Terwijl ik met dit alles bezig was, had ik wel opgemerkt dat er paarden

voor het logement hadden stilgehouden: doch in de drukte van het

oogenblik daar geen bijzondere acht op geslagen. Toen mijn bestelling

echter was afgeloopen, en ik mij weder naar het zijkamertje terug zoude

begeven, sloeg ik het oog, in 't voorbijgaan, door de gang naar buiten

en zag een paar fraaie, kostelijk getoomde en gezadelde rijpaarden, die

reeds een goeden rit schenen te hebben gedaan, naar men kon opmaken uit

het schuim, dat hun breede borst bedekte, en die door den staljongen

voor de deur gevoederd werden, terwijl een rijknecht, in zwierige

livrei, daarnevens stond. Ik hield mij echter niet op met die te

beschouwen, daar ik Amelia niet langer wilde alleen laten,--maar men

verbeelde zich mijn verwondering en mijn misnoegen tevens, toen ik, de

zijkamer binnentredende, iemand, in rijgewaad uitgedost, over Amelia aan

de tafel zag zitten, met den hoed op het hoofd, het rijzweepje in de

hand en de beenen uitgestrekt, en in dien persoon dengenen herkende,

dien ik minst van allen hier verwacht of gewenscht zoude hebben, den

Heer Lodewijk Blaek. "Daar beginnen de wederwaardigheden al!" dacht ik

bij mijzelven: en mijn spijt was zoo groot, dat ik als sprakeloos aan de

deur bleef staan.

"Komt het glaasje haast, dat ik besteld heb?" vroeg Lodewijk, mij

slechts terloops aanziende: "o vergeef mij!" voegde hij er bij, mij

herkennende: "ik dacht dat het de kastelein was.--Mijnheer Huyck! ik

wensch u goeden morgen."--Hier lichtte hij even zijn hoed, en zich

terstond naar Amelia wendende, met wie hij reeds in onderhoud scheen te

zijn getreden: "en reist de Juffrouw zoo alleen?" vroeg hij: "in

waarheid! het zou mij tot bijzondere eer strekken u te mogen brengen,

waar UEd. wezen wilde.--Men treft soms onwelkom gezelschap op reis aan,"

(dit laatste was ik volkomen met hem eens) "en het is ridderplicht, de

dames, die alleen en verlaten zijn, daartegen te beschermen."

Ik was nog niet recht bekomen van mijn verbazing. Ik zag, hoe Amelia

bleek en ontsteld was geworden door de gemeenzame toespraak van den

vrijpostigen losbol: en ik wist nog niet, welke houding ik moest

aannemen. Het eenvoudigste ware zeker geweest, terstond aan Lodewijk te

verklaren, dat de Juffer geene bescherming behoefde, daar zij zich reeds

onder de mijne bevond; maar ik huiverde op de gedachte, daardoor

verkeerde vermoedens op te wekken bij iemand, op wiens bescheidenheid ik

mij niet kon verlaten. "Waar zal Henriëtte Blaek mij voor houden," dacht

ik bij mijzelven, "wanneer zij van haar neef verneemt, dat ik met een

mooi jong meisje op reis ben geweest?" Deze gedachte belette mij te

handelen gelijk de edelmoedigheid mij eigenlijk zoude hebben

voorgeschreven, en ik besloot, mij te vergenoegen met aan Lodewijk het

voortzetten zijner aanbiedingen te beletten, door zelf een gesprek met

hem aan te knoopen.

"Is UEd. hedenmorgen reeds van Guldenhof aan komen rijden? UEd. moet het

warm hebben, ofschoon de ochtendstond altijd het best geschikt is tot

dergelijke tochten. En hoe vaart de familie op Guldenhof? Het is een

fraai paard, dat UEd. daar heeft," enz. enz. Lodewijk antwoordde slechts

met enkele woorden op deze en dergelijke toespraken, welke ik tot hem

richtte: en, geene de minste gedachte voedende, dat ik tot Amelia in

eenige betrekking stond, bleef hij haar gedurig aanstaren, lonkte en

knipoogde, en scheen haar door zijdelingsche wenken te kennen te willen

geven hoe onaangenaam hem de stoornis was, welke ik in hun _tête-a-tête_

had aangebracht.

Wat Amelia betrof, zij beantwoordde hem op dezelfde wijze, als hij mij

deed, namelijk met niet veel meer dan "ja Mijnheer!" of "neen Mijnheer!"

Zij hield de oogen gedurig voor zich geslagen op het kopje, dat zij in

de hand hield en waaruit zij nu en dan een langzame teug nam. Ik kon

niet nalaten van met een gevoel van diepe beschaming op te merken, dat

zij, na mij toen ik binnenkwam even te hebben aangezien, geen oog meer

op mij wendde, als wilde zij mij de bescherming niet afvergen, welke ik

haar niet uit eigen beweging verleende. Deze bescheidenheid van hare

zijde overwon weldra mijn voornemen om mij te houden, alsof wij elkaar

niet kenden, en ik was op het punt, van aan Lodewijk te verzoeken, de

Juffer, die ik de eer had gezelschap te houden, niet langer lastig te

vallen, toen de waard, met een glaasje likeur binnentredende, mij de eer

der bekentenis kwam ontnemen.

"Mijnheer!" zeide hij tegen Lodewijk: "een glaasje cognac als 't UEd.

belieft: Mijnheer!" (tegen mij) "als UEd. naar de schuit moet zal het

tijd worden."

"Hoeveel ben ik u schuldig?" vroeg ik, terwijl Amelia intusschen was

opgestaan.

"Sta mij ten minste toe, u tot aan de schuit te brengen...." zeide

Lodewijk, insgelijks opstaande en Amelia zijn arm aanbiedende.

"Zeven gulden vijftien stuivers, wegens betaalde vracht voor UEds.

goed," antwoordde mij de waard: "twee kommetjes koffie en twee

boterhammen....?"

"Twee!" herhaalde Lodewijk, een oog op de tafel werpende, en vervolgens

Amelia en mij aanziende met een blik, die mij deed ontwaren, dat hij

lont begon te ruiken, en die ook den waard deed opkijken.

"Wel ja!" zeide deze: "Mijnheer betaalt immers ook voor de Juffrouw?"

"Voorzeker!" zeide ik, hem twee dukaten ter hand stellende, met verzoek

van mij geld terug te geven: "als UEd. gereed is!" vroeg ik, mij tot

Amelia wendende.

"Nu begrijp ik het!" zeide Lodewijk, met een boozen lach, die mij

machtig veel lust gaf hem op zijn gezicht te trommelen.

"_Heureux mortel!_" voegde hij er bij, het hoofd schuddende en mij

schamper aanziende. "Ik vraag u om verschooning, Mejuffer! Maar waarom

heeft de Heer Huyck mij niet terstond gewaarschuwd, dat ik vergeefsche

moeite deed?"

Ik voelde dat ik rood werd; want ik kon de juistheid dezer aanmerking

van Lodewijk niet ontkennen: "Mijnheer!" zeide ik, op een toon, dien ik

trachtte zoo natuurlijk mogelijk te maken: "ik heb niets over deze

Juffer te zeggen. Een gelukkig toeval heeft mij haar doen ontmoeten: en

haar _familie_ (met nadruk op het woord _familie_) heeft mij verzocht,

daar wij toch éénen weg gingen, wel te willen zorg dragen, dat haar op

reis niets ontbrak. Ik dacht, dat UEd. haar kende, anders zou ik niet

geweten hebben, waaraan uw voorslagen toe te schrijven. Ik heb de eer uw

dienaar te zijn."

"Goede reis samen," zeide Lodewijk: "en ik hoop dat de _familie_ van de

Juffer alle reden zal hebben, over haar keuze tevreden te zijn," voegde

hij er bij, op een toon, die mij verstaan deed, dat hij geen woord

geloofde van al wat ik hem, ik moet bekennen vrij onhandig, verteld had.

Ik antwoordde verder niets; maar, den arm aan Amelia gevende, verliet ik

met haar de herberg. Nauwelijks waren wij de stadspoort uit, toen

Lodewijk ons, met zijn lakei achter zich, voorbijreed. Hij deed zijn

groet vergezeld gaan met een spotachtigen glimlach, en bleef langzaam

voor ons uit rijden. Toen wij de laatste brug der vestingwerken hadden

verlaten en de trekschuit in 't gezicht kregen, zag ik hem weder

ophouden en eenige woorden wisselen met iemand, die zich nabij de klep

van de schuit hield; waarna hij in vollen draf verder reed.

Wij waren spoedig aan de plaats der afvaart, waar de kruier zich met

mijn goed bevond en mij het roefbriefje ter hand stelde. Amelia ging

dadelijk naar binnen; wat mij betreft, ik bleef een oogenblik de

oplading der goederen gadeslaan, toen mij de persoon naderde, met wien

ik Lodewijk had zien spreken en dien ik terstond voor Simon herkende.

Hun onderhoud deed bij mij een vermoeden ontstaan, hetwelk zich later

bevestigde; doch dat ik mij wel wachtte aan Amelia mede te deelen, ten

einde haar niet nutteloos te verontrusten.

"Whelkom, meneer Hijk!" zeide Simon: "phen je nog 'ier? Me dacht, je zat

hal 'oog en droog te Hamsterdam? Ken ik thoch niks an je kwijt worden?

Niet?--Nou! dhaarom zei je thoch ghezond blijven. Has ik je dan reis

weerzie met ghezondheid?"

Het vertrek der schuit maakte een einde aan de rede van Simon, die een

plaats nam op de voorplecht, terwijl ik met Amelia in de roef ging

zitten.

Ik zag aan de koele en gestrenge uitdrukking van haar gelaat, dat mijn

gedrag eenige verontschuldiging vereischte, en ik moest bij mijzelven

erkennen, dat zij reden had, ontevreden over mij te zijn. Ik sprak haar

dus, eenigen tijd nadat de schuit van wal had gestoken, op de volgende

wijze aan:

"Ik vrees, Mejuffrouw, dat gij mij beschuldigt, van weinig te

beantwoorden aan het vertrouwen, door uw Heer vader in mij gesteld."

"Mijnheer!" antwoordde zij, "ik heb het recht niet, u eenige

verwijtingen te doen. Ik gevoel zeer wel, hoe moeilijk de toestand was,

waarin de ontmoeting van een bekende u moest brengen; en het doet mij

van harte leed, dat gij u om mijnentwille wellicht onaangenaamheden op

den hals haalt."

"Uwe goedheid," zeide ik, "behandelt mij meer grootmoediglijk dan ik

verdien; maar waarlijk, gij hadt recht gehad, een andere handelwijs van

mij te verwachten. Geloof echter, dat, zoo ik niet terstond den Heer

Blaek voor zijn onbeschaamdheid bestrafte, zulks slechts daarom was,

omdat ik hoopte dat hij vóór ons vertrekken zoude: en ik was bezorgd,

dat zoo hij, gelijk nu geschied is, ontdekte dat wij te zamen reisden,

hij nasporingen in 't werk zou stellen, welke het geheim van uw Heer

vader in gevaar mochten brengen."

Deze reden was nu wel niet de ware; maar zij had toch zooveel grond van

waarschijnlijkheid voor zich, dat Amelia, naar mijne meening, niet kon

nalaten, die voor volkomen geldig te houden. Zij scheen er zich dan ook

mede te vergenoegen.

"Ik hoop," zeide zij, "dat gij geen last meer zult hebben van deze

ontmoeting, en dat de Heer Blaek zich met de door u gegeven inlichtingen

zal tevreden stellen.--Is hij de zoon van den Heer Blaek, over wien wij

gisteravond spraken? Hij schijnt mij toe geen gelukkig toonbeeld op te

leveren van de Amsterdamsche Heeren. Wellicht echter," voegde zij er

bij, "moet ik zijn vrijpostigheid alleen toeschrijven aan den verlatenen

toestand, waarin ik mij bevind."

"Het was gisteren voor het eerst, dat ik dien Heer ontmoette," was mijn

antwoord: "maar het zou mij grieven, indien UEd. onze Amsterdamsche

jongelingschap naar hem wilde beoordeelen. Er zijn er onder, die, zooals

hij, hoovaardig op hun rijkdom en aanzien, zich een toon aanmatigen, die

hun vrij kwalijk voegt, en zich, vooral tegen een kunne, die zij

eerbiedigen moesten, alles veroorloven, op het voorbeeld der Fransche

windbuilen, die zij naäpen, zonder tevens die welgemanierde bevalligheid

te bezitten, welke bij onze naburen de onbescheidenheid eenigszins

vergeeflijk maakt. Maar gij zult, naar ik hoop, te Amsterdam ook

jongelieden vinden, die zich door een ordentelijk, zedelijk gedrag

onderscheiden, nauwgezet zijn in het betrachten hunner maatschappelijke

plichten, zich aanbevelen door een heuschen beschaafden omgang, en niet

van oordeel zijn, dat drinken, rossen en rijden, grof spelen en

dergelijke uitspattingen tot de kenmerken eens fatsoenlijken mans

behooren."

"Ik twijfel er niet aan," zeide zij: "het zal te Amsterdam zijn, als

overal, dat men er veel kaf onder 't koren vindt. Helaas! wat mij

betreft, ik zal er niet in de gelegenheid zijn om zulks bij ondervinding

te leeren, en mijn toestand zal mij wel dwingen, mij afgezonderd te

houden van alle gezelschappen. Hoe gelukkig zijt gij, Mijnheer! aan wien

deze reis niets dan vreugde en blijdschap voorspelt. Gij gaat een

beminde familie terugvinden en moogt u thans reeds verheugen in die

zalige ontmoeting.... terwijl ik!... maar verschoon mij, ik heb geen

recht u met mijne klachten op te houden. Verhaal mij eens, bid ik u, hoe

groot is het huisgezin van uw Heer vader?"

Ik beantwoordde deze vraag, en, van het eene op het andere komende,

geraakten wij van lieverlede in een belangrijk en levendig onderhoud, in

den loop waarvan ik telkens meerdere redenen vond om het gezond verstand

en het edel hart van mijn reisgenoote te bewonderen. Wij brachten alzoo

bijna ongemerkt de lange en vervelende vaart van Naarden tot Muiden ten

einde. Aan die stad gekomen, moet men, gelijk bekend is, de schuit

verlaten om zich in een andere in te schepen. Wij trokken dan te zamen

en gearmd Muiden door, toen een nieuwe gebeurtenis mij stof gaf tot

nieuwe bekommernis over de taak, die ik op mij genomen had, en waarmede

ik mij reeds begon te vereenigen. Onder het voortwandelen hoorde ik

achter ons het klappen van een zweep en het rollen van een rijtuig over

de straatsteenen. Ik zag om: daar reed ons een prachtige koets voorbij,

met vier witte paarden bespannen, en twee lakeien achterop: en, eer ik

nog den tijd had om na te denken, aan wien dit rijtuig behoorde,

herkende ik daarbinnen den ouden Heer Blaek, met zijn hofdichter over--,

en--o spijt!--zijn schoone nicht naast hem. Ik bloosde tot achter de

ooren toe: ik groette:--de Heer Blaek had mij niet opgemerkt;--maar

Henriëtte had mij gezien, en de koele blik, welken zij bij het

teruggroeten op ons beiden nederwierp, drong mij door de ziel heen.--Zij

had mij herkend: daar was geen twijfel aan;--en wat toch moest zij nu

van mij denken? Ik had haar gezegd, dat ik _alleen_ naar Amsterdam

reisde; en nu had zij mij met een onbekende Juffer gearmd gezien:--en ik

zou mij misschien nimmer in de mogelijkheid bevinden, haar de aanleiding

mijner handelwijze te verklaren.--Zelfs ook dan, al ontsloeg mij de Heer

Bos van alle geheimhouding, wie zou de zonderlinge ontmoetingen, die mij

in deze weinige uren overkomen waren, op mijn woord af verkiezen te

gelooven.

Doch, wat deed het er eigenlijk toe, of Henriëtte Blaek ons al of niet

gezien had? Haar neef had ons immers gezien en ik hield mij genoeg van

zijn minzame gezindheid te mijwaart verzekerd, om tevens overtuigd te

zijn, dat hij zulks niet verzwijgen zou, althans niet aan zijn

nicht.--En bovendien, welk groot belang stelde ik toch in de gedachten,

die een meisje, dat ik slechts eenmaal gezien had, omtrent mij

koesterde? Ik was immers niet op haar verliefd! Iemand van mijn koel en

bedaard gestel, wien de Franschen zelfs den naam van _le phlegmatique

Hollandais_ gegeven hadden, zou zoo op een bof

verlieven!--Onmogelijk--en echter....!

Deze en dergelijke denkbeelden vlogen, als vuurkogels, die zich

doorkruisen en tegen elkaar horten, mijn geest door, zoolang ik de stad

Muiden doorliep, ja beletteden mij eenige aandacht te schenken aan

Amelia, die zwijgend aan mijn zijde ging. Alleen had ik opgemerkt dat

zij, toen het rijtuig ons voorbijsnorde en ik een kleur kreeg, mij

terloops had aangekeken, en vervolgens terstond haar falie dichter over

haar gelaat had neergetrokken. Zelfs meende ik mij naderhand te

herinneren, dat ik haar arm op dat oogenblik tegen den mijnen had voelen

trillen.--Hoe dit zij, ik sloeg, gelijk ik zeide, weinig acht op haar,

en, zoo zij mijn gedachten al bezighield, was het, om haar, op een vrij

onedelmoedige wijze... voor Sint-Felten te wenschen.

Zoodra wij echter buiten Muiden en weder in de roef gezeten waren, namen

mijn gedachten een geheel anderen loop en vergat ik mijn eigen spijt

geheel, om slechts aan het leed mijner reisgenoote te denken; want

nauwelijks was de schuit van wal gestoken, of ik zag haar in tranen

uitbersten.

Hoewel ik nooit heb kunnen begrijpen, hoe de dichters en

romanschrijvers, van een weenende schoone sprekende, durven beweren, dat

"haar tranen haar schoonheid nog verhoogden," en hoewel ik een rooden

neus en gezwollen oogen, welke daarmede doorgaans vergezeld gaan, niet

onder de bevalligste verschijnsels tel, zoo kan ik toch niet ontkennen,

dat de aanblik eener schreiende vrouw altijd een innig gevoel van

mededoogen en deelneming in mijn borst heeft opgewekt, en dat ik nooit

tranen langs haar kaken zag vloeien zonder den wensch te voeden, dat het

in mijne macht mocht zijn, die te drogen. Maar hoeveel smartelijker

moest mij dus niet dit schouwspel vallen, nu ik mij geheel buiten de

mogelijkheid bevond, niet alleen van de bron des leeds te stoppen, maar

zelfs van een enkel gepast troostwoord toe te spreken. Ik gevoelde

terstond, wat bij Amelia die diepe droefheid ontstaan deed: welke kracht

die aandoeningen moesten bezitten, die in staat waren een ziel, zoo

sterk als de hare, met zulk een hevigheid te schokken.

Ik gevoelde, dat ik toch iets moest zeggen, al ware het slechts om den

schijn van hardvochtigheid te vermijden. "In 's Hemels naam,

Mejuffrouw!" voegde ik haar toe, terwijl ik, over haar gezeten, de

handen op het tafeltje der roef smeekenderwijze samenvouwde: "wat ik u

bidden mag, bedaar! Het is mij zoo grievend, u te zien weenen."

"Vergeef mij,... o vergeef mij,... Mijnheer Huyck...." zeide zij al

snikkende: "ik gevoel, dat ik mij dwaas aanstelle... maar het zal ras

weder over zijn.... Ach! misschien doet het mij goed:--ik heb in jaren

niet geschreid."

Ik wist bij ondervinding, dat niets weldadiger is voor hen die lijden,

dan den oorsprong van hun leed te kunnen mededeelen: en met dat oogmerk

waagde ik het, de volgende vraag te doen:

"Maar, indien het niet onbescheiden is zulks te willen weten, wat heeft

dan nu die bittere droefheid bij u kunnen verwekken?... Is er van mijne

zijde eenige aanleiding daartoe gegeven, zoo bid ik u, uit den grond

mijns harten, om vergiffenis.--Maar o! laat mij toch niet in de

onzekerheid. Schenk mij uw vertrouwen! bedenk, dat uw vader mij tot uw

beschermer heeft uitgekozen:--laat dien titel, waarop ik mij

verhoovaardig, u aansporen, mij als uw broeder te beschouwen, en mij

mede te deelen, wat u thans op het hart drukt."

"O neen! vraag het mij niet," zeide zij, de oogen afwisschende en het

gelaat in haar fraaien ronden arm, die op de tafel rustte, half

verbergende: "gij zoudt mij te dwaas, te kinderachtig vinden;... en

toch!" vervolgde zij, na eene korte stilte, het hoofd weder opheffende

en mij met waardigheid aanziende: "waarom zou ik het verzwijgen, daar

gij het wel zult geraden hebben. Ik heb met kalme onverschrokkenheid de

rampen en wederwaardigheden doorgestaan, die mijn nog zoo korten

levensloop gekenmerkt hebben: ik heb aan geéne hartstochtelijke

bewegingen toegegeven, zoo dikwerf de fortuin, het leven of de vrijheid

mijns vaders en de mijne tevens in gevaar stonden: maar dat ik, die

vroeger ... ik schaam mij bijkans het nu te zeggen ... door honderden

gediend en vereerd werd... die den geringsten smaad mij aangedaan door

den dood des beleedigers zou hebben zien straffen ... dat ik, die tot nog

toe nooit het oog voor iemand heb behoeven neder te slaan, en voor niets

te blozen heb ... dat ik tot zulk een laagte gedaald ben, om te moeten

ondervinden, dat een fatsoenlijk man, wanneer hij zich in mijn

gezelschap bevindt en een kennis ontmoet ... vergeef mij ... zich schaamt,

gelijk een schuldige zou doen ... dit treft mij tot in het binnenste van

mijn gemoed: het is een contrast, dat geschikt ware om mij ijlhoofdig te

maken!"

Ik bloosde opnieuw, zag voor mij en zweeg: want wat kon ik aanvoeren

tegen hetgeen zij gezegd had? O! hoe nietig en laf schenen mij thans de

strijd en wrevel, bij mij ontstaan, in tegenstelling met de diepe smart,

die haar gemoed vervulde! Hoezeer beklaagde ik haar, en welk een eerbied

gevoelde ik niet voor de maagdelijke kieschheid, welke haar zulk een

gewicht deed hechten aan een omstandigheid, die in het oog van anderen

misschien onopgemerkt ware gebleven of althans slechts als een beuzeling

beschouwd geworden.

Er ging een geruim tijdsverloop voorbij, eer ik den moed tot spreken

wedervond; Amelia was intusschen weder bedaard geworden en zat

aandachtig de toppen van hare (zeker buitengemeen fraaie) vingeren te

bekijken: iets dat, gelijk ik den vorigen avond reeds had opgemerkt,

meer haar gewoonte was, wanneer zij niet bezig was of sprak, en waaruit

ik reeds had opgemerkt dat zij geen Hollandsche opvoeding had genoten en

zich op het breien of kousenstoppen niet verstond.

"Ik beken u," zeide ik, "dat ik min of meer onthutst was, toen ons die

koets voorbijreed en ik Mejuffrouw Blaek daarin herkende."

"Mejuffrouw Blaek!" herhaalde Amelia, een doordringenden blik op mij

vestigende: "ik dacht zoo;--maar, ik ben u in de rede gevallen:

verschoon mij: ga voort, bid ik u."

"Ik was dit te meer," vervolgde ik, eenigszins bedremmeld, omdat ik haar

gisteren, gelijk ik de eer had u te zeggen, heb gesproken, omdat zij een

groot vriendin mijner zuster is, en dat het voor ons beiden licht

onaangename gevolgen kan hebben, indien het ruchtbaar wordt dat...."

Hier bleef ik steken.

"Dat gij dit alles overdacht hebt, betwijfel ik niet," zeide Amelia:

"maar vergun mij op te merken, dat uw denkbeelden al zeer vlug op

elkander volgen, indien zij bij u een zoo onmiddellijke ontsteltenis

konden veroorzaken op het oogenblik dat de oogen dier Juffer u

ontmoetten."

De juistheid dezer opmerking leverde mij een nieuw bewijs, dat het mij

gemakkelijker zou vallen, mijzelven dan Amelia te misleiden.

"Mejuffrouw!" zeide ik, een meer vroolijke wending aan ons gesprek

willende geven: "gij verstaat u bij uitnemendheid in het ontleden der

menschelijke gedachten: en ik betuig: dat ikzelf misschien niet zoo goed

in staat zou zijn te beslissen, wat er straks in mijn hart is omgegaan.

Dit is zeker, dat mijn beweging onwillekeurig was, en als zoodanig ben

ik daarvoor niet verantwoordelijk. Misschien heb ik eene

onvoorzichtigheid gedaan, door aan het verlangen van uw Heer vader te

voldoen, want ik had moeten berekenen, dat men niet straffeloos de taak

op zich neemt, van aan een schoone Jonkvrouw tot leidsman te

verstrekken."

"Ik heb nog liever, Mijnheer!" zeide Amelia, "dat zich de spijtige

uitdrukking van zoo straks op uw gelaat vertoont, dan dat gij mij door

plichtplegingen zoekt tevreden te stellen, die ik, helaas! te wel weet

dat niet meer kunnen zijn dan ijdele klanken. Wat mij betreft, ik spreek

ernstig: en ik verzeker u, het doet mij innig leed, dat mijn vader het

noodig geoordeeld heeft, u een last op den hals te laden, welke u geene

andere dan onaangename gevolgen berokkenen kan. Want, ach! zoo is het

altijd gegaan. Het is de vloek, die op ons huis ligt, dat elke dienst,

daaraan bewezen, het ongeluk bewerkt van hem, die dezen dienst bewijst."

"Mejuffrouw!" hernam ik: "ook ik spreek ernstig, en ik betuig u uit den

grond mijns harten, dat, zoo de dienst, welken ik u thans poog te

bewijzen, aan de verwachting van uw vader beantwoordt, mij die nimmer

ongelukkig zal kunnen maken; want welke gevolgen die ook hebbe, ik zal

het bewustzijn behouden van den plicht der dankbaarheid volbracht en

naar de inspraak van mijn geweten gehandeld te hebben."

"Gij zijt een braaf mensch, Mijnheer Huyck," zeide Amelia, mij met

aandoening de hand reikende: "en mijn vader, door zijn vertrouwen op u

te stellen, heeft mij een nieuw bewijs gegeven, met hoeveel juistheid

hij bij den eersten oogopslag de menschen weet te beoordeelen.--Dan,

laat ons thans niet meer spreken over hetgeen toch niet meer te

veranderen is:

_La plainte ni la peur ne changent le destin,_

zegt de goede Lafontaine, wiens geestige werken u misschien niet

onbekend zijn."

"En hij heeft gelijk ook," zeide ik: "ofschoon gij den regel, dien hij

er op volgen laat, wel niet zult toestemmen; noch erkennen willen dat

_le moins prévoyant est toujours le plus sage_."

"Vergeet niet," hernam zij, "dat hij vooraf laat gaan: quand _le mal est

certain_. Gij moet geene plaatsen uit haar verband halen, gelijk, naar

ik wel vernomen heb, de ketters gewoon zijn te doen, ter staving van

hunne anders onbewijsbare gevoelens."

Dit antwoord der bekoorlijke zwerfster bevestigde een vermoeden, hetwelk

ik reeds den vorigen avond, uit sommige van haar uitdrukkingen, omtrent

haar geloofsbelijdenis had opgevat: ik verlangde echter geen

theologische wending aan ons gesprek te geven en ving dus aan, over

andere onderwerpen te spreken: daar ik mij echter weinig meer herinner

van hetgeen wij verder afhandelden en zulks ook voor mijn lezers

waarschijnlijk even vervelend zoude zijn als indien ik hen dwong de reis

in de trekschuit zelve te maken, zal ik slechts datgene vermelden,

hetwelk Amelia mij toevoegde, toen wij Amsterdam bijna bereikt hadden.

"Hier," zeide zij op een plechtigen toon, "moet onze korte kennis

eindigen.--Zoodra wij uit het oog des schippers zijn, verlaten wij

elkander, waarschijnlijk voor altijd. God doe u de betrekkingen, die u

dierbaar zijn, in welstand en vreugde ontmoeten!--Hij loone u met zijn

rijksten zegen, voor hetgeen gij zoo grootmoedig ten gevalle mijns

vaders hebt verricht,--en waarvan de herinnering, hoop ik, weldra geheel

bij u uitgewischt moge worden."

Ferdinand Huyck · 第 11 / 51 段