"Uitgewischt!" herhaalde ik: "en waarom dat? Zoo ik in den beginne al

eenigen weerzin tegen den mij opgedragen last gevoelde, ik ondervind

thans slechts een innig leedwezen, namelijk van te denken dat ik u

wellicht nooit wederzie."

"Dit leedwezen zal u niet lang bijblijven," hernam zij, met

droefgeestigheid het hoofd schuddende: "en het is ook beter, dat gij

onze korte ontmoeting vergeet. Gij bevindt u, door geboorte en stand, in

betrekkingen, welke u niet veroorloven, u verder in te laten met

ongelukkigen, zooals wij, die door het lot genoodzaakt zijn het daglicht

te schuwen en sluipwegen te bewandelen. Op ieder van ons beiden rust een

verschillende plicht, dien wij naar onze beste pogingen zullen trachten

te vervullen: de zoon van den Hoofdschout heeft reeds genoeg voor mij

gedaan: meer te doen zou ons niet baten en hem misschien strafbaar

maken. Ik geloof, dat gij mij verstaat, zonder dat ik een verdere

verklaring aan mijn woorden behoef te geven."

"Ik weet niet," zeide ik, "wat de zoon van den Hoofdschout aan uw vader

of u mag zeggen, en in hoeverre ik altemet, door u een goeden uitslag

met zijn bedoelingen toe te wenschen mijn plicht als burger zou te kort

doen; maar niets verbiedt mij toch, de hoop te uiten, dat het u steeds

welga, en dat, na de rampen en wederwaardigheden, die u getroffen

hebben, ik u eenmaal moge terugvinden, in dien maatschappelijken

toestand geplaatst, waar uw geboorte, opvoeding en begaafdheden u

ongetwijfeld toe bestemd hebben."

Amelia dankte mij met een handdruk voor dezen wensch, en wij spraken

geen woord verder, totdat de schipper, zijn hoofd naar binnen stekende,

ons "welkom te Amsterdam!" deed hooren.

"Hoe zullen wij het nu aanleggen met ons goed?" vroeg Amelia.

"Laat dat aan mij over," antwoordde ik, die reeds mijn plan gemaakt had:

"en blijf stil in de roef zitten, tot ik u roep. Hei! ho!" riep ik, naar

buiten springende: "is daar ook een kruier?"

"Zal ik het goed van Mijnheer niet te huis brengen?" vroeg de

schippersknecht, de muts even aflichtende.

Dit was juist wat ik wilde: "wanneer heb ik het dan?" vroeg ik.

"Binnen het half uur is het bij u. UEd. is immers de zoon van den Heer

Hoofdschout, wel bekend?"

"Goed!" was mijn antwoord: "alleen dat stuk," vervolgde ik, op het

koffertje van Amelia wijzende: "moet ik terstond medenemen, omdat ik er

iets uit moet nemen en het dan verder opzenden."

"Heel wel, Mijnheer! als Mijnheer dan daarvoor maar een van die menschen

wil nemen...."

Ik zag om: een aantal knapen en sjouwerlieden had zich om mij heen

gedrongen. Ik koos een hunner uit, aan wien ik het koffertje

overreikte.--"Zuster!" riep ik toen: "als het u maar belieft."

Amelia kwam terstond voor den dag, en wij begaven ons, naast elkander,

doch niet gearmd, en met den jongen achter ons, langs den Binnen-Amstel

verder. Wij hadden het geluk, niemand van mijn kennis te ontmoeten. Aan

de Amstelstraat gekomen, hield ik stil.

"Wij gaan hier van elkander," zeide ik: "jongen! gij volgt de Juffrouw

en brengt haar bij den Heer Bouvelt op den Buitenkant bij de

Peperstraat."

Amelia en ik drukten elkander de hand tot afscheid: zij ging met den

knaap de lange houten brug naar de Muiderstraat op, terwijl ik mijn weg

langs den Binnen-Amstel vervolgde. Toen ik ongeveer honderd schreden

verder gegaan was, wendde ik het hoofd nog, eens naar haar om: maar hoe

groot was mijn verwondering en tevens mijn spijt, toen ik bemerkte, dat

niet langer dezelfde knaap, maar Simon de marskramer achter haar ging

met het koffertje op zijn rug. Ik waande een oogenblik, dat het mij

schemerde; maar ik kon geen twijfel meer voeden; het was Simon zelf, en

de andere knaap liep op een drafje met het marsje van den Jood weg. Mijn

maatregelen van voorzorg, naar mij dacht met zooveel overleg gekozen,

waren dus verijdeld! en dat wel door de schalkheid van een listigen

marskramer, en die het nu in zijn macht had, althans gedeeltelijk,

achter het geheim te komen. Maar het was te laat om er iets aan te doen;

en elke nieuwe bemoeienis van mijn kant zoude, in den tegenwoordigen

stand der zaken, meer na- dan voordeel hebben aangebracht. Voor 't

overige wist ik bij geruchte, dat de Heer Bouvelt een geschikt man was,

die de achting zijner medeburgers genoot en onder wiens bescherming

Amelia zoo veilig mogelijk wezen moest; deze gedachte stelde mij weder

enigszins gerust, en het denkbeeld, dat elke schrede, die ik nu deed,

mij dichter bij de mijnen bracht, nam weldra mijn geest zodanig in, dat

het alle andere, ook dat van mijn laatste avonturen, ten eenenmale

verdrong.

* * * * *

TIENDE HOOFDSTUK,

WAARIN VERHAALD WORDT, HOE FERDINAND TE HUIS KWAM EN HOE HIJ INSLIEP,

WELK VOORBEELD DE LEZER MAG VOLGEN, ZOO HET HEM GOEDDUNKT.

O! wie kan naar eisch dien stroom van gewaarwordingen beschrijven, die

ons overstelpt, wanneer wij, na een lange afwezendheid, het ouderlijk

huis weder naderen, en de oogenblikken tellen, die ons nog scheiden van

hen, die ons dierbaar zijn. Welk een vreemde mengeling van blijdschap,

van hoop, van angstvalligheid, van geluk, van vrees, komen ons gemoed

vervullen!--Welk een aantal verwarde en verschillende vragen stellen

zich aan onze verbeelding voor!--Zullen al de leden van het huisgezin

gezond en bij elkander zijn?--Zal er geen lastig bezoek wezen van

onverschillige derden, wier tegenwoordigheid die zoete stonden des

wederziens belemmert en ons het warme gevoel des harten dwingt te

smoren?--Heeft men wellicht juist dezen dag tot een pleiziertocht

uitgekozen? of is men om een andere reden afwezig, zoodat wij bij onze

terugkomst slechts ledige en verlatene kamers, en niemand vinden om aan

het hart te drukken?--Leven de oude dienstboden nog, waaraan wij van

kindsbeen af gewend waren, of zullen wij op ons aanschellen deze of gene

onbekende neepmuts zien verschijnen, die, alleen de bovendeur openende,

en met een verbaasd gelaat de ontroering bespeurende, die op het onze te

lezen is, ons begroet met de ijskoude vraag: "wat is er van je dienst,

Sinjeur?"--Zal het huisraad nog in elk vertrek dezelfde plaats

bekleeden, waar het vroeger stond, en waar het, naar ons begrip, behoort

te zijn gebleven? Zullen de kamers zelve dezelfde bestemming bewaard

hebben?--Ach! wij herinneren ons alles, zooals het zich bij ons vertrek

bevond, en wij weten, dat elke verandering, die wij vinden zullen, ook

die ten goede is aangebracht, ons een gevoel van leedwezen zal doen

ondervinden.

Ook in mijn geest speelden en verdrongen zich al die vragen, terwijl ik

met haastige schreden mijn weg langs den Binnen-Amstel vervolgde. Nu

bereikte ik de Erwtenmarkt, de Doodkistemakersgracht: ik zag den

Regulierstoren voor mij; deze was een herkenningspunt; want men kon hem

evenzeer zien van het huis mijns vaders:--ik kwam op den Singel: in het

hoekhuis woonde nog dezelfde bakker, waar ik als knaap gewoon was

drieduitskorstjes te koopen, en de bakkerin zat nog op haar oude plaats

achter de toonbank: ik knikte haar goeden dag;--maar ik wachtte niet af,

of zij mij herkende: ik had den gevel van mijns vaders huis gezien: en

ik verdubbelde mijn tred. Eenige onzer buren zaten voor het raam: ik

groette hen met dien blijden blik, die te kennen geeft: "ja, ik ben het

wèl; kijkt maar goed: het is Ferdinand, die te huis komt:"--ik snelde de

stoep op en het was mij, of mijn voetzolen minder luid op de blauwe

zerken klonken dan het hart mij in de borst bonsde: ik keek in de

zijkamer:--ja waarlijk! daar zat mijn moeder met mijn oudste zuster,

beiden op de gewone plaats:--het was mij, als werden mijn oogen

beneveld: en terwijl ik met de eene hand tegen het raam tikte, trok ik

met de andere aan de schel alsof het huis in brand stond.

Mijn goede moeder, die wat bijziende was, had mij niet herkend; en

Suzanna zat met den rug naar mij toe. Ik had haar wel zien oprijzen;

doch zij kwam niet aan het raam dan op hetzelfde oogenblik, waarin ik de

voordeur intrad. En het was geen nieuw aangezicht, het was wel degelijk

onze getrouwe Aagt de werkmeid, die voor mij; stond, en die onder den

uitroep: "wel is het mogelijk!" mij om den hals viel: "goeden morgen

Aagt!" zeide ik, haar omhelzing beantwoordende: "is alles wel?"

Maar zij dacht er niet aan om mij te antwoorden: zij had mij reeds weder

losgelaten, en riep nu, terwijl de tranen langs haar dorre wangen

liepen, met luider stemme: "Mevrouw! Juffrouw! daar is de jonge Heer

Ferdinand!"--En tegelijkertijd bijna vloog de deur der zijkamer open, en

drukte ik mijn lieve moeder en zuster aan het hart: en toen was het

_klos! klos! klos!--trip, trap, trip_ van alle zijden: en kwamen mijn

jonger broeders en zusters van boven en de overige dienstboden van

beneden de trappen af- en opgestormd: en het was een gedruisch, en een

gekus, en een gelach, en een geween en een gevraag, en een geroep door

elkaar, dat hooren en zien er bij vergingen. Eenige oogenblikken later

zat ik in de zijkamer naast mijn moeder, die mijn handen tusschen de

hare geklemd, en uit wier vriendelijke, hemelsblauwe oogen, nu en dan

een traan langs het zachte, engelachtige gelaat nedervloeide: terwijl al

haar overige kinderen in een blijden kring om ons heen stonden.

"Wij hadden u zoo spoedig niet verwacht, Ferdinand!" zeide Suzanna:

(want moeder en ik waren bijna niet in staat een woord te spreken) "ik

mag niet beginnen met te knorren:--maar ik dacht, dat gij in Westfalen

verliefd waart geworden en met deze of gene moeffrikaansche pottedeern

zoudt terugkomen, daar wij in veertien dagen geen tijding van u hadden."

"Hoe!" zeide ik: "ik verklaar u, dat ik geen zes dagen geleden uit

Munster geschreven heb: dan is de brief verloren geraakt."

"Licht mogelijk," zeide zij: "men gebruikt tegenwoordig, hoor ik, enkel

slakken en schildpadden tot postboden:--nu, in allen gevalle zijt

gijzelf ons nog welkomer dan een brief en spaart het mij de moeite, uw

hanepooten te ontcijferen."

"Pas op, Santje!" hernam ik: "ik weet van goeder hand dat gij mijn

brieven zoo laag niet schat en die zelfs aan uw vriendinnen lezen laat."

"Hoe weet je dat!" zeide zij, een weinig rood wordende: "Qui te l'a dit?

Zeker heeft papa u dat geschreven."

"Neen! dat heeft papa mij niet geschreven: maar dat weet ik toch van

zeer goeder hand:--pas maar op! ik zal u daarover onder vier oogen de

les eens lezen; en dan zult gij er niet gemakkelijk afkomen."

"Zie toch eens, mama!" zeide Santje, terwijl moeder tusschen haar tranen

om ons harrewarren lachte; "wat is het reizen toch een heerlijk ding, om

jongelieden te vormen. Daar verbeeldt zich Ferdinand nu, omdat hij

eenige landen en steden bezocht heeft en misschien niets anders geleerd

heeft dan te liegen als een courant, dat hij mijne plak ontwassen is en

durft zich een meesterachtigen toon aanmatigen tegen zijn oudste zuster.

Neen mannetje!" vervolgde zij, mij met den vinger dreigende: "ik zie wel

dat het hoog tijd is, dat gij te huis komt en u weder onder

_subordinatie_ begeeft. Dat komt er van, wanneer die heertjes zoo lang

hun eigen meesters geweest zijn."

"Kinderen!" zeide moeder, het hoofd schuddende: "gij zijt waarachtig nog

altijd dezelfde. Gij ziet elkander eerst sedert een paar minuten terug,

en het oude geplaag is weder aan den gang,"

"Wel! lieve moeder!" zeide ik, haar nogmaals omhelzende: "ik hoop

waarlijk wel dat gij mij niet veranderd vinden zult."

"Hoe verwaand!" zeide Suzanna: "net alsof de jonge Heer volmaakt was,

toen hij heenging. O hemel! wat zal ik daar nog aan te ontbolsteren

hebben:--maar zeg mij? Wat zal Mijnheer na de reis gebruiken? Zal ik wat

koffie zetten of verkiest gij een glaasje wijn? En hoe staat het met den

eetlust? Is die nog zoogoed als voor vijf jaren? Dan kan ik mijn vingers

weder lam maken van het boterhammen snijden; of lust u wellicht onzen

Hollandschen kost niet meer?"

"Wel foei!" zeide ik: "zou mij een boterham niet smaken, met echte

Delftsche boter en Beemster kaas?--En dat nog wel door mijn zuster

bereid!"

"Dat is wel gezegd, Ferdinand! En nu begin ik nogal hoop op u te voeden.

Maar kom! gij vertelt ons niets:--hoe hebt gij uw reisgenoot gelaten? en

waar komt gij nu het laatst vandaan?"

"Dat zijn te veel vragen opeens," zeide ik, het tijdstip, waarop ik met

mijn leugens zou moeten beginnen, zoolang mogelijk wenschende te

verschuiven.

"Neen Santje!" viel mijn moeder in, mij zonder het te weten uit de

verlegenheid helpende: "eerst moet de goede jongen wat te eten hebben:

ofschoon ik u niet raad veel te gebruiken; want uw zuster en ik gaan

naar de avondkerk en wij eten vroeg vandaag."

"Wel dat treft nu óók!" zeide ik: "zóó ben ik te huis, en zóó laat gij

beiden mij weer alleen. Dat gij nu juist in de weekbeurt gaan moet? kan

die kerkgang niet tot aanstaanden Zondag uitgesteld worden?"

"Had ik geweten, lieve jongen! dat gij heden thuis zoudt komen,"

antwoordde mijn moeder, "dan was ik liever gisteravond gegaan; maar het

is nu eens zoo geschikt en uw tante Letje rekent er op, dat wij haar

komen afhalen. Gij zult misschien wel met ons mede willen gaan,

nietwaar? want het zal u ook aangenaam zijn, weder in een Hollandsche

kerk te komen en den goeden God voor uw behoudene terugkomst te danken."

"Waarlijk ja, Ferdinandje!" zeide Suzanna: "dat moogt ge wel doen; want

ik vrees dat gij wel een vrome toespraak noodig zult hebben, en dat het

hoognoodig zal zijn, dat gij den catechismus weder eens opvat; gij hebt

mooi tijd gehad om dien te verleeren."

"Wees maar gerust," hernam ik: wij zullen morgen eens zien, wie van ons

beiden het best zijn vraagboekje in 't geheugen heeft."

Gedurende het laatste gedeelte van dit gesprek, hadden mijn moeder en

Suzanna eenig ontbijt uit de kast gekregen en mij voorgezet. Terwijl ik

bezig was, daarvan te nuttigen, met dien smaak, welken men na een lange

afwezigheid ook aan de eenvoudigste vaderlandsche spijze vindt, en

intusschen de menigvuldige vragen beantwoordde, mij door het jongere

deel der familie gedaan, kwam mijn bagage te huis: en nu stoven allen,

meisjes zoowel als knapen, naar het voorhuis, om de dienstboden te

helpen in het naar boven slepen mijner koffers. Ik wilde mij insgelijks

daarmede bemoeien; doch Suzanna weerhield mij.

"Wees maar bedaard," zeide zij: "gij zijt van daag de held van 't stuk

en moogt geen hand uitsteken. Wij zullen wel oppassen, dat alles

voorzichtig de trappen opga, zonder dat er iets breke van al de kostbare

kristalwerken en fraaie porseleinen, die gij ons ten geschenke

medebrengt, en zonder dat de keurige stoffage beschadigd worde, welke

gij mij vereeren wilt om een danskleed van te maken.... Tusschen twee

haakjes, ik hoop, dat gij nog eenige nieuwe rokken en vesten voor u

zelven hebt liggen in een van die koffers; want zoo dat smerige pakje,

't geen gij nu aanhebt, uw eenige gewaad is, mogen wij wel terstond naar

den kleêrmaker sturen en u, zoolang hij bezig is, achter slot houden;

want een vreemde zou schrikken, zoo hij u zag."

Ik begon te lachen en keek op de huisklok; want het moest, dacht mij,

haast de tijd wezen, dat mijn vader te huis kwam; en ik brandde van

verlangen om hem te omhelzen. Men begrijpt, dat ik terstond bij mijn

komst naar hem gevraagd had. Het antwoord was geweest, dat hij zich

welvarend, en, als naar gewoonte, op het stadhuis bevond.

Het leed ook niet lang, of ik zag den waardigen man de stoep opkomen en

aanschellen. "Wacht!" riep Suzanna: "blijf gij hier! wij moeten even een

grap hebben met vader," en zij snelde naar de voordeur, die zij opende.

"Goeden dag, Santje," hoorde ik mijn vader zeggen.

"Goeden dag, papa! Wat ziet UEd. er bedrukt uit. Is er iets gebeurd?"

"Neen, kind!" was het antwoord: "maar zeg mij, is er nog geen brief van

Ferdinand?"

"Neen, papa! die loopt zeker in Twente de ganzen na om een pen te

krijgen."

"'t Is onbegrijpelijk," hernam mijn vader, terwijl hij, gelijk Suzanna

mij naderhand vertelde, bedenkelijk het hoofd schudde en met een

angstigen blik opwaarts zag.

"Maar kom toch hier, lieve Willem!" riep mijn moeder, die het niet

langer uit kon houden: "hier is veel beter dan een brief."

"Vader! beste vader!" riep ik, den braven man tegensnellende en hem

omarmende.

"Zoo! zijt gij er dan toch?" zeide hij, mij met hartelijkheid aan zijn

borst drukkende: "laat mij u eens aanzien," vervolgde hij, mij zachtjes

van zich verwijderende en aandachtig met zijn doordringende blikken

beschouwende: "gij ziet er wat verhit en vermoeid van de reis uit,"

hervatte hij, na een korte stilte, op een langzamen toon: "maar anders

voldoet mij uw uitzicht wel en gij brengt mij terug hetgeen gij bij uw

vertrek bezat: _mentem sanam in corpore sano_. Gij hebt ons zeker willen

verrassen en ons daarom niet geschreven, wanneer gij te huis dacht te

zijn. Maar gij hadt waarschijnlijk vergeten dat uw vader Hoofdschout

was, en dat ik op mijn avondrapport van gisteren de tijding hebben

zoude, dat men u dien ochtend te Soest gezien had. Ik had u gisteravond

reeds hier verwacht."

"Waart gij daarom gisteravond en heden aan het ontbijt zoo stil en

afgetrokken?" vroeg mijn moeder: "en waarom hier niets van gezegd?"

"Ik wilde geen van u allen ongerust maken," antwoordde mijn vader: "maar

zoo ik Ferdinand thans niet gevonden had, zou ik onmiddellijk een

koerier naar Naarden gezonden hebben; want dan had ik gedacht, dat er

een ongeluk had plaats gehad,--Gij hebt ongetwijfeld te Naarden

gelogeerd, Ferdinand?"

Ik zat op heete kolen; want ik begreep, dat nu de ondervragingen zouden

beginnen, en ik begon de moeilijkheid al te gevoelen van een verhoor,

afgenomen door een vader, dien men niet misleiden wil, en een

Hoofdschout, dien men niet licht misleiden kan. De woorden, die mijn

vader tot mijn moeder gericht had, hadden mij ondertusschen den tijd

gegeven om mij te herstellen: mijn antwoord luidde eenigszins

ontwijkend:

"Ik ben door het slechte weer verhinderd geweest hier gisteren reeds te

zijn, lieve vader! Het heeft hard geregend aan gene zijde van Naarden.

Hebt gij hier geen bui gehad?--Ik heb onderweg moeten schuilen en ben nu

met de eerste schuit van Naarden gekomen."

Er was niets anders dan volkomen waarheid in hetgeen ik zeide, en toch

kromp mij het hart, alsof ik een samenweefsel van logens verteld had.

Mijn vader nam echter volkomen genoegen met deze opheldering.

"'t Is juist zooals ik dacht," zeide hij: "ja, wij hebben hier ook wel

wat regen gehad; maar toch niet zoo erg:--dan, naar ik hoor, moet de bui

in Gooiland veel schade hebben gedaan:--nu, gij zult ons van dezen

middag alles wel wat meer omstandig verhalen."

"Ja!" voegde mijn goede moeder er bij: "gij zult nu ook wel verlangen u

wat op te frisschen. Kom! wil ik u eens naar uw kamer brengen?"

"Wil ik hem den weg niet wijzen, mama?" vroeg Suzanna: "ik zal hem op

geen doolpad brengen."--"Of ik!--of ik!" riepen Letje en Keetje.

"Neen! neen!" zeide moeder, het hoofd schuddende: "gij ijdeltuiten kunt

naar uwe kamers gaan en u kleeden om bijtijds klaar te zijn voor den

eten. Ik zal mijn jongen te recht helpen: 't is lang geleden, dat hij

niet door moeder is naar boven gebracht, nietwaar Ferdinand?"

Ik voelde, dat mijn oogen vochtig werden; en, de lieve vrouw onder den

arm nemende, ging ik met haar de trappen op.

"Hoe, mama!" vroeg ik, toen zij mij binnenleidde in een ruim en luchtig

vertrek, dat te voren tot logeervertrek had gediend voor zoodanige

bekenden van buiten, als ons nu en dan bezochten: "is deze fraaie kamer

voor mij alleen?"

"Ja Ferdinand," antwoordde zij, terwijl haar trekken het genoegen

aantoonden, dat haar mijne vreugde over deze schikking verschafte: "mij

dacht, gij waart nu oud genoeg om een kamer voor n zelven te hebben,

waar gij onverhinderd kunt werken, en nu en dan dezen of genen

ontvangen. Maar mij dunkt, de meiden hadden, nu gij eens hier zijt, de

ramen wel kunnen sluiten." Dit zeggende, maakte de zorgvuldige moeder

die zelve toe, keek vervolgens het beddegoed na, de waschtafel en het

linnenkabinet, om te zien of er ook iets ontbrak, en wreef met haar

zakdoek de bijna onzichtbare stofdeeltjes weg, die zich op het

spiegelglas of op de gladde tafel bevonden.

"Waarlijk, mama!" zeide ik, diep getroffen over de blijken van haar

zorgvolle liefde: "al de vrienden, die mij bezoeken, zullen mij deze

kamer benijden, en vooral de lieve moeder, die ze voor mij in orde

bracht."

"Ik ben blijde, dat zij u gevalt," zeide mijn moeder: "maar zeg mij

eens, Ferdinand!" vervolgde zij, mij naderende, en met mijn lokken

spelende: "hebt gij, toen gij op reis waart, wel eens gedacht aan de

laatste belofte, die gij mij deedt op den avond voor uw vertrek?--Hebt

gij nooit iets volbracht, dat gij u schamen zoudt mij te vertellen?"

"O! geloof mij," antwoordde ik, haar omhelzende: "altijd is mij de

gedachte voor den geest gebleven: ik mag een zoo goede moeder als de

mijne in niets bedroeven."

"Beste jongen!" hernam zij: "het besef der vreugde, die gij mij thans

doet smaken, moet u zoeter genot schenken dan eene van die genietingen,

welke gij om mijnentwille hebt opgeofferd, u had kannen aanbieden. O!

wat zal het mij zalig zijn hedenavond mijn Schepper te danken, dat Hij u

wedergebracht heeft, zoo rein en zoogoed als toen gij mij verliet.

En wederom rustten hare blikken, die niets dan liefde en teederheid

ademden, op mij en speelde er een hemelsche glimlach tusschen de tranen

die haar ontrolden. Een geruimen tijd bleven wij beiden, in stilte en

zonder te spreken, de zaligheid genieten, die onze harten doorstroomde.

O! dacht ik bij mijzelven, had die goede moeder gisteren kunnen weten

welk gevaar zij geloopen heeft, dien zoon, dien zij zoo liefheeft, te

verliezen, haar moederhart had die angsten niet doorgestaan!

Het schijnt den mensch ingeschapen, zich, zoodra de eerste opwelling

voorbij is, ook voor de beminnelijkste zwakheden te schamen. Mijn moeder

liet mijn hand los en veegde de oogen af.

"Kom!" zeide zij: "wij zijn kinderachtig:--maar zeg mij, Ferdinand, is

al die bagage van u? En zijn al deze koffers vol? dat goed zal weder

gepakt zijn, gelijk de Heeren dat gewoonlijk doen, alles door en op

elkander gesmeten, zonder te passen of te schikken. Ik wed, dat ik wel

kans zou gevonden hebben, met de helft dier koffers toe te komen."

"Wel mama! nu maakt gij het al te grof," zeide ik: "denkt gij dat ik

gedurende mijn reizen geen pakken geleerd heb? Neen voorwaar, die

beschuldiging is onverdiend. Maar ik heb onderweg mijn bagage niet

weinig zien vermeerderen: en wanneer men bedenkt, dat ik geen klein

getal broeders en zusters heb, die allen een geschenk verwachtende

waren, zal het u niet verwonderen, dat ik mij in de noodzakelijkheid heb

bevonden, de middelen van vervoer eenigszins te vermeerderen."

"Nu, wij zullen eens zien wat het geeft," zeide mijn moeder: "ik zal u

niet langer ophouden: kleed u maar aan, en zoo gij iets noodig hebt,

moet gij maar schellen."

Met deze woorden verliet mij de goede vrouw en bleef ik alleen in het

bezit van mijn prachtig vertrek. Ik kon echter niet terstond voldoen aan

haar laatste verzoek: mijn gemoed was vol: ik zonk half in een leunstoel

neder en stortte mijn ziel uit in vurige dankgebeden tot Hem, die mij

den zegen had doen smaken, van hereenigd te worden met al die panden,

welke mij zoo dierbaar waren. Na het volbrengen dezer behoefte van mijn

hart, rees ik op, haastte mij, al wat ik aan het lijf had af te leggen

en met een gevoel van walging in een hoek te smijten, en schoone

kleederen en linnengoed uit mijn koffer te krijgen: ja een gevoel van

verkwikking en wellust vervulde mij, toen ik, nu van top tot teen in een

nieuwen dos gestoken, mij met welgevallen in den spiegel beschouwde. Er

ontbrak nog wel is waar een pruik om mijn toilet te volmaken; maar

dewijl het weldra etenstijd zou wezen, en, ook, al ware de kapper bij de

hand geweest, de plechtigheid van het haarsnijden en het passen van een

nieuw hoofdtooisel te lang zoude hebben aangehouden, begreep ik die

gevoeglijk tot den volgenden morgen te kunnen uitstellen. Ik haastte mij

naar beneden en zat weldra met de mijnen op mijn oude plaats, tusschen

moeder en Santje aan het middagmaal: waar ik van vragen bestormd werd

door het jongere deel van het huisgezin, zoodat mijn vader meer dan eens

stilte moest gebieden, en mijn moeder de kinderen beknorren en hun

verzoeken, mij toch te laten uitblazen en in vrede mijn eten nuttigen.

Ferdinand Huyck · 第 12 / 51 段