Het was echter niet in het heerenhuis, dat ik, arme wandelaar, een

schuilplaats hoopte te vinden. Mijn uiterlijke tooi, vooral nu ik

doornat en druipende was, maakte mij ongeschikt om mij in zulk een

aanzienlijk verblijf te vertoonen; maar bovendien stond dat gebouw nog

te ver van mij af en zag ik naderbij een gelegenheid, waarvan ik mij

vleide ongestoord en onverhinderd gebruik te mogen maken. Het hek (ik

heb nog vergeten te zeggen dat het in gouden letteren den naam van

GULDENHOF voerde) was open, en kort daarbij stond, half rustende in de

moddersloot, die de plaats van den weg afscheidde, een achtkante koepel

van witten steen. Ziedaar alles wat ik er toen van zag; ik kan er echter

te dezer gelegenheid bijvoegen, dat het een sierlijk gebouw was, met

vier breede en vier smallere zijden: drie van de eerstgenoemde waren met

kruisramen voorzien (want men kende toen nog bijna geene andere), die

het uitzicht op den landweg hadden: de vierde, meest binnenwaarts

geplaatste zijde bevatte den ingang, waartoe men door een prachtige

stoep met marmeren trappen en leuningen geraakte. Niet slechts waren

deur en vensters door pilasters en loofwerk omsloten, maar ook prijkten

de smallere zijden met vakken van groen marmer, waarop in wit _bas

relief_ de gewone kenteekenen van handel, zeevaart, jacht en schoone

kunsten prijkten, als moest daarmede te kennen gegeven worden, dat de

eigenaar, zijn geld in het eerstgemelde vak gewonnen hebbende, het

tweede voorstond, het derde uit liefhebberij beoefende en het vierde

beschermde. Onder de ramen bevonden zich kleine ronde vensters met

ijzeren dwarsbouten, om licht en lucht in den kelder te geven. Het dak

was rond en met lood belegd en eindigde in een sport van gedraaiden

kogel, van boven met een vergulden bol versierd.

Deze verblijfplaats nu lachte mij aan. Met drift snelde ik het hek

binnen, geene andere vrees koesterende, dan die van den koepel gesloten

te vinden; maar ook in dat geval meende ik tegen de deur post te vatten

en onder de vooruitspringende lijst eenige beschutting te vinden. Ik

werd echter niet teleurgesteld; want nauwelijks, was ik de marmeren

trappen genaderd, of ik zag, dat de deur half openstond: en, zonder mij

te bedenken, liep ik, na alvorens, om den vloer van het gebouw niet te

bezoedelen, mijn beslikte schoenen op den ijzeren krabber te hebben

afgeschrapt, de stoep op, trad ruggelings binnen en veegde nogmaals mijn

voeten af op de net gevlochten matten, die zoo buiten als binnen de deur

lagen. Nauwelijks had ik deze bezigheid verricht en mijn hoed afgenomen,

waarvan de slappe randen, die een tijdlang mijn schouders beschut

hadden, nu geheel doorweekt waren, of ik wendde mij om en zag, hetgeen

ik in het eerste oogenblik niet had opgemerkt... dat ik namelijk niet

alleen was.

Op eene der diep inspringende vensterbanken en half achter de sponning

verscholen, was een jonge juffer gezeten, die, blijkens het boek dat zij

in de hand hield, met lezen bezig was, toen haar mijn onverwachte

verschijning daarin stoorde. De eerste blik, dien ik op haar sloeg, deed

mij zien dat zij een wit morgengewaad droeg, hetwelk een bevalligen

zwier bijzette aan haar slanke gestalte: de tweede, dat zij een

allerliefst gezichtje had: en de derde, dat zij, geheel niet gesticht

scheen over mijn vrijpostig binnentreden, en ik mij haasten moest daar

grondige redenen van verschooning voor in te brengen, of mij ten

spoedigste te verwijderen.

Ik deed echter in den beginne noch het een noch het ander; want ik was

van verrassing niet in staat een woord te spreken: ik zag dat zij ook

onthutst was: het geraas der buien had haar waarschijnlijk belet, mij te

hooren aankomen: bovendien zat zij met den rug naar de deur gekeerd en

had mij dus niet opgemerkt, dan voordat ik reeds binnengetreden was en

mijn hoed op den grond geworpen had, om de fraaie stoelen van rood hout

met gevlochten zittingen en zijden kussens niet vuil te maken. Zij

herstelde zich echter terstond van haar plotselingen schrik, zoodra zij

mij met een vluchtigen blik had verwaardigd: misschien ontdekte zij in

mij 't een of 't ander, 't geen haar, in weerwil van mijn ongunstig

uiterlijke, deed oordeelen, dat ik tot den fatsoenlijken stand behoorde:

in allen gevalle behoefde zij geene groote mate van verbeeldingskracht

te bezitten om de aanleidende oorzaak mijner verschijning te bevatten.

En hier ondervond ik, hoeverre de jonge lieden van ons geslacht bij

zoodanige ontmoetingen achterlijk zijn bij die eener zwakkere kunne; 't

geen voorzeker daaruit voortspruit, dat de vrouwen een vlugger vernuft

bezitten en spoediger haar tegenwoordigheid van geest hervinden dan wij.

Immers, zoo een van ons beiden een allerzotst figuur maakte, dan zeker

was ik het. Blozende en als op de plaats vastgenageld bleef ik

standhouden achter eene, tusschen ons beiden in staande, tafel van

ongemeene grootte, doch uit slechts ééne plank vervaardigd, en waarop

een werkmand, een tuinhoed en een paar handschoenen lagen, en stamelde

ik ettelijke onsamenhangende woorden van verontschuldiging, over het

slechte weer, over mijn leedwezen van de Juffer gestoord te hebben enz.,

waarna ik, al achteruitschuivende, mijn hoed wederom opraapte en te

kennen gaf, dat ik door een onmiddellijk vertrek mijn onbescheidenheid

zoude verbeteren.

"O! 't is niets, Mijnheer!" zeide zij, met een vrij stijve hoofdbuiging:

"gij hindert mij niet en het is waarlijk zulk een geweldige bui, dat men

alle plichtplegingen wel mag ter zijde stellen."

Ik maakte een diepe, vrij onhandige buiging: waarschijnlijk bracht mijn

zotte houding haar in een goede luim; want haar gelaat klaarde op, en

zij vervolgde met een vriendelijken glimlach:

"Ik heb eigenlijk niets over dezen koepel te zeggen; maar mijn oom zal

het mij niet ten kwade duiden, zoo ik voor een oogenblik in zijne

rechten trede en u een schuilplaats vergunne."

Ik had langzamerhand moed gevat, en bij deze minzame toespraak was mijn

beschroomdheid geheel geweken. "In waarheid," zeide ik, "het weer is zoo

boos, dat ik niet aarzel om van uwe beleefdheid gebruik te maken, al

mocht het onbescheiden geacht worden." Dit zeggende maakte ik weder een

buiging, min gedwongen dan de vorige, leide hoed, stok en pakje bijeen

en bleef op denzelfden eerbiedigen afstand achter de tafel staan.

De jonge juffer zag mij nogmaals terloops aan, vroeg mij of ik niet

wilde zitten, nam haar boek weder op en ging stil met lezen voort,

zonder zich verder met mij te bemoeien. Ik bleef eenige oogenblikken

weifelen, als wachtte ik een herhaling van haar aanbod; maar toen deze

niet kwam, zeide ik, dat ik vreesde door mijn vochtig gewaad de fraaie

meubelen te zullen bederven. Ik bekwam geen antwoord op deze aanmerking;

waarop ik, een weinig geraakt, het kussen van een der stoelen nam en op

tafel leide en mij op de naakte zitting plaatste. Zoo zaten wij nu een

tijdlang, gedurende welken mij de oogenblikken uren toeschenen: en

waarin ik mijn toestand, dien anderen hoogst benijdbaar zouden geacht

hebben, hoe langer hoe lastiger begon te vinden. Ik had, wel is waar,

mij aangenaam kunnen bezig houden met de beschouwing van het

fijngevormde neusje, de aardig gekuilde koontjes en rozeroode lipjes,

die het bevallige aangezichtje mijner nieuwe halvekennis

versierden;--maar ik begreep dat betamelijkheid mij verbood, haar zoo

gedurig aan te staren. Ik zocht dus mijn troost met nu en dan eens naar

buiten te zien, of de regen ook ophield, iets waarop althans voor 't

oogenblik, geen uitzicht scheen,--en met de binnenzijde van het

zomerhuis te beschouwen. Ik kon niet nalaten, hierbij den goeden smaak

des bouwmeesters te prijzen, die, zoo hij aan de buitenzijde misschien

wat al te kwistig met versierselen en krullen was te werk gegaan, van

binnen een edele eenvoudigheid tot leidsvrouw scheen gekozen te hebben.

De wanden en het gewelf waren wit gepleisterd: maar de kroonlijst,

zoowel als de pilasters, waar zij op rustte, bootsten zoo natuurlijk het

roode marmer na, dat men die moest voelen om zich te overtuigen dat zij

slechts uit hout vervaardigd waren. De vier vakken, die zich tusschen de

deuren en de vensters bevonden, schenen elk tot een bijzonder gebruik

bestemd, hetwelk werd aangeduid door vierregelige opschriften, in gouden

letteren daarop gesteld. Het eene vak was opengeschoven en bevatte een

verzameling van nette boeken, naar den laatsten smaak ingebonden. Met

behulp van een weinigje verbeeldingskracht giste ik nu, dat het vak

daartegenover met glazen en kopjes zou gevuld zijn; dat het derde een

fontein verborg, en men in het vierde

_een verholen trap, die uitquam in een kelder_,

zoude vinden. Wat den vloer betreft, deze was geheel samengesteld uit

marmersteenen van onderscheidene kleur, zoodanig ingericht, dat zij een

groote ster binnen drie breede randen voorstelden;--echter waren alleen

de uiterste punten dier ster zichtbaar, daar het midden door een groote

Moskovische mat bedekt was, waar de tafel op stond, en waar ik mijn

voeten over uitstrekte, ten einde zoo weinig mogelijk de blijken mijner

aanwezigheid op de gladde steenen achter te laten.

Ik had dit alles nu eenige reizen en tot verzadiging toe bezichtigd en

inmiddels, wanneer ik een zijdelingschen blik op mijn schoone gastvrouw

sloeg, bemerkt, dat zij nu en dan van haar boek opzag, om naar het weer

te kijken; welke beweging ik niet kon nalaten, toe te schrijven aan haar

verlangen naar mijn vertrek. Mijn toestand werd mij nu zoo

onverdraaglijk, dat ik oprees. Den blik naar buiten slaande, zeide ik op

een toon, die in weerspraak was met mijn woorden:

"Ik geloof, dat de bui nu wat begint te bedaren: en dat ik best zal doen

met u onder dankbetuiging te verlaten."

"Ik zou nu maar wachten tot het opgehouden had met regenen," zeide zij,

haar heldere blauwe oogen eerst eventjes op mij en toen zeer lang op de

zwarte wolken gevestigd houdende: "het is waarlijk nog geen wandelweer."

En een nog geweldiger kletteren van den stortregen tegen de ruiten

bevestigde de waarheid van haar woorden.

"Mejuffrouw is al te goed," hernam ik: "er zou mij anders minder aan

gelegen liggen; maar ik had gehoopt heden nog voor 't poortsluiten

binnen Naarden te zijn, en ik zal frisch moeten aanstappen om mijn

oogmerk te bereiken."

Mijn schoone gaf geen antwoord op deze aanmerking: ik gevoelde, dat zij

alle aanleiding tot een onderhoud wilde vermijden, met iemand die haar

geheel onbekend was.

"'t Is noodweer!" vervolgde ik, eenigszins geraakt, en haar aan 't

praten wenschende te krijgen: "het koren dat te veld staat zal er zeker

vrij wat door lijden."

Het koren was zeker geen onderwerp, dat de Juffer toescheen gelukkig

gekozen te zijn: althans zij bewaarde het stilzwijgen.

"Ik beklaag de arme visschers, die zich op de Zuiderzee bevinden," zeide

ik, in den waan, dat, zoo het minste gevoel haar boezem bewoonde, zij

mijn aanmerking niet onbeantwoord laten kon; maar jawel! zij beet op de

lippen en keek in haar boek.

"Dit schijnt eene fraaie hofstede te zijn: ik heb zelden, zelfs

buitenslands, schooner boomen gezien dan die beuken in het overstuk."

Er was wederom geen antwoord.

"Voor den drommel!" dacht ik: "is het preutschheid, trotschheid of

domheid, dat zij mij niet te woord wil staan?" Ik kon het haar echter,

bij nader inzien, niet erg kwalijk nemen, dat zij, een steedsche,

misschien wel een hoofsche juffer, in geen gemeenzaam onderhoud verkoos

te treden met iemand, die er uitzag als een landlooper. Ik wilde echter

weten waar ik mij aan houden moest, en ontdekken of een lief gezichtje

de eenige gift was, die zij van de natuur ontvangen had, en of onwil dan

wel ongeschiktheid tot spreken haar tong boeide. Ik besloot dus een

duidelijk vraagteeken achter mijn volgende woorden te plaatsen:

"Mag ik vragen," zeide ik, "of dit goed niet toebehoort aan den Heer

Blaek van Amsterdam? Ik meen wel gehoord te hebben, dat hij in deze

omstreken een fraaie hofstede bezat."

"Ja, Mijnheer! de Heer Blaek is mijn oom," was het antwoord, waarvan de

koele toon mij niet afschrikte; want ik bevond mij nu op een vast

terrein, waarvan ik mijn aanval kon beginnen, zonder vrees van

teruggedreven te worden.

"Dat is mij bijzonder aangenaam," zeide ik: "ik herinner mij niet den

Heer Blaek ooit gezien te hebben."

Hier zweeg ik bot stil: en zij keek mij eenigszins verwonderd aan, als

wilde zij te kennen geven, dat zij niets van mijn gezegde begreep, maar

dat het haar voorts ten eenenmale onverschillig was of ik haar oom al

dan niet kende. Nu vervolgde ik:

"Maar den broeder van den Heer Blaek heb ik voor vele jaren wel eens ten

huize mijns vaders ontmoet... Hendrik Blaek, zoo ik mij wel herinner."

"Hij was mijn vader," zeide de jonge Juffer, terwijl haar gelaat opeens

een meer vriendelijke en tevens weemoedige stemming bekwam: "ik heb voor

twaalf jaren reeds het ongeluk gehad hem te verliezen."

"Het is waar," zeide ik: "ik spreek van den tijd, toen ik nog een knaap

was: de Heer Blaek kwam somtijds bij mijn vader: beiden hadden toen

betrekkingen bij de Oost-Indische Compagnie.... Mijn vader is thans

Hoofdschout te Amsterdam."

"De Heer Huyck uw vader!" zeide Mejuffrouw Blaek, op een uiterst

minzamen toon, haar boek sluitende: "o! ik ken hem zeer goed; en vooral

uw moeder en uw zuster: voor veertien dagen heb ik ze nog allen

gesproken en ik hoop ze eerstdaags weer te zien, daar wij morgen naar

Amsterdam vertrekken."

"En zij waren wèl, hoop ik?... indien ik zoo vrij mag zijn daarnaar te

vernemen?"

"O! zeer wel!" antwoordde zij, haar boek op de vensterbank leggende en

geheel ongedwongen: "en zij waren zeer verlangende u weer te zien. UEd.

wordt met ongeduld en smart verwacht, dat kan ik u beloven."

"Nu! het verlangen is wederkeerig," zeide ik: "het doet mij

ondertusschen recht veel genoegen goede tijdingen van hen te hooren en

vooral uit zulk een beminnelijken mond."

Mejuffrouw Blaek kreeg een kleur en zweeg. Ik begon terstond uit een

anderen toon, uit vrees, dat zij het gesprek niet zou willen vervolgen.

"En is waarlijk mijn lieve moeder zoo wèl als UEd. zegt? Volgens de

laatste berichten, die ik van haar ontving, had die lastige kwaal, de

hoofdpijn, haar weer gekweld."

"Zij scheen nu volkomen gezond, de zachte, lieve vrouw," zeide

Mejuffrouw Blaek: "ik weet echter, dat de schijn ten haren opzichte

niets bewijst; want zij klaagt nooit, en is altijd even lijdzaam en

geduldig; maar uw zuster Suzanna heeft mij verzekerd, dat zij in lang

zoo wel niet geweest was."

"En hoe maakt Santje het? Ik begrijp waarlijk niet, hoe zij het zoolang

heeft kunnen uithouden zonder mij; want toen ik nog in huis was, leefde

zij slechts half, wanneer zij mij niet driemalen in 't uur de les kon

lezen."

"Dan denk ik, dat er na uw lange afwezigheid al heel wat voor u in 't

zout is gelegd," zeide Mejuffrouw Blaek, lachende: "nu, gij zult het

toch van Santje wel willen hooren?--waar zijn de oudste zusters voor,

zoo niet om haar broeders wat in toom te houden?...--ofschoon ik vrees,

dat gij nu haar plak wel ontwassen zult wezen."

"Ontwassen! daar twijfel ik aan: zij zal mij zoo lang bruien, tot zij

een man heeft, om dien te regeeren.... _Apropos_, weet UEd. ook of er

zich al één voor haar heeft opgedaan?"

"Zoo ik haar vertrouweling ware," zeide mijn nieuwe kennis met een

fijnen glimlach, "zoude ik mij wel wachten, u iets te zeggen van hetgeen

ik weet:--en in allen gevalle wil ik haar van het genoegen niet

versteken om zelve u dienaangaande de noodige mededeelingen te doen."

"O hemel!" hernam ik, "dan zal ik niets vernemen, voor en aleer de

voorzanger in de Oude Kerk, met zijn neusstem, aan de gansche gemeente

verkondigt, dat er trouwbeloften bestaan, tusschen den Heer N.N. en

Mejuffrouw Suzanna Aletta Huyck."

"Ik vlei mij, dat zij wel wat vertrouwelijker met u zal wezen. Ten

minste, zoo ik oordeelen moet naar den toon, waarop zij altijd over u

sprak, mag ik besluiten dat zij niet weinig van u houdt."

"Zij heeft u dus over mij gesproken," zeide ik met levendigheid: "dat

verheugt mij recht; want dan ben ik u niet geheel onbekend."

"UEd. schijnt derhalve te gelooven, dat zij u in uwe afwezigheid niet

benadeeld heeft," zeide Mejuffrouw Blaek: "en dat gij meer verplichting

aan haar hebt, dan men uit uwe woorden van zooeven zoude opgemaakt

hebben."

"Wel, daarvan ben ik overtuigd," zeide ik: "verre van mij, zal zij niets

dan goeds van mij zeggen;--maar wee mij, wanneer ik weer voor haar oogen

verschijn."

"Dat is de ware vriendschap," zeide Mejuffrouw Blaek: "iemand zijn

fouten in 't aangezicht te zeggen en achter zijn rug hem te

prijzen:--maar wees slechts niet te hoovaardig. Zij wist uw brieven soms

op zulk een kluchtige wijze te ontleden en met aanmerkingen te

versieren, dat gij er meer dan eens deerlijk afkwaamt."

"Hoe!" herhaalde ik, terwijl ik een gemengd gevoel van blijdschap en

spijt ondervond: "zij heeft u mijn brieven laten lezen?"

"Immers uittreksels daarvan ... beschrijvingen van landen en steden,

zeden en gewoonten, en uw aanmerkingen daarover: ik kan niet ontkennen,

dat zij mij dikwijls vermaakt hebben."

"Helaas!" riep ik uit, een bedrukten toon aanwendende: "vermaakt!

wellicht ten koste van den armen schrijver, die zich na de

vermoeienissen van den dag uitsloofde om met vakerige oogen en een

slaperig brein aan de schrijftafel te gaan en ter liefde zijner familie

halve nachten doorbracht met papier te bekladden, terwijl hij veel

liever op zijn bed had liggen droomen.--Nu voorwaar! nu zal ik toch ook

op mijn beurt eens klagen over een misbruik van vertrouwen."

"Ik dank u voor de beleefdheid," zeide Mejuffrouw Blaek: "UEd. denkt

dus, dat het vertrouwen slecht geplaatst was."

Ik stond een oogenblik verzet en voelde dat ik rood werd: ik herstelde

mij echter, toen ik bespeurde dat Mejuffrouw Blaek, misschien

oordeelende dat zij te vrij gesproken had, insgelijks een kleur kreeg:

en ik ging dus schertsende voort:

"Het was verre van mijn bedoeling u een slecht compliment te maken:

integendeel! daar ik niet geloof, dat Santje met mijn brieven rondloopt,

beschouw ik die mededeeling daarvan aan u als een blijk dat gij beiden

zeer nauw verbonden zijt: en dewijl de vrienden onzer vrienden ook de

onzen zijn...."

"Dat spreekwoord gaat niet door," zeide Mejuffrouw Blaek, droog weg:--en

als willende zij mij te kennen geven, dat zij niet van plichtplegingen

hield, vroeg zij mij op een kouden toon of ik ook wist, hoe laat het

ware.

"Dat zou ik u moeilijk kunnen zeggen," antwoordde ik: "want mijn uurwerk

heeft mij de poets gespeeld van stil te gaan staan. Naar mijn gissing

moet het echter niet verre van halféén zijn."

"Reeds zoo laat! dan vrees ik, dat zij mij reeds door de geheele plaats

zoeken; want ik had al lang te huis moeten zijn. Het is etenstijd en ik

ben nog niet aangekleed."

"Wilt gij, dat ik naar uw huis ga, en om een regenscherm voor u vrage?"

"Wel neen," zeide zij lachende: "dit is de meening niet: gij zit hier

droog; waarom zoudt gij u nogmaals aan de bui blootstellen?"

"Indien dit uw eenige reden is," zeide ik, "snel ik er dadelijk heen. Ik

ben toch reeds doornat, en, buitendien, zou men niet desnoods door een

water loopen, om u van dienst te zijn."

"Neen! neen! ik dank u," zeide zij, eenigszins ongeduldig; "er zal

straks wel iemand komen, om mij te halen ... of liever ... zoodra de bui

bedaart, gaan wij beiden elk zijn weg."

Wij zwegen een oogenblik, gedurende hetwelk ik aan de deur post vatte,

gereed om naar het heerenhuis te snellen, zoodra zij, mij daar verlof

toe gaf. Ondertusschen kon ik in haar oogen lezen, dat zij mij nog iets

wilde zeggen, doch aarzelde het uit te brengen. Eindelijk scheen zij

haar beschroomdheid overwonnen te hebben, en vervolgde, voor zich

ziende:

"Hoor eens, Mijnheer Huyck! ik heb waarlijk liever, dat UEd. niet gaat.

UEd. is de broeder mijner vriendin! ik kan het u dus wel zeggen ... ik

ben bang dat mijn oom misschien kwalijk zou nemen dat...."

"Dat een wensch, door u geuit, dadelijk vervuld wordt, zoo ras hij

gehoord is?" viel ik in de rede.

"Luister!" hernam zij, terwijl zij dreigend den vinger ophief: "ik moet

u waarschuwen, laat alle complimenten varen, of ik zwijg bot-stil, daar

ik u toch niet ontloopen kan."

"Op mijn woord," hernam ik met vroolijkheid: "ik kan niet gelooven, dat

UEd. de nederigheid zoover zoudt drijven, om elk vriendelijk woord, dat

u gezegd wordt, dadelijk voor een plichtpleging en niets meer te houden.

Indien UEd. uitdrukkingen, welke niets dan waarheid behelzen, als

vleierij wilt opnemen, zult gij mij dwingen anders te spreken als ik

denk."

"Hoe langer hoe mooier!" zeide zij: "in welk van de door u bezochte

landen hebt gij die hoofsche taal geleerd? Uw gesprek gaat het bereik

van een onnoozel Hollandsch meisje als ik ben ver te boven: en ik weet

er niet naar behooren op te antwoorden."

"Het is dan toch waarlijk al te erg," hervatte ik, "dat al mijn gezegden

zoo verkeerd door u worden opgenomen. Ik zal nog moeten eindigen met u

allerlei onaangename dingen te zeggen, na vooraf verzocht te hebben dat

gij wel zoo goed wilt zijn, al mijn uitdrukkingen letterlijk in den

tegenovergestelden zin op te vatten. In 's hemels naam!" voegde ik er

haastig bij, ziende, dat een wolkje van ongenoegen op het blanke

voorhoofd der jonge schoone begon samen te trekken: "wees niet boos,

maar oefen lankmoedigheid uit jegens iemand, die nu twee jaren buiten de

gelegenheid is geweest een meisje in 't Hollandsch aan te spreken: en

zoo ik iets zeg, dat u mishaagt, schrijf het daaraan toe, dat mijn

blijdschap over de eerste ontmoeting met een stadgenoot mij 't hoofd op

hol brengt. Moet ik het niet als een gelukkig voorteeken opvatten, ja

zelfs er het onweder voor dank weten, dat gij die persoon zijt en niet

de een of andere...." hier schoot ik onwillekeurig uit in schaterend

gelach; want mijn ontmoeting met Simon kwam mij voor den geest.

Mejuffrouw Blaek keek mij eenigszins verbaasd aan, niet wetende wat die

ongemeene vroolijkheid beduidde.

"Ik bid u duizendmaal om vergeving," vervolgde ik: "maar juist

herinnerde ik mij, dat ik reeds hedenmorgen een stadgenoot ontmoet heb,

en wel een Joodje met negotie: dat denkbeeld in verband met hetgeen ik

zeide, kwam mij zoo zot voor, dat ik niet kon nalaten er om te lachen...

UEd. is er toch niet boos over?"

"Niet in het minste! Het spijt mij maar om uwentwil, zoo UEd. aan

voorteekenen hecht; want nu ligt het gansche gebouw uwer hoop in

duigen."

"Nog niet! Op mijn eerste ontmoeting is een geweldige regenbui gevolgd,

en dus heb ik het leed, dat zij mij aanbrengen moest, al beet, maar deze

tweede kan mij niets dan goeds voorspellen."

"Zij voorspelt u een duchtige verkoudheid," zeide het schalksche meisje:

"of kunt gij nogal tegen een nat pak?"

"O ho!" zeide ik: "daar vrees niet ik voor: straks loop ik mij weer

warm?"

"Wel mogelijk!" zeide zij, met een goedaardigen blik: "maar het ware

toch niet kwaad, zoo gij iets naamt om u wat te verwarmen. Het zou mij

voor de eer van mijn oom spijten, indien gij op Guldenhof geweest waart

en niets gebruikt hadt om u te verkwikken. Ik zal zien wat de kast

bevat."

Met deze woorden sprong zij op, nam een bos sleutels, die aan de

boekenkast hing, er af en opende, niettegenstaande mijn betuiging, dat

ik niets behoefde, eene der andere kasten, welke, gelijk ik al vermoed

had, tot buffet diende en waar, behalve eenig Japansch en Chineesch

porselein, een zilveren tabakskomfoor, een kistje en verder toebehooren,

zich ook een likeurkeldertje bevond, hetwelk ik er uitnam en op de tafel

zette.

"Ziehier!" zeide zij: "wat zult gij; nemen? cognac, rum, rosolis,

ratafia! wat gij begeert."

Ik nam een glas cognac aan en voelde inderdaad dat het mij goeddeed.

Intusschen had ik, terwijl mijn schoone gastvrouw in de kast schommelde,

het opschrift gelezen, hetwelk daarboven prijkte en luidde als volgt:

"Gij, die in dit verblijf wilt toeven met gemak,

Gij vindt in deze kast pijp, vuurtest en tabak:

Ook keurig porselein van China's verre kust

En goeden morgendrank, zoo u geen koffie lust."

"Een zeer goede terechtwijzing voor de dieven, die altemet hierbinnen

mochten dringen," zeide ik, "om niet verlegen te zijn, waar zij iets

naar hun gading kunnen vinden."

"O!" zeide Mejuffrouw Blaek: "de koepel wordt goed gesloten: en het

weinige, dat zich hier bevindt, is de moeite van 't inbreken niet

waardig."

"Het schijnt hier vol rijmpjes te zijn," zeide ik, mij omdraaiende, en

het opschrift der boekenkast lezende, 't welk van dezen inhoud was:

"Men streele en voede 't lijf; maar beter nog den geest,

Is voor eene eeuw de les van Vader Cats geweest;

Zoo gij begeerig zijt om onderricht te zoeken,

Hier binnen vindt gij keur van goede en nutte boeken."

"'t Is jammer van 't goud, dat aan de letters verspild is," dacht ik bij

mijzelven; maar te gelijk mompelde ik overluid: "hm! zeer aardig!"

"Thans, heer waarheidspreker," zeide de schalksche plaagster, "ben ik

overtuigd, dat gij niet meent zooals gij spreekt."

"Wat zal ik zeggen," hernam ik, de schouders ophalende: "hoog dravende

poëzie is het juist niet: maar het zijn rijmen, die doel treffen, en dat

kan men juist van alle niet zeggen. Ook moet ik u bekennen, dat ik

hoegenaamd geen gevoel voor, noch kennis van dichtkunde bezit."--En dit

was waar.

"Mag ik eens verder lezen?" vervolgde ik, en hief nu aan met het

opschrift, boven het derde vak geplaatst:

"De leeuw, dien Simsons vuist ter neder heeft geveld,

Had honing in den muil, gelijk de Schrift vermeld:

Maar zoo deez' kast almeê een leeuwenkop besluit,

Daar vliet nooit anders dan gezuiverd water uit."

"Voorwaar!" zeide ik: "ik dacht niet dat ik Simson bij deze gelegenheid

zou aantreffen."

Ferdinand Huyck · 第 4 / 51 段