naar de kerk te gaan, liep het middagmaal nog al haastig af: 't geen mij
niet speet; want ik was weinig tot praten gestemd en begon de gevolgen
der vermoeienissen van den vorigen dag te ondervinden, en wel op een zoo
blijkbare wijze, dat ik dienaangaande het verwijt van mijn zuster
Suzanna moest ondergaan.
"Wat maakt het reizen de jonge lieden toch wellevend," zeide zij: "is
het te Weenen of te Genua dat gij zoo hebt leeren gapen?--Ik dacht zoo
meteen, dat de geheele soepterrine er aan moest gelooven. Gij kunt u
gerust bij den drogist op het Rokin verhuren, indien hij zijn gaper
verliest. Dominee Best krijgt een beroerte op 't lijf als hij u ziet."
"Ik geloof, dat ik hem niet in de gelegenheid zal stellen," zeide ik:
"ik ga niet naar de kerk om te slapen: en ik ben overtuigd, dat mij
hedenavond de Apostel Paulus zelf niet wakker zoude houden."
"Neen waarlijk, gij ziet bleek van de vaak," zeide mijn moeder,
eenigszins ongerust: "vindt gij ook niet, schat!" (zich tot mijn vader
wendende) "dat Ferdinand er, sedert hij aan tafel is gekomen, niet best
uitziet."
"Dat is zeer natuurlijk," zeide Suzanna: "straks was zijn gezicht beter
dan zijn gewaad, en nu is het omgekeerd."
"Ik geloof ook," zeide mijn vader, "dat hij maar wijzer zal handelen met
te huis te blijven en wat rust te nemen. Hij zal vermoeid zijn, en daar
is niets vreemds in:
_Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit._
Ware ik in zijn plaats, ik ging een paar uren te bed liggen; of anders
kan hij in mijne kamer in den grooten armstoel wat gaan dutten, tenzij
hij liever verkieze, wat met mij te praten."
"Ziedaar een alternatief, dat ik gaarne aanneem," zeide ik: "ik beken,
dat ik heden maar een half mensch ben en zelfs buiten staat, mij met
fatsoen uit een schermutseling met Santje te redden."
"Dan zal ik ook maar geen kruit en lood op u verschieten," zeide
Suzanna: "want er steekt geen eer in de overwinning, wanneer de vijand
zich niet verweert: _A vaincre sans péril, on triomphe sans gloire_."
"Zeer goed," zeide ik: "zoo gij slechts niet vergt, dat ik u voor deze
edelmoedigheid bedanke; want gij weet zoogoed als ik, dat de tijd om mij
te plagen u toch ontbreken zou, daar het rijtuig binnen een paar minuten
voor de deur zal staan."
Ik bedroog mij niet; nauwelijks had ik uitgesproken, toen er gescheld
werd en men het rijtuig kwam aankondigen. De beide dames vertrokken: het
jongere gedeelte van het gezelschap ging uit elkander, en ik trok met
mijn vader naar zijn kamer. Wij spraken een wijl over onverschillige
zaken; maar ziende, dat ik vruchtelooze pogingen deed om de
aanvechtingen van den slaap te bestrijden, gaf mij op nieuw den raad
daaraan geen langer weerstand te bieden. Ik begreep, dat zulks ook het
wijste zoude zijn, en plaatste mij zoo gemakkelijk mogelijk in den
grooten armstoel, dien ik in den donkersten hoek van het vertrek had
geschoven. Mijn vader ging bij het raam zitten en eenige schrifturen
nazien: en het leed niet lang of ik lag in een gerusten slaap gedompeld.
* * * * *
ELFDE HOOFDSTUK.
HETWELK ETTELIJKE POLITIE-GEHEIMEN AAN DEN DAG BRENGT.
Ik had ongeveer een half uur in dezen aangenamen, zorgeloozen toestand
doorgebracht, toen ik half wakker gemaakt werd door drie kleine slagen,
op een bijzondere wijze tegen eene der deuren gegeven.
"Daar wordt geklopt," zeide ik, de armen uitrekkende en willende
opstaan.
"Hou uw gemak," zeide mijn vader: "het is niemand anders als Heynsz, die
mij zijn rapport komt doen. Slaap maar door," vervolgde hij lachende:
"dan geraakt gij niet in de verzoeking van de geheimen der Justitie te
verklappen."
Dit gezegd hebbende stond hij op, haalde een bos met sleutels uit zijn
zak, opende daarmede een deur, welke zich in een hoek van het vertrek
bevond, en liet den zooeven genoemden persoon binnenkomen. Daar deze
geen geringe rol gespeeld heeft in de avonturen, welke ik nog te
verhalen heb, zal men het mij niet kwalijk afnemen, dat ik, tot recht
verstand van het volgende, eenige meer omstandige beschrijving van den
man ter neder stelle.
Het is mij onbewust of Zacharias Heynsz een afstammeling was van zijn
naamgenoot, den dichter, wiens voortbrengselen onze vaderen een tijdlang
bewonderden, maar die, sedert Vondel en Hooft hunne onsterfelijke werken
uitgaven, al spoedig vergeten werd, schoon hij nog lang bij den
Duitschen nabuur als een voorbeeld ter navolging werd aangemerkt. Zeker
is het, dat de Zacharias Heynsz, dien ik gekend heb, niet misdeeld was
van die begaafdheden, welke, zoo hij tot een andere loopbaan ware
bestemd geweest, hem een meerdere vermaardheid zouden hebben gegeven dan
hem nu ten deel viel. Intusschen, uit hetgeen mij bij onderscheidene
gelegenheden van hem ter ooren kwam, ware stoffe genoeg te vergaren
geweest, om een levensloop te beschrijven, die om het avontuurlijke zeer
lezenswaardig had kunnen geacht worden, ja met den _Gil Blas_ of _Guzman
d' Aifarache_ wedijveren, indien zich slechts een even bekwame pen als
die van Le Sage tot de samenstelling daarvan had aangeboden. Wat mij
betreft, die verre van het denkbeeld ben verwijderd zulk een schrijver
zelfs op eenigen afstand te willen nastreven, ik zal mij vergenoegen met
een korte opgave van het merkwaardigste, dat deze persoon, tot op den
tijd dat ik hem in mijns vaders vertrek terugzag, was overkomen.
De vader van onzen Heynsz, indien hij dan al van den ouden dichter
afstamde, was van de voorouderlijke deftigheid ontaard, als vervullende
hij geene hoogere betrekking dan die van lakei bij een onzer
aanzienlijkste Regenten, wien hij, bij gelegenheid dat deze als afgezant
het Fransche hof bezocht, naar Parijs volgde. Aldaar wisten zijn breede
schouderen, zijn kloeke gedaante en blozende wangen, aan welke
begaafdheden de fraai gegalonneerde rok voorzeker niet weinig luister
bijzette, het hart te winnen der dienstmaagd uit de herberg, waar de
gezant zijn intrek had, en welke aannam onzen borst Fransch te leeren
spreken. Of haar leerling goede vorderingen onder haar opzicht maakte,
weet ik niet; zooveel is zeker, dat hij, als een tweede Alcibiades, het
zooverre bracht in de minnekunst, dat zijn meesteres na verloop van een
paar jaren als zijn echte vrouw met hem in Holland terugkeerde. Het was
een wakkere tas, die vrouw Heynsz, en zij had voor haar huwelijk al vrij
wat rondgezworven: ja men beweerde, dat zij, evenals de moeder van Campo
Weyerman, in oorlogsvuur ontstoken, het schortekleed voor het musket
verwisseld, ja den veldslag van Senef en de verovering van Namen had
bijgewoond. Zelfs wilden kwade tongen wel verhalen, dat zij tot Sergeant
bevorderd zoude geweest zijn, indien niet de Luitenant, verwonderd over
de omstandigheid, dat haar figuur op een wijze uit begon te puilen,
welke hem bij het behoorlijk _aligneeren_ zijner Compagnie eenigszins
hinderlijk voorkwam, de zaak nader onderzocht en het geheim ontdekt had.
Wat er van zij, de vader van onzen Zacharias had geene reden zich over
zijne echtverbintenia te beklagen. De ondersteuning van zijn vermogenden
beschermer had hem in staat gesteld een herberg te Amsterdam te
aanvaarden, voornamelijk ingericht voor de landgenooten zijner
huisvrouw, die het talent had, hun de uien en magere soep, waaraan zij
in het moederland gewoon waren, bijna evengoed, althans op dezelfde
wijze toebereid, te doen terugvinden. Zacharias, de eenige spruit,
waarmede hun echt gezegend werd, had dus al vroeg gelegenheid, om met
menschen van allerlei slag te leeren omgaan, 't geen hem later, gelijk
men zien zal, niet weinig te stade kwam. Te dier tijd echter maakte hij
daarvan geenszins het behoorlijke gebruik en was zijn ouders tot weinig
dienst, daar hij zich meer met lanterfanten en slenteren langs de straat
geneerde, dan met het verrichten der boodschappen of bezigheden, welke
hem werden opgedragen. Daarenboven gevoelde onze Heynsz een
onweerstaanbare neiging voor de teekenkunst, welke slechts eenige
meerdere opleiding en beschaving zou hebben noodig gehad, om hem in dat
vak tot geene geringe hoogte op te voeren. Zijn ouders echter waren
alles behalve in hun schik met deze begaafdheid van hun zoon: en hunne
ontevredenheid had niet weinig kracht verkregen, toen zij van meer dan
een reiziger klachten bekwamen, dat de onbeschaamde knaap zich verstout
had, afbeeldingen van hun persoon, welke hen op een belachelijke wijze
voorstelden, op hunne kamerdeur te plakken. Hierover ernstig bestraft
zijnde, beloofde bij wel beterschap; maar de liefhebberij was te diep
bij hem ingeworteld, dan dat hij die geheel zou hebben laten varen.
Intusschen verwierf hem deze de gunst van een Franschen schilder, die,
bij zijn ouders zijn intrek genomen hebbende, zoo getroffen werd door de
beschouwing van sommige voortbrengselen van des jongelings
kunstvermogen, dat hij aan de ouders den voorslag deed, hem met zich te
nemen, en in de geheimen der kunst in te wijden, ter wedervergelding
waarvan Zacharias hem eenigen dienst op reis zoude bewijzen. Dit werd
met gretigheid toegestaan: en de ouders, nu geheel van inzicht
veranderd, zagen reeds in 't vooruitzicht hun zoon, gelijk een tweeden
Rubbens, met goud en ridderkruisen behangen, tot hen terugkeeren. Dan
helaas! hoe ijdel was deze hoop!--De kennismaking met den Heer De Vieux
(zoo heette de Franschman) moest den armen knaap, in stede van voordeel,
louter schande en tegenspoed aanbrengen. In den beginne ging alles goed;
en meester en leerling beiden wenschten elkander met hunne onderlinge
betrekking geluk;--maar eensklaps vervielen voor Zacharias alle
uitzichten voor de toekomst; daar zijn meester, zich met hem in
Zwitserland bevindende, van waar zij voornemens waren naar Italië te
trekken, in een herberg werd vermoord, na van al hetgeen hij aan goud en
kostbaarheden bij zich had, beroofd te zijn geworden. Dewijl de
misdadigers onbekend waren, vielen de vermoedens natuurlijk op
Zacharias, die zich in de gevangenis zag werpen, zonder steun, zonder
iemand, die hem kende of voor hem in de bres wilde springen. Hij raakte
wel is waar, na een detentie, welke bijna een jaar duurde, wegens mangel
van bewijzen op vrije voeten; maar werd nu ook, zoo kaal als de verloren
zoon, in een vreemd land, en waar niemand zich zijner aantrok, op straat
gezet. Hij besloot, al bedelende naar Parijs te gaan en aldaar te
beproeven, of hij de familie zijner moeder vinden en door deze in staat
gesteld zoude kunnen worden, de terugreize naar Amsterdam op eene meer
behoorlijke wijze voort te zetten. Verscheidene malen gebeurde het hem,
als vagebond te worden vastgezet, en de reis van Genève naar Lyon werd
door hem niet in eenige dagen, maar in maanden volbracht: daar hij tot
drie keeren toe weder over de grenzen teruggebracht werd. Eindelijk Lyon
bereikt hebbende, deed hem een zonderling toeval met den beruchten
Cartouche in kennis komen: een ontmoeting, welke hij later veelal
behagen schepte te verhalen en waarvan de uitslag was, dat hij van dien
Kapitein der gauwdieven een beurs met _louis d'or_ bekwam. Dit maakte de
uitvoering van het plan, dat onze reiziger gemaakt had, merkelijk
lichter. Te Parijs trof hij den broeder zijner moeder in redelijke
omstandigheden aan, en werd door hem wèl ontvangen. Dan, in stede van
naar Amsterdam terug te keeren, keurde hij beter, zich eerst nog te
Parijs in de schilderkunst te blijven oefenen, en ondertusschen den kost
te verdienen met het maken van portretten, waarin hij, althans wat de
gelijkenis betrof, zeer wel slaagde.--Dan het was hem voorbeschikt, dat
de kunst hem altijd, in de plaats van eer en goud, ellende en schande
berokkenen moest. Eens het afbeeldsel van een Edelman uit de provincie
hebbende vervaardigd, stak hij in diens bijzijn de daarvoor ontvangene
belooning in de beurs, welke hij van Cartouche bekomen had, en om haar
fraaiheid gewoon was bij zich te dragen. De Heer zeide niets, maar den
volgenden dag werd Heynsz voor het gerecht geroepen, en gevraagd, waar
hij die beurs vandaan had, welke, gelijk van achteren bleek, te Lyon aan
gezegden Edelman ontstolen was. Onze schilder, niet durvende bekennen,
dat hij die van Cartouche ontvangen had, verklaarde stoutweg, dat hij
die van een reizenden marskramer gekocht had. Men deed onderzoek, en,
ongelukkig voor hem, bevond men, dat hij zich, juist tijdens den
diefstal, nabij Lyon en wel in zeer bekrompene omstandigheden bevonden
had; terwijl hij later op eens in een deftig gewaad was verder gereisd.
De aanklacht wegens den moord van De Vieux werd mede ter sprake gebracht
en was althans niet geschikt de gemoederen der Rechters voor hem in te
nemen. Kortom, hij werd tot de galeien verwezen en bracht aldaar een
tiental jaren door. Zijn gedrag was echter zoo gunstig onderscheiden van
dat der overige boeven, dat hij er die verzachting in zijn lot genoot,
welke met de reglementen van den dienst strookende waren, en zelfs
eenigszins met het opzicht over de anderen werd belast. Eindelijk kwam
toevallig zijn onschuld uit aan de beide wanbedrijven, welke hem te
laste waren gelegd geweest. Hij werd ontslagen, en, Frankrijk nu
vaarwelzeggende, trok hij, met het weinige geld dat hij van zijn familie
te Parijs bekwam, en met een pas van den gezant van Hunne Hoog Mogenden,
naar zijn vaderland terug. Te Amsterdam gekomen, vond hij zijn ouders
overleden en de herberg in andere handen. Hij zette zich hierop in den
Haag neder en vatte het schildersberoep weder bij de hand.--Maar de
jaren van studie en genie waren intusschen jammerlijk vervlogen, en
schoon hij nog altijd gelukkig in het treffen der gelijkenis was, zijn
afbeeldingen misten die kracht van uitdrukking en die levendigheid van
coloriet, welke den meester kenmerken, en zijn hulp werd dus niet
ingeroepen dan door lieden van den minderen stand, uitgelokt door den
matigen prijs, dien zij voor zijn voortbrengselen betaalden.
Terwijl hij aldus zich op een sobere wijs geneerde, werd hij voor de
derde reize beschuldigd van een misdaad welke hij niet gepleegd had. Hij
had namelijk de vrouw van een juwelier ten haren huize geportretteerd in
een kamer, waarin zich verscheidene voorwerpen van hooge waarde
bevonden. Kort na zijn vertrek werd er een prachtige garnituur gemist,
en bij gedane nasporing bleek het, dat een man, die naar de beschrijving
vrijwel op Heynsz geleek, gemelde juweelen verpand had. Hij werd opnieuw
verhoord en gevangengezet; deze laatste gevangenis was echter de
kortste. Hij had in den kerker het vertrouwen gewonnen eener aldaar met
hem opgesloten dievenbende, door hunne afbeeldingen welgelijkend met
kool op den wand te schetsen. Deze schelmen maakten hem deelgenoot van
een plan ter ontkoming, dat vernuftig uitgedacht was en zeker zou gelukt
zijn, indien hij, voorziende dat zulks hem geen ondienst zoude doen, het
geheim niet aan de Justitie verklapt had. Tevens was het hem gelukt,
door listige vragen, bij zijn medegevangenen uit te vorschen, wie den
diefstal bij den juwelier had begaan: en het was hem gebleken, dat het
de zoon des huizes zelf was, die zijn vader bestolen had. Zijn dubbele
ontdekking had ten gevolge, dat hij niet alleen werd vrijgesteld, maar
zelfs een belooning ontving.
Dan hierbij bleef het niet. De geschiedenis van onzen Heynsz trok de
aandacht van den toenmaligen Hoofdschout van Amsterdam, mijns vaders
voorganger, die zich te dier tijd toevallig in den Haag bevond. Hij deed
onderzoek naar den schilder, en, na een met hem gehouden gesprek,
oordeelde hij, dat deze de geschiktste persoon was, om te Amsterdam een
bediening te vervullen, welke kort te voren was opengevallen.
Bekend is het, dat de Hoofdschout alhier in deze betrekking door vijf
Onderschouten en door twee Klerken wordt geassisteerd, die van stadswege
aangesteld worden en als stedelijke ambtenaren op de betaalsrollen
verschijnen. Maar minder algemeen bekend en toch onontbeerlijk zijn de
geheime agenten, welke het Hoofd der Justitie hunne diensten verleenen.
Ontelbaar zijn de draden, waarmede het beleid van dien magistraat als
met een kunstig geweven spinneweb niet alleen het geheele land
overspant, maar welke, ook naar buiten verlengd, met al de voorname
steden van Europa in betrekking staan. Het heir van spionnen en
verklikkers, dat zich in die uitgebreide sfeer beweegt en tot welks
bezoldiging de Hoofdschout jaarlijks aanzienlijke sommen ontvangt, kan
echter uit den aard der zaak niet met hem noch zelfs met de
ondergeschikte ambtenaren in onmiddellijke aanraking komen. Die onder
hen, welke van een zoogenaamden fatsoenlijken stand zijn, zouden geen
nut meer kunnen doen, zoodra het publiek kennis droeg dat zij met de
Justitie in betrekking stonden; terwijl andere verklikkers van een
minderen rang onderling onbekend blijven, en soms elkander moeten
gadeslaan. Ten einde de zaken dus een behoorlijken gang zouden gaan is
er een tusschenpersoon noodig, die, niet als ambtenaar bekend, zich
belast met het overbrengen van des Hoofdschouts bevelen aan de geheime
handlangers der Justitie, en hunne berichten wederkeerig te zijner
kennisse brengt: een trechter waar alles doorheen gaat, of liever een
totebel, die uit het slijk en de modder, waarin hij wordt nedergelaten,
alleen datgene ophaalt, wat den meester van dienst is. Zoodanig een man
wordt, of werd althans in dien tijd, uit de geheime fondsen betaald; hij
had het oppertoezicht over de geheime agenten, knoopte de noodige
betrekkingen aan bij de kollegiën der Admiraliteiten, bij de Bank, bij
de lands- en stadsinrichtingen, in de koffiehuizen, enz., wierf de
geschiktste voorwerpen aan of stelde de zoodanigen af, die hem geen
genoegzaam vertrouwen inboezemden. Niet met de Onderschouten, maar
onmiddellijk met den Hoofdschout stond hij in betrekking; en kwam bij
deze tweemalen daags zijn rapport doen[4]. Deze bediening was
opengevallen en nu sloeg de Hoofdschout, gelijk ik gezegd heb, de oogen
op Heynsz, om die te vervullen. Hij oordeelde niet ten onrechte, dat
iemand, die zoovele jaren van zijn leven in gezelschap van boeven en
schelmen had doorgebracht, al de loopjes moest kennen, welke zij te baat
nemen (en hiervan had Heynsz reeds een bewijs gegeven door de schrandere
wijze waarop hij, op de Gevangenpoort zittende, den dief der juweelen
had opgespoord): dat wijders Heynsz dit voor zich had, dat hij te
vertrouwen was, en niet besmet door het gezelschap, waarmede hij zoo
lang verkeerd had: en eindelijk, dat hij verscheidene talen sprak en een
beroep dreef, hetwelk hij oogenschijnlijk kon blijven uitoefenen en 't
geen hem overal den toegang bezorgde. Het akkoord was spoedig gemaakt,
want, behalve dat de bezoldiging niet gering was, gevoelde Heynsz in
zich juist die hoedanigheden leven, welke hem voor het aangeboden vak
geschikt maakten. Hij verhuisde dan ook naar Amsterdam en was sedert,
tot zijn dood toe, de getrouwe rechterhand der Justitie. Voor de wereld,
die van deze schikking onkundig was, bleef hij de schilder van beroep,
en voegde bij de winstjes, welke zijn portretten hem bezorgden, nog
deze, dat hij gestoffeerde kamers te zijne huizen verhuurde: 't welk hem
dikwijls in de gelegenheid stelde, verdachte personen op een
gemakkelijke wijze in 't oog te houden, hun bedoelingen te leeren
kennen, en, wanneer het noodig was, hen over te leveren.
Het huis mijns vaders stond, gelijk men reeds vernomen heeft, op den
Cingel, en had van achteren gemeenschap met een gang, in het Klooster
uitkomende. Door deze gang sloop Heynsz tweemalen daags ongemerkt binnen
en kwam (gelijk ook thans geschiedde) aan het kabinet mijns vaders
tikken.
Op den tijd, dat ik hem terugzag, kan hij ongeveer zestig jaren oud zijn
geweest; maar, niet-tegenstaande zijn jaren en de veelvuldige
wederwaardigheden, die hij had doorgestaan, was hij nog wakker en vlug:
en men had hem slechts aan te zien, om te oordeelen, dat hij een dier
lieden was, welke men, om zoo te spreken, met stokken moet doodslaan.
Van postuur was hij klein en schraal, altijd zindelijk, ofschoon naar
zijn stand en eenvoudig gekleed. Zijn gelaatstrekken hadden niets
buitengemeens; maar zijn kleine graauwe oogen, die immerdoor in beweging
waren, duidden aan, dat het hem niet aan vlugheid en scherpzinnigheid
ontbrak. Niettegenstaande de post, door hem bekleed, in de oogen van
velen verachtelijk zou schijnen, genoot hij in zekere mate de achting
mijns vaders: een voorrecht, dat over het algemeen niet zoo licht te
verkrijgen was. Want, behalve dat mijn vader hem wegens zijn bekwaamheid
en trouwe dienst waardeerde, even als een jager zijn besten drijfbrak of
staanden hond op prijs stelt, zoo was er in de daad niets op den man te
zeggen, en vereerde hij, wel aangemerkt, een bediening, welke te voren
doorgaans vervuld was geworden door voormalige dieven, verhelers van
gestolen goed, of andere ter kwader faam staande personen: naar de oude
leer, dat men dieven met dieven vangen moet. De gunst, waarin Heynsz
wist dat hij bij mijn vader stond, deed hem dan ook wel eens zich in
zijne tegenwoordigheid vrijheden veroorloven, die den eerbied, aan de
achtbaarheid van den Hoofdschout verschuldigd, te buiten gingen, en
noodzaakten mijn vader hem het zwijgen op te leggen, wanneer hij aan
zijn historietjes zonder einde over Cartouche en de Fransche boeven
begon.
Daar men de persoon van Heynsz niet altijd aan de oogen der huisgenooten
onttrekken kon, had men eerst aan mijn zuster en mij, en voorts aan al
de overige kinderen, van onze vroegste jeugd af ingescherpt, dat wij
nooit aan iemand iets moesten laten blijken van 's mans verschijning ten
onzen huize. Hiervan was het gevolg, dat wij hem altijd hadden aangezien
als een geheimzinnig wezen, dat geëerbiedigd en ontweken moest worden:
ja wij koesterden een heilige vrees voor hem, niet ongelijk aan die,
welke ik mij voorstel dat de kinderen eens vromen Bramins gevoelen voor
den ondergeschikten geest, die, volgens de Hindoosche fabelen, de
huishouding in orde brengt.--Wat de dienstboden betrof, deze kregen
Heynsz nooit te zien; want aan geen hunner werd de toegang tot mijns
vaders studeervertrek vergund, dan bij de gelegenheid der maandelijksche
schoonmaak: en alleen de gerechtsdienaar, die in de benedengang beidde,
vermocht daar, schoon nooit dan na getikt te hebben, binnenkomen.
Na deze inlichtingen, voor wier wijdloopigheid ik verschoning verzoek,
keer ik tot mijn verhaal terug.
Ik had mij, toen Heynsz, gelijk ik zeide, op de gewone wijze werd
binnengelaten, met zijn stoel zoodanig omgekeerd, dat ik door de hooge
leuning geheel voor zijn oog verborgen was: en, niet nieuwsgierig zijnde
naar de geheimen der Justitie, de gemakkelijkste houding gekozen om
weder in te slapen; maar, gelijk het veeltijds gaat, zoodra men moeite
om te slapen doet, gelukt zulks het minst. Dit ondervond ik ook nu, en
in weerwil van mij zelven moest ik luisteren naar een gesprek, hetwelk
mij in de beginne onverschillig was, doch naderhand des te belangrijker
werd.
"Welnu Heynsz!" vroeg mijn vader, zich weder aan de tafel plaatsende,
waar de ander met betamelijken eerbied voor bleef staan: "wat brengt gij
voor goeds?"
Ik hoorde Heynsz de bladeren omslaan van een zakboekje, waarin hij
gewoon was op te teekenen hetgeen aan de orde van den dag was.
"N°. 1," zeide hij; terwijl zijn stijl en tongval den Hollander
verrieden, die, reeds jong zijn land verlaten hebbende, de taal zijner
ouderen wel niet geheel verleerd heeft, maar toch somtijds moeite heeft
het rechte woord te vinden en den volzin behoorlijk te rangschikken: n°
1: de Koning van _Corse_ logeert in het wapen van Emden en heeft bij
Kuyt een cabriolet besteld, waarmede hij plan heeft morgen naar
Rotterdam te rijden."
"Hij zal zijn reis nog wat dienen uit te stellen," merkte mijn vader
aan, die insgelijks zijn zakboekje ter hand had genomen, en
aanteekeningen maakte, naarmate de beambte sprak: "wij zullen hem heden
voor zonnenondergang een logement in de gijzeling bezorgen."
"Een Koning in de gijzeling!" dacht ik:--en ik herinnerde mij niet
zonder een sombere gewaarwording, dat ik op mijn reis dien zelfden
Theodoor, met al de eerbewijzingen aan zijn rang verschuldigd, op het
plechtigst in Corsika had zien huldigen en met de kroon vercieren, welke
hij slechts eenen zomer gevoerd had.