werkelijk zeer rijk kon genoemd worden; want het toeval was hem even
gunstig geweest, als het den eigenaar van Guldenhof, in dien tijd
althans, tegenliep. Nu! zoo eenig mensch de gaven der fortuin verdiende,
het was dezelfde Hendrik Blaek; want een meer edelmoedig hart, en meer
geneigd hetgeen hij bezat met anderen te deelen, heb ik nooit gekend. De
arme drommel heeft niet lang genot gehad van hetgeen hij met zooveel
zorg vergaard had. Hij is een der weinige menschen, wier dood mij een
wezenlijke smart veroorzaakt heeft."
"Gij hebt hem dan zeer van nabij gekend?" vroeg ik, niet zonder
deelneming: want een gesprek over den vader der bevallige Henriëtte kon
mij niet anders dan belangrijk zijn.
"Hij was een braaf en beminnelijk mensch," zeide mijn gastheer,
blijkbaar een rechtstreeksche beantwoording mijner vraag wenschende te
ontwijken: en terstond vervolgende: "hij heeft een dochter nagelaten:
leeft zij nog?"
Ik voelde, dat ik op deze vraag tot over de ooren toe rood werd:
misnoegd op mijzelven, dat ik mij, ofschoon onwillekeurig, zou
blootstellen aan verdere onderzoekingen, trachtte ik mijn verwarring
onder den schijn van luchthartigheid te bemantelen en antwoordde met een
gemaakten lach: "voorzeker leeft zij: althans toen ik haar van morgen
sprak, was zij nog in blakenden welstand."
"En is zij nog niet gehuwd?" vroeg de Heer Bos al verder: "mij dunkt
eener goede partij als haar moet het niet aan vrijers ontbreken."
"Gehuwd is zij niet," antwoordde ik: "en meer weet ik er niet van, daar
ik eerst heden van mijn buitenlandsche reize terugkeer;--maar ik stem
volkomen met u in, dat zij geen gebrek aan aanzoeken hebben kan."
"De hemel schenke haar wijsheid, om een goede keuze te doen," zeide mijn
gastheer: "maar komaan! de avond is gevorderd: en het is tijd, dat gij
beiden u ter ruste begeeft, om morgen weer vroeg bij de hand te kunnen
zijn. Het hindert mij toch," vervolgde hij, de kruimels van zijn
roksmouw afknippende, "dat ik mijn ouden borstel moet missen."
"Zou UEd. hem zóó niet kunnen gebruiken?" zeide Amelia, terwijl haar
wangen voor een oogenblik door een zachten glans van genoegen werden
bestraald! en meteen haalde zij het betreurde voorwerp van onder haar
bouwen voor den dag en stak het over de tafel aan haar vader toe. Deze
beschouwde het met een blik van verrassing: het plaatje met het wapen
was er afgerukt en de spijkergaatjes, die nog van het vroeger bestaan
daarvan hadden kunnen getuigen, met den rug van een mes zooveel mogelijk
gelijkgewreven.
"Ik dank u, Amelia!" zeide de Heer Bos, met aandoening: "waarlijk! het
is kinderachtig van mij, aldus aan een nietig meubel te hechten; maar
... gij weet het, melieve! dat ik bij wezenlijke rampen mijn
gemoedskalmte niet verloren heb: en gij zult mij deze zwakheid ten goede
houden.--Waarlijk!" vervolgde hij, den borstel aandachtig beschouwende:
"ziedaar wel een evenbeeld, dat ik op mijzelven toepasselijk kan maken.
Ben ik niet evenals hij, na jaren wrijvens en schurens, van mijn glans
beroofd, toen ik oud werd, en thans in het oog der wereld even weinig
meer waard als dit meubel den Jood zou wezen, dien wij hedenmorgen
ontmoet hebben?"
"UEd. zal mij de opmerking vergunnen," zeide ik, "dat, gelijk deze
borstel nog evengoed dienst kan doen, al is hij van zijn pronk beroofd,
datzelfde voorrecht ook u kan vergund blijven. Onze waarde berust immers
niet in uiterlijke praal, maar in het nut dat wij stichten."
Ik dacht met deze aanmerking en voorzeker alles behalve nieuwe
vergelijking mijnen gastheer een verplichtend gezegde toe te voegen;
maar de zonderlinge uitdrukking, die zijn gelaat aannam, toen ik met
spreken geëindigd had, trof mij zoodanig, dat ik mij wel wachtte op
denzelfden toon voort te gaan. Gedurende het gesprek over de Heeren
Blaek hadden, naar 't schijnt, oude herinneringen een uitdrukking van
zachte droefgeestigheid op zijne trekken verspreid, welke ik niet
gedacht had, daar immer te zullen aantreffen, en welke nog vermeerderd
werd door het hervinden van zijn borstel en de gedachten, welke de
beschouwing daarvan in zijn boezem had opgewekt:--maar nu was opeens die
uitdrukking verdwenen: het gansche gelaat had de strenge, terugstootende
plooi hernomen, die het gewoonlijk kenmerkte: en een bittere lach kwam
het nog meer ontsieren."
"Hoor!" zeide hij, op een schamperen toon, terwijl hij een blik op mij
wierp, die mij onwillekeurig sidderen deed: "de diensten, welke ik
gewoon ben geweest te bewijzen, waren niet altijd van dien aard, dat men
er mij veel dank voor wist."
"Vader!" zeide Amelia, met een bevende stem, terwijl zij oprees en hem
bleef aanzien met een weemoedigen blik, die hem zijn rasch gezegde
scheen te verwijten.
"Gij hebt gelijk, mijn kind!" zeide hij: "en ik handel dwaselijk, door
aan zulke denkbeelden toe te geven... zoo de Heer Huyck het goedvindt,
zal ik hem zijn slaapstede toonen."
Deze laatste woorden sprak hij weder op een zeer natuurlijken en
hoffelijken toon uit en liet die met een buiging van het bovenlijf
vergezeld gaan. Ik boog insgelijks ten bewijze van toestemming: en na
gedane dankzegging rezen wij gezamenlijk op. Ik wenschte aan Amelia een
gerusten nacht, en volgde den Heer Bos, die, na zich half bij zijn
dochter verontschuldigd te hebben, dat hij haar in het donker liet de
kaars opnam en mij in een klein vertrekje bracht, hetwelk op dezelfde
trap, doch eenige treden hooger, uitkwam.
"Ik denk niet," zeide hij, mij op een nauwe bedstede wijzende, die zich
aldaar bevond, "dat u dit nachtverblijf machtig zal aanstaan: maar gij
zult het moeten nemen zooals gij het vindt."
"O! zeide ik: "maak daarover geene verontschuldigingen; ik ben lang
genoeg op reis geweest om mij te hebben leeren behelpen: en een nacht is
gauw doorgebracht. Maar wat ik u bidden mag, neem het licht met u:
Mejuffrouw Bos bevindt zich alleen en in het duister. Ik heb geen licht
noodig om mijn slaapstede te vinden."
"Zoo gij niets meer noodig hebt, en u in 't donker kunt uitkleeden, zal
ik aan uw verzoek voldoen," zeide mijn gastheer, en mij een goede
nachtrust toegewenscht hebbende, verliet hij het vertrek. Ik had
intusschen den eenigen stoel, die zich daarin bevond, voor mijn
slaapplaats geschoven en, mij van mijn bovenkleederen ontdaan hebbende,
kroop ik met de rest te bedde; want in de onzekerheid hoe de gesteldheid
daarbinnen zou wezen, was ik eenigszins huiverig om mij geheel te
ontkleeden.
En inderdaad, mijn ligplaats was noch slechter, noch beter dan ik reden
had mij voor te stellen. Het bed bestond uit een harde peul, waarvan men
de opvulsels niet behoefde te raden; want van alle zijden staken mij de
puntige stroohalmen in de leden, zoo vaak ik mij omwendde. Het laken was
van dien aard, dat het mij, welke houding ik aannam, nooit geheel
bedekte; lag ik recht uitgestrekt, dan staken mijn voeten er buiten:
haalde ik deze binnen en ging ik krom liggen, dan waren mijn knieën
ongedekt:--en wat het ware, dat mij tot hoofdkussen diende, kon ik
volstrekt niet uitvinden en moest eerst den volgenden morgen ontdekken,
dat het uit een oud stel vischnetten bestond, in een meelzak gewikkeld.
De vinding was niet onaardig en ik ben nooit te weten gekomen, of ik
haar aan het vernuft van den Heer Bos, van zijn beminnelijke dochter of
van de oude Martha moest toeschrijven.
Het was echter niet het min gemakkelijke mijner ligging, dat mij zou
verhinderd hebben, na een zoo vermoeienden dag, een zoete rust te
genieten. Integendeel waren het die vermoeienissen zelven en de
onderscheidene schokken, welke ik naar lichaam en geest ontvangen had,
die mij beletteden, den slaap te vatten, waar ik zoo vurig naar
verlangen moest. Duizend verschillende en verwarde denkbeelden maalden
mij door het brein en deden dat brandend en koortsig gevoel in mijn
hoofd ontstaan, hetwelk aan elke sluimering vijandig is. Al de
ontmoetingen van den dag kwamen mij beurtelings voor den geest zweven,
gelijk de schimmen eener fantasmagorie. Ik zag weder den twist in de
herberg: ik hoorde den hatelijken Andries vloeken en den Jood zijn
kramerijen venten: ik onderscheidde het lieve gezichtje van de bevallige
Henriëtte Blaek: ik bestreed opnieuw de drie struikroovers en dankte
weer mijn redding aan mijn geheimzinnigen gastheer, die zich aan de
oogen mijner verbeelding in een nog majestueuzer gestalte voordeed dan
in de wezenlijkheid. Dan weder stelde ik mij de belofte voor den geest,
welke ik den Heer Bos gedaan had, en de moeilijkheden, welke voor mij
zouden kunnen ontstaan zoo uit de verplichting, die ik op mij genomen
had, om Amelia naar Amsterdam te brengen, als uit die, van het op dien
gevaarvollen avond voorgevallene voor elk geheim te houden. Bij dit
alles voegde zich nog een zeker gevoel van ongerustheid, dat ik niet van
mij af konde werpen, en hetwelk was toe te schrijven aan de onzekerheid,
waarin ik verkeerde, zoo omtrent de plaats waar ik mij bevond, als
omtrent hetgeen mij nog kon te wachten staan. Wel is waar, ik voedde
geen vrees meer voor den Heer Bos, die er naar allen schijn belang bij
had, mij te vriend te houden; maar ik was niet zonder zorg omtrent
Andries, die, naar mijn innige overtuiging, niemand anders wezen kon dan
de zoon der weduwe, in wier woning ik mij bevond: het onaangename
vermoeden begon mij te bekruipen, of ik niet altemet de legerstede van
dien booswicht betrokken had: en ik kon de benauwende gedachte niet
verbannen, dat hij wellicht te huis komen en mij de weinig gewenschte
eer van zijn bezoek geven zou.
Ik had, kort nadat ik mij te bedde begeven had, den luchtigen voetstap
van Amelia eenige reizen op de trappen gehoord, en veronderstelde dat
zij de overblijfselen van ons avondmaal naar de keuken bracht. Daarop
had zij een vrij langdurig onderhoud met haar vader gehad, waarvan ik
echter niets dan bloote klanken verstaan kon, en zich toen ter ruste
begeven. De Heer Bos was vervolgens naar beneden gegaan; naar mijn
gedachten, om aan de oude Martha eenige onderrichtingen te geven: het
duurde wel een uur eer hij terugkwam en zich in de bedstede, tegenover
die, waarin zijn dochter sliep, begaf. Een zwaar gesnork kondigde mij
weldra aan, dat, welke zijn zorgen voor de toekomst ook wezen mochten,
die echter niet in staat waren, hem het slapen te beletten.
Wat mij betreft, er verliepen uren achtereen, eer de slaap mijn oogen
sloot, en toen zelfs bracht die noch rust, noch verkwikking mede.
Benauwende, pijnlijke droomen kwelden mij, en deden mij ieder oogenblik
met schrik uit mijn sluimering ontwaken. Ik zag het ouderlijk huis in
vlammen staan: gewapende roovers, waaronder zich Andries en, vreemd
genoeg, ook de poëet Helding bevonden, stormden ter plundering binnen,
en werden aangevoerd door den Heer Jacobus Blaek, die zijn regenscherm
als een staf van commando rondzwaaide. Ik zag mijn moeder, doodsbleek en
met bloed bedekt, door twee dier boosdoeners voortsleepen: ik hoorde het
noodgeschrei mijner zusters en broeders, die in de vlammen omkwamen: en
dan zag ik opeens boven het vlammend puin, Henriëtte, Amelia, en een
talrijken stoet bevallige, in feestgewaad uitgedoste jonge meisjes
luchtig en onbezorgd ronddansen, en rozen strooien op de vonken, die
onder haar voeten opspatteden. Opeens deed Andries, die een ijzeren
geldkist uit den brand had gesleurd, welke hij met geweld op straat
sleepte, een afgrijselijken vloek hooren: alles verdween voor mijn
oogen, en ik ontwaakte.
Maar, schoon wakker, nog dreunde mij die stem in de ooren, en nog
herklonken die slagen, welke echter niet op een ijzeren kist, maar op de
deur der woning nederkwamen. Ik ging recht overeind zitten. Er kon geen
twijfel meer aan zijn: het was Andries, die weder te huis kwam.
De morgenschemering was aangebroken: ik liet mij zoo zachtjes als ik kon
uit mijn bed zakken, kleedde mij aan, omklemde mijn knuppel met beide
handen en bleef toen, op den stoel gezeten, angstig luisteren, wat er
volgen zou. Weldra hoorde ik de oude Martha naar het voorhuis
schoffelen. Ik rees op, en overlegde of het ook zaak zoude wezen, den
Heer Bos te gaan wekken, toen ik Martha met een heesche stem haar zoon
hoorde toeroepen: "daar slaapt van nacht familie van Mevrouw hier in
huis: ik mag je niet opendoen: zie maar dat je in de schuur terecht
komt."
Ofschoon mij deze woorden eenigszins geruststelden ten opzichte der
voornemens van de moeder, bleef ik echter niet zonder zorg, of zich de
zoon wel daaraan zoude storen. Mijn onzekerheid was intusschen spoedig
voorbij; want na eenige vruchtelooze pogingen om de deur open te
krijgen, ging Andries al brommende en vloekende weg, en Martha haastte
zich, haar bed weder op te zoeken, hetgeen mij ten blijk strekte, dat
zij geen vrees voor zijn terugkomst koesterde.
Dit tooneel had mij echter allen slaap ontnomen. Ik bleef nog een
geruimen tijd stilzitten, toen naderde ik het venster, opende het met
zoo weinig gerucht mogelijk, en ademde de verkwikkende morgenlucht in,
die mij van buiten tegenstroomde.
Dan, was die frissche ochtendkoelte welkom aan mijn verhit gestel, niet
minder aangenaam werd ik verrast door het heerlijke schouwspel, dat zich
voor mijn oogen opdeed en hetwelk ik verre was te verwachten. Het
uitzicht, dat ik den avond te voren van de kamer, waar wij ons toen
bevonden, had gehad, was beperkt: het raam, waar ik nu voorstond, opende
zich aan eene andere zijde van het gebouw en vergunde mij het gezicht
van een natuurtooneel, het penseel eens schilders waardig. Ter
linkerzijde en achter een schuur, een duiventil en een paar andere
kleine gebouwen, tot de hoeve behoorende, verhief zich een fraaie groep
eeuwenheugende eikeboomen, wier kruin wel door den zeewind was
ontbladerd, doch wier knoestige met breede takken voorziene stammen zich
donker afteekenden tegen den nog kleurloozen hemel en tegen de
Zuiderzee, over wier grauwe oppervlakte een aantal kleine vaartuigen
elkander kruisten. Iets meer nabij verhief zich een oude, met mos en
heesters overdekte bouwval, de strenge stijl van welks bouworde scheen
aan te kondigen, dat ik de overblijfselen van een klooster voor mij had:
een muurtje, dat waarschijnlijk voorheen een kerkhof omheind had,
verbond dit gedenkstuk van vroegere dagen aan de hoeve, waarin ik mij
bevond. Ter rechterzijde liep de grond glooiend opwaarts, en werd het
verschiet hier en daar belemmerd door golvende heuvelen, deels met koren
en boekweit beteeld, deels met heesters en kreupelhout begroeid, deels
bedekt met de paarskleurige heide, waarlangs de witgewolde kudde reeds
hun ochtendmaal kwamen gebruiken. De stilte van den morgen werd alleen
nu en dan afgebroken door het dof geloei der runderen in den stal en het
gekraai van den wakkeren haan, die met zijn kakelbonten harem over het
erf kuierde en het rijzend zonnelicht begroette, dat allengskens aan dit
natuurtooneel leven en beweging kwam bijzetten. Opeens trof mij de
gedachte: ik had dit bevallig geheel nog éénmaal beschouwd: wanneer of
in welk gezelschap, dit wist ik mij niet te binnen te brengen; maar het
kwam mij voor, als ware het niet de eerste reize, dat ik mij hier
bevond. Ik kon uit den weg, dien ik den vorigen avond genomen had, en
uit de nabijheid der zee, het besluit opmaken, dat ik mij ten Oosten en
niet verre van Naarden moest bevinden en wel omtrent de plaats, waar
vroeger een stad van denzelfden naam in de Hoeksche en Kabeljauwsche
twisten was te gronde gegaan; maar ik had, zooverre ik wist, nooit eenig
uitstapje naar dien kant gemaakt. Eindelijk gaf ik het op: en daar ik
meermalen het naburige Muiderberg bezocht had, waar het landschap veel
overeenkomst had met datgene, hetwelk ik nu voor oogen had, maakte ik
het besluit op, dat ik door die gelijkheid van natuurtooneel misleid,
mij ten onrechte verbeeldde, hier vroeger geweest te zijn.
De morgenstond had zijn weldadigen invloed op mij uitgeoefend en met het
daglicht waren die kwellende droombeelden en onrustige gedachten
verdwenen, die mij gedurende den nacht hadden beziggehouden. Ik aarzelde
dus niet om mij weer naar mijn legerstede te begeven, en de natuur, haar
rechten hernemende, welke zij te lang aan de verbeelding had afgestaan,
deed mij een weldadigen slaap genieten, waaruit ik niet ontwaakte, dan
toen de stem mijns gastheers mij riep, en ik, de vakerige oogen
wrijvende, den Heer Bos, reeds geheel gekleed, zag voor mij staan.
"Het is tijd!" zeide hij: "het spijt mij zulk een aangename rust te
storen; maar gij zult ongetwijfeld de eerste schuit niet willen
misloopen."
"Gij ziet," zeide ik, opstaande, "dat mijn toilet geene groote moeite
zal vereischen. Ik heb niets anders te doen als mij te wasschen, en ik
ben tot uw dienst."
"Ik heb u gebracht wat gij noodig hebt," zeide de Heer Bos, mij op de
tafel wijzende, waar hij een kom met water en een handdoek had
neergeplaatst. "Ik behoef niet te vragen of gij goed geslapen hebt."
"Daar kan ik niet volmondig ja op zeggen," antwoordde ik, en verhaalde
hem tevens hoe mijn nachtrust gestoord was geweest. Gedurende mijn
verhaal bleef ik de wezenstrekken van mijn gastheer zorgvuldig
gadeslaan. Geen verwondering noch ontroering was daarop zichtbaar:
alleen zag ik hem een paar reizen de wenkbrauwen samentrekken.
"Ik verwachtte niet anders," zeide hij, toen ik met mijn mededeeling
geëindigd had: "en ik had dienaangaande het noodige onderricht aan de
oude Martha gegeven. Ondertusschen, die schurk moet u noch mij hier
zien: de gevolgen zouden te gevaarlijk kunnen wezen. Ik moet mij
daarover nog met de oude onderhouden. Wees zoo goed, zoolang bij mijn
dochter te vertoeven."
Wij verlieten het vertrek, en begaven ons weder naar datgene, waar wij
den vorigen avond hadden doorgebracht. Ik vond hier Amelia, in hetzelfde
gewaad als den vorigen dag gekleed, behalve dat zij nu een muts droeg en
een falie daar over heen: ook was zij met een zonnescherm voorzien. De
Heer Bos liet ons alleen, en na een korten morgengroet, bleven wij,
beiden zwijgend en eenigszins met onze houding verlegen, voor ons zien.
Het leed niet lang, of de Heer Bos kwam terug: "alles is in orde," zeide
hij: "Andries ligt in de hooischuur zijn roes uit te slapen, en, eer hij
wakker is, zijn wij ver van hier. Ik heb bovendien zijn moeder
gewaarschuwd, dat de justitie hem opspoorde; en een kleine wenk van dien
aard zal, vlei ik mij, genoegzaam zijn, om hem verre van hier te
zenden.--Niets verhindert ons dus langer, de reis aan te vangen."
"Ik weet niet," zeide Amelia, zich met minzaamheid tot mij wendende, "of
Mijnheer ook nog vooraf iets verlangt te gebruiken."
"Het is mij nog vroeg genoeg," zeide ik: "en daar ik toch genoodzaakt
ben, mij te Naarden een oogenblik op te houden, zullen wij evengoed daar
eenig ontbijt kunnen nuttigen."
"Welaan dan!" zeide de Heer Bos, en trad meteen, door ons gevolgd, de
kamer uit.
In het voorhuis stond de oude Martha, die, nijgende, en de handen
drukkende van den Heer Bos en van Amelia, afscheid van ons nam.
"Wij danken u voor uw herbergzaamheid," zeide de Heer Bos: "vergeet
niet, hetgeen ik u omtrent uw zoon gezegd heb, en neem dit aan, voor den
omslag, dien wij u veroorzaakt hebben. Mijn goed zal ik nader laten
halen. Bedenk, dat alles van uw stilzwijgendheid afhangt."
"Ach!" zeide zij: "met wie spreekt de oude Martha ooit? Geen haan zal er
na kraaien, dat UEd. hier 'eweest is: en in een kwartier tijds zijn al
de kamers weer dicht 'esloten en het beddegoed uit de bedsteden 'enomen,
en kan niemand merken, dat ik hier volk heb 'ehad."
Ik kon mij niet weerhouden van te glimlachen: "zoo al de slaapplaatsen
zoogoed gestoffeerd zijn als de mijne," dacht ik, "zal zeker het
opredderen niet veel tijd kosten."
Intusschen naderde ik ook op mijne beurt de oude vrouw en stelde haar
onder dankbetuiging voor het nachtverblijf eene kleine fooi ter hand.
Toen ik mij omwendde, zag ik dat de Heer Bos een koffer had opgenomen,
die waarschijnlijk het goed van zijn dochter bevatte.
"Mag ik u niet van die moeite ontslaan?" vroeg ik hem; "daar toch
Mejuffrouw nu onder mijn geleide komt, is het niet meer dan billijk, dat
ik haar goed drage."
"Wij zullen het ieder een gedeelte van den weg dragen," zeide de Heer
Bos: "ik ga niet met u tot Naarden."
De toon, waarop hij deze woorden uitsprak, was zoo beslissend, dat ik
het ongeraden vond, verder aan te dringen. Wij begaven ons dan op reis,
de Heer Bos den tocht geleidende, en even wakker doorstappende, alsof
hij, in stede van een koffer, een pak veeren onder den arm had. Ik heb
nog verzuimd te zeggen, dat hij thans zijn rooden mantel niet omhad, en
zijn Spaanschen hoed tegen een meer gewonen verwisseld had.
Amelia liep zwijgend achter haar vader; en ik sloot den tocht. Wij
namen, in stede van den modderigen hollen weg, een zandpad door de
eikenstruiken, hetgeen op een driesprong uitkwam, waar onze geleider
stilhield.
"Hier moeten wij scheiden," zeide de Heer Bos: "dit voetpad links brengt
u aan de poort van Naarden. Vaarwel Amelia! God behoede u en schenke u
het noodige beleid om de moeilijke taak te volbrengen, die gij op u
genomen hebt."
Dit zeggende drukte hij een hartelijken kus op 't voorhoofd zijner
dochter. Wat haar betrof, zij schreide niet; zij stortte geen ijdele,
doch bij zulk een scheiding toch niet berispelijke klachten uit: maar de
doodelijke bleekheid, welke zich over haar gelaat verspreidde, toonde
niettemin hoezeer haar hart op dit oogenblik leed.
"Wat u betreft, Mijnheer!" zeide de Heer Bos, mij de hand drukkende:
"ontvang mijn voorloopigen dank voor den dienst, dien gij mij bewijzen
wilt. Ik vertrouw u mijn dochter: en gij zult, hiervan houde ik mij
overtuigd, u dat vertrouwen niet onwaardig betoonen."
"Is er niets anders dat ik voor u doen kan?" vroeg ik hem terwijl ik
zijn handdruk beantwoordde.
"Voor het oogenblik niet:--ik heb reeds te veel van u gevorderd;
wellicht meer dan gij zult kunnen volhouden;... doch het zij zooals het
wil!... alleen dit nog!... mocht mij het lot eens treffen, dat mijn
vijanden mij toewenschen, ontferm u dan over mijn ongelukkige
dochter:--wees dan haar voorspraak.... Zorg dan, dat zij in staat
gesteld worde, zich een wijkplaats volgens haar wensen te kiezen."
Ik gaf door een buiging mijn toestemming in dit verzoek te kennen en nam
nu den koffer op, dien de Heer Bos had neergezet en die mij zwaarder
voorkwam dan ik gedacht had, waarop hij na Amelia nogmaals vaarwel
gezegd te hebben, zich met rassche schreden rechtsaf en naar den zeekant
begaf. Wij oogden hem een poos na en sloegen toen zwijgend het
aangewezen pad in, dat ons weldra op den heirweg in de nabijheid van
Naarden bracht. Buiten de poort nam ik een knaap aan, om den koffer te
dragen; bood mijn arm Amelia aan, en bevond mij met haar na verloop van
eenige minuten in de herberg te Naarden.
* * * * *
NEGENDE HOOFDSTUK
BEHELZENDE HET VERHAAL EENER SCHUITREIS VAN NAARDEN NAAR AMSTERDAM.
In de herberg gekomen zijnde, werden wij door den waard in een
zijkamertje gewezen, waar ik terstond voor Amelia en voor mij een paar
kop koffie en boterhammen bestelde; en de vraag deed, of er ook goed met
den vrachtwagen van Deventer was aangekomen aan het adres van Mr. F.
Huyck. De waard beantwoordde deze vraag toestemmend en gaf mij te
kennen, dat het goed zich in de groote kamer aan de overzijde bevond.
Ik vroeg hierop verlof aan Amelia van haar een oogenblik alleen te mogen
laten, en begaf mij naar de aangewezen plaats, waar ik werkelijk, na
eenig zoekens, de mij behoorende koffers, doozen en verdere voorwerpen,
uit onderscheidene andere goederen, welke aldaar in heerlijke eendracht
en verwarring door en op elkaar gestapeld waren, terugvond; waarop ik
den waard verzocht, die gezamenlijk met den koffer van Amelia naar de
schuit op Amsterdam te laten brengen, en de roef voor mij te huren.