke nu eene eerbare vrijster was van ongeveer

vijfenveertig jaren, ging bij de booze wereld door voor hetgeen men eene

fijne kwezel noemt. Men weet, het is geen ongewoon verschijnsel, dat in

groote familiën, vooral in die, waar verscheidene zusters zijn, zich

eene daarvan reeds vroeg begint te onderscheiden, door het dragen van

een stemmig, onopgesmukt, gewaad, door het afzweren van alle wereldsche

vermaken, door den schier uitsluitenden omgang met predikanten,

zielverzorgers, en zoogenaamde vromen, door het spreken der tale Kanaans

(gelijk men het bezigen van veelvuldige Bijbelsche uitdrukkingen noemt),

door het getrouw ter kerke gaan en het houden of bijwonen van oefeningen

ter onderlinge stichting. In de kerk kan men haar spoedig herkennen aan

den deemoedigen gang, waarmede zij naar hare plaats: aan den eerbied,

welken de plaatsbewaarsters voor haar koesteren, zoodat zij alleen

nimmer gedwongen zijn, in te schikken: aan de groete des voorzangers:

aan het lange gebed, dat zij, zoodra zij gezeten zijn, van achter den

breed uitgeslagen waaier doen: eindelijk aan de wijze, waarop zij den

leeraar aanzien en den blik vol hemelvreugde (anderen zeggen: vol

hoogmoed) opwaarts slaan, zoo vaak in de predikatie gewag gemaakt wordt

van uitverkorenen, waaronder zij zich bij uitsluiting achten te

behooren. Gewoonlijk zijn het noch de mooisten, noch de geestigsten der

familie, welke tot deze caste behooren, en verslijten zij haar leven in

den vrijsterstaat, doch er is geen regel zonder uitzondering, en men zou

onbillijk handelen, door de aanleidende oorzaak van haar gedrag altijd

te willen toeschrijven aan hare vrees van in de wereld geen opgang te

zullen maken. Er zijn er enkelen, ja, bij wie die reden veel moge

gegolden hebben, zelfs buiten haar weten: er zijn er, die, hoovaardig op

hare vermeende godsvrucht, in Fariseeuwschen hoogmoed op hare

mede-Christenen als op de Tollenaren en Zondaren nederzien, alles, wat

anderen goeds en loffelijks verrichten, met den naam van blinkende

zonden bestempelen, en die alle Christelijke deugden bezitten, maar

alleen de hoogste, de voornaamste, de liefde, ontberen;--maar al moge

dit met enkelen het geval zijn, ik houde mij overtuigd, dat verreweg de

meesten van haar, niet-tegenstaande de kleine gebreken, waarmede zij

behebt mogen zijn, vaak als voorbeelden verdienen te worden aangeprezen,

boven de zoodanigen, die haar gedrag bespotten en beschimpen.

Ferdinand Huyck · 第 14 / 51 段