schouders ophalende: "onze koepeldichter heeft zelfs kans gezien om op
de wenteltrap te rijmen, die achter dit beschot loopt, en er onze
stamvaders bij te pas te brengen."
Ik wendde mij om en las het vierde opschrift:
"Nieuwsgierigheid heeft vaak den mensch gebracht in 't leed,
Gelijk zij 't Adam en zijn bedgenoot al deed.
Bedenkt dit, eer gij 't waagt, ook deze deur te ontsluiten;
Gij mocht licht tuim'len en u arm of been verstuiten."
"Brr! dat mag hoogdravend, of liever laagvallend heeten," zeide ik: "hoe
jammer, dat de vervaardiger van al die kunstgewrochten de zedigheid
heeft gehad van zijn naam nergens onder te plaatsen."
"O! wat zijn naam betreft," zeide Mejuffrouw Blaek, "die staat buiten
boven den ingang, onder een vijfde opschrift, waarbij hij in brommende
woorden vertelt, dat dit gebouw een koepel is, even of de lieden het
voor een kippenhok zouden aanzien. Het is anders een goede man, die
Lucas Helding; maar het nageslacht zal er weinig aan missen, al zet hij
nimmer weer een pen op het papier."
"Ik houd mij toch overtuigd," zeide ik, dat hij betere dingen maken kan,
wanneer hij waardiger onderwerpen heeft dan een koepel en een
wenteltrap. In zijn hoedanigheid als dichter van Guldenhof heeft hij
ongetwijfeld uwe begaafdheden meer dan eens bezongen: en het kan niet
anders, of het onderwerp moet zijn dichtgeest hebben aangeblazen."
"UEd. raadt wel," zeide zij: "ik heb nog nooit mijn verjaardag gevierd,
zonder een berijmden gelukwensch van hem te ontvangen: en er is geene
godin op den Olympus, waar ik niet bij vergeleken ben geworden.
Ongelukkig had hij verleden jaar zijn stof wat uitgeput; want toen was
ik niet alleen Venus, dat sprak vanzelf, maar Juno, Vesta, Ceres,
Minerva, weet ik wat al meer: 't is waar, ik had hem ook een degenstrik
geborduurd; maar dit jaar kwam ik er slecht af en was niet meer dan
Atalante! dat was een leelijke val."
"Zeker waart gij dezen of genen minnaar ontloopen," merkte ik lachende
aan: "maar komaan! dan wil ik u weder op den Olympus terugbrengen en u
mijn dank als Hebe toebrengen," en ik dronk mijn glaasje uit.
"Hebe bediende alleen de goden, mijnheer!" zeide zij, spottende.
"Ik bid u om vergeving," zeide ik: "zij gaf ook Hercules, die maar een
halve god was, nu en dan wat te drinken, als hij nat te huis kwam."
"'t Is mogelijk!" hernam zij: "ik zal mij niet vermeten te twisten met
iemand die gestudeerd heeft. Wilt gij nog een glaasje?... o hemel! daar
luidt de etensbel! nu zal ik er wel door moeten, regen of geen regen."
"Maar welke barbaren wonen er dan toch op het Huis," vroeg ik, "dat niet
een van hen de beleefdheid heeft u te komen zoeken?"
"Ik durf niet langer blijven," zeide het jonge meisje, met blijkbare
verlegenheid: en haar boek in de kast geplaatst hebbende, nam zij haar
werk op; maar de breikluw ontviel haar en rolde onder de tafel. Ik bukte
juist om die op te rapen, toen opeens de kreet van: "gevonden!
gevonden!" mijn ooren trof, en drie mij onbekende aangezichten zich
gelijktijdig op de stoep vertoonden.
* * * * *
VIERDE HOOFDSTUK.
'T GEEN VERHAALT WAT ME VERDER IN DEN KOEPEL VOORVIEL.
De voorstanders der nieuwe school, welke sedert eenigen tijd in de
letterkunde het hoofd begint op te steken, schijnen, met verwerping der
oude eenvoudigheid, welke wij van de Grieken en Romeinen hadden
ontvangen, in hunne voortbrengselen, vooral in die van dramatischen
aard, machtig veel prijs te stellen op treffende en ongehoorde
tegenstellingen en contrasten, en op alles, wat vreemde en door hun
onverwachte verschijning sterk schokkende uitwerkingen teweegbrengt.
Hiertoe behooren voornamelijk de zoogezegde _coups de théatre_, welke
tegenwoordig bij onkundigen, ja zelfs (ik zeg het met leedwezen) bij
ettelijken, die beter moesten weten, meer indruk maken en meer
toejuichingen verwerven dan de fraaiste gezegden of de schilderachtigste
beschrijvingen onzer beste dichters. Wat mij betreft, wellicht komt het
daar vandaan, dat ik op mijn ouden dag mijn smaak niet weet te plooien
naar dien des hedendaagschen tijds; maar ik kan maar van mijzelven niet
verkrijgen, dat verschrikkelijk bonte, dat sterke licht en bruin, al die
schuddende en schokkende contrasten te bewonderen: en zoo ik al in
enkele gevallen vrede heb met die _coups de théatre_, welke mij
doorgaans eer een lach van medelijden dan een kreet van genoegen
afpersen, het is in een blij- of kluchtspel, waarin ik oordeel dat zij
te huis behooren.
Men vergeve mij deze uitweiding, welke sommigen misschien zal ergeren en
aan allen waarschijnlijk ongepast en misplaatst zal voorkomen; maar het
is een voorrecht van den ouderdom, bij ettelijke gelegenheden wat lang
van stof te worden, en wat te beuzelen, 't geen soms bazelen wordt. Tot
mijn verdere verschooning moet ik zeggen dat de aanleiding daartoe zich
zeer natuurlijk verklaren laat uit den toestand, waarin Mejuffrouw Blaek
en ik, zoowel als de drie nieuwe personages, die ons kwamen verrassen,
ons aan het slot van het voorgaande hoofdstuk bevonden, en welke
toestand over en weder een der aardigste _coups de théatre_ opleverde,
die immer in de gefingeerde tooneelwereld kan worden uitgedacht.
Verbeeld u slechts, aan de eene zijde, den schrijver dezer
gedenkwaardige geschiedenis, in den fraaien dos, die vroeger beschreven
is en die door den regen niet beter van aanzien geworden was, op handen
en voeten onder de tafel liggende om de kluw op te rapen van Mejuffrouw
Blaek, die op het geroep het blonde hoofdje had omgewend, en zoodra zij
de aankomenden herkende, met neergeslagen oogen en bloedroode wangen,
als op haar plaats genageld bleef staan, gelijk iemand, die op een
schuldige daad wordt betrapt:--en, aan den anderen kant, de drie
nieuwaangekomenen, verbaasd en als versuft op den drempel staande om dit
tooneel aan te gapen, en zeker alle drie in den waan verkeerende, dat
het hier niet zuiver toeging, en dat Mejuffrouw Blaek een vrijer had,
die zich onder de tafel zocht te verbergen. Waarlijk, dit leverde een
tooneel op, het penseel van mijn ouden kennis Troost, of een hem
gelijken schilder overwaardig. En opdat het niemand, die zich mocht
opgewekt gevoelen, deze ontmoeting op het paneel te vereeuwigen, aan de
vereischte bijzonderheden ontbreken moge, welke hem in staat kunnen
stellen alles als naar 't leven af te beelden, wil ik hier de
beschrijving bijvoegen van de drie personen, door welke ons tête-a-tête
zoo onverwachts gestoord werd.
De voorste van hen was niemand minder, dan de eigenaar zelf der
hofstede, de Heer Jacobus Blaek, een man van middelbare lengte, schraal
en ongezond van uitzicht, en voorzien met een gelaat, waarvan men de
kleur gevoeglijkst bij die van een glas zuiver Amsterdamsch grachtwater
zou kunnen vergeleken hebben. De rimpels, die zijn voorhoofd groefden,
de ziekelijke uitdrukking van zijne, diep in de kassen weggezonken
oogen, de ver vooruitstekende kin en magere wangen, en het gemis van de
grootste helft zijner tanden, gaven hem het voorkomen eens afgeleefden
grijsaards; ofschoon hij werkelijk niet ouder was dan drie en vijftig
jaren. Zijn houding echter was altijd afgemeten en deftig; ja, in
sommige gevallen niet van waardigheid ontbloot, en zijn voorkomen dat
van een fatsoenlijk man. Zijn gewaad bestond in een effen zomerrok van
gevlochten zilverdraad. Van uit de breede omslagen der mouwen, die tot
even onder de ellebogen reikten, viel een aanzienlijk pak lubben op den
voorarm neer. Het kamizool was van zwart gebloemd damast, evenals de
wijde broek; en tusschen beide in blonk een hagelwit linnen. De zijden
kousen staken in groote vierkante schoenen met hooge roode hakken
voorzien. Hij droeg thans geen degen, maar een kostbaren hartsvanger op
zijde, aan een zilveren ketting, in een scheede van robbevel, en waarvan
het gevest van ivoor was vervaardigd, ingelegd met goud. Een touwen
pruik en daarboven een witte lakensche pet met een breede ver
vooruitstekende klep, bedekten het hoofd: en een das met kantwerk aan de
tippen, waarover rijkelijk snuif gestrooid was, omstrikte den hals. In
de rechterhand hield hij een langen bruinen rotting met barnsteenen
knop, en in de linker een regenscherm.
Rechts achter hem bevond zich zijn eenige zoon, de Heer Lodewijk Blaek,
een rijzig, kloek gebouwd jonkman, met groote bruine oogen, een
welgevormden mond en regelmatige trekken, welke hem een allergunstigst
uiterlijk zouden geschonken hebben, indien er niet in zijn schuinschen
blik en in de wijze, waarop hij gewoon was den neus en de onderlip op te
halen, iets ware gelegen geweest, dat van hoogmoed en verachting sprak
en een onaangename uitdrukking over zijn gelaat verspreidde: en indien
niet enkele roode vlekjes, op zijn fletse wangen verspreid, te duidelijk
heur herkomst hadden geopenbaard van de menigvuldige brasserijen en
nachtwaken, die toen, wat ook een _laudator temporis acti_ moge zeggen,
meer in zwang waren dan tegenwoordig. Zijn kleeding was rijker en meer
nieuwmodisch dan die van zijn vader, ofschoon insgelijks die van een
buitenman; maar zijn rok was van groen laken, als bezaaid met een
onnoemelijk getal kleine ronde knoopjes, en met wingerd-ranken van
groene vlaszijde om de zakken en op de naden geborduurd. Zijn broek,
waarboven een driedubbele gouden horlogeketting bungelde, was van geel
leder: zijn gerolde bovenkousen van gele zijde, en de onderkousen van
geweven touwwerk; van onder een ouden hoed, dien hij zeker in de haast
had opgezet, golfde een fraaie pruik van kastanjebruin haar in sierlijke
krullen naar beneden, en deelde zich op den nek in twee zoogenaamde
_marteaux_, waarvan slechts de eene zijn weg over den rug vervolgde,
terwijl de andere, naar den toen heerschenden smaak over den
linkerschouder naar voren was gebracht. Hij droeg degen noch jachtmes;
maar een klein hondenzweepje met een gouden fluitje aan den steel stak
hem onder den arm uit, terwijl ook zijne hand zooals die zijns vaders
gewapend was met een regenscherm; het zijne echter was van rood taf met
gelen rand, bloemen en gewerkte franje: dat van zijn vader van grof
linnen en meer ouderwetschen vorm.
Wat de derde personage betrof, die meer achterwaarts bleef en de
slinkerhand hield, deze was niemand anders dan de Heer Lucas Helding, de
voortbrengselen van wiens vernuft ik in het vorige hoofdstuk heb
medegedeeld. Men had den goeden man slechts aan te zien om gewaar te
worden, dat hij door de beide Heeren, in wier gezelschap hij zich
bevond, slechts geduld was en niet meer, en er verre van af was, die
onafhankelijkheid te bezitten, waarop de Muzenzonen gewoon zijn zich te
laten voorstaan. En waarlijk, het was, in die dagen zooals nu, een
beklagenswaardig lot voor een inboorling van ons Gemeenebest, wanneer
hij, niet door de fortuin bedeeld zijnde, zijn brood met de beoefening
der schoone kunsten en wetenschappen verdienen moest: vooral in
Amsterdam, waar men weinig of geene achting koesterde voor al wie aan de
begaafdheden, welke hem de natuur geschonken had, het gewicht niet wist
bij te zetten van eenige goede zakken met dukaten en eenige liassen
schuld- en kustingbrieven;--maar meer dan één schilder, wiens
voortbrengselen thans duizenden gelden, in een gasthuis stierf; waar
meer dan één plaatsnijder zich uit armoede verdronk en menige geleerde
op een vliering woonde.
Er was er echter onder de begunstigden van Apollo en het negental, aan
wien wel geen rijkdom te beurt viel, maar toch een zeker bestaan werd
verschaft,--zeer draaglijk voor alledaagsche geesten; maar voor
hoogvliegende vernuften meer onverduurbaar wellicht dan de ellende
zelve. Hoewel onze Amsterdamsche Patriciërs (ik spreek hier in 't
algemeen: er bestonden enkele en treffelijke uitzonderingen) weinig met
de beoefenaars der kunst ophadden, zij konden, bij de steeds klimmende
weelde, de kunst zelve hoe langer hoe minder missen. Men bouwde overal
nieuwe en prachtige huizen: goed: men betaalde de bouwmeesters wel; maar
dan moesten er ook beelden en vazen zijn in de voorportalen en gangen;
schilderijen op de behangsels; basreliefs boven de deuren; allegoriën,
beeldspraken en deviezen aan de gevels, stoepen, tuin- en
zomerhuizen.--Men had fraaie rijtuigen;--maar de paneelen moesten met de
wapens des eigenaars en met keurig schilderwerk prijken. Men had
sierlijk aangelegde lusthoven; maar dit moest een ieder weten, en daarom
moesten die in een "deftig dicht", gelijk men 't noemde, bezongen
worden. Men had boekerijen;--maar het was niet altijd de zaak des
eigenaars om die zelf te verzamelen. Eindelijk, men had van Augustus en
Mecenas hooren spreken, van de aanmoediging en bescherming, door hen aan
de kunst verleend, en hoe zij, ter wedervergelding, door dichters en
kunstenaars werden geëerd en geprezen: en nu moest ieder, die geld had,
een Augustus of Mecenas worden en ten minste aan een paar schilders of
dichters zijn hooge gunst doen blijken. Dat bij sommige aanzienlijke
ingezetenen een wezenlijk gevoel voor het schoone en goede bestond, kan
niet geloochend worden; en ik zal de eerste zijn om hulde te doen aan
mannen, gelijk ik er velen gekend heb, die met den luister hunner
geboorte en het aanzien, dat stand en rijkdom hun gaven, vernuft,
geleerdheid, goeden smaak en echten kunstzin wisten te vereenigen; maar,
dat het bij de meesten een zaak van mode was, zal evenmin weersproken
worden door iemand, die van den toenmaligen tijdgeest slechts een flauwe
kennis draagt:--en zoo gebeurde het, dat schilders van den eersten rang
hunne goddelijke kunst moesten verlagen om die te doen strekken tot het
versieren van vertrekken of staatsiekoetsen, of het teekenen van
perspectieven aan het einde eener laan en op de wanden eener oranjerie:
of wel, tot het afbeelden van hun beschermer en zijn huisgezin, in de
door hen gekozen, vaak belachelijke gewaden en houding;--dat de dichter
zijn vlucht beperken moest binnen de enge grenzen van het lofdicht, ter
eere van den rijkaard, die hem betaalde, en van het beschrijvend
gedicht, ter verheffing van de buitenplaats, waar hij nu en dan het
onwaardeerbaar voorrecht genoot een paar dagen door te brengen: wanneer
er namelijk geene meer aanzienlijke gasten waren dan de jongste
boekhouder en diens familie.--Want, waagde hij het, hooger tonen te
slaan, hij kon van te voren berekenen, dat zij hem geen stuiver zouden
opbrengen.
Zoodanig een lot was ook dat van Lucas Helding, wien de Heer Blaek zich
had aangetrokken, niet omdat deze eenig gevoel voor de dichtkunst bezat,
maar omdat gezegde Lucas Helding hem eenige jaren vroeger, door zijn
zoon Lodewijk (die er zijn redenen voor had) was aanbevolen geworden tot
het bezingen der schoonheden, welke de hofstede Guldenhof opleverde.
Ettelijke honderden van exemplaren in 4° formaat, met fraaie lederen
banden en goud op snede, onder de vrienden en kennissen van den Heer
Blaek rondgedeeld, getuigden, hoe treffelijk zich de hofdichter van zijn
taak gekweten had; en deze, hierdoor onder het patronaat van den
eigenaar der door hem bezongen hofstede gekomen, genoot sinds de
benijdbare onderscheiding, van somtijds bij zijn beschermer eenige dagen
te mogen doorbrengen en nu en dan met een kleine _douceur_ in geld, of
wel met een ouden rok of hoed te worden vereerd. Hij had het in waarheid
slechter kunnen treffen, want op Guldenhof waren geen kinderen, die men
te vergezellen had, wanneer zij in een bokkenwagentje reden (een
bezigheid, die gewoonlijk anders aan zulke logeergasten werd
opgedragen): geen Fransche gouverneur, met wien men uitgestuurd werd ter
wandeling en wien men niet verstaan kon: geen vrouw des huizes, die de
portiën aan tafel zelve voordiende en zorg droeg, dat een gast als deze
niet meer kreeg dan zijn bekomst;--het gansche huisgezin bestond er
slechts uit drie personen, waarvan twee zich weinig of niet met hem
bemoeiden, en de derde--een engel was. Lucas Helding sleet dus, zoo
dikwijls hij op Guldenhof kwam, daar werkelijk gulden dagen; at en dronk
zooveel hem lustte, wandelde waarheen hij wilde, mocht ongemoeid in de
boekerij snuffelen, en vond Mejuffrouw Blaek altijd gereed en genegen om
een praatje met hem te maken en hem te plagen.
Met dat al, men behoefde, gelijk ik reeds heb gezegd, onzen Muzenzoon
slechts aan te zien, om zich overtuigd te houden, dat zijn financiën
zich geenszins in een voordeeligen staat bevonden, en Plutus hem evenmin
gunstig was geweest als zoovelen anderen, die voor en na Lucas Helding
de lier van Apollo getokkeld hebben.
Mijn bemerking geldt echter alleen het uiterlijke voorkomen van den man;
want niettegenstaande zijn soberen opschik, schenen zijn ronde buik en
blozende wangen van een betere keuken en meer voorzienen spijskelder te
gewagen dan hem gewoonlijk ten deel viel: en de goede moeder natuur had
het vergoedingsstelsel te zijnen opzichte in zooverre gevolgd, dat zij
hem bij zijn armoede een gelukkig humeur en een blijde vroolijkheid had
geschonken, welke hem de nukken der fortuin trots den besten wijsgeer
deden tarten, en alleen, gelijk uit het vervolg zal blijken, nu en dan
voor smarten van een meer treffenden aard moesten zwichten. Zijn rond en
open gelaat, zijn kleine, maar geestige oogen, zijn lachende roode
lippen, hadden, om voordeelig uit te komen, een betere lijst verdiend
dan het magere pruikje, waaruit eenige grijze haren ontsnapten, die te
kennen gaven, dat hun eigenaar de zes kruisjes reeds achter den rug had.
Wat het overige van 's mans kleeding betrof, om met een dichter van zijn
slag te spreken,
Zijn kamizool, schoon 't van damast was,--
Was 't slechtste stuk, dat aan zijn bast was,
en miste reeds lang de grootste helft der knoopen, waarmede het vroeger
versierd was geweest en wier plaats tegenwoordig vervuld werd door een
menigte spelden, zoo hoog opgestoken, dat zij het vraagpunt in 't midden
lieten, of er al dan niet eenig linnengoed onder dat vest verborgen was.
De rok was bij uitstek fraai ... geweest, maar de kleur der gele, blauwe
en oranje ruiten, welke daarop te zien waren, was lang verschoten en het
fatsoen ten eenenmale ouderwetsch geworden: ook was hij niet ruim
genoeg, om dichtgeknoopt te kunnen worden over den vooruitpuilenden
buik, die met moeite geborgen werd in een groen fluweelen broek, welk
laatste kleedingstuk, nog zoogoed als nieuw zijnde, merkelijk tegen de
rest afstak. Witte geweven kousen, welke tot boven de dijen reikten en
onder de knie met een paar marokijnen kousebanden opgehouden werden,
omsloten de korte en met fraaie kuiten voorziene beenen, waarmede hij
angstig op en neder trippelde, om een paar groote honden van den Heer
Blaek te ontwijken, die er vermaak in schenen te vinden om hem in
verlegenheid te brengen. Wanneer men zich nu bij dit alles een klein
degentje met tinnen gevest, onder het rokspand half verborgen, en een
paar lomp gemaakte schoenen voorstelt, zal men zich een klaar denkbeeld
kunnen maken van den persoon van Lucas Helding. Ook hij droeg een
regenscherm; maar het zijne was zoo bedekt met lappen en zetstukken, dat
de oorspronkelijke aard en kleur der stoffage niet langer te onderkennen
was.
De drie personages, waarvan wij de beschrijving hebben gegeven, bleven
dan, als gezegd is, in stomme verbazing op de stoep staan en herinnerden
Helding, gelijk deze naderhand beweerde, aan soldaten, die,
Verdadight met een dack
Van schilden (_regenschermen_) dicht gevoeght,
een bres beklimmen en halverwegen worden gestuit.
De verbazing, welke zich op de drie onderscheidene troniën vertoonde,
leverde een kluchtig en veelbeteekenond contrast op. Bij den ouden Heer
Blaek scheen zij vermengd met een gevoel van angst en toorn, 't welk hem
den mond wijd deed openen en den knop van zijn rotting krampachtig
vastknijpen. Zijn zoon wierp het hoofd in den nek, en trok den neus en
de wenkbrauwen naar boven: en op de lippen van Helding rees een
glimlach, dien hij zich haastte met de hand te bedekken, in de
onzekerheid, hoe een scherts met dit voorval zou kunnen worden
opgenomen.
Het stilzwijgen, door de wederzijdsche verrassing veroorzaakt, duurde
echter niet lang: de drie Heeren traden binnen, voorafgegaan door de
beide honden, die dadelijk al blaffende en grommende toeliepen naar den
ongelukkigen indringer, die ondertusschen, met de kluw in de hand, van
onder de tafel voor den dag gekomen was: en de jonge juffrouw ging haar
oom een schrede te gemoet.
"Wij kwamen u halen, Mejuffer!" zeide de Heer Blaek, op een toon van
ontevredenheid, welken de omstandigheid eenigszins wettigde, en zonder
eenige de minste notitie van mij te nemen: "niemand wist waar gij
heengestoven waart."
"Ik was ... ik zat hier te lezen. Oom!" antwoordde het lieve meisje,
beurtelings rood en bleek wordende: "het regende zoo, en...."
"Wij waren bang dat gij u verveeld zoudt hebben," zeide Lodewijk Blaek
met een schamperen lach, terwijl hij tevens een schuinschen blik op mij
wierp: "maar wij wisten niet, dat gij gezelschap hadt."
De Heer Blaek wierp op zijn zoon een eenigszins onvergenoegden blik en
wendde zich tot mij, als om mij te vragen, wie ik was, toen ik,
verlangende mijn lieve gastvrouw uit de verlegenheid te redden,
vooruittrad en hem voorkwam.
"Ik hoop, Mijnheer Blaek," zeide ik, "dat gij het mij niet ten kwade
zult duiden, zoo ik hier voor eenige oogenblikken een schuilplaats tegen
den regen heb gezocht."
"Het staat voor de deur," mompelde Helding halfluid:
Zoo gij voor regen vreest of gure noordenwinden,
Gij kunt in dit verblijf een zoete schuilplaats vinden...."
"Gij waart zeker bang," voerde Lodewijk Blaek mij spottende te gemoet,
"dat het dak lekte, en dat gij slechts onder de tafel tegen den regen
beveiligd zoudt zijn."
"Ik raapte deze kluw op, die de juffer had laten vallen," zeide ik, zoo
bedaard mogelijk, en reikte meteen het garen aan mijn bekoorlijke
gastvrouw toe, die het met een beleefde nijging aannam.
"En waart gij ook al aan 't borrelen, Nichtje?" vroeg Lodewijk, naar de
tafel gaande en een der fleschjes opnemende: "mij dunkt gij hieldt hier
open hof. Wat zeg je, poëet!" (tegen Helding) "heeft de maag ook een
prikkel noodig, voor wij aan tafel gaan?"
Helding naderde met eenige strijkages, en, het glas opnemende, dat
Lodewijk voor hem had ingeschonken, hield hij het zoolang in de hand,
totdat de zoon van zijn beschermer het zijne geledigd had, waarna hij
met kleine teugjes de fijne likeur begon in te slorpen.
"En heeft mijn nicht U genoodigd, hier te koomen schuilen, vriendje?"
vroeg mij de Heer Blaek op een vrij knorrigen toon, tegelijkertijd zijn
parapluie aan Helding overhandigende, die, reeds zijn handen vol
hebbende, zich haastte zijn glas op tafel te zetten en de beide
regenschermen neder te slaan.
"Het is hier anders een besloten plaats," vervolgde de eigenaar van
Guldenhof, een zware gouden snuifdoos voor den dag halende en er drie
vingers van zijn rechterhand in dompelende: "en geen herberg, waar
iedereen zoo maar vrij mag inloopen." Dit gezegd hebbende, bracht hij de
lading snuif, tusschen zijn vingers bevat, naar haar bestemmingsoord, en
stak de doos aan Helding toe, die, deze beleefdheid niet durvende
weigeren, spoedig de beide natte regenschermen onder den linkerarm
bracht, tot groot nadeel voor zijn kleed, en met de rechterhand van het
aangeboden gunstbewijs gebruik maakte.
"Mejuffrouw is zoo vriendelijk geweest, mij niet van hier te jagen,"
antwoordde ik, eenigszins bedremmeld over de barsche toespraak van den
Heer Blaek: "overigens is het schrikkelijke weer mijn verschooning, zoo
ik onbescheiden geweest ben. Mijn naam is...."
"Ik vraag u niet naar uw naam," viel mij de oude Heer in de rede.
Eenigszins hardhoorend, en buitendien ontevreden zijnde, verstond hij
slechts ten halve hetgeen ik vrij zachtjes gezegd had; "maar mij dunkt,
het weer is nu al heel wat bedaard en gij kost nu wel weer opkuieren,
vriendje!"
Tegen dezen wenk, of dit bevel, was niets in te brengen: ik trad
derhalve naar Mejuffrouw Blaek, en haar mijn dank betuigende voor haar
vriendelijk onthaal, vroeg ik, of zij mij ook eenige bevelen te geven
had voor Amsterdam.