zijn grootmoedige tusschenkomst had het er slecht met mij uitgezien.
"Is u eenig ongeval overkomen?" vroeg zij, op een deelnemenden toon.
Ik was op het punt, haar mijn wedervaren te verhalen, toen het denkbeeld
mij opeens voor den geest kwam, dat mijn gastheer het wellicht niet zou
goedkeuren, zoo zijn dochter van het voorgevallene onderricht en alzoo
noodeloos verontrust werd. Ik vergenoegde mij dus met te antwoorden: "uw
Heer vader zal u voorzeker wel zelf willen mededeelen, op welke wijze
hij zich een eeuwige aanspraak op mijn dankerkentenis verworven heeft."
"Maar neem toch plaats, Mijnheer!" hernam zij, na eenige oogenblikken
zwijgens, waarschijnlijk bespeurende, dat ik niet genegen was, haar
verder bescheid te geven. "Mijn vader zal ongetwijfeld dadelijk hier
zijn. Vergun mij u een oogenblik hier alleen te laten. Ik ga eens zien,
of ik hem ook van dienst kan zijn."
Met deze woorden zweeg zij en vertrok, de deur zorgvuldig achter zich
sluitende.
Mijn eerste beweging, zoodra ik mij alleen bevond, was, op mijne knieën
te vallen en den innigen dank mijns harten te brengen aan den
Almachtigen God, die mij zoo genadiglijk uit het doodsgevaar verlost
had. Niet slechts om mijnentwille dankte ik Hem, maar ook voor mijn
ouders en dierbaarste betrekkingen; want ik ijsde op het bloote
denkbeeld van hun ontsteltenis en rouw, indien zij eens vernomen hadden,
dat die zoon, wiens leven op een zoo langdurige reis en in vreemde
landen in gezondheid was gespaard gebleven, in zijn eigen vaderland en
zoo nabij het doel zijner bestemming door het moordend staal van roovers
ware gevallen. Ik bleef een geruimen tijd in die gestalte; want mijn
gemoed was vol en mijn ziel in een staat van hooge spanning: een
natuurlijk gevolg van mijn toestand. Toen ik oprees, voelde ik mij
vermoeid en afgemat, en zonk met gesloten oogen en gevouwen handen op
mijn stoel neder.
Langzamerhand begonnen mijn denkbeelden op te klaren: de ontmoeting met
de dieven speelde mij nog wel voor den geest; maar meer nog trof mij de
zonderlinge gril van het noodlot, die mij tweemalen op eenen dag, en
telkens op een zoo vreemde wijze, in kennis met een onbekende Juffer
bracht. Ik gevoelde thans echter minder opgewektheid dan des morgens om
mijn hof aan mijn gastvrouw te maken en bij haar den galanten ridder te
spelen; de doorgestane nattigheid, vermoeienis en schrik, en een zekere
ongerustheid, welke ik voedde omtrent hetgeen nog volgen moest, zouden
mij daartoe buiten staat hebben gesteld.
De jonge Juffer bleef intusschen weg, en ik moet tot mijn schaamte
bekennen, dat mij dit eenige ongerustheid begon te baren: vooral in
aanmerking der omstandigheid, dat zij den grendel op de deur geschoven
had, en dat ik mij dus in het kamertje opgesloten en gevangen bevond.
"Wie weet," dacht ik nu, "of die Heer Bos, of zooals hij heeten mag,
niet eenig voornemen omtrent mijn persoon koestert? Het is duidelijk,
dat hij onbekend wil zijn: zou hij ook de verspieder zijn van deze of
gene vreemde mogendheid, en geheime plannen vormen, verderfelijk voor
het Gemeenebest? Ik ben lang uitlandig geweest en dus niet op de hoogte,
om goed met onzen politieken toestand bekend te zijn. Er is misschien
een omwenteling, een oorlog ophanden. Deze man kan een avonturier zijn,
een hoofd van kwalijkgezinden, die mij gevangen wil houden, uit vreeze
dat ik zijn aanwezigheid alhier aan mijn vader verklikken zal."
Ik bleef bij dit laatste vermoeden staan, hetwelk mij, alles overdacht
hebbende, het aannemelijkste voorkwam, en hield mij intusschen bezig met
het opnemen van het kamertje, dat ik nu oordeelde mij ten kerker te
verstrekken.
Dit onderzoek was spoedig volbracht. De meubelen bestonden uit een
vermolmd, wormstekig noteboomhouten kabinet, op gedraaide pooten,
hetwelk naast de deur stond en met drie porseleinen vazen pronkte, in
eene van welke een ruiker van verlepte goudsbloemen geplaatst was.
Daartegenover bevond zich de kleine, met gewast taf bedekte tafel,
aangeschoven tegen het venster, dat in lood was gezet en met drie
ijzeren bouten voorzien, welke alle gedachte op ontkoming van die zijde
verijdelden. Bij de tafel stonden drie gemeene houten stoelen: de beide
vakken rechts en links waren betimmerd met dubbele deuren, die
vermoedelijk bedsteden verborgen.
De avond begon te vallen, en ik ongeduldig te worden: juist wilde ik
beproeven of ik de deur niet kon openen en onder het een of ander
voorwendsel naar beneden gaan, toen ik een bedaarden stap op de trappen
hoorde. De grendel week en de dochter mijne gastheers stond voor mij,
met een glas water in de hand.
"Mijn vader heeft mij alles verhaald," zeide zij, met een eenigszins
ontstelde stem; "wij ook zijn u dank verschuldigd: ik heb gedacht, dat
gij wellicht zoudt verlangen, iets te drinken ... en ik geloof, niet ten
onrechte: maar ga toch zitten: gij beeft er, dunkt mij, nog van."
Zij reikte mij het glas toe: ik wilde het aan den mond brengen, maar
juist toen zag ik, dat het troebel was: de gedachte, of er ook een
slaapdrank in gemengd was, kwam mij pijlsnel voor den geest.
"Neem het maar," vervolgde zij: "'t is klaar water, waarin ik eenige
droppels spiritus heb gedaan. Ik zou u gaarne wijn aanbieden; maar dien
hebben wij niet."
Ik schaamde mij nu over mijn argwaan: en het meisje, dat zoo minzaam en
hartelijk tegen mij sprak, geen minder vertrouwen waardig achtende dan
Alexander aan zijn geneesheer betoonde, dronk ik het glas in langzame
teugen ledig.
"Te veel goedheid!" zeide ik, terwijl mijn tanden tegen het glas
kletterden: "inderdaad! gij komt mijn verlangen voor; want ik schaam mij
niet te erkennen, dat mij dat geval van zooeven eenige ontsteltenis
veroorzaakt heeft."
"Men zou van iets minder kunnen ontstellen," zeide zij; "althans wanneer
men aan dergelijke schriktooneelen ongewoon is; maar helaas! men went
aan alles," voegde zij er op een droefgeestigen toon bij.
"Hoe, Mejuffer!" zeide ik, eenigszins verwonderd, en hopende door mijn
vraag den draad van het geheim machtig te worden: "is u ooit iets
dergelijks overkomen?"
"Er zijn droevige omstandigheden van verschillenden aard," antwoordde
zij: "het tooneel, dat hedenmorgen te Soest plaats had, was reeds genoeg
om iemand schrik aan te jagen."
"'t Is waar ook! Gij moet u toen in die huifkar niet op uw gemak
bevonden hebben. Weinig dacht ik, zoo spoedig en op zulk een vreemde
wijze, kennis te zullen maken met de persoon, die zich daarbinnen aan
ieders oog onttrokken hield."
"Ach!" zeide zij, op een weemoedige wijze het hoofd schuddende: "mijn
vader heeft geglimlacht, toen hij mij verhaalde met welk een kluchtigen
vond gij ons een veiligen aftocht bezorgd hebt. Hij had dit sedert jaren
niet gedaan."
"Hij schijnt vele wederwaardigheden ondergaan te hebben," zeide ik.
"Gave God," hernam zij, "dat wij daarvan slechts in den verleden tijd
mochten spreken!"
Hier zweeg zij, en zich omwendende, wischte zij een traan uit het oog.
Ik wist ook niet, hoe het gesprek weder te beginnen: het innige
zielelijden, hetwelk haar scheen te beheerschen, boezemde mij eerbied
in, en in de stemming, waarin zij zich bevond, vreesde ik een gezegde te
wagen of een uitdrukking te bezigen, die haar gemoed op dezelfde
onaangename wijze zou kwetsen als een valsche toon de ooren eens
kenners. Van een anderen kant, dacht ik, zou het misschien onbeleefd
kunnen geacht worden, het gesprek geheel te laten vallen: en ik waagde
derhalve de volgende vraag:
"Deze hoeve is ongetwijfeld uw gewone huisvesting niet."
"Helaas! Mijnheer!" antwoordde zij op een toon, die mij tot in de ziel
roerde: "wij hebben geen huisvesting, die wij de onze kunnen noemen."
"Niet, Mejuffer!" zeide ik: "dan moet ik des te meer mijn vrijpostigheid
beschuldigen, van u door mijn bijzijn nog grooteren last te
veroorzaken."
"Verschoon mij," hervatte zij, zich herstellende: "mijn vader heeft u,
geloof ik, reeds gezegd, dat die last niet noemenswaardig is.
Integendeel," voegde zij er fluisterend bij, "ik ben overtuigd, dat hij
u niet herwaarts zoude gebracht hebben, indien hij niet van oordeel ware
geweest, dat zulks niet tevens het raadzaamst ware voor onze
veiligheid."
Dat was wel juist hetgene, waar ik ook van overtuigd was; maar toch
klonk het mij eenigszins vreemd, de openhartige bekentenis daarvan uit
haren mond te vernemen. Ik meende dan ook te moeten te kennen geven, dat
ik geenszins de _dupe_ der uitnoodiging van den Heer Bos geweest was.
"Het spijt mij, Mejuffer!" zeide ik, "dat uwe woorden mij bevestigen in
een vermoeden, hetwelk ik reeds als onwaardig had onderdrukt, dat
namelijk uw Heer vader mij verdenken kon van hem te zullen verraden."
"Verraden!" herhaalde zij, terwijl ik haar oogen, niettegenstaande de
duisternis, welke reeds in het vertrek begon te heerschen, zag
schitteren van verontwaardiging: "indien hij u daartoe bekwaam had
geacht, zou hij u dan hier gebracht en vrijwillig met zijn schuilplaats
bekend gemaakt hebben? Wat wist gij van hem, dat gij zoudt kunnen
verraden?... maar vergeef mij, Mijnheer, ik spreek als een onverstandig
meisje over zaken, waarover het zwijgen mij beter voegde. Erger u niet
over de woorden, die ik mij ontvallen liet: de zonderlinge, de valsche
toestand, waarin wij ons bevinden, vergunt mij niet, u duidelijker uit
te leggen wat ik meene en gevoele. Gij zult geen misbruik maken van een
uitdrukking, die mij onbedacht ontsnapte. Een woord van u zou ons niet
alleen, maar ook de arme vrouw, die deze hoeve bewoont, in 't ongeluk
atorten. Zeg mij, dat ik in u hetzelfde vertrouwen mag stellen, hetwelk
mijn vader toont jegens u te voeden: zeg mij, dat gij de wetten der
gastvrijheid eerbiedigen zult."
"Mejuffer!" antwoordde ik, getroffen en verbaasd over deze uitboezeming
van schijnbaar onsamenhangende woorden, welke mij per slot even wijs
lieten als ik bij den aanvang was: "gij zegt wèl, dat ik, al wilde ik
ook, omtrent uw vader of u niets zou kunnen verraden; want niet alleen,
dat mij niets ten uwen opzichte bekend is; maar ook de plaats van uw
tegenwoordig verblijf zal niemand van mij vernemen, indien dit althans
uw verlangen is;--zou ik iets kunnen weigeren aan hem, die mij het leven
gered heeft?--Het smart mij maar, dat iemand, van uwe kunne en jaren,
genoodzaakt is zich schuil te houden, in stede van zich met opgeheven
hoofd in de samenleving te vertoonen, waarvan zij zeker een sieraad zou
uitmaken."
Deze laatste woorden sprak ik op een zeer koelen toon uit, opdat zij er
niet den minsten zweem eener plichtpleging in zou bespeuren. Haar
antwoord toonde mij ook, dat zij die niet als zoodanig had opgevat.
"Men kan niet betreuren, wat men nooit gekend heeft," zeide zij,
weemoedig het hoofd schuddende: "en voorzeker zou ik mij kwalijk
geplaatst vinden in die samenleving, welke gij bedoelt. Het weinige
echter, dat ik daarvan gezien heb, is mij niet uitlokkelijk genoeg
voorgekomen om mijn gedachten lang bezig te houden of die af te trekken
van de roeping, die mij hier op aarde is aangewezen."
Ik bleef eenigszins verlegen staan, niet wetende wat te antwoorden op
haar betuiging, toen gelukkig voor mij, en ook voor haar, zoo ik mij
niet bedrieg, de Heer Bos de kamer binnentrad. Hij had zich van zijn
rooden reismantel ontdaan en vertoonde zich nu aan mij in het eenvoudige
gewaad van een land-edelman of gegoeden pachter.
"Ik vraag u om verschooning, zoo ik u wat lang heb laten wachten," zeide
hij, zich tot mij wendende op een wijze, die wel hoffelijk was, maar
toch altijd als die welke men in acht neemt jegens iemand, die een sport
lager op de maatschappelijke ladder staat: "ik had beneden nog iets te
verrichten: mijn dochter heeft het u, hoop ik, aan niets laten ontbreken
... immers, aan niets van hetgeen wij u hier kunnen verschaffen," voegde
hij er met een bitteren lach bij.
"Ik weet niet, wat ik voor het oogenblik zou kunnen verlangen," zeide
ik, "of het zou een gelegenheid moeten zijn om mijn aangezicht en mijn
kleederen te ontdoen van het slijk en de modderspatten, die ik op weg
heb opgedaan."
"Ga een waschkom halen, Amelia!" zeide de Heer Bos: "en een
kleerborstel, indien hier een dergelijk meubel te vinden is ... of, hoe
kan ik zoo dwaas wezen? ik heb den mijnen immers in den zak."
De jonge juffer vertrok en ik begon mijn plunje een weinig op te
knappen, met behulp van den zakborstel, dien mij de Heer Bos had
toegestoken. Onder het schuieren trof iets blinkende op de keerzijde van
den borstel mijn oogen: ik bezichtigde dien van naderbij en zag, dat het
een koperen plaatje was, waarop hetzelfde wapen gesneden stond, dat ik
op den zegelring ontdekt had. Mijn beweging ontging mijn gastheer niet
en, naar het mij voorkwam, maakte die hem eenigszins onvergenoegd;
immers, zoodra zijn dochter terug was en het waschwater, dat zij bracht,
op de tafel had nedergezet, nam hij den borstel terug, bezag dien en
reikte hem toen aan haar over: "verbrand dit meubel," zeide hij.
"Hoe Papa! dien borstel, dien gij zoovele jaren gebruikt hebt en die u
nooit verliet!" riep zij, hem verbaasd aanziende.
"Verstaat gij niet, wat ik zeg? Mijzelven kost het, van een ouden
dienaar te scheiden, al is het maar een borstel;--maar wij moeten niets
overhouden, dat ons verraden kan. Ga mijn kind! en doe wat ik u gelast
heb: blijf verder Martha maar wat helpen: ik heb, gelijk gij weet, nog
wat met dien Heer te spreken."
Amelia zuchtte en vertrok, het hoofd schuddende en den borstel
beschouwende.
"Zij is er niet in gesticht," zeide haar vader, haar naoogende: "en ik
kan het klaar begrijpen; want mijzelf hindert het ook. Men moge het een
kinderachtig zwak noemen; maar er bestaat toch bij ons een stellige
gehechtheid aan voorwerpen, die wij lang gebruikt hebben en waar wij aan
gewoon waren; en er is iets onaangenaams in het verlies daarvan gelegen:
hoeveel te lastiger is het dan niet, wanneer men door de
noodzakelijkheid gedrongen wordt, die op te offeren ... ja te
vernietigen;... maar dat daargelaten. Zoodra gij u genoegzaam
opgefrischt zult hebben en op uw gemak bevinden, zal ik u een oogenblik
gehoor verzoeken."
Ik verlangde niets liever; want ik hoopte nu eindelijk al het
geheimzinnige opgeklaard te zien, hetwelk tot nog toe de gedragingen en
woorden van vader en dochter verzeld had. Ik haastte mij dus zooveel
mogelijk met mijn toilet en plaatste mij toen recht over den Heer Bos in
de gemakkelijkste houding die ik nemen kon. In hoeverre aan mijn
verwachting voldaan werd, zal men in het volgende Hoofdstuk beschreven
vinden.
* * * * *
ZEVENDE HOOFDSTUK.
VERMELDENDE, WAT DE HEER BOS AAN FERDINAND VERTELDE, EN HOE DEZE PER
SLOT NOG EVEN WIJS BLEEF, GELIJK OOK HET GEVAL MET DEN LEZER ZAL ZIJN.
"Ik ben overtuigd, Mijnheer Huyck!" zeide mijn gastheer na eenige
oogenblikken stilte, "dat gij u al vreemde gedachten van mij gevormd
hebt, en uw geest gedurende de laatste twee uren vruchteloos op de
pijnbank hebt gezet om uit te vorschen, wie ik toch eigenlijk ben en wat
ik met u voorheb."
"Indien dit al zoo ware," zeide ik, "geloof ik van mijn kant te mogen
zeggen, dat al wat ik in die twee uren gezien en gehoord heb, niet
weinig gestrekt heeft om de denkbeelden en pogingen, die UEd. mij
toeschrijft, te rechtvaardigen."
"Dat stem ik u toe. Zelfs de zoodanigen, die zich het minst aan de
handelingen hunner medemenschen gelegen laten liggen, zouden, in een
geval als het uwe, hunne nieuwsgierigheid geprikkeld gevoelen. Het spijt
mij slechts, dat mijn eigene veiligheid mij verbiedt, aan uw weetlust
naar vereischten te voldoen."
Ik keek niet weinig op mijn neus; want nu bleef ik even ver als te
voren: "wat drommel kan de vent van mij willen?" dacht ik bij mijzelven;
"zoo hij mij anders niets te zeggen heeft, waartoe dan die plechtstatige
voorbereiding en die inleiding, die meer dan een foppage is?"
"Mijnheer!" zeide ik: "ik eerbiedig uw geheim en begeer niets daarvan te
weten, zoodra UEd. begrijpt het te moeten voor u houden. Indien het
echter de vrees is voor mijn onbescheidenheid, welke u zou weerhouden,
mij uw vertrouwen te schenken, zoo moet ik u mijn leedwezen betuigen,
dat gij geen betere gedachten omtrent mij koestert."
"Nu spreekt gij als alle jonge lieden, die het in hun verheven waan
hoogst kwalijk nemen, wanneer men hen niet beschouwt als van een andere
klei gevormd dan de overige kinderen van Eva. Neen, Mijnheer Huyck! ik
geloof en vertrouw, dat gij een braaf, rechtschapen jongeling zijt, die
mij de volstrektste geheimhouding zoudt beloven, en dat wel ter goeder
trouw.--Het zou slechts te bezien staan, of gij u altijd in de
mogelijkheid zoudt bevinden, dia te bewaren."
"Ik begrijp niet," zeide ik, "wat mij zou kunnen verhinderen, mijn woord
gestand te doen."
"O! Ik begrijp dit des te beter!" hernam hij: "en het zal u straks
wellicht mede duidelijk worden;--doch ter zake:--want het is niet om u
bloot te vertellen dat ik u niets zeggen wil, dat ik dit onderhoud
begonnen ben. Ik heb van u twee diensten te vragen: en de betuigingen
van erkentenis, die u straks ontvallen zijn, geven mij den moed,
daarmede onbeschroomd voor den dag te komen."
"Ik zal de vrijheid nemen," zeide ik, "UEd. te doen opmerken, dat die
betuigingen mij niet ontvallen zijn, maar welgemeend waren.--Wat verder?"
"Gij zijt een letterknecht," zeide de Heer Bos; "intusschen, uw
opheldering bevalt mij; want zij toont, dat gij niet behoort tot dat
slag van menschen, die veel beloven en weinig geven. Dan, gij wildet nog
iets zeggen."
"Slechts dit wilde ik er bijvoegen," zeide ik: "dat ik bereid ben UEd.
alle diensten te betoonen, welke niet buiten mijn vermogen liggen of
tegen mijn plicht strijden."
"Ziedaar een hoogst voorzichtige en prijzenswaardige _restrictie_,"
zeide de Heer Bos, zich de kin wrijvende: "Jammer maar, dat men, wanneer
het er op aankomt, zoo oneindig veel onder die rubriek van plicht kan
brengen, terwijl de perken van het vermogen somtijds zoo bijster eng
worden;--doch, wij zullen zien, hoe gij over mijn verzoeken denken zult.
Luister!--In de eerste plaats zal het mij aangenaam zijn, dat gij bij
niemand, wie het ook wezen moge, iets van onze ontmoeting te Soest, noch
van die historie met Zwarten Piet en zijn maats, noch van uw
nachtverblijf alhier, eenig en het minste gewag maakt."
"Maar," vroeg ik, "welke voldoende redenen zal ik dan kunnen geven van
het oponthoud, dat mij belet heeft, heden mijn reis naar Amsterdam voort
te zetten, gelijk mijn stellig voornemen was?"
"Daar hebben wij al zwarigheden," zeide mijn gastheer, niet zonder
eenige bitterheid: "kunt gij het slechte weer, de vochtige wegen, het
misloopen der schuit en honderd andere redenen, die gij zelf beter kunt
uitdenken dan ik, niet opgeven aan hen, die recht hebben u daarnaar te
vragen?"
"Ik ben niet gewoon de dingen anders te vertellen, dan zij zich hebben
toegedragen," zeide ik, droogweg: "doch in dit bijzonder geval wil ik u
de belofte doen, te verklaren, dat zoowel het weer, 't geen waar is, als
andere omstandigheden, die ik niet noemen kan, mijn reize vertraagd
hebben; onder dit enkele beding echter, dat ik aan mijn vader, voor wien
ik nooit iets verborgen hield, al wat mij is overkomen, onbewimpeld
verhale."
"Aan uw vader!" herhaalde de Heer Bos met eenige drift, en terwijl hij
zijn stoel verzette. "Het aan uw vader verhalen?--Is dit kinderpraat of
mannentaal?--Aan uw vader! opdat hij zijn rakkers uitzende en zoowel
Zwarten Piet en zijn bende als mij en mijn arme dochter in triomf binnen
Amsterdam doe sleepen?--Meent gij het oprecht? of hoe heb ik het met u?"
"Geloof, Mijnheer!" zeide ik, "dat ik mijn vader genoeg ken, om te
weten, dat ik hem iets van dezen aard vertrouwen kan, zonder dat hij er
eenig misbruik van maken zal. Denkt gij, dat ik anders de veiligheid van
mijn redder in de waagschaal zou willen stellen, of zelfs het leven van
dien roover, die, om welke reden dan ook, van zijn opzet heeft
afgezien."
"Gij zijt een braaf mensch," hervatte de Heer Bos, na eenige
oogenblikken te hebben nagedacht: "ik weet, ik kan u niet beletten aan
uw vader, ja aan iedereen, te vertellen wat gij wilt. Dit _dilemma_ wil
ik u slechts ter overweging voorhouden:--uw vader is Hoofdschout, en als
zoodanig heeft hij, dit weet ik, last bekomen, mij overal op te sporen,
en, zoo hij mij vinden kan, mij uit te leveren aan hen, die mijn verderf
zoeken. Zoo gij hem dus op het spoor brengt van mijn tegenwoordig
verblijf, zult gij dan bij hem, die, zoo ik weet, een gemoedelijk man
is, niet, hetgeen gij rechtsgeleerden een _pugna officiorum_ noemt, doen
ontstaan? Zal hij dan volgens zijn eed niet gehouden zijn den man te
doen vatten, dien hij, als de redder zijns zoons, uit dankbaarheid
liever sparen zou?"
Hier zweeg hij een oogenblik, als om de uitwerking zijner redeneering af
te wachten. Ik gevoelde daarvan het gewicht: want ik wist, hoe gestreng
en nauwgezet mijn vader was in het betrachten zijner plichten, en hoe
het hem zou hinderen, in het bezit te wezen van een geheim, waar hij
niet dat gebruik van mocht maken, hetwelk zijn ambt en plicht hem
voorschreven.
"Daarentegen," vervolgde de Heer Bos: "zoo gij zwijgt, blijft uw geweten
en--dat uws vaders in rust. Hij zal te mijnen opzichte de ontvangene
bevelen trachten ten uitvoer te leggen en zulks meer onbekommerd doen,
daar hij niet weten zal dat hij eenige verplichting aan mij heeft: en
gij van uw kant, zult u noch het verwijt behoeven te doen, de oorzaak
mijner gevangenneming geweest te zijn, noch dat, van uw vader belet te
hebben zijn plicht te volbrengen."
Ik had niets tegen deze redeneering in te brengen; en ofschoon het mij
altijd een hinderlijk denkbeeld bleef, iets voor mijn vader te moeten
verzwijgen, achtte ik echter in dit bijzonder geval aan het verlangen
van mijn gastheer te moeten voldoen.
"Het is wel," zeide ik: "ik beloof u, geen melding van het voorgevallene
te maken aan wien het ook zij; doch onder een uitzondering, welke, zoo
ik meen, geheel in uw voordeel is. Indien het u eens niet gelukt, de
handen der justitie te ontsnappen, sta mij dan toe, door mededeeling van
het gebeurde, mijn vader een gunstige gedachte jegens u te doen
opvatten. Misschien kan hij u alsdan van dienst zijn, en zeker zal hij
dat, indien het in zijn vermogen is."
"Deze voorwaarde is zoo billijk," zeide de Heer Bos, "dat ik die niet
slechts volkomen goedkeure, maar u tevens machtig, om ingeval ik eens
buiten gevaar geraak (waarvan ik u alsdan de tijding zal doen geworden),
hem insgelijks omtrent het gebeurde in te lichten.--Dit punt alzoo
afgesproken zijnde, ga ik over tot mijn tweede verzoek, waartegen ik
overtuigd ben, dat gij minder bedenkingen zult opperen, hoezeer de
vervulling daarvan u waarschijnlijk meer last zal veroorzaken, dan die
van het eerste."
"Ik ben verzekerd," dacht ik bij mijzelven, "dat deze Heer Bos een
bankroetier is en mij geld te leen gaat vragen."
"Na hetgeen ik vroeger gezegd heb," vervolgde hij, "zal ik u niet
behoeven te vertellen, dat ik mij niet in Amsterdam kan vertoonen,
zonder gevaar te loonen van in de knip te geraken. Hier in den omtrek
kan ik mij uithoofde van oude betrekkingen beter schuilhouden en de
spionnen van den Baljuw van Gooiland, die ook wellicht nog geen bevelen
omtrent mij ontvangen heeft, beter misleiden. Intusschen kan ik mijn
arme dochter niet bij mij houden: zij moet in mijn zwervend leven niet
deelen; en hare tegenwoordigheid zoude slechts strekken om mijn
schuilhoek des te eerder te doen ontdekken. Bovendien moet ik te
Amsterdam eenig geld en eenige oude papieren ontvangen: een commissie,
waarmede niemand zich zou kunnen of willen belasten, en die ik alleen
aan mijn Amelia kan opdragen. Een zekere notaris Bouvelt, die in uwe
stad woont, en wien gij misschien wel zult hebben hooren noemen, zal
haar tot zijnent huisvesten en voor een nicht van hem laten doorgaan. Is
zij eens daar, dan ben ik niet langer omtrent haar bekommerd;--doch de
groote zwarigheid is: hoe komt zij in Amsterdam?"
Ik keek eenigszins vreemd op. "Wel Mijnheer Bos!" zeide ik; "er vaart
immers om de twee uren een volksschuit van Naarden op Amsterdam: en er
zijn rijtuigen genoeg te krijgen, zoodat...."
"Dat weet ik," hernam hij: "maar ik weet ook, dat huurkoetsiers en
schippers gehouden zijn bericht te geven aan den Hoofdschout van al de
passagiers, die hun verdacht voorkomen."