hebt," zeide de waard, Andries aanstootende! "jij hebt zeker Zwarten
Piet wel 'ekend ook?"
"Wat bruit mijn jou Zwarte Piet," zeide Andries, een scheel gezicht
zettende: "och! 't is allemaal lanterluien, wat dat volk vertelt. Een
goeien vetten koopvaarder van zijn overtolligen ballast te ontlasten,
dat was werk voor Zwarten Piet: denk jij, dat een echte zeebonk as hij
zich zou ophouen met een oud wijf op den grooten weg te onttakelen?"
"Wie weet?" zeide de waard: "tot een tijdverdrijfje ondershands."
"Gekheid!" zeide Andries: en hij begon opnieuw zijn gezang.
Ik weet niet, hoe het kwam; maar het scheen mij toe, als of hij daardoor
afleiding aan het gesprek wilde geven: en het was of een geheime stem
mij influisterde, dat, zoo die diefstallen al niet op rekening van
Zwarten Piet moesten geschoven worden, Andries althans daar meer van af
wist dan hij zeggen wilde.
Het was echter niet meer dan een vermoeden; en daar ik begreep, nu lang
genoeg te zijn gebleven, wierp ik een gulden op de toonbank en verzocht
om geld terug.
Terwijl Mientje nog bezig wat een dubbeltje uit haar tasch te halen,
trad de man met den rooden mantel de deur binnen en stapte, zonder
eenige notitie van iemand te nemen, naar de toonbank toe.
"Vrijster!" zeide hij: "geef spoedig een paar sneden wittebrood en
boter. Wij moeten voort, zoodra ons paard beslagen is."
Mientje zette zich dadelijk in postuur om aan het verzoek te voldoen: en
de onbekende bleef met de armen over elkander geslagen voor de toonbank
staan, zonder te bespeuren, dat hij het voorwerp der beschouwing was van
al de aanwezigen, maar vooral van mij, die nog altijd stond te wachten
op het geld, dat ik terug moest hebben.
En in de daad, hij was wel geschikt om de opmerkzaamheid tot zich te
trekken: zijn gestalte was ongemeen hoog, zonder echter het onbevallige
te bezitten, hetwelk meestentijds eigen is aan uit hun kracht gegroeide
personen en hun het hoofd doet gebogen houden of den rug krommen.
In-tegendeel, de stand van den reiziger was vrij en ongedwongen en de
roode mantel zelf, die hem bijna geheel bedekte, was met een achteloozen
zwier omgeslagen, welke iets edels, iets schilderachtigs bijzette aan
elke houding, welke hij verkoos te nemen. Over de gelaatstrekken viel
het echter moeilijker eenig oordeel te vellen. Een slechts los
omgeknoopte das van zwarte zijde verborg de onderste helft van het
aangezicht, en de slappe rand van den hoed viel op het voorhoofd neder;
zoodat men weinig meer kon onderscheiden, dan den eenigszins
voorovergebogen neus en den zwaren peperen en zoutkleurigen knevel, die
de bovenlip overschaduwde.
Simon was bij het binnentreden des vreemdelings nog dieper in zijn
hoekje teruggekropen, als had hem die reusachtige gedaante schrik
aangejaagd; maar, even als de vos, die in 't eerst voor den leeuw
vluchtte, doch langzamerhand aan zijn uitzicht begon te wennen, en
eindelijk gemeenzaam met hem werd, zoo scheen ook onze marskramer, na
gedurende een poosje den roodmantel te hebben aangegluurd, zijn schroom
te laten varen en vrijmoedigheid te verkrijgen: hij rees langzaam op,
en, den onbekende naderende, begon hij hem zijn koopwaren aan te bieden.
"Dheursthekers!--messen!--scharen!--brillen!--photloodjes! khoop wat,
Meneer! gheen deit rijk, zoowaar God leeft." De vreemdeling vergenoegde
zich, den Jood met een langzaam hoofdschudden af te wijzen, zonder eenig
antwoord op zijn aanzoeken te geven.
"Laat ik wat an jou verdienen," vervolgde Simon, hem bij den mantel
trekkende: "halmenakkies! snijfdoozen! Thraktaatjes hover de pholetiek
van den dag!--mooi om te leggen loopen lezen hover den weg. Of wilje
liever een khommediepoekkie?--of de leste woorden van Saco, met zijn
sententie er achter. Nha! hik zeg hummers gheen kwaad?..."
"Hm!" bromde de vreemdeling en ontwrong, met een beweging van
verontwaardiging, zijn mantel aan de handen van den Jood, en te gelijk
het bord met broodjes, dat Mientje hem toereikte, aannemende, wendde hij
zich om, en ging weder naar de voordeur. Onderweg echter bedacht hij
zich, keerde terug, keek rond, als zocht hij iets, nam toen het mes van
Andries, (die, juist opgestaan zijnde, bezig was een pijp aan te steken
en de daad des onbekenden niet terstond bemerkte), sneed het eene
broodje in dunne reepjes en stapte toen de deur uit, gevolgd door Simon,
die niet afliet, hem zijn waren aan te prijzen. Andries ging weêr naar
zijn plaats en ontdekte terstond dat men aan zijn mes geraakt had. Ik
had inmiddels mijn geld terugontvangen, en, een nieuwen twist
voorziende, mij, na een goeden dag aan 't gezelschap te hebben
gewenscht, weder naar buiten begeven, toen de arme Simon plotseling naar
binnen en mij tegen 't lijf werd geworpen. Hij had, niet tevreden van
zijn prullen den vreemdeling aan te prijzen, ook in de kar willen
kijken, waarschijnlijk om te zien of hij daar ook een kooper zou vinden,
toen de reiziger hem op deze vrij onzachte wijze belette, zijn voornemen
ten uitvoer te brengen.
"Hawaai! hawaai!" riep de arme drommel, zijne, over den grond
verstrooide kramerijen stuk voor stuk oprapende: "hik ben heen bedurven
man. Wat zhijn dat nou voor menieren? mag een heerlijke khoopman op 's
Eeren straten zoo be'andeld worden? Leelijke sthraatschender dhat je
bent met jen schavotkleerden mantel. Je ben men phortuur niet; maar
gheef me hen kleinen jonge bij me hen ik shla je tot greizelementen.
Mhag jij de menschen zoo molestheren?"
Er waren eenige voorbijgangers en werklieden uit de buurt op het rumoer
komen aanloopen. Ik had de dienst, mij door Simon bewezen, nog niet
erkend, en naar hem toetredende, stopte ik hem een zesthalf in de hand.
"Daar," zeide ik, "dankje voor uw waarschuwing van zoo even! Wacht! daar
liggen nog een paar messen! en hier een kam!"
Dit zeggende raapte ik eenige van zijn koopwaren op, die onder de kar
geraakt waren, en stelde hem die ter hand, terwijl hij mij duizendmaal
"God loonje!" toewenschte. De vreemdeling bleef intusschen in een
onverschillige houding tegen de kar leunen en zijn snede brood opeten,
zonder zich over ons te bekommeren.
Op dit oogenblik stoof Andries de deur uit, met zijn mes in de hoogte,
door den waard en al de boeren gevolgd.
"Weêr en wind!" riep hij den vreemdeling toe: "jij zelt er zoo
gemakkelijk niet afkomen als dat loop-in-'t-lijntje daar. Wie heitje
gehieten van an men mes te komen?"
"Hawaai! hawaai!" riep Simon, Andries met een smeekenden blik aanziende:
"elp mij toch theugen dien Filisthijn, dien langen schlingel dhaar, die
me eelemaal heit bedhurven."
"Hoorje niet, dat je gepraaid wordt," vervolgde Andries tegen den
vreemdeling, die, zonder zich zijn woorden aan te trekken, onbeweeglijk
stil bleef staan: "wat hadje met men mes noodig?"
De onbekende gaf geen antwoord; maar het ledige bord aannemende, dat de
persoon die in de kar gezeten was hem aanreikte, stak hij het den
kastelein toe en vroeg, wat hij schuldig was. Ik had mij intusschen
willen verwijderen; maar ik beken dat de nieuwsgierigheid, hoe dit alles
zou afloopen, mij ook terughield.
"Geef dan voor den () antwoord, kaerel!" bulderde Andries, den
vreemdeling bij den mantel grijpende.
"Hebt gij lust denzelfden weg op te gaan als die Jood daar?" vroeg deze:
"ik hinder niemand; maar niemand moet mij aanraken."
"Hoor reis, ventje!" zeide Andries: "jij mot zooveel praats niet hebben:
al benje nog zoon lange spriet, ik heb er wel grooter als jou voor
derlui frontwerk getrommeld. Heb je lust? dan zal ik je een rood lintje
over je bakkes halen."
De vreemdeling verwaardigde zich niet eenig antwoord te geven; maar,
zich tot zijn voerman wendende, die juist met het beslagen paard
terugkwam, riep hij hem toe, zich wat te haasten. Dit bevel werd door de
omstanders natuurlijk als een bewijs van vrees aangezien, en de waard,
niet ontevreden, van nu eens aan Andries zijn trek tot een messengevecht
te gunnen, wendde zich verheugd tot Roggeveld: "ziezoo!" zeide hij: "nou
zellen we toch nog een grapje hebben: en onze vriend Andries zal
trakteeren; want dat doet hij altijd roiaal, mot ik zeggen, as hij er
een troef heit 'egeven."
"Ik 'eleuf het niet," zeide Roggeveld: "die lange spier is ook al niet
van 't echte soort en 't kon wel 'ebeuren dat hij zonder neus verder
most reizen, in dat geval!"
"Wat () is dat?" hernam Andries tegen den onbekende, terwijl hij, de
beenen wijd uiteenzette, de linkerhand in de zijde bracht, en met de
rechterhand zijn mes op- en nederwierp: "ben ik je nou geen antwoord
waardig? En zou je zoo schoot gaan zonder te brassen? Neen mannetje! je
zelt me, zoo lang as je bent, op je knieën ekskuus motten vragen of--op
het mesje!"
"Welnu! waar wacht gij op?" vroeg de man, wien de uitdaging gold, aan
den voerman, die met wijd opgespalkte oogen dit tooneel stond aan te
gapen: "Span in, en stoor u niet aan de praat van dien dronken lap
daar."
"Dronke lap! ik dronken!" brulde Andries, wiens woede nu ten top was
gestegen: "wacht! ik zelje leeren!"--En terstond sprong hij op den
reiziger los, die juist bezig was, den voerman aan het inspannen te
helpen. Ik was op het punt van tusschen beiden te schieten, daar ik
vreesde dat de onbekende zou worden aangevallen op een oogenblik dat hij
niet op tegenweer bedacht was; maar Simon hield mij, onder een angstig
gefluister van: "hawaai! bhemoei er je niet meê! Wat zel 'et wezen?" bij
mijn rokslippen vast: en de vreemdeling toonde meer op zijn hoede te
zijn dan ik meende; want, zich eensklaps omkeerende, gaf hij den
twistzoekenden gast een stoot in de borst, dat deze achterover tuimelde,
en, naar zijn adem hijgende, op den grond bleef liggen.
"De drommel! die kwam an!" zeide baas Roggeveld: "dat is ook geen kat om
zonder handschoenen aan te vatten."
"Wel vriend Andries!" zeide de waard, hem weder op de been helpende:
"benje nou een zandruiter 'eworden?"
"t Is () ongehoord!" vloekte Andries, met moeite opstaande: "en nou neem
ik jelui allen tot getuigen, of hij niet met mij vechten moet."
"Vechten moet hij!" riepen de boeren: "er is geen bidden voor."
"En ik neem u allen tot getuigen," zeide de vreemdeling, op een strengen
toon, "dat ik het niet ben, die aanleiding tot twist gegeven heb: en
dat, zoo de justitie deze zaak onderzoekt, zij eerder hen zal straffen,
die een vreedzamen reiziger aanranden of zulks gedoogen, dan hem die
zich verdedigt, wanneer hij aangevallen wordt."
"Dat helpt allemaal niet!" riepen de boeren: "jij hebt zijn mes
an'eraakt en hum 'eslaogen: vechten motje."
Ik zag, dat de zaak een slechte wending voor den reiziger begon te
nemen: ik weet niet welke goede geest mij nu op eens den zotten logen
ingaf, dien ik verzon om hem uit den brand te helpen.
"Laten zij oppassen, wat zij doen," fluisterde ik Roggeveld, die naast
mij stond, in 't oor. "Ik bedrieg mij niet: het is Tsaar Peter! de Tsaar
van Rusland, weet gij?"
"Wat je zeit!" zeide Roggeveld, den vreemdeling verbaasd aanziende: "wel
kijk is 't mogelijk! in dat geval!" en hij deelde zijnen buurman het
sprookje mede, dat nu van mond tot mond vloog.
Het verdichtsel vond des te meer geloof, omdat de Tsaar, weinige jaren
geleden, insgelijks zonder gevolg en _incognito_ naar Amsterdam gereisd
was, en dat de vreemdeling, door zijn hooge gestalte, zijn gebiedenden
toon, en zelfs door de geduchte wijze waarop hij van zich afgeslagen
had, niet kwalijk beantwoordde aan het denkbeeld, dat men zich van den
Russischen Vorst vormde. Kluchtig was het nu, den indruk gade te slaan,
welken de tijding, die ik had medegedeeld, op de aanwezigen maakte. Al
de mutsen en hoeden gingen een voor een af, en de boeren bleven als
beteuterd den vreemdeling aangapen. Vooral de waard was verlegen, en
zocht door menigvuldige buigingen en strijkaadjen het weder goed te
maken, dat hij bij den twist de zijde van Andries gekozen had. Andries
zelf, schoon het aan zijn gelaat te zien was, dat hij het vertelsel
betwijfelde, dorst echter den aanval niet hernieuwen, en bleef in het
midden van den kring als besluiteloos staan, de blikken met een norsche
uitdrukking nu eens op den gewaanden Tsaar, dan weder op de omstanders
wendende. Slechts twee personen waren er, die blijkbaar niets van de
zaak begrepen: de eene was Simon, die zich op eenigen afstand
teruggetrokken had en de plaats hebbende verandering met blikken van
verbazing beschouwde; want niemand gaf zich de moeite, hem eenige
opheldering te geven: de andere was de onbekende zelf, die, blijkbaar
verbaasd over de op eens zoo beleefde houding der boeren, al de
omstanders beurtelings in 't gezicht zag, totdat zijn oog eindelijk op
mij viel, en ongetwijfeld den glimlach waarnam, dien het welgelukken
mijner list bij mij verwekte. Ik begreep zijn vragenden blik, en
aanstonds, met den hoed in de hand hem naderende, maakte ik de beweging,
als of ik hem in het rijtuig helpen wilde, en fluisterde hem in 't oor:
"men houdt u hier voor den Tsaar; maak maar spoedig, dat gij verder
komt."
"Ik dank u!" zeide hij, op de kar stappende: "rij nu maar voort,
koetsier!"
De voerman liet het zich geen tweemaal zeggen, maar sprong op het krat
en lei de zweep over het paard, dat terstond, met meer vlugheid dan ik
het oordeelde te bezitten, zijn weg vervolgde.
De gansche vergadering bleef het rijtuig eenige oogenblikken in stomme
verbazing naöogen: totdat de waard de stilte brak met den uitroep: "wel
wie heit zijn leven zoo iets 'ezien? Wie kon nou denken, dat die
Roodmantel de Tsaar zou wezen?"
"De Tsaar!" riep Simon, weder toeschietende: "nha doch! 't is zooveel de
Tsaar, as dat hik Vader Abraham ben. Lhoop khijken! 'Eb ik den Tsaar
niet menigmalen ghezien, toen 'ij te Zerdam wherkte as een gemeene
krijer en den naam droeg van Phieterbhaas. Ze 'ebbe je dhan holik bheet
ge'ad, khastelein!"
"Wat! hoe! was dat de Tsaar niet? Wie heeft dat dan verteld?" mompelden
de ontevredene omstanders: en aller oogen vestigden zich op mij, met een
uitdrukking van wrevel en toorn.
"Is hij het, die jelui bedot heit?" vroeg Andries, op mij wijzende:
"jelui bent ook een hoop gekken, die je een barkas voor een brik laat
verkoopen!"
"Kom! kom!" zeide ik, "Tsaar of niet, gijlieden moogt blij zijn, dat de
zaak geen verdere gevolgen heeft gehad; want die man zag er mij wel naar
uit, om het hooger op te zoeken, zoo men hem een haartje gedeerd had: en
ik twijfel er niet aan, of de Heeren van Eemland hadden het u duur doen
betalen.--Goeden morgen samen!"
Met dezen groet begaf ik mij op weg, en haastte mij met groote schreden
het dorp te verlaten, en het dof en dreigend gemompel te ontgaan, dat
van verre achter mij klinken bleef: ik was echter niet bevreesd, dat
men mij vervolgen zoude; want ik had in Simon een trouwen bondgenoot
achtergelaten, die mij kende, en het hun, vleide ik mij, wel uit het
hoofd zoude praten, mij verder lastig te vallen.
NOTEN:
[1] _Arlequin Actionist_; _Quincampoix of de Windhandelaars_: blijspelen
van Langendyk.
[2] Men weet, dat studenten gewoon zijn een kurketrekker met dien naam
te bestempelen.
* * * * *
DERDE HOOFDSTUK.
WAARIN WORDT BEWEZEN, HOE GEVAARLIJK HET IS ZONDER PARAPLUIE UIT TE
GAAN, EN DE BESCHRIJVING GEVONDEN VAN EEN MOOI MEISJE EN EEN MOOIEN
KOEPEL.
Naauwlijks was ik buiten Zoest gekomen, of ik zag de huifkar een goed
eindweegs voor mij uit, doch nu weder stapvoets door het zware zand
gaande. Ik gevoelde geene roeping om haar in te halen, maar bleef, met
denzelfden rustigen stap, dien ik tot nog toe gehouden had, mijn weg
vervolgen, en wel niet langs de gewone heirbaan van Amersfoort op
Naarden, door de Hilversumsche heide, maar oostelijker afhoudende met
het voornemen, over Eemnes te gaan, als welke weg wel wat om was, maar
daar-en-tegen meer belommerd en minder eenzaam.
Niets merkwaardigs gebeurde mij gedurende het begin mijner hernieuwde
wandeling; maar toen ik het Princelijke lusthuis Zoestdijk ongeveer een
half uur achter den rug had, begon ik wederom uit te zien naar een
herberg; niet omdat ik eenige vermoeidheid of behoefte aan spijs of
drank gevoelde, maar omdat de staat der luchtgesteldheid mij hoe langer
hoe meer vrees deed koesteren voor het op handen zijn van een fiksche
regenbui, die ik oordeelde dat na de lange droogte met dubbel geweld
zoude neêrkomen. De zon, die, sedert eenigen tijd, nu en dan door een
voorbijdrijvend wolkje was beneveld geworden, had zich eindelijk geheel
verscholen achter een driedubbel gordijn van grijze en witte en zwarte
wolken, die, tegen den wind opkomende, haar talrijke ronde koppen als
veelhoofdige reuzen verhieven en over elkander schoven als opeengekruide
ijsschotsen. Geen vogeltje deed zich hooren uit de hooge dennen, die aan
de eene zijde van den landweg haar graauwe kruinen verhieven, noch in
het eiken hakhout, dat aan den overkant groeide; daar-en-tegen zag ik,
aan een bruggetje komende, hoe, beneden mij, de zwaluwen onverpoosd en
met druipende vlerken heen en weder snorden over de oppervlakte der
daaronder vloeiende beek, en boven mij hoorde ik nog altijd het
krijschen der rondzwierende meeuwen. Ik verhaastte mijn tred en zag
rechts of links uit naar een bekwame schuilplaats tegen den stortregen.
Dan, ofschoon ik nu eens tegen de helling der onbebouwde heide een open
schaapskooi gewaarwerd, dan weder een arbeiderswoning of pachtershoeve
aan het einde der dwarslanen, welke het bosch doorsneden, ik bleef mijn
weg voortzetten, ongezind, even als de meeste lieden in mijn geval
zouden zijn, mij op te houden en ergens in te gaan voor en aleer de nood
werkelijk daar ware; want ik dacht boven alles, veld te moeten winnen,
zoolang zulks nog zonder hindernis geschieden kon, vooral daar ik altijd
op de mogelijkheid hopen bleef, dat de bui, als zij meer doen, zeewaart
trekken zou en zich niet op mijn hoofd, maar in de wateren van de
Zuiderzee ontlasten zou.
Maar deze hoop werd weldra verijdeld. Een onstuimige wervelwind, die op
eenmaal uit de diepte van het bosch scheen los te breken, verving de
doodsche stilte, die tot nog toe in de natuur had geheerscht, zweepte de
dorre bladeren over den landweg heen, waar zij in onophoudelijke
wielingen ronddraaiden, bracht fluitend en gonzend elke twijg van het
kreupelbosch in beweging, deed de kruinen van het geboomte zich naar
alle richtingen wenden en overal stuivende zandwolken opstijgen. Te
gelijker tijd scheen een schitterende bliksemstraal, die onmiddellijk
door het ratelen des donders gevolgd werd, het sein te geven dat de
strijd der elementen, en wel vlak boven mijn hoofd, een aanvang had
genomen. Naauwlijks was ik tien schreden verder gegaan, of de wolken
ontlastten zich in dikke regendroppelen, met zware hagelsteenen
doormengd. De duisternis bedekte het aardrijk, bij wijlen vervangen door
de schrikverwekkende verlichting van het weêrlicht: groote plassen,
waarin de nederstortende regen blinkende waterbellen vormde, en witte
hoopen hagelsteenen vulden in een oogenblik de rijsporen en andere
oneffenheden van den weg, en maakten mij het voortgaan hoe langer hoe
moeilijker. Ik had, zoodra de bui begon, mijn haastigen stap in een
vluggen draf veranderd, om de eerste schuilplaats de beste te bereiken,
en zooveel ik kon zorg gedragen de droge plekken uit te kippen, om er
mijn voet op te zetten; maar weldra was mij dit niet langer mogelijk;
want de gansche weg werd week als pap: en toen eenmaal mijn schoenen
doornat waren, draafde en klotste ik door dik en dun, door plassen en
modder heen; alle andere gedachten latende varen, buiten die van vooruit
te komen, en op mij zelven vloekende, dat ik van geene der gelegenheden,
welke zich vroeger hadden aangeboden, had gelieven gebruik te maken, om
de bui voor haar aanvang te vermijden; want juist nu zag ik niets, dat
naar huis of schuur geleek, ja zelfs geen ezelsstal, (waar ik van
oordeel was, dat mijn dwaasheid mij wel een plaats in had doen
verdienen): ja, ik begon te gelooven, dat de orkaan, die om mij heen
loeide, alle mogelijke gebouwen van de aarde had weggerukt, toen ik, bij
het omslaan van een hoek, dien de landweg maakte, eindelijk een verblijf
gewaarwerd, waar binnen ik, althans eenige, zoo geen volkomene,
schuilplaats hoopte te vinden.
De landweg namelijk slingerde, ter plaatse waar ik mij nu bevond, door
een aanzienlijk landgoed heen, waarvan mij echter de regen niet toeliet
op dat oogenblik al de schoonheden op te merken. Ter rechterzijde
verhief zich een statig beukenbosch, welks breede en diepe lanen zoovele
prachtige gothische gewelven schenen, waarvan de hooge, rechte en
blinkende stammen de kolommen,--de dikke zuigers, van weerszijden
opspruitende en zich aan den top vereenigende, de bogen en
schoorbalken--en de met loof bedekte kruinen het dak uitmaakten. Aan de
overzijde bevond zich een fraaie lusthof, naar den nieuwsten Franschen
smaak aangelegd, met sterre-bosschen, geschoren lanen en slingerende
_berceaux_, met beeld- en grotwerk, bloemtuin en diergaarde, vijvers en
fonteinen, zonnewijzers en koepeltjes. Een groot en sierlijk hek van
gegoten ijzer, op een kwistige wijze met krullen en strikken begiftigd,
en hangende tusschen twee zeshoekige pilasters, waarboven marmeren vazen
prijkten, geleidde tot de oprijlaan: deze was als bemuurd tusschen twee
geschoren beukenhagen van een reusachtige hoogte, en over haar geheele
lengte belegd met twee evenwijdige, glad afgemaaide en gerolde
grasstrooken, waartusschen de rijweg liep, en langs welken aan
weerskanten de met lekzand bedekte voetpaden liepen, van afstand tot
afstand met zonnebloemen en stokrozen beplant. Aan het einde dezer laan,
welke volkomen recht doorliep, lag een steenen brug, wier leuningen met
beelden voorzien waren: en daarachter de Ridderhofstad zelve: een ruim
en deftig gebouw, met een vrij hooge torenspits boven den ingang, en
twee vooruitspringende vleugels, wier beide gevels trapsgewijze opliepen
en met bloemplanten begroeid waren;--terwijl het plein voor het huis nog
bovendien tusschen twee mindere gebouwen besloten was, tot stalling en
tuinmanswoning strekkende. Men beseft duidelijk, dat ik op dien tijd
alles zoo nauwkeurig niet opnam, en dat het slechts een latere
bekendheid met deze lustplaats is, welke mij in staat stelt daarvan deze
beschrijving te geven: met dat al, ofschoon de regen en de spoed dien ik
maakte mij niet vergunden alles aandachtig te beschouwen, een vluchtige
blik was genoeg, om mij de voordeeligste gedachte te doen opvatten van
den rijkdom en van den goeden smaak des eigenaars of bewoners dezer
hofstede. Vooral merkte ik in dat zelfde snelle oogenblik met genoegen
op, dat hij een minnaar van bloemen wezen moest (een smaak, die mij
altijd eigen was); want ik zag heerlijke oranjeboomen in menigte op het
plein, en de trappen van de dubbele stoep schenen mij (zoover de afstand
mij toeliet zulks te zien) met uitheemsche bloemgewassen in fraaie vazen
voorzien te zijn.