gerangschikt worden," zeide ik.
"Gij bedriegt u.--Ik ben zeker, dat men mijn aankomst wachtende was en
mij te Soest en te Eemnes reeds bespiedde. Door onderweg af te stappen,
heb ik die krabben wel voor een poos het spoor bijster kunnen maken:
maar zij zullen het spoedig hervinden. Zij weten, dat ik mijn dochter
bij mij heb. Zien zij nu een Juffer, die alleen van Naarden naar
Amsterdam reist en in beschrijving met Amelia overeenkomt, dan weten zij
al genoeg, om meer uit te vorschen. Neen! mijn kind moet de reis doen op
een wijze, welke hun alle vermoedens ontneemt: en ter bereiking van dat
doel wilde ik u voorslaan, haar onder uwe bescherming derwaarts te
brengen."
Ik wist niet of ik wel gehoord had, zoo verbaasde mij deze voorslag. Had
de Heer Bos mij dien eenvoudig weg gedaan, ik had dien zonder bedenking
aanvaard; maar juist de inleiding, welke hij had doen voorafgaan om alle
zwarigheden af te snijden, deed er eene menigte bij mij oprijzen.
Bemerkende, dat hij op een antwoord wachtte, haastte ik mij zulks te
geven, de eerste moeilijkheid, die zich aan mij voordeed, daarbij
aangrijpende.
"Mijnheer!" zeide ik, "het ware mij natuurlijk veel eer en genoegen, het
aangenaam gezelschap uwer dochter op de reis te genieten! maar heeft UEd
wel nagedacht, dat juist ik de minst geschikte persoon ben om haar tot
leidsman te strekken? Wanneer men te Amsterdam, wanneer mijn vader
verneemt, dat ik met een onbekende Juffer aldaar ben aangekomen, zal
zulks dan niet juist die vermoedens teweegbrengen, die UEd. wenscht te
voorkomen?"
"Ik zei," zeide de Heer Bos, zich in een ontevredene houding achterover
op zijn stoel werpende, "dat gij Amsterdammers allen volkomen dezelfden
zijt en honderd redenen tegen eene hebt wanneer het er op aankomt iets
te doen, hetwelk met uw gewone sleur van denken en handelen niet
volkomen strookt. Zeg liever ronduit: "ik doe het niet," dan weet men
waar zich aan te houden."
"Verschoon mij," Mijnheer!" hernam ik, een weinig verlegen en denkende
hem te bevredigen: "wat mij betreft, zal ik het gaarne doen, en mij niet
storen aan hetgeen de kwade tongen mij wellicht mochten nageven;
maar...."
"De kwade tongen!" riep de Heer Bos, opspringende, met een heftige stem,
welke mij deed bespeuren hoezeer ik mij versproken had: "wie heeft die
meer te vreezen, mijn dochter of gij?--Wie zal er een jonkman te minder
om achten, zoo hij, op reis zijnde, zich liever in de roef bij een jonge
Juffer voegt, welke hij bij toeval ontmoet, dan dat hij met den gemeenen
hoop in het ruim gaat zitten? Neen, indien de laster zich aan een van
beiden hechten moet, zij is het, tegen wie hij zijn pijlen scherpen zal.
Hoe! een vader bewijst genoeg vertrouwen te stellen in uwe braafheid, om
zijn eenigen schat op aarde, zijn brave, engelreine dochter onder uw
bescherming te stellen, en gij acht, dat zulk een bescherming uw goeden
naam in gevaar zoude brengen? of denkt gij misschien, omdat ik mij niet
in 't openbaar vertoonen mag, het recht te hebben, van mijn dochter als
een gelukzoekster te beschouwen, als een verworpene, een melaatsche,
wier gezelschap besmetting aanbrengt? Mijnheer! gij doet mij op een
wreede, op een bittere wijze het rampzalige van mijn toestand en van
dien mijner onschuldige, mijner dierbare Amelia gevoelen. Het is
mogelijk, dat uw stijve Amsterdamsche kooplieden, uw afgepaste
Patriciërs, een handelwijze als de uwe zouden toejuichen ... wat mij
betreft, wanneer mij iemand een dienst vraagt, zeg ik ja of neen; maar
kom niet met gezochte voorwendsels voor den dag."
"Mijnheer!" zeide ik, toen die vloed van woorden voorbij was, dien het
onmogelijk zonde geweest zijn te stuiten: "ik herhaal u, dat ik bereid
ben u den gevraagden dienst te bewijzen, en tevens de beschuldiging
verre van mij verwijder, als had ik u door eenig gezegde of gedachte
willen beleedigen. Omtrent het in de waagschaal stellen van mijn tot
heden onbevlekten naam, zal ik niet met u twisten; ofschoon UEd. mij
vergunnen zult, daaromtrent mijn eigene meening te bewaren:--en, vergun
mij dit er bij te voegen, het kan niet anders dan u gerustheid
inboezemen, wanneer gij bespeurt, dat gij uw dochter toevertrouwt aan
iemand, die zelf meer nauwgezet omtrent dat punt denkt dan gij. Indien
ik dus zwarigheden gemaakt heb, deze golden niet mij, maar uw eigene
veiligheid en de reputatie van Mejuffrouw Bos."
"Geef mij de hand!" zeide hij, naar mij toekomende: "gij zijt een braaf
jongeling, en hebt volkomen gelijk. Ik heb verkeerd gedaan, mij driftig
tegen u te maken; want uw bezwaren doen u eer aan. Ik hoop, dat deze
rondborstige bekentenis u vergenoegen zal;--ik ben nooit gewoon geweest,
verschooning te vragen: en het zou mij spijten, u op een andere wijze
voldoening te moeten geven."
Ik verzekerde hem, dat ik volkomen tevreden was over zijn gulle
bekentenis, en kon niet nalaten, onderwijl in mijzelven te lachen over
de zotte veronderstelling, dat ik, om al de avonturen van den dag, die
bijna met een messengevecht begonnen waren, waardiglijk te bekronen, die
zoude sluiten met een geregeld _duel_ tegen mijn bevrijder.
"Om verder op uw bedenkingen nog eens terug te komen," zeide hij:
"vergun mij u te herhalen, dat het alleen van hier tot aan de poort van
Amsterdam is, dat mijn dochter u lastig zal vallen. Eens daar zijnde,
zal zij haar weg wel vinden. De schipper zal u kennen of niet, dit doet
tot de zaak niets af: in het eerste geval zal hij niet noodig achten aan
den Hoofdschout eenig rapport te geven, dat zijn zoon met of zonder dame
van de reis terug is: in het tweede zal hij insgelijks geen vermoeden
tegen Amelia koesteren; want hij zal u beiden voor broeder en zuster
aanzien, en, daar gij niet aan de beschrijving beantwoordt, die van mijn
persoon gegeven is, ook verder geen acht op u slaan.--Mocht men eens
naderhand van u willen weten, met welke Juffer gij gereisd hebt, zoo
kunt gij den onbescheiden vrager het antwoord schuldig blijven: en aan
hem, die recht heeft de vraag te doen, eenvoudig zeggen, dat gij aan een
Juffer, wier naam u onbekend was, die kleine diensten en beleefdheden op
reis bewezen hebt, welke ieder welopgevoed man aan de zwakkere sekse
verschuldigd is."
Ik had nu niets te doen dan toe te stemmen, en ik deed dit ook, hoewel
een geheime stem mij te kennen gaf, dat ik mij op een maalstroom van
draaierijen en verwarringen inscheepte, waaruit ik mij niet dan met
moeite zou redden.
"Mag ik nog eene vraag doen?" zeide ik ten slotte: "is Mejuffrouw Bos
reeds van het gemaakte plan onderricht?--en stemt zij er gaaf in toe,
zich aan een onbekende te vertrouwen?"
"Mijn dochter heeft nooit een anderen wil gehad dan die haars vaders,"
antwoordde hij: "en in dit geval heeft zij met mij de noodzakelijkheid
dezer schikking ingezien;--doch gij zult het haar zoo aanstonds zelf
kunnen vragen; want ik hoor haar komen. 't Is of zij geraden had, dat de
zaak juist beklonken was."
"Mag men binnenkomen?" klonk nu de stem van Amelia, buiten de deur.
"Brengt gij het licht met u?" vroeg haar vader.--Wij hadden het wel
noodig, want het was gedurende ons gesprek stikdonker geworden.
"Het licht en het avondeten," antwoordde zij.
"Wacht dan een oogenblik," hernam de Heer Bos: "dan zal ik eerst de
blinden sluiten. Men mocht ons van buiten bespeuren: en men kan geen
genoegzame voorzorgen nemen."
Dit gezegd hebbende, sloot hij het luik en liet vervolgens Amelia in.
Zij droeg in de eene hand eene flesch, waarop een aangestoken kaars
stak, op den arm een servet, en in de andere hand een blikken trommel,
welke ik giste gevuld te zijn met de eetwaren, te Eemnes gekocht. De
oude Martha volgde met een kruik bier, en een bord, waarop zich een
bierglas, een wijnkelkje, een kommetje, een papiertje met zout, een
peperbos, twee stalen vorken, een tinnen lepel en drie messen van
verschillend fatsoen bevonden.
"'t 'Zelschap zal zich motten behelpen," zeide laatstgenoemde, terwijl
zij Mejuffrouw Bos hielp aan het dekken der tafel en het uitpakken van
de trommel. "We kunnen het zoo op zijn elfendertigste niet bezorgen:
niet, of er bennen hier wel wat fijne glazen en borden ook, dat beloof
ik; maar die heit Mevrouw achter 't slot."
"Aha!" dacht ik bij mijzelven: "'t is dus een Mevrouw, aan wie deze
woning behoort. 't Is nu de vraag, of zij weet, aan welke gasten in dit
oogenblik op haar erf huisvesting verleend wordt."
Onder dit alles nam ik de oude vrouw eenigszins nauwkeuriger in
oogenschouw: ik meende mij te herinneren, haar nogmaals gezien te
hebben, ofschoon waarschijnlijk jaren geleden: daar echter die grauwe
oogen met roode randen voorzien, die puntige neus, dat gelaat, waarop de
sporen des ouderdoms die der kinderziekte begonnen te vervangen, die
ingevallen, tandelooze mond en scherpe kin, die gebogen gang en bevende
stem, onder de kenmerken behoorden, welke aan meer dan eene bedaagde
boerin passende zijn, ontgaf ik mij dit. Een vrij eenvoudig toeval wekte
echter nieuwe vermoedens bij mij op. Martha liet namelijk, onder het in
orde brengen van den disch, een mes van de tafel vallen. Ik was er
spoediger bij dan zij, om het op te rapen, en overhandigde het haar.
Toen zij het van mij aannam, zag zij mij in 't gezicht en opeens begon
zij over al haar leden te beven.
"Heilige Maagd!" zeide zij: "is het mogelijk!..."
"Wat is mogelijk?" vroeg de Heer Bos: "kent gij dien Heer?"
"Waarlijk!" antwoordde zij: "ik weet niet ... maar die Heer lijktent zoo
sprekend op een neefje van Mevrouw, die wel eensjes bij ons kwam, jaren
geleden.... Maar het kan toch niet wezen. Immers...."
"Kom, oudje!" viel de Heer Bos in, wien kennelijk de wending van het
gesprek niet beviel: "gij kunt Mijnheer niet kennen, die hier vandaag
voor 't eerst in 't land komt. Ga maar naar de keuken en stel die dwaze
denkbeelden uit uw gedachten."
"Nou!" zeide Martha, terwijl zij zich met Amelia weder naar beneden
begaf: "er is meer gelijk als eigen; maar toch indien het niet sprekend
de jonge Heer...."
Mijn gastheer, de deur weder sluitende, belette mij de juistheid der
gissing van de oude vrouw te beoordeelen, ofschoon ik er wel wat onder
had durven verwedden, dat zij geen ongelijk had in haar vermoeden,
zoomin als ik in het mijne. Ik wist haar echter niet te huis te brengen.
Iets meer nopens haar wenschende te vernemen, waagde ik de volgende
vraag:
"Woont deze oude ziel hier alleen? dan loopt zij, dunkt mij, nog al
gevaar, een bezoek van Zwarten Piet te ontvangen."
"Zij had haar man tot haar bescherming," antwoordde de Heer Bos: "en
sedert deze onlangs overleden is,... gij ziet zij draagt nog den rouw
over hem ... woont haar zoon, een afgedankte varensgezel, bij haar in.
Wel is waar, aan dezen heeft zij weinig hulp; want, naar zij mij
vertelt, is hij meestal, en ook thans, van huis en verdoet zijn tijd in
de kroegen en dobbelhuizen."
"Mijn hemel!" zeide ik: "wie weet of haar zoon niet dezelfde knaap is,
die heden tweemalen zoo geducht door u begroet is geworden."
"Licht mogelijk!" zeide de Heer Bos, al lachende: "in dat gevat heb ik
hem den dienst slecht betaald, dien zijn moeder mij bewijst: doch dan
mogen wij ons tevens geluk wenschen, dat hij van huis is; want een
soortgelijken knaap acht ik tot alles in staat. Ik zal hedenavond nog
eens onderzoek doen, of uw vermoedens gegrond zijn."
Op dit oogenblik kwam Amelia terug met een schotel pannekoeken, dien zij
op de tafel nederzette. "Ziezoo!" zeide zij: "als de Heeren nu maar
plaats willen nemen; het avondeten is opgedaan."
Wij namen plaats, en ik vond nu voor het eerst gelegenheid, om de
Juffer, die tot mijn reisgenoote voor den volgenden morgen bestemd was,
eenigszins nauwkeuriger op te nemen, dan het flauwe daglicht mij bij
onze eerste kennismaking vergund had te doen. Haar gestalte, vooral
wanneer zij zat, was eer rijzig, dan gemiddeld te noemen; maar al haar
ledematen waren volkomen aan elkander geëvenredigd en evenmin van
grofheid als van te groote rankheid te beschuldigen: alleen moest men
haar handen uitzonderen, die, hetgeen juist niet als een gebrek kon
beschouwd worden, zoo tenger en smal waren als die van een aankomend
meisje. Wat haar gelaat betrof, ofschoon het den strengsten vitter
moeielijk zoude gevallen zijn, er iets aan te berispen, bezat het echter
niet die soort van schoonheid, welke mij het meeste geviel. Misschien
kwam zulks hierdoor, dat ik niet kon nalaten in mijn geest gestadig
vergelijkingen te maken tusschen haar en Henriëtte Blaek, wier
uiterlijke, ofschoon minder regelmatig fraai te noemen, een zeker iets
bezat, hetwelk mij meer behaagde. Deze laatste had mij bij den eersten
aanblik geheel ingenomen; wat Amelia betrof, ik gevoelde, wanneer ik den
droefgeestigen trek beschouwde, die haar groote donkerbruine oogen
benevelde, een beweging van medelijden, van hartelijke welwillendheid,
van dienstvaardigheid; maar niets, dat naar liefde zweemde. Misschien,
ik erken het gaarne, ontsproot dit verschil van gewaarwording uit
dezelfde Amsterdamsche afgepastheid en tegenzin in het buitengewone,
waartegen de Heer Bos zoozeer (en naar mijn begrip ten onrechte) was
uitgevaren, en verflauwde de zonderlinge aard der omstandigheden, waarin
ik Amelia ontmoet had, de uitwerking, welke anders haar bevalligheden
hadden kunnen teweegbrengen:--ik twijfel er echter niet aan (want zoo
loopen de opvattingen en gewaarwordingen uiteen), of een ander
jongeling, met een meer romanesken of ondernemenden geest begaafd dan
ik, zou, juist om dat zonderlinge, des te eerder op haar verliefd zijn
geworden. Wat hiervan zij, de waarheid is, dat Mejuffrouw Bos heerlijk
schoone oogen had, met lange, sierlijk naar boven gekrulde pinkers
voorzien, en bekranst met zuivere, net gevormde, blinkende wenkbrauwen,
even gitzwart als haar lokken, die in natuurlijke krullen het hoofd
bedekten. De vorm van het gelaat was volkomen eirond; en gelijk ik reeds
gezegd heb, het was onmogelijk eenige feil te vinden in het beloop van
den een weinig gebogen neus (die hoewel zachter van vorm, echter
volkomen op dien haars vaders geleek), van de fijne lippen en van de
gladde kin, die zich op den schoonen hals eenigszins verdubbelde. Alleen
op de kleur van het vel zoude men hebben kunnen aanmerken, dat die niet
volkomen blank was, maar eerder overdekt met die tint, welke men bij
Spaansche of Italiaansche vrouwen ontmoet; doch, behalve dat het mij nog
onbewezen was, welke landstreek of welke moeder haar het licht
geschonken had, zoo kon ik bij een _brunette_ de melkwitte blankheid
niet vorderen, welke de eigenschap eener schoone _blondine_ uitmaakt.
Het was niet alleen over de oogen, dat een waas van zwaarmoedigheid
verspreid was. Ook in een paar rimpels, die nu en dan het anders gladde
voorhoofd plooiden, en in een eenigszins pijnlijken trek, welken de mond
vertoonde, meende ik de sporen van een diep, in 't hart geworteld leed
te ontdekken. Een oogenblik van vroolijkheid zou gewis een geheel
nieuwen, verrukkenden glans over haar wezen hebben verspreid; maar het
scheen dat de vreugde en Amelia elkander voor eeuwig hadden
vaarwel-gezegd; slechts zeer enkel kwam een lichte blos zich op haar
wangen vertoonen; en wanneer zij glimlachte, was die glimlach eer
geschikt om droevige, dan om blijmoedige gedachten te verwekken.
Wat haar gewaad betrof, het was geheel zwart en duidde niet den minsten
zweem van opschik aan, terwijl men kon zien, dat het reeds eenigen tijd
gedragen was geweest: echter was alles, wat zij aanhad, niet alleen van
de fijnste stoffage, maar getuigde bovendien de snede van keurs en
mouwen, dat een modemaakster daaraan had gewerkt, die voor haar vak bij
uitnemendheid berekend was en haar taak vervuld had op een wijze, het
voorwerp waardig, waaraan zij haar arbeid had besteed.
Het afbeeldsel van den Heer Bos heb ik reeds gegeven, althans zooverre
als ik er bij onze eerste ontmoeting van had kunnen oordeelen. Ik zal er
thans slechts bijvoegen, dat zijn dochter veel op hem geleek; doch zijn
gelaat, hoewel mede bruin van verf, scheen eer door den invloed van het
weer die kleur te hebben aangenomen, dan die aan de natuur dank te
weten. Hij droeg een blonde pruik, die waarschijnlijk een deel zijner
vermomming uitmaakte; want zijn haar was zwart met enkele grijze plekken
doormengd. Wijders was zijn linnen van de fijnste soort: en een keurige
netheid op zijn persoon kenmerkte den welopgevoeden man. Zijn handen
waren fraai, volkomen aristocratisch van vorm, en met spiegelgladde
nagels voorzien: terwijl geen vlekje of spatje rok of vest ontsierde.
De wendingen en manieren van vader en dochter beiden waren gemakkelijk
en wellevend: men behoefde slechts een oogenblik met hen in gezelschap
te zijn geweest, om te bespeuren dat zij fatsoenlijke lieden waren en
met fatsoenlijke lieden verkeerd hadden. Het eenige wat mij hinderde in
den Heer Bos was de toon van meerderheid, welken hij zich gedurig jegens
mij aanmatigde, en die niet van dien aard was dat hij door zijn meerdere
jaren gewettigd konde worden. Het was licht te zien, dat hij in
omstandigheden verkeerd had, welke hem het recht gaven, te bevelen, en
dat hij zich niet dan met moeite in een minderen toestand wist te
schikken. Wat de dochter betrof, al wat zij deed of zeide, was even
beleefd en gepast; maar insgelijks van dien aard, dat het nimmer tot
eenige gemeenzaamheid aanleiding geven kon.
* * * * *
ACHTSTE HOOFDSTUK.
WAARIN MEER GEREDENEERD DAN GEDAAN WORDT.
"De Heer Huyck zal de vriendelijkheid hebben, u naar Amsterdam te
brengen, Amelia!" zeide mijn gastheer, nadat wij eenige oogenblikken in
stilte gegeten hadden.
Amelia antwoordde niets, maar zij zag mij aan met een beleefde
hoofdbuiging, waaruit men evengoed kon opmaken, dat zij zich mijn
geleide wel getroosten wilde, als dat zij er mede vereerd was.
"Het zal namelijk zijn," voegde ik er bij, "indien de Juffer er niet
tegen heeft. Intusschen moet ik niet vergeten u verlof te vragen, om
morgenochtend, te Naarden, even aan de herberg te vernemen, of de
postwagen aangekomen is, waarmede ik mijn reisbagage verwacht. Het zal
een gering oponthoud zijn en u, hoop ik, geen hinder veroorzaken."
"In het minste niet," zeide Amelia: "wij zullen dan maar wat vroeger van
hier gaan."
"Het zal," zeide ik, "aan u, of aan uw Heer vader staan, het uur van
vertrek te bepalen: want daar ik bekennen moet, niet recht te weten waar
wij zijn, kan ik slecht berekenen hoeveel tijd wij noodig hebben om van
hier naar Naarden te wandelen."
"0!" zeide de Heer Bos, "in een klein half uur kunt gij er op uw gemak
zijn: reken er dan nog een half uur bij, voor het inwinnen der
berichten, die gij hebben moet en voor het gaan naar de schuit, dan is
het vroeg genoeg zoo gij hier tegen halfzes vandaan gaat."
"En moeten wij," vroeg ik lachende, "dien fraaien hollen weg dan weer
door, dien wij hedenavond gekomen zijn? dan beklaag ik Mejuffrouw Bos."
"Dat behoeft juist niet," antwoordde hij: "wij hadden dien heden ook
niet behoeven te nemen; maar ik was van oordeel dat de modderige landweg
den indruk mijner stappen niet zoo lang bewaren zonde als het zandpad
door het bosch, hetwelk bovendien langs bewoonde huizen loopt."
"Hoe!" riep ik uit: "heeft Mejuffrouw dien afschuwelijken weg mede
moeten doortrekken?"
"Dat niet alleen," zeide de Heer Bos; "maar nog wel, evenals ik, beladen
met pak en zak;--want wij gevoelden geen trek om onze bagage in de
huifkar te laten, noch om die te laten dragen door dezen of genen
arbeider, en ons aan zijn bescheidenheid te wagen. En dan wilde Amelia
nog wel op het voorbeeld van Esopus, den spijskorf dragen, schoon die
het zwaarst van alles was, en niet, als in het geval van den Phrygiër,
gaandeweg geledigd werd."
"'t Is waar," zeide Amelia, terwijl zij haar fijne handjes wreef: "mijn
vingers dragen nog de sporen van den ring, waaraan ik de trommel hield."
"Gij zoudt mij waarlijk het maal bederven," zeide ik, "wanneer ik denk
aan het ongemak, dat u het dragen dier spijzen veroorzaakt heeft."
"Mijn vriend!" zeide de Heer Bos tot mij, met meer innig gevoel, dan
waarvoor ik hem vatbaar oordeelde: "indien de gedachte aan het leed
mijner dochter mij verhinderen moest te eten, zou ik sedert lang geene
spijs meer genuttigd hebben."--Dit gezegd hebbende, stak hij over tafel
de hand aan Amelia toe en drukte de hare met een warmte, welke mij zien
deed, dat, wat overigens de man zich te verwijten mocht hebben,
hartelijke verkleefdheid aan zijn dochter hem was bijgebleven.
"Kom!" zeide hij eindelijk: "wij moeten hopen, dat deze bedroevende
staat van zaken niet duren zal. Nog eenige weinige slechte dagen,
Amelia! en wij zullen, zoo mijn voorgevoel waarheid spreekt, van al de
zorg en kwelling, die ons thans drukken, ontslagen zijn en blijder dagen
te gemoet zien....; wij moeten nu aan onzen gast het tooneel niet
aanbieden eener weekhartigheid, waar hij te minder in deelen kan, daar
hij er de aanleiding niet van verstaat."
En, terstond van toon en stoffe veranderende, begon hij mij over mijn
reizen te ondervragen: een onderzoek, gelijk men weet, altijd aangenaam
aan hem tot wien het gericht wordt. Het gesprek, hetwelk hieruit geboren
werd, gaf mij gelegenheid om op te merken, dat de Heer Bos de meeste
landstreken van Europa bezocht had niet alleen, maar ook een grondige
kennis bezat van de zeden, gewoonten en staathuishoudkunde der
onderscheidene volkeren; ja, dat hij vele en belangrijke bijzonderheden
wist, welke hij niet kon hebben vernomen dan door eene nauwe betrekking
en omgang met die personen, welke in hun vaderland het meeste gezag of
den voornaamsten invloed uitoefenden. Ongevoelig bracht ons de loop van
het onderhoud ook op het punt onzer koloniale bezittingen, en ik stond
versteld over de kennis, welke hij ook te dien opzichte ten toon
spreidde. Daar de mijne dienaangaande gering was, was ik niet in staat
met volkomen zekerheid over de juistheid zijner opgaven en narichten te
oordeelen; maar toch had de op mijn reizen verkregene gewoonte van met
allerlei slag van lieden om te gaan, mij niet geheel buiten een zekeren
graad van menschenkennis gelaten, zoodat ik de logenachtige versieringen
van den sprookjesverteller eenigszins wist te onderscheiden van de
onopgesmukte verhalen des zaakkundigen reizigers: en, hoewel ik ten deze
begreep geen onbepaald krediet te moeten verleenen, veelmin mijn zegel
te kunnen hechten aan de stoute beslissingen en beoordeelingen, welke de
Heer Bos zich betreffende de handelingen zoo der Compagnie als van hare
dienaren veroorloofde, zoo wist hij die echter met zulke schijnbaar
gegronde en afdoende redenen te omkleeden, dat het, in mijn oog althans,
geen geringe moeite en bekwaamheid zou vereischt hebben, die met een
goed gevolg te wederleggen. Van de Oost en West kwamen wij op Czaar
Peter te huis en op de stoute hervormingen, door hem in Rusland
ondernomen: en de naam van dien grooten Alleenheerscher, ons aan de grap
van dien morgen herinnerende, bracht ons als vanzelf op het Soester
avontuur en op de onweersbui terug. Gevraagd zijnde hoe ik het gedurende
den regen gesteld had, verhaalde ik, dat ik geschuild had op de hofstede
Guldenhof, toebehoorende aan den Heer Blaek.
"Guldenhof!" herhaalde Amelia: "is dat niet die fraaie plaats aan de
andere zijde van Eemnes? Ik heb het even gewaagd, toen wij die
voorbijgingen, mijn hoofd buiten de huifkar te steken en dat prachtige
goed te beschouwen, hoewel het mij bijkans een stijven nek had gekost."
"De Heer Blaek!" herhaalde van zijn kant mijn gastheer, bijna
terzelfdertijd: "is Jacobus Blaek de eigenaar van dat vorstelijk
buitengoed?... Het moet hem dan wel zijn medegeloopen, sedert ik hem
gekend heb: want toen zag het er sober uit met zijn tijdelijke
goederen:... dan: waarover verwonder ik mij?" vervolgde hij, als tegen
zichzelven sprekende en terwijl hij met zijn mes op de tafel speelde:
"ik heb minder recht dan iemand om over de wisseling der fortuin eenige
verbazing te toonen."
"Zoo ik wel onderricht ben," zeide ik, "heeft de Heer Blaek een
aanzienlijk vermogen in de Oost-Indiën gewonnen."