Het was op die hoogte ongeveer, dat de flauw gehoorde tonen van een klok

of bengel, welke allengskens duidelijker in mijn ooren klonken, mij

aankondigden, dat ik Naarden al vast naderde, doch tevens, dat ik mij

zou moeten reppen om er nog tijdig te zijn. Terwijl ik alzoo met

verhaasting voorttrad, kwam ik aan een plaats, waar kort te voren,

gelijk aan het wielspoor te zien was, een wagen had omgedraaid:

waarschijnlijk de meer vermelde huifkar. Dit zou echter mijn

opmerkzaamheid niet bijzonder hebben getrokken, ware het niet geweest,

dat ik, juist te dier plaatse, in 't voorbijgaan iets zag liggen,

hetwelk ik, bij nadere beschouwing, voor een groene beurs herkende.

Ik raapte die op en bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan.

Waarschijnlijk was deze beurs, welke redelijk wel voorzien scheen, aan

een der personen, die in het rijtuig gezeten hadden en wier voetstappen

nog bij het spoor te zien waren, bij het uitstappen ontvallen: maar hoe

die weer aan de eigenaars terugbezorgd? de voerman was mij onbekend en

kende zelfs, volgens zijn voorgeven, zijn passagiers niet, die hem niet

aan een huis of plaats, maar midden op weg hadden verlaten.

Al overpeinzende, wat mij te doen stond, opende ik onder het

voortwandelen de beurs, ten einde te onderzoeken of zich daar ook iets

in bevond, hetwelk mij eenig licht zou kunnen verschaffen. Ik ledigde

het daarin beslotene in mijn hand: het was een goede som in gouden

rijders en dukaten, en bovendien een gouden zegelring, met een fraaien

koralijn, waarop een wapen zeer kunstig gesneden was. Terstond liet ik

het goud weder in de beurs glijden en vestigde al mijn aandacht op het

wapen, in de hoop dat mij dit op den goeden weg zoude helpen om den

eigenaar terug te vinden; maar nauwelijks had ik gezien, dat het in een

Sint-Andrieskruis met omgekrulde punten bestond en bovendien met

talrijke sieraden omslingerd was, waarvan ik de beteekenis niet zoo

spoedig kon ontcijferen, of ik hoorde opeens in de nabijheid een gefluit

en te gelijk een geritsel van takken, alsof iemand zich een weg door de

struiken baande. Ik verschrikte, zag om: en ziet! daar sprong een kerel

van den hoogeren boschkant op den weg en klopte mij op den schouder met

den uitroep "_annemekanneme meêsamen_!

Ik stond verzet: ik wist dat deze woorden, wier rechte samenhang of

beteekenis ik nooit heb kunnen uitvorschen, zooveel moesten te kennen

geven, als: "wij deelen het gevondene te zamen:"--en, wat mijn

ontsteltenis niet weinig vermeerderde, was de omstandigheid, dat ik in

den man, die mij zoo vrijpostig op zijde kwam, mijn vriend Andries

herkende, en de overtuiging, dat hij mij de beurs had zien oprapen.

Ik zag terstond in, dat een onverschrokkene houding alleen in staat

ware, den vent van mij af te houden, en, mijn stok met kracht

omvattende, zag ik hem scherp in 't gezicht en vroeg, wat hij begeerde.

"Wat ik begeer!" herhaalde hij met een hoonenden lach: "wel! niet meer,

hoop ik, dan wat mij van rechtswege toekomt. Ik heb die beurs net even

gauw gezien als jij: en ik wou er juist op an laveeren, toen jij er zoo

vlak voor-de-wind op aanschoot: je moet niet denken, dat jij alleen

recht heit, om die geeltjes bij moeder Kee te gaan verzwendelen: ik heb

ze al zoo noodig als jij."

Ik was staande deze redeneering van Andries met hem vooruitgewandeld,

maar hield hem niettemin in het oog, gereed hem voor te komen bij de

minste verdachte beweging die hij maakte: "al wat gij zegt moge waar

zijn," zeide ik: "maar hetgeen ik gevonden heb, behoort noch aan u noch

aan mij, en ik ben voornemens het den rechten eigenaar terug te

brengen!"

"Ei! ei!" zeide Andries, een spottend gezicht zettende: "terugbrengen!

wel dat bedenk je fijn! denk je dat ik je uitvluchten niet merk en geen

lont ruik? Je wilt met ongebroken lading wegzeilen; maar dat gaat zoo

niet: je zult bijdraaien, kameraad! of we zullen jou enteren."--En dit

gezegd hebbende, floot hij ten tweedenmale.

De zin der geuite woorden was te duidelijk om kwalijk verstaan te

worden: ik was nu overtuigd dat Andries niet slechts een twistzoeker,

maar een struikroover was, en dat ik mij van hem moest ontslaan eer hij

hulp kreeg: met vaardigheid lichtte ik mijn knuppel op en deed dien op

een niet zachte wijze op zijne, reeds naar mij uitgestoken handen

nederkomen, waarna ik het met allen spoed op een loopen zette, in de

hoop van alzoo den medehelpers van Andries, zoo hij die al had, te

ontkomen.--De vlucht was mij echter van geen nut; want nauwelijks was ik

tien passen verder, of twee andere kerels sprongen van weerszijden uit

de struiken voor den dag: en terwijl de een mij den pas afsneed, greep

mij de ander in den kraag.

"Pas op, Haentje! dat hij je de loef niet afsteekt," riep Andries,

toesnellende: "hij wou het mij draaien, maar hij zel er voor bloeien,

nou hij voor drie ankers leit."

"Verroer u niet, of het gaat er door," duwde mij Haentje te gemoet, in

wien ik den man herkende, met wien Andries uit Eemnes vertrokken was: en

meteen zette hij mij een mes op den strot.

"Kom Koopman!" zeide toen de derde roover, met veel bedaardheid een

pistool voor den dag halende, hetwelk hij mij voorhield: "laat u raden:

alle tegenstand ware onnut: overhandig ons goedschiks hetgeen gij aan

goud en zilver bij u mocht hebben: gij zult daarna eens zoo luchtig

voortwandelen."

Ik zag dezen man, terwijl hij sprak, in 't gezicht. Hij was iemand van

een allergunstigst uiterlijk, dat merkelijk afstak tegen het hatelijke

voorkomen van Andries en de bruine, fielterige tronie van Haentje. Zijn

gelaatstrekken waren, ja, eenigszins verschroeid en verhard, als die van

iemand, die in verre landen gereisd heeft; maar toch regelmatig en

innemend; geestigheid fonkelde in zijn gitzwarte oogen: en krullende

lokken van dezelfde kleur versierden zijn schedel. Zijn gewaad

daarenboven, dat uit een deftigen zwarten rok en broek bestond, zoude

aan niemand in hem den struikroover hebben doen vermoeden.

Alle weerstand was vruchteloos: ik lag letterlijk, zooals Andries zich

had uitgedrukt, voor drie ankers vast. "Indien het niet anders kan,"

zeide ik, "neem dan hetgeen ik bezit: voor geweld moet ik zwichten."

"Ziet! dat is gesproken, gelijk een verstandig man betaamt," zeide de

Zwartrok, op den vriendelijken toon, welken een grootvader zonde

aannemen ter aanmoediging van zijn kleinzoon, die hem een

verjaringsgedicht was komen opzeggen: "en daar gijzelf niet rijk

schijnt, zullen wij ook matig in onze eischen zijn en u nog een paar

dubbeltjes overlaten om te Naarden een slok te koopen en van den schrik

te bekomen."

"Niet rijk!" herhaalde Andries: "zoo meteen is hij nog op onze eigene

kust komen kapen en heeft een beurs vol goud van den weg opgevischt--ik

heb hem net bijtijds gepraaid, anders was hij er mede schoot gegaan;

want dat doet er niet toe ... wou jij hem laten loopen, Pieterbaas? ik

heb hem hedenmorgen al gewaarschuwd, dat hij niet weer in mijn vaarwater

zou komen ... en mijn woord moet ik houen, weet je.".

Deze woorden boezemden mij geen geringe bezorgdheid in, en ik sloeg het

oog met ongerustheid op den in 't zwart gekleeden roover, tot wien

Andries zijn rede wendde. Ik sidderde, toen ik hem de wenkbrauwen zag

samentrekken en op een korten gebiedenden toon hoorde zeggen: "kent gij

hem?--In 't bosch dan met hem!"

Dit bevel was nauwlijks geuit of de schelmen namen mij op en sleepten

mij tegen de hoogte op en door de struiken.

Een koude rilling liep mij door de aderen; want welk ander oogmerk kon

men hebben met mij van den weg af te voeren, dan dat van mij uit te

schudden en te vermoorden? Ik vormde intusschen het vast besluit, mijn

leven niet dan ten duurste te verkoopen, en alle middelen, welke list of

geweld mij aan de hand mochten doen, ter ontkoming aan te wenden. Voor

het oogenblik echter viel er aan geen wederstand te denken; want ik

bleef het koude staal tegen mijn nek en den mond van het pistool op de

borst voelen; maar, toen wij allengskens wat verder in het kreupelbosch

geraakten, waar ik mij met opzet als een levenloos lichaam doorheen liet

sleuren, vonden zich de roovers genoodzaakt hunne moordtuigen een

oogenblik van mij af te houden: Haentje om een tak af te snijden, die

hem in den weg was, en de Zwartrok, om zijn hoed op te rapen, die aan

een struik was blijven haken. Ik oordeelde, dat nu het gunstige

oogenblik ter mijner verlossing gekomen was; ik rees eensklaps weder op,

en mij van Andries, die mij nog vasthield, losrukkende, maakte ik

rechtsomkeert, sprong over de mij in den weg staande struiken heen en

liep nu al wat ik loopen kon om den heirweg weder te bereiken. Het bleek

mij echter daarna dat ik een verkeerden kant had ingeslagen: weldra

bevond ik mij, bijna gelijktijdig met de drie knapen, die mij onder de

afgrijselijkste vervloekingen achtervolgd waren, op een klein open

kampje, met mislukte rogge beteeld, en waar een voetpad dwars

doorheenliep. Mijn krachten waren uitgeput: ik bemerkte, dat ik weldra

zou ingehaald worden, en keerde mij derhalve als wanhopend om.

"Waagt het niet, mij te naderen," riep ik, mijn stok, dien ik altijd was

blijven behouden, met gezwindheid om mij heen zwaaiende.

Mijn houding boezemde den schurken eenig ontzag in. Hij, die de hoofdman

der bende scheen, haalde den haan van zijn pistool over.

"Laat die gekheid varen," zeide hij, op mij aanleggende, "of het gaat er

door."

"Maak maar gerucht," hernam ik: "de justitie is u al op 't spoor."

"Hij heeft voorden duivel gelijk ook," hernam de Zwartrok, lachende, en

stak meteen zijn pistool, dat waarschijnlijk ongeladen was, weder bij

zich: "maar, het zal hem weinig baten." Dit zeggende, haalde hij een

kort rapier van onder zijn kleederen voor den dag, trok zijn rok uit, en

kwam met het ontbloote staal op mij af. Ik verdedigde mij een korte

poos, onder het aanhoudend geschreeuw van: "moord! moord! dieven!" maar

het gelukte eindelijk aan den knaap, die den naam van Haentje droeg,

mijn arm te vatten op het oogenblik dat ik daarmede een stoot van den

hoofdman afweerde: en te gelijkertijd voelde ik mij door Andries bij de

beenen grijpen en van den grond lichten. Ik stortte voorover, en achtte

mijn laatste uur geslagen te zijn, toen ik op het onverwachts een

krachtigen vuistslag op het hoofd van een mijner bespringers hoorde

klinken en Andries naast mij op 't gras zag neertuimelen. Ik rees op, en

ziet! de vreemdeling met den rooden mantel stond met opgeheven hand aan

mijn zijde. Hij droeg geene wapens en toch schenen zijn forsche houding,

zijn onverwachte verschijning en de krachtige wijs, waarop hij Andries

het gewicht van zijn arm had leeren kennen, diens makkers met

verbijstering te hebben geslagen: althans zij bleven een wijl

besluiteloos staan. Echter vatteden zij weldra weder moed: en terwijl

Haentje zijn mes opraapte, dat hem bij de worsteling ontvallen was, liep

de hoofdman met opgeheven staal mijn redder tegemoet.

"Hoe is het, Zwarte Piet? Kent gij mij niet meer?" vroeg deze, zonder

zich te verroeren, en hem strak aanziende.

"Is het wel mogelijk!" zeide Zwarte Piet, met verbazing, terwijl hij

zijn rapier zakken liet, en zijn hoed haastig afnam: "zijt gij het zelf,

Kapitein! of is het uw geest?"

De andere roover wilde toespringen, maar de hoofdman deed hem door een

wenk op zijn plaats blijven.

"Is dat uw handwerk tegenwoordig?" vervolgde de Roodmantel, op een

verwijtenden toon: "moest ik zoo iets verwachten van iemand, die onder

mij gediend heeft?"

"Ja, Kapitein!" zeide Zwarte Piet, met een deemoedig gezicht, en zijn

hoed tusschen de handen wrijvende: "wat zal ik u zeggen? 't Is een

slechte tijd, en...."

"Geen woord meer!" hernam de vreemdeling: "neem uwen makker op, zoo hij

niet loopen kan: en zorgt, dat gij voor den nacht alle drie den omtrek

van Naarden verlaten hebt, of gij zult de galg niet ontsnappen, dat

beloof ik u."

De roover zette, zonder een letter te antwoorden, den hoed weder op het

hoofd, stak zijn rapier in de scheede, trok zijn rok aan, en gelastte

Andries op te staan en hem te volgen. De schelm, die intusschen weder

was bijgekomen, voldeed terstond aan het eerste gedeelte van het

verzoek, maar had naar het tweede geen ooren.

"Voor den d....!" zeide hij, den vreemdeling en mij met een woedenden

blik aanziende: "zullen wij vlag strijken, zonder die schooiers nog eens

de volle laag te geven?"

"Ja!" zeide Haentje, zijn hoofdman met bevreemding aanziende: "ik

begrijp niet...."

"Gij begrijpt niet?... Gij behoeft ook niets te begrijpen, domme ezels

die gij zijt," zeide Zwarte Piet, hen elk bij een arm nemende: "gij ziet

den man, die daar staat: zoo hij mij gelastte u beiden op te hangen, ik

zou het doen ook, voelt gij. Kom! kom! geen praatjes meer. Gij weet,

waar wij elkander terugvinden en maakt dat gij van hier komt, of ik zal

u beenen maken."

Hoewel de twee schelmen vrij wat forscher uiterlijk hadden dan hun

hoofdman, schenen zij echter gewoon van voor den zedelijken invloed des

laatsten hetzelfde ontzag te voeden, als deze wederkeerig aan den

vreemdeling betoonde: en, schoon eenigszins brommende en schoorvoetende,

trokken zij langs verschillende kanten het bosch in en weldra uit ons

gezicht.

"Is er nog iets van uw dienst, Kapitein?" vroeg de roover, zoodra zij

vertrokken waren, den vreemdeling beleefd naderende.

Deze vergenoegde zich met van neen te schudden.

"Indien gij mijn diensten noodig mocht hebben," vervolgde hij: "mijn

adres is altijd te bevragen bij Maaike Katers, in den Duivelshoek, te

Amsterdam."

Hier zweeg hij plotseling en sloeg een argwanenden blik op mij:

"Ik heb mij daar mooi verpraat," zeide hij: "maar!" hier werd de toon

zijner stem, die, zoodra hij tegen den vreemdeling sprak, beleefd en

welluidend was, weder kort en scherp: "Mijnheer! gij zijt gewaarschuwd,

voorzichtig te zijn."

"Ik zal dat alles wel schikken," zeide mijn redder. "Maak maar, dat gij

nu van hier komt, en gij zult niets te vreezen hebben."

De roover glimlachte op eene wijze, welke zien liet, dat hij geheel

tevreden gesteld was, boog zich en was spoedig uit ons gezicht.

NOOT:

[3] Zoo noemde men indertijd de taal, welke men sedert Hollandsch of nog

verkeerdelijker Nederlandsch genoemd heeft. Zoo zegt ook Krelis Louwen

in net blijspel van dien naam, II Bedrijf 10 tooneel.

We praeten ummers allemael Oprechte zuivre Duitsche tael.

Noot van den Uitgever.

* * * * *

ZESDE HOOFDSTUK.

WAARIN ONZE HELD VOOR DE TWEEDE REIS OP DENZELFDEN DAG GEVAAR LOOPT VAN

ZIJN HART TE VERLIEZEN.

Ik had dit gansche tooneel met een stomme verbazing beschouwd, onbekwaam

om de betrekking te verklaren, welke er tusschen mijn redder en den

hoofdman der roovers bestond, en dezen zoo gedwee het veld voor hem

ruimen deed. Was de ontzagwekkende vreemdeling misschien ook zelf het

hoofd geweest eener meer uitgebreide bende? en moest ik zijn invloed op

Zwarten Piet, en den naam van Kapitein, dien deze hem gaf, daaruit

afleiden? Wat hiervan wezen mocht, ik voelde mij van eerbiedige

bewondering doordrongen voor den man, die, wapenloos, en, bijna alleen

door het vermogen van zijn wil, mij uit de handen van drie boosdoeners

verlost had: en, zoodra het geritsel der struiken, waardoor zich Zwarte

Piet een weg baande, en waarnaar de vreemdeling aandachtig scheen te

luisteren geheel had opgehouden, begon ik, in de warmste bewoordingen,

mijn erkentenis aan hem uit te drukken voor den dienst, dien hij mij

bewezen had.

Hij ontving mijn betuigingen met koelheid: "al genoeg," zeide hij, na

een poos zwijgens: "ik was u wederkeerig een dienst schuldig, ter

vergelding van dien, welken gij mij hedenmorgen bewezen hebt."

"Geloof, Kapitein!" zeide ik, hem den titel gevende, welken Zwarte Piet

omtrent hem gebezigd had, "dat mijn dankbaarheid...."

"Verschoon mijl!" viel hij mij kortaf in de rede: "ik heb thans geen

tijd om al het fraais aan te hooren dat gij mij zeggen wilt. Ik heb iets

op den weg verloren en moet mij haasten het op te zoeken; want het is

allemans gading, en...."

"Een groene beurs!" riep ik uit, verheugd over de gelegenheid, welke

zich aanbood van hem op mijn beurt een dienst te bewijzen.

"Hebt gij haar gevonden?" vroeg hij, terwijl hij al rechts en links van

het pad langs den grond keek.

"Zij bevatte goudstukken," vervolgde ik: "en bovendien...."

"En een ring met een stempel," zeide hij, den volzin besluitende.

"Hier is zij," hernam ik, de beurs voor den dag halende, en met

blijdschap aan den eigenaar ter hand stellende, "door mij te redden hebt

gij meteen uw eigendom gered"--en ik verhaalde hem, hoe die beurs de

voorname aanleiding was geweest mijner ontmoeting met de roovers.

"Het is als ik gedacht had," zeide de Kapitein: "ik heb den voerman op

den weg betaald en toen zeker de beurs naast mijn zak in de plaats van

er in gestoken. Gij hebt mij inderdaad een gewichtigen dienst bewezen.

Te oordeelen naar uw wezen en uw spraak," vervolgde hij, terwijl hij mij

met opmerkzaamheid beschouwde: "schijnt gij tot een deftigen stand in de

maatschappij te behooren en zou ik u misschien met een aanbieding

beleedigen. Daar echter uw plunje geen weelde aanduidt, meen ik niet

onbeleefd te handelen, door u een geringe _douceur_ voor de genomene

moeite te schenken." En terzelfder tijd nam hij een paar goudstukken

tusschen de vingers en stak mij die toe.

"Ik dank u," zeide ik: "uw aanbieding is zoo bescheiden gedaan, dat zij

mij niet beleedigen kan. Ik behoef geen belooning, ik ben de zoon van

den Heer Huyck, den Hoofdschout van Amsterdam, en zoo ik u van eenigen

dienst kan zijn...."

"Zoo!" zeide hij, terwijl zijn gelaat zich op een zonderlinge wijze

samentrok: "de zoon van den Hoofdschout moest zich, minder dan iemand,

alleen wagen op onveilige wegen."

Hier zweeg hij een poos, deed het geld weder in de beurs en vervolgde op

deze wijze:

"Het was ongetwijfeld uw voornemen heden tot Naarden te gaan."

"Ik vrees," zeide ik, "dat het te laat zal zijn de stad nog voor

poortsluiten te bereiken: ook hoor ik de klok niet meer luiden; echter

zou ik van meening zijn, dat ik derwaarts behoor te gaan, om rapport te

maken van de ontmoeting, die mij is overkomen ... en zoo UEd. mij wildet

vergezellen...."

"Dat noem ik spreken, gelijk den waardigen zoon eens Hoofdschouts

betaamt," zeide de vreemdeling, met een gemaakten lach: "maar ik voor

mij gevoel geene roeping om aan de bruggen mijn keel heesch te

schreeuwen en bij elken schildwacht een half uur te wachten tot de

korporaal der ronde komt, en dan van de beleefdheid van dezen af te

hangen om teruggezonden te worden of den halven nacht in het wachthuis

door te brengen, ten einde de zotte verhooren te ondergaan, welke bij

een zoodanige gelegenheid nooit missen."

"Zooals UEd. wil," zeide ik: "doch ik meen dat er aan deze zijde buiten

de poort een vrij goede herberg is, _Jan Tabak_ of een dergelijken naam

voerende;--zoo wij daarheen gingen en iemand zonden, om...."

"Niets van dat alles," zeide de vreemdeling, met de hand een ongeduldige

beweging makende: "laat Zwarte Piet met zijn bende elders gaan om zich

te doen ophangen: ik wil de koord daartoe niet spinnen. Wat u betreft,

handel zooals gij het goedvindt: ik schrijf u geene wetten voor; maar

zoo gij mij gelooft, en er eenigszins prijs op stelt om mij genoegen te

geven, zult gij hedenavond niet naar stad gaan; integendeel stel ik u

voor tot mijnent te vernachten: en zoo gij de eenvoudige huisvesting

voor lief nemen wilt, welke een eenvoudige boerenwoning u kan

verschaffen, zal ik mij aan u verplicht rekenen."

Ik beken, dat ik eenigszins over deze aanbieding verzet stond, en

aarzelde, hoe die te beantwoorden. Juist de schijnbare gulheid en

openhartigheid, waarmede zijn voorslag gedaan werd, boezemden mij

wantrouwen in; want ik wist die niet te rijmen met de geheimzinnigheid,

welke zijn overige daden en gezegden tot nog toe omsluierd had, en het

kwam mij onverklaarbaar voor, dat iemand, die zich voor 't overige

gedroeg, als wilde hij alle nasporing en onderzoek ontwijken, de

onvoorzichtigheid zou hebben, een hem onbekenden jongeling, en dat nog

wel den zoon eens Hoofdschouts, in zijn verblijf toe te laten, ja te

noodigen. Met dat al, ik gevoelde weinig trek om alleen stadwaarts te

kuieren en mij nogmaals bloot te stellen aan een ontmoeting met de

lieden, uit wier handen ik zooeven verlost was: nieuwsgierigheid spoorde

mij aan, om nader uit te vorschen, wie toch mijn redder wezen mocht: en

dit een en ander te zamen gevoegd deed mij besluiten het gedane voorstel

te aanvaarden, onder de betuiging mijner erkentelijkheid en tevens van

de hoop, dat ik door mijn verblijf geen ongelegenheid aan mijn gastheer

zoude veroorzaken.

"Volstrekt niet," zeide deze, terwijl hij met haast het voetpad weder

insloeg, hetwelk hij was langs gekomen: "alleen door hier te blijven

draaien, zou ik in ongelegenheid kunnen geraken."

"In dat geval vergezel ik u terstond," zeide ik, en volgde hem op het

ingeslagen spoor. Het paadje geleidde ons weldra op een hollen dwarsweg,

aan weerszijden dicht begroeid met doornestruiken, en door de gevallene

regens op vele plaatsen zoo vol water staande, dat men werk had voort te

komen.

"'t Is hier slecht wandelen, Kapitein!" zeide ik, mijn voet losrukkende,

die in de modder was blijven steken.

"Dat kan ik niet ontkennen," antwoordde hij: "maar mag ik vragen, waarom

gij mij den titel van Kapitein toekent?"

"Ik heb u door een dier lieden van zooeven aldus hooren noemen," hernam

ik.

"Wel mogelijk!" zeide hij, met een spottenden blik naar mij omziende:

"maar omdat die gekken mij zoo noemen, moet daarom een verstandig

jongmensch hun voorbeeld volgen? Ik heb op dien naam thans even zoomin

aanspraak als op dien van Czaar, waarmede gij mij van morgen vereerd

hebt. Gij kunt alle titels met mij sparen, vervolgde hij op een vrij

hoogen toon: "ik heet eenvoudig Bos ... althans voor het tegenwoordige."

Ik zweeg en volgde, gelijk een hond, die een kastijding ontvangen heeft,

zonder verdere woordenwisseling mijn geleider, wiens groote stappen ik

moeite had bij te houden. Ik dacht, dat die fatale holle weg nimmer

zoude eindigen, toen wij ten laatste aan een klein boerenhekje kwamen,

hetwelk de Heer Bos openstootte en waar wij doortrokken. Een vrij smal

pad, hetwelk door een dichtvallend hekje gesloten was, bracht ons weldra

van achteren op een moestuin, aan welks einde ik een landhoeve

gewaarwerd, welke ik veronderstelde dat het doel onzer wandeling zijn

zoude.

Ik bedroog mij niet. Op het geblaf van een naast de deur aan een ketting

gelegen mopshondje, ging de voordeur open, en een zwarte gedaante, van

welke de meer en meer vallende duisternis mij alleen toeliet de vormen

te onderkennen, trad haastig naar buiten en fluisterde van verre: "Zijt

gij het, Vader?"

"Stil! stil!" antwoordde deze: "ik kom niet alleen ... dezen weg op,

Mijnheer!... waar is de oude Martha?"

"Bezig met het avondeten te bereiden," antwoordde de dochter op een nog

flauweren toon, terwijl ik meende te bespeuren, dat zij met weinig

verwonderd was over de aankomst van een zoo onverwachten gast als ik.

"'t Is wel!" antwoordde haar vader, binnentredende: "breng Mijnheer in

het opkamertje: hij zal van nacht hier blijven: ik ga even met Martha

overleggen, waar wij hem huisvesten zullen."

Dit zeggende, opende hij de deur van een soort van keuken, alwaar ik een

oude vrouw zag nedergehurkt en bezig met koeken te bakken. Hij trad

binnen en, de deur achter zich sluitende, liet hij mij met zijn dochter

alleen, beiden voorzeker evenzeer met onze figuur verlegen. De jonge

Juffer althans oogde haar vader met verbazing na en wendde vervolgens de

vragende blikken op mij.

Ik begreep dat de welvoeglijkheid eenige verontschuldiging vorderde.

"Mejuffer!" zeide ik: "ik vrees, dat ik hier ongelegenheid zal

veroorzaken; maar Mijnheer uw vader heeft gewild, dat...."

"Wat mijn vader begeert, moet volbracht worden," antwoordde zij, met een

vaste stem en een deftige hoofdbuiging: "wees zoo goed mij te volgen."

Dit gezegd hebbende, keerde zij zich om en besteeg een trapje, dat naar

een klein vertrekje geleidde, waar binnen ik haar volgde.

Zij schoof mij een stoel toe: ik nam echter geen plaats; maar bleef met

de eene hand op de leuning rusten: mijn hoofd was zoo vol en al mijn

denkbeelden door de vreemde ontmoetingen van den dag zoo verward, dat ik

nauwelijks wist of ik droomde, dan of ik waakte. Intusschen bleef mijn

geleidster over mij staan, in de houding van iemand, die een opheldering

verwacht, en ik achtte het mijn plicht, haar die te geven.

Ferdinand Huyck · 第 7 / 51 段