"Ik dank u, Mijnheer Huyck!" zeide zij, met nadruk mijn naam doende

hooren: "ik denk zelve eerstdaags daar te komen en hoop misschien van de

week nog Mevrouw uw moeder en Santje te komen bezoeken."

Het hooren dezer woorden bracht geen geringe verandering in de

gelaatstrekken der aanwezigen teweeg. De Heer Blaek zag op, gelijk men

zegt, alsof hij het te Keulen had hooren donderen: Lodewijk begon te

lachen; doch op een wijze, die mij nog onbeleefder toescheen dan zijn

trotsche blik van kort te voren, en Helding liet van verbazing de beide

regenschermen op den grond vallen.

"O ho! is het een kennis van u, Jetje?" vroeg Lodewijk, na een oogenblik

zwijgens! "wel, had je dat maar terstond gezeid, meidlief! daar was

vader, die zich al verbeeldde dat Mijnheer een medegenoot was van de

bende van Jaco."

"Huyck! Huyck!" herhaalde de Heer Blaek, zijn nicht en mij beurtelings

aanziende: "is Mijnheer van de familie van den Hoofdofficier van dien

naam?"

"Ik ben zijn zoon," antwoordde ik, met een buiging: "heeft Mijnheer ook

eenige boodschappen?"

"Ik wist niet, dat UEd. in kennis waart met mijn nicht," vervolgde hij,

zonder op mijn aanbiedingen te letten: "Mijnheer is, geloof ik,

uitlandig geweest?.... anders zou Mijnheer weten, dat het de gewoonte in

Holland niet is, dat jonge dames, wanneer zij; alleen zijn, bezoeken van

Heeren ontvangen."

"Ik kom van de reis," hervatte ik, eenigszins geraakt: "en zie

Mejuffrouw Blaek heden voor de eerste maal. Ik wist niet, dat er zich

iemand in den koepel bevond, waarin ik schuilen kwam; anders ware ik zoo

onbescheiden niet geweest."

Het scheen mij toe, alsof deze mijne verklaring den Heer Blaek een pak

van het hart nam: en, als wilde hij zijn onbeleefdheid vergoeden, vroeg

hij mij, of ik niet tot zijnent wilde komen en iets gebruiken. Ik sloeg

zijn aanbod af, zeggende dat ik mij spoeden moest, daar ik gaarne voor

poortsluiten binnen Naarden wilde wezen."

"Welnu! steek dan ten minste een pijp op voor uw vertrek," zeide de Heer

Blaek: "Lodewijk zal wel een tondeldoos bij zich hebben."

"Ik heb mijn vuurslag vergeten," zeide Lodewijk, zich met

onverschilligheid omwendende. "Helding! neem eens de moeite van die

glaasjes wat om te spoelen en in het likeurkeldertje te bergen."

"Foei!" zeide Henriëtte (ik wist nu haar naam): "dat is dameswerk: dat

zal ik wel bezorgen."

"Ik ben het rooken buitenslands verleerd," zeide ik, en groette nogmaals

het gezelschap. Op de stoep gekomen, hoorde ik Lodewijk overluid zeggen:

"Nu ja: geloof maar vrij, Jetje! dat het de zoon van den Heer Huyck zou

wezen. 't Is een verkleede fielt, die zien komt of er iets van zijn

gading is."

Ik hield mij niet op om te weten of de bevallige Henriëtte mijn

verdediging op zich zou nemen, maar stapte, niet weinig ontevreden over

de handelwijze zoo van vader als zoon, de hofstede af. Dewijl de koepel,

wanneer men van den kant van Amersfoort kwam, voorbij het hek was, moest

ik, den landweg vervolgende, dien nogmaals langs gaan. Toen ik zulks

deed, lichtte ik beleefdelijk den hoed tot afscheid. De Heer Blaek

beantwoordde mijn groet op een koele, doch gepaste wijze: zijn zoon zag

mij aan met een onbeschaamden blik, dien ik hem met woeker teruggaf. Wat

zijn nicht betrof, 't zij; uit verlegenheid, 't zij uit

onverschilligheid, 't zij omdat zij aan de inblazingen van Lodewijk

gehoor had gegeven, zij bleef met den rug naar het venster gekeerd met

Helding praten: en mijn hoop, om nog een enkelen blik als vaarwel te

erlangen, was in rook vervlogen.

De bui was nu geheel over en de lucht aangenaam verfrischt door het

onweder; slechts enkele waterlooze wolkjes dreven nog in het zwerk rond.

Vroolijk zweefden de vogels om mij heen, als om de wederverschijning van

het zonlicht te begroeten. De weg daarentegen was, als te denken is, nog

glibberig en vol plassen; alleen het voetpad was redelijk;--maar ik had

zeker al een geruimen tijd doorgestapt, eer ik, 't zij op het fraaie

weer, 't zij op den slechten weg begon te letten; zoo geheel waren mijn

gedachten van de zonderlinge ontmoeting op Guldenhof vervuld. Een

onbeschrijfelijke en mij toen nog onbegrijpelijke mengeling van hoogst

genoeglijke en alleronaangenaamste gewaarwordingen hield mij bezig. Met

verrukking dacht ik aan het lieve gezichtje, aan de zoete, welluidende

spraak, aan het spelend vernuft der beminnelijke Henriëtte; maar met

wrevel en misnoegen aan de zotte rol, die ik, naar mijn meening,

tegenover haar gespeeld had. Ik ging al de woorden na, die ik had

uitgesproken, de geheele houding, die ik had aangenomen, en ik vond al

wat ik gezegd en gedaan had, zot en onverstandig. De oude Heer Blaek had

mij in den aanvang, de zoon bij voortduring, onbeleefd behandeld! doch

hunne bejegening trok ik mij minder aan dan die van Henriëtte, welke

mij, ik kon het mijzelven niet ontkennen, tot afscheid den rug had

toegedraaid. Ongetwijfeld, dacht ik, was zij mijn gezelschap lang reeds

moede, en blijde daarvan eindelijk ontslagen te worden: ongetwijfeld had

ik het onderhoud, dat zij wel met mij heeft willen voeren, alleen te

danken aan het slechte weer, dat haar dwong met mij te blijven, aan haar

beleefdheid en aan haar vriendschap voor mijn zuster--en geenszins aan

eenig behagen dat zij er in schepte.--Dan weder vroeg ik mij af, wat mij

toch eigenlijk hare welwillendheid of tegenzin aanging, en hoe ik mij

zoo verlegen kon maken over de gevoelens, te mijnen opzichte gekoesterd

door een juffer, die ik voor de eerste maal mijns levens zag. Ik had

toch op mijn reizen vele vrouwen en meisjes ontmoet, zoo schoon en

misschien nog schooner dan deze: maar nooit had eene daarvan zulk een

indruk op mij gemaakt. Was die teweeggebracht door het verrassende, het

romaneske (gelijk men het thans zou noemen) der ontmoeting?--Maar

zooveel ik mijzelven kende, was mijn karakter kalm en bedaard; zelden of

nooit nam mijn ziel haar vlucht naar het gebied der verbeelding, en

niemand had ooit uit zijn aard minder aanleg dan ik om zich idealen te

scheppen, die met ingebeelde hoedanigheden te versieren, de

wezenlijkheid aan den schijn op te offeren: in 't kort, een romanheld te

worden. Ik verwonderde mij dus zelf over de onrustige beweging, die ik

in het hoofd voelde, en over de ongewone heftigheid, waarmede mij het

hart in den boezem klopte: ja, ik was er ten laatste niet verre af, om

die toe te schrijven aan den invloed van den brandewijn, dien ik

genuttigd had, en die misschien van beter en sterker allooi was dan de

geestrijke dranken, welke men in andere landen tapte.

Wat hiervan wezen mocht, de gespannen stemming, waarin ik mij bevond,

verliet mij niet eer, dan toen ik, met natte voeten en een hongerige

maag, mij voor de herberg van Eemnes bevond, alwaar ik mijzelven had

voorgesteld het middagmaal te houden.

* * * * *

VIJFDE HOOFDSTUK.

HETWELK BANGE LIEDEN BIJ AVOND NIET MOETEN LEZEN.

"Wel dat treft nou ongelukkig!" riep de waardin, na mijn schoenen bij

het vuur in de keuken geplaatst, en mij in een opkamertje te hebben

gelaten, waar zich een tafel bevond, beladen met de overblijfselen van

een aldaar gehouden middagmaal: "dat is jammer, koopman! dat je nou geen

amerijtje vroeger 'ekomen waart! dan had je mee kunnen anzitten met twee

passeziers, die hier 'egeten hebben en bijkans al de proviand uit mijn

huis hebben met 'epakt."

"Zoo!" zeide ik, niet zeer gesticht over deze onwelkome mededeeling, en

voorziende, dat mij de overgeblevene spijzen nu dubbel zouden worden

aangerekend: "waren dat zulke schrokkers?"

"Dat wil ik nou justement niet zeggen," antwoordde de vrouw des huizes,

terwijl zij de overgeschoten kliekjes ontweldigde aan de duizend en eene

vlieg, die er op aasden: "de jonge vrijster althans heit bijkans geen

mond vol 'egeten; maar zij hebben al wat ik nog overhad an vleisch en

nog een brood, dat ik van den bakker heb laten halen, in een groote

blikken trommel 'estopt, die zij met zich hadden, puur as gingen zij

naar het onbekende Zuien, en of er te Naarden of te Weesp, waar zij dan

ook heentrokken met 'erlui huifkar, geen sikkepitje te krijgen ware."

Het woord huifkar herinnerde mij terstond aan den man, dien ik tot Czaar

verheven had: en ik vroeg aan de waardin of de reiziger niet een rooden

mantel droeg?

"Een kerel as een boom," antwoordde zij: "en dien ik niet graag alleen

in een bosch zou ontmoeten. Ja kijk! as de vrijster niet zoo'n hupsche

deern was 'eweest, en as ze niet alles pront betaald hadden en nog een

fooi an de meid 'egeven toe, dan zou ik bij mijn zondige ziel 'edacht

hebben, dat het Zwarte Piet zelvers was. Ik had warentig medelijen met

het arme schaap, zoo bedrukt as ze keek,... maar met dat al mot je geen

honger lijen, koopman! en ik zou deur al dat praten wel heelendal

vergeten van je te bedienen. Nou! ik zeg, je heit ook al een weertje op

weg 'ehad! 't Zel de boeren ook rouwen, die 'erlui hooi nog niet binnen

'ehaald hebben. Het onze is deur Gods zegen al in de schuur, op een paar

wagens na van een kampje, dat ver leit, heel onder Eembrugge; maar er

zijn lui, die het altoos op het laatste laten ankomen. Heb je nog ergens

'eschuild, koopman?"

Niet ongenegen om aan mijn praatzuchtige gastvrouw de gelegenheid te

verschaffen, haar tong te vieren over een belangrijker onderwerp dan

haar hooibouw, vertelde ik haar, dat ik op Guldenhof den regen ontvlucht

was.

"Op Guldenhof!" herhaalde zij, eenigszins vreemd opziende: "een mooie

plaats, hè? Ken je meneer Blaek? Hij houdt er anders niet veul van, dat

men zoo bij hem oploopt."

"Ik ken hem slechts van aanzien," antwoordde ik: "ook heb ik niet in

huis, maar op den koepel geschuild."

"Nou kijk! dat had hij eensjes motten weten!--Niet, of 't is een

weldoend Heer, die veul an de arme lui geeft, dat mot ik zeggen: lest

heit hij nog twee dikketonnen en een flesch wijn 'ezonden an Lijs, de

vrouw van Tymen den varkenslachter, die een kwaje kraam 'ehad

heit;--maar ik wil maar zeggen--hij ziet niet graag menschen bij zich:

hij leeft zoo wat eenigjes met zen nicht en zen zeun, en een mild heer,

dat beloof ik je.--Men zeit zoo, ze zullen een paartje worden

samen:--Volle neef en volle nicht! 't is niet zoo as 't hoort!"

Ik kon niet nalaten innerlijk deze uitboezeming der waardin te beamen,

schoon niet uit dezelfde beweegreden als de goede vrouw, die, tot den

Roomschen godsdienst behoorende, gelijk uit het gouden kruis op haar

boezem te bemerken was, een dergelijk huwlijk af moest keuren, als met

de kerkwetten in strijd. Intusschen had haar aanmerking mijn

nieuwsgierigheid opgewekt.

"En zou dat huwelijk al spoedig doorgaan?" vroeg ik.

"Dat 'loof ik niet, koopman!--Dat jonge Heerschap is zoo wat los en

liber, zooals ik zei: en houdt te veul van zijn vrijheid om van nou af

aan den ketting te liggen."

Het bericht, dat Lodewijk Blaek zijn nicht waarschijnlijk trouwen zoude,

was mij hoogst onaangenaam geweest;--doch de gedachte, dat hij zulk een

verbintenis niet op den waren prijs zou stellen en die als een lastigen

band beschouwen, maakte hem volkomen hatelijk in mijn oogen.

"Nou!" vervolgde de waardin: "ik ken 't me wel begrijpen: het meisje

heit van der aigen niet veul, zeggen ze: en 't is maar een schraal

poppie: hij kan wel wat beters krijgen!"

Ik keek de waardin aan, die de slanke, bevallige Henriëtte een schraal

popje dorst noemen: het was een dikke, gezonde zus, met wangen of zij de

hel had aangeblazen: zij scheen mij op dat oogenblik zoo afschuwelijk

toe, dat ik niet verkoos, verder een woord met haar te wisselen; maar

slechts verzoekende, dat zij wat spoed maken zonde, mij voor het venster

plaatste en haar den rug toekeerde. Of zij uitgepraat had, weet ik niet:

althans zij had de tafel opgeruimd en verliet mij, met de belofte in een

ommezientje met het eten terug te wezen.

Niets beters te doen hebbende, vermaakte ik mij gedurende haar

afwezigheid met uit het raam te zien, hetwelk het uitzicht had op de

niet verre van daar aan de overzijde van den weg gelegene kerk, een

kloek gebouw, met twee verdiepingen en transen en van een tamelijks

spits voorzien. Meer nabij en vlak tegenover mij stond een koepeltje,

wat minder prachtig dan dat van Guldenhof, en het uitzicht hebbende over

een tuintje, hetwelk geen ander plantsoen bevatte, dan eenige

heestergewassen, in dier voege geschoren, dat zij allerlei figuren op

een wanstaltige wijze nabootsten.

Ik bekeek deze voorwerpen, welke mij eigenlijk bijzonder weinig belang

inboezemden, zoo lang, totdat de wasem, welken mijn adem op de

glasruiten had teweeggebracht, die aan mijn oog onttrok, en bleef toen

kijken, totdat ik bespeurde, dat mijn gedachten ergens anders waren: ik

bespeurde zulks, zeg ik, en wel aan een onwederspreekbaar teeken: ik had

namelijk met den vinger een H en een B in krulletters op de ruit

getrokken.

Ik werd, toen ik dit ontdekte, eenigszins wrevelig tegen mijzelven, en

haastte mij, deze vruchten mijner afgetrokkenheid van gedachten uit te

wisschen, als ware ik bang geweest, dat iemand die lezen zoude en een

geheim raden, dat ik mijzelven nog niet bewust was.

Deze daad bracht mij opeens van het rijk der verbeelding tot het

werkelijke leven terug: want het nu weder heldere glas deed mij iemand

zien, die, een weinig zwaaiende, althans met geen vasten stap, van den

kant van Soest kwam aangetreden:--en terstond herkende ik in dien

persoon denzelfden Andries, die zulk een opschudding te Soest had

verwekt.

Reeds wenschte ik mijzelven geluk, dat ik niet op den weg door dien

lastigen kwant was ingehaald geworden, toen ik tot mijn spijt

gewaarwerd, dat onze matroos, die ongetwijfeld niet gewend was een

kapelletje voorbij te gaan zonder eens aan te leggen, naar de huisdeur

stevende en binnentrad. Hoe blijde was ik, dat ik in een afzonderlijk

kamertje gezeten was! "Mits nu maar," dacht ik, "de waardin dien niet

hier brengt om met mij te eten, gelijk zij mij met dien vreemdeling en

zijn dochter had willen doen spijzigen!"

Doch dit liep beter af: na een geruime poos kwam de vrouw des huizes

terug met eenig brood en spek en een kan bier. Ik haastte mij, haar mede

te deelen, dat ik 's morgens te Soest eenig ongenoegen gehad had met den

man, die beneden zat, en liever niet met hem opnieuw in aanraking

wenschte te komen.

"Nou! ik 'eloof het wel!" zeide de waardin: "'t is een ongemakkelijke

kompeer ook as hij begint, die eigenste Andries;--maar hij zel zich nou

stil houen hoop ik; hij zit althans heel bedaard een glaasje bier te

drinken, en een praatje te maken met een kennis van hem, die juist

beneden was:--zij spreken ondertusschen een rare taal: maar die ik

liever niet hoor dan al: 't is Duitsch [3] en toch geen Christenziel kan

't verstaan: 't is net dieventaal."

Ik maakte geen aanmerkingen op dit gezegde der waardin, hetwelk zoo

volkomen strookte met de slechte gedachte, die ik reeds van den knaap

had opgevat. Alleen verzocht ik haar, mij te zullen waarschuwen, zoodra

Andries vertrokken was, daar ik niet op zijn gezelschap langs den weg

gesteld was. Na dezen maatregel van voorzorg zette ik mij aan tafel en

begon niet zonder graagte, op de mij voorgezette spijzen aan te vallen.

Zoodra echter mijn eerste honger gestild was, ging ik met meer

bedaardheid te werk, ten einde mijn maal ten minste zoo lang te rekken,

totdat Andries de herberg zoude verlaten hebben: doch, spek en brood

waren reeds van het bord naar mijn maag verhuisd en de stem van den

lastigen matroos deed zich nog in het onderhuis hooren. Ik stond op,

liep wrevelig de kamer op en neder, begon ma eindelijk verwijtingen te

doen, dat ik voor den twistzoeker vreesde en bloosde een oogenblik over

mijzelven.

"Kom!" dacht ik: "waarom niet moedig de deur uitgestapt?--Misschien ziet

mij de kerel niet eens: en, zoo hij mij al opmerkt, 't is niet gezegd,

dat hij nu juist weer twist zou zoeken."

"Maar neen!" vervolgde ik bij mijzelven, de deurklink, die ik reeds had

aangevat, weder loslatende: "schoon hij mij hier al met vrede liet, hij

zou mij op den weg kunnen volgen: en hoewel ik hem alleen wel zou durven

staan, er steekt geene eer in, om zich zonder noodzakelijkheid bloot te

stellen aan de aanrandingen van iemand, die zijn beroep van 't vechten

schijnt te maken. Wie een dollen hond ontmoet en niet uit den weg gaat,

handelt dwaas: en die dronkaard beneden is niet veel beter dan een dolle

hond."

Na door deze fraaie redeneering mijzelven overtuigd te hebben, dat geen

vrees, maar hooge wijsheid mijn handelwijze bestuurde, bleef ik bij mijn

besluit, om niet te vertrekken, dan voordat Andries vooruitgegaan was.

Het leed echter nog een goed half uur, gedurende hetwelk ik vrij

verdrietig het kamertje op en neer ging, al brommende over al de

tegenspoeden, die mij beletteden mijn weg voort te zetten, en zelfs de

aangename kennismaking van Henriëtte Blaek op den achtergrond stelden:

het leed een half uur, zeg ik, eer ik de banken in het benedenhuis

hoorde verschuiven, en, aan het raam glurende, zag ik nu weldra Andries

met nog een man, die oogenschijnlijk beter gekleed was dan hij, de

herberg verlaten. Zij liepen met groote schreden voort, als menschen,

die hun tijd verpraat, en haast hebben. Ik toefde hierop nog eenige

oogenblikken, ten einde hun gelegenheid te gunnen, om zich ver genoeg te

verwijderen, betaalde vervolgens de vertering, en vertrok, mijn weg

links af naar Laren nemende.

Ik ging echter in den aanvang niet dan langzaam voort, zoowel omdat de

slechte staat van de wegen na den regen het loopen moeilijk maakte, als

ten einde zeker te zijn van mijn twee wandelaars niet op zijde te komen,

en keek ondertusschen, zooveel de slingers van den bochtigen weg mij

zulks toelieten, voor mij uit, om te zien of ik hen ook ergens ontdekte.

Ik had echter wel een goed kwartieruurs geloopen, eer ik iets bespeurde,

dat op hen geleek, maar nauwelijks was ik den grenspaal voorbijgetreden,

die Eem- van Gooiland scheidt, en zuchtte ik bij het overzien der

schade, door den hagel teweeggebracht in de korenvelden, welke deze

anders zoo lachende heuvelen bedekten, of ik kreeg rechts van mij af

zeer in 't verschiet, twee personen in 't oog, die een paadje volgden,

dat door de bouwlanden heen slingerde, en wier uiterlijk voorkomen mij

voorkwam in allen deele gelijk te zijn aan dat van Andries en zijn

makker.

Ik was nu geheel gerustgesteld, en wandelde onbezorgd voort. Te Laren

hield ik mij niet op, maar trad integendeel met dubbele schreden voort,

daar de tijd reeds, bij al het door mij ondervonden oponthoud, verder

was verstreken dan ik gedacht had, en de allengskens dalende zon mij

vreezen deed, Naarden niet voor poortsluiten te zullen bereiken, hetgeen

toenmaals in die vesting te zes uren plaats had. Wel is waar, er bestond

nog altijd mogelijkheid om daar binnen te komen: doch hiertoe werden

meer formaliteiten vereischt, dan ik lust had af te leggen. Terwijl ik,

met die onaangename gewaarwording, welke ons eigen is, wanneer wij nog

een goed eind weegs af te leggen hebben en vreezen te laat te komen, den

heuvel beklom, die zich tusschen het bevallige Laren en de grijze

vesting, waar ik zooeven van sprak, bevindt, zag ik een rijtuig mij van

de hoogte af te gemoet komen, hetwelk ik, bij het naderen, voor de

huifkar herkende, die ik des morgens te Soest had gezien, en die thans

ledig terugkeerde. De voerman, het pijpje, dat hem tusschen de lippen

stak, hebbende laten uitgaan, zat te dommelen en te knikkebollen op het

krat, terwijl zijn zweep hem ontvallen, maar gelukkig was blijven

vasthaken aan het wiel en daarmede langzaam voortslingerde.

Ik achtte het betamelijk, den man te waarschuwen: "hei! ho hè wat! goede

vriend!" riep ik: "gij zult een goede zweep verspelen, zoo gij niet

oppast."

"Wat is er?" riep de voerman, met schrik ontwakende, en door een

natuurlijke beweging naar zijn zweep tastende: "wat wou je?"

Het paard, dat waarschijnlijk reeds zijn bekomst van den tocht had, was

op mijn geroep al dadelijk blijven staan, en ik wees nu aan den voerman,

waar zich zijn onmisbaar wapentuig bevond.

"Sta, Kees!" zeide hij tot zijn knol, die deze vermaning niet behoefde;

want het beest had volstrekt geen plan op den loop te gaan: "dankje wel,

koopman!" vervolgde hij, afstijgende en zijn zweep niet zonder moeite

loswurmende.

In weerwil van mijn haast om voort te komen, kon ik niet nalaten een

oogenblik stil te staan, om naricht in te winnen omtrent den Roodmantel

en de Juffer die met hem was, en vroeg ik den voerman, of hij zijn volk

al naar Naarden gebracht had.

"Dat weet ik niet, waar ze 'estoven zijn," antwoordde hij: "ik heb ze

aan deuzen kant van Naarden of'ezet op een plek, daar huis noch pad te

zien was. Waar ze wezen mosten, weet Joost: en ik vertrouw het werk maar

half: ze lekenen allebei zoo bang om 'ezien te worden.--Maar, wat

scheelt het mijn ook? ze hebben mijn een goeie fooi 'egeven en dus, ik

heb niks op ze te prittendeeren. Nou, ajus koopman, en je wordt bedankt

veur je beleefdheid."

Met deze woorden steeg hij op; doch voor hij wegreed, riep hij mij nog

toe: "je meugt wel voorzichtig wezen; want ik hou 't er veur, dat het

niet pluis is buiten Naarden: ik heb een paar keeren in 't bosch hooren

fluiten; zoodat ik blij was dat ik hier weer op den open weg kwam. Hi

Kees! vort pért!"

De huifkar verwijderde zich en ik vervolgde mijn weg, slechts weinig

gesticht over de tijding, mij door den voerman medegedeeld. Ik poogde

mij wel wat gerust te stellen met de gedachte, dat men het niet wagen

zoude, iemand op den helderen dag aan te randen en wel zoo nabij een

vesting, terwijl bovendien mijn bagage noch mijn uitrusting van dien

aard waren, dat zij een roover in de verzoeking konden brengen;--maar de

veronderstelling alleen, dat het geval van roof mogelijk ware, was alles

behalve aangenaam.

Op het hoogste punt van den heuvel gekomen, wendde ik mij even om, ten

einde het verrukkelijk landtooneel te beschouwen, hetwelk men van daar

geniet, over het bekoorlijk gelegen Laren, welks kerkspits en daken,

thans fonkelend in den gloed der zon, heerlijk afstaken tegen het

lommerlijk geboomte en de uitgestrekte akkers daarom heen;--over

Blaricum, de beide Eemnessen, Soest, Baarn en Amersfoort: over het

boschrijke landschap daar tusschen, en over de blauwe zee, de Stichtsche

bergen en de grauwe heide, welke dat alles omsloten: ja, ik zuchtte

onwillekeurig, toen ik herdacht aan den voortsnellenden tijd, die mij

niet vergunde mij langer in dat schouwspel te verlustigen:--en aan den

vervelenden weg, dien ik nog had af te leggen.

Immers, wanneer men eens die hoogte over is, neemt de weg een geheel

ander aanzicht. Geen welig groeiend geboomte, geen vruchtbare

bouwlanden, geen landhoeven meer: aan weerszijden een dorre,

wijduitgestrekte heide, over welke het uitzicht ten Noorden op enkele

bosschen kreupelhout, en ten Zuiden op het donkere groen der

's-Gravenlandsche lusthoven stuit. Ik kon niet nalaten van, zoo dikwijls

ik den blik naar deze laatste zijde sloeg, een vergelijking in te

stellen tusschen de woestenij, welke ik doortrok, en die, slechts een

uur of anderhalf van mij gelegen, oase, waar de Amsterdamsche rijkdom al

zijn weelde en schatten ten toon spreidt. "Voorwaar!" dacht ik, "mijn

goede tante Van Bempden, die ginds haar buitenplaats altijd vol gasten

heeft, denkt thans weinig, dat haar neef hier eenzaam door de heide

kuiert ... ik ben ook wel dwaas geweest, dat ik haar niet geschreven

heb: de goede vrouw had mij zeker haar koets te Amersfoort gezonden, en

dan was ik vrij wat meer op mijn gemak en vrij wat royaler de provincie

binnengekomen;... maar dan had ik ook Henriëtte Blaek niet ontmoet."

Het hoofd alzoo vol hebbende van Henriëtte Blaek, van mijn tante Van

Bempden, van Andries en van de rooversbende van Zwarten Piet, kwam ik

langzamerhand verder. De grond langs den weg, hoezeer nog altijd dor en

zandig, droeg, naarmate ik de vesting naderde, eenige meerdere sporen

van bebouwing: hier en daar vond ik een versch ontgonnen hoekje, en nu

en dan kleine kampjes met peulvruchten beteeld: wat verder op groeiden

heestergewassen langs de kanten van den weg en belemmerden al meer en

meer het uitzicht, totdat ik eindelijk aan mijn rechterzijde een vrij

dicht geplant boschje kreeg, hetwelk tot deze of gene rustplaats scheen

te behooren.

Ferdinand Huyck · 第 6 / 51 段