Ik stapte dan, gelijk ik gezegd heb, vroolijk vooruit, met de vrij

zekere overtuiging van tijdig genoeg binnen Naarden te zullen komen,

om met de laatste schuit van daar naar Amsterdam te kunnen vertrekken.

Immers het was vroeg in den morgen, en de afstand naar genoemde vesting

was zoo groot niet, of ik kon dien op mijn gemak afleggen, zelfs al

dwong mij een regenbui, of vermoeidheid, of honger, hier en daar

onderweg een uurtje te vertoeven.

Wat de laatste der drie genoemde redenen van oponthoud betreft, deze

begon zich alreeds bij mij te doen gevoelen. Ik had bij mijn vertrek

van de Ridderhofstad niets gebruikt, omdat het mij nog te vroeg was,

en te Amersfoort had ik mij vergenoegd, een hartsversterking tegen de

morgenlucht te nemen. Het was dus niet zonder eenig innig genoegen, dat

ik de torenspits van Zoest in het vizier kreeg, en dadelijk was mijn

besluit genomen, om in dat dorp een oogenblik uit te rusten en eenige

verversching te gebruiken.

Weldra vergunde mij een bocht, welke de weg daar ter plaatse maakt,

om het geheele lichaam der kerk te zien, en mij te verlustigen in den

aanblik van het lachende en bevallige schouwspel, dat zij vooral van

dien kant oplevert. Oogverblindend stak de grijze en eerwaardige

vierkante toren, met zijn hooge spits, door het schelle licht der

morgenzon beschenen, tegen de donkere lucht daar achter af, en tegen

de groene hoornen, die het gebouw omringden; terwijl de heuvelachtige

grond, die mij nog van het dorp scheidde, met goudgeel koren of

sneeuwwitte boekweit bedekt, niet weinig toebracht om de bekoorlijkheden

van dit landgezicht te vermeerderen. Ik was nimmer een enthusiast; maar

de aanblik der schoone, eenvoudige natuur heeft altijd een diepen indruk

op mij gemaakt en thans ook gevoelde ik mij getroffen, zonder zelf te

weten waarom: ik geraakte in een stille, eerbiedige stemming en ik

wischte mij een traan uit het oog, toen ik het dorp binnentrad.

Deze gemoedsgesteldheid was echter spoedig geweken, toen ik de

voornaamste herberg in het oog kreeg: deze bevond zich op den hoek van

een driesprong, welke de hoofdstraat met een zijweg vormt, en was

kenbaar aan een vooruitstekend uithangbord van ijzer, rijkelijk met

krul- en snijwerk voorzien, en tot leuze een geschilderden zwaan

voerende, met het gebruikelijk onderschrift: _vrij wijn en meê_. Eenige

krebben, die tegenover den ingang stonden, en een houten stalling, die

naast het huis was opgeslagen, gaven bovendien te kennen, dat men hier

zoowel te voet als te paard welkom was en verversching bekomen kon. Ook

zag ik in de daad een niet gering aantal boerewagens en karren

uitgespannen op het plein staan, terwijl een magere oude knol bezig was

zijn honger te stillen met het frissche gras, dat hem in eene der

voorgezette krebben werd toegediend. Genoemd dier was gespannen voor een

ouderwetsche koetskar, met linnen huif, tegen welk voertuig een groot

manspersoon aanleunde, wiens gelaat van mij was afgewend en bovendien

overschaduwd door een hoed met afhangende randen, die eenige

familietrekken had met den mijnen. Een lange roode mantel met opstaanden

kraag dekte zijn ledematen en schitterde in de zon, gelijk een vurige

oven. Hij scheen zachtjes te praten met iemand die zich binnen in de kar

bevond, maar dien ik niet zien kon, vermids ik het rijtuig van achteren

naderde. Voor 't overige kan ik niet zeggen, dat ik er zeer nieuwsgierig

naar was, daar mijn gedachten voor het oogenblik meer bezig waren met

het ontbijt, hetwelk ik mij had voorgesteld _binnen_ de herberg te

gebruiken, dan met den reiziger, die zich daar _voor_ bevond, en ik

verwaardigde dezen dan ook met niet meer dan een oppervlakkigen blik,

terwijl ik mij haastte de hand aan de klink van de deur te slaan, en de

herberg binnen te treden.

* * * * *

TWEEDE HOOFDSTUK.

WAARIN MEN LEZEN ZAL, WAT IN EN VOOR DE HERBERG TE ZOEST VOORVIEL.

Ik vond hier meer personen bijeen, dan ik reden had op dat uur van den

dag te verwachten. Immers, de kerkklok had slechts even negen geslagen

en er moest dus een bijzondere reden bestaan, welke de in de herberg

aanwezige lieden derwaarts had gelokt op een tijdstip, dat men hen

veeleer aan hun arbeid zou verwacht hebben. Het was dus natuurlijk dat

ik, na een algemeenen "goeden morgen samen!" in 't rond gewenscht te

hebben, naar de toonbank stapte en aan de aldaar post houdende dochter

des huizes (een frissche, knappe deerne van ongeveer twintig jaren, die

blijkbaar in haar zondagspak was uitgedost, met zilveren oorijzers en

een halssnoer van dikke bloedkralen) de aanmerking maakte, dat er al

vroeg volk in de herberg was.

"Dat 'eleuf ik wel, koopman!" antwoordde het meisje, terwijl zij, zonder

naar mij om te zien, voortging met voor haar gasten een paar hooge

glazen met schuimend bier te vullen: "je zult het ook wel 'eroken

hebben, wat hier van daag te doen is."

Ik was op het punt van mijn volslagene onbewustheid van de oorzaak der

vereeniging te kennen te geven, toen een papier mijn oogen trof, hetwelk

tegen den gemenieden wand aan een spijker hing en waarop een schoof als

titelvignet en de woorden: _segt het voort_ in groote letteren als

onderschrift prijkten: ik begreep dus, dat hier een graanveiling of iets

diergelijks plaats moest hebben, en, mijn onderzoekingen niet verder

voortzettende, eischte ik een boterham met kaas en een glas koude

karnemelk: vervolgens, mij omwendende, zette ik mij, in afwachting van

het bestelde, aan het benedeneinde eener lange tafel, die tegen het raam

geplaatst was, en nam de aanwezigen in oogenschouw.

Naauwlijks echter had ik den tijd gehad om op te merken, dat het

boveneinde der tafel was ingenomen door een dikken, wel doorvoeden

landman, wiens groen damasten vest met bloemen, ruim gesneden rok van

bruine sergie en zilveren broeksknoopen aantoonden, dat hij tot de

vermogendsten van zijn stand behoorde; terwijl mijn overbuurman

daar-en-tegen er vrij schraal en verloopen uitzag,--toen mijn ooren

gekweld werden door een piepend geschreeuw, van: "phijpedoppies!

deursthekers! zoek thoch maar huit, khoopman! Hik 'ep nog gheen 'andgift

ghehad vandhaag, zoo waar zelje ghesond blijven!"

Ik wendde mij om en zag een Joodschen kramer achter mij staan, dien ik

nog niet had opgemerkt. Waarschijnlijk had hij in een hoekje of bij den

haard gezeten, en was hij bij mijn komst opgerezen, om te zien of hij

iets aan mij slijten kon.

"Ik dank u, vriendje!" zeide ik, na hem ter loops te hebben aangezien:

"ik heb niets noodig!" en om hem zooveel mogelijk te toonen, dat ik geen

plan had mij verder met hem op te houden, draaide ik mij van hem af, en,

de ellebogen op de tafel plaatsende, ondersteunde ik mijn hoofd met

beide handen, in de houding van iemand, die niet verlangt gehinderd te

worden.

"Nha doch!" zeide de Jood, de dunne, magere vingeren zijner

rechterhand, welke de kettinkjes van een dozijn pijpedopjes vasthield,

door de opening tusschen mijn hoofd en mijn arm heenstekende en mij vlak

voor den neus brengende: "laat ik je toch maar een dhozijntje verkoopen.

Gheen deit rijk, zoowaar zelje ghezond blijven: en ik mot vandhaag nog

ver reizen."

Wetende uit ondervinding, hoe weinig het baat zich over dergelijke

onbescheiden aanzoeken boos te maken of er tegen in te spreken,

vergenoegde ik mij met mijn voorarm te buigen en door een soort van

_contramanoeuvre_ tusschen mijn gezicht en de hand des kramers te

brengen, waardoor ik de pijpedopjes weder van mij verwijderde.

"Nha! al duwje me therug, dhaarom zelje toch ghesond blijven," hernam de

Jood, met de vasthoudendheid aan lieden van zijn beroep eigen: "motje

gheen halmenakkie 'ebben? gheen scharen, messen of photloodjes?"--En, in

de plaats van zijn hand, wist hij nu het geheele marsje, dat hij voor

hem droeg, tegen mijn borst aan te werken, zoodat ik mij wel genoodzaakt

zag, mij geheel naar hem toe te keeren en hem vriendelijk te verzoeken,

mij met vrede te laten. "Waarlijk, goede vriend!" zeide ik: "ik heb

niets van uw kraam noodig: ik ben immers zelf maar een arme reiziger, en

zal nog werks genoeg hebben, om met het beetje gelds, dat ik bij mij

heb, toe te komen en de stad te bereiken."

Onder het uiten dezer woorden had ik den Jood naauwkeuriger beschouwd,

en meende mij nu flaauw te herinneren, dat ik hem vroeger,

waarschijnlijk wel te Amsterdam, had ontmoet. Ik was weldra zeker, dat

ik dien man, met dat olijfkleurige gelaat, dat hooge, smalle voorhoofd

en dien bruinen gelapten tabberd van saai meer gezien had, maar nooit te

voren had ik acht gegeven op de zwarte en levendige oogen, die op het

hooren mijner taal een kluchtige uitdrukking van ongeloof aannamen,

terwijl zijn dunne lippen zich vertrokken tot iets dat op een glimlach

geleek.

"Khom!" zeide hij: "Je spot immers er meê: je zoudt gheen gheld, 'ebben:

nha doch! 'et dhoet er niet toe. Khijk, ep je gheen gheld, je ept

krediet: en dat's veel gheseid in dhesen tijd van de hactie'andel! Daar

ep je een dhozijntje: je zelt me morghe of overmorghe wel bethalen, as

je in de stad zult sthaan te zijn gekhomen, dat weet ik ommers best.

Simon heit krediet voor je vhaders zhoontje."

"Vandaag of morgen is 't zelfde," zeide ik, de pijpedopjes, die hij op

tafel gelegd had, weder naar hem toeschuivende: "ik rook niet."

"Niet, koopman?" vroeg de waard, een dikke, stevig gebouwde kaerel, met

een vrolijk aangezicht, die, even naar den kelder geweest zijnde, juist

weder binnen was gekomen, en met een pijp in de hand naar mij kwam

toegetreden: "ik woû je juist een pijp aanbieden."

"Ik dank je," zeide ik, (want ofschoon ik later die gewoonte weder heb

aangenomen, ik was op mijn reis, bij mangel aan goeden tabak, het rooken

afgewend): "maar ik heb wat eten en drinken besteld, zou dat haast klaar

zijn?"

"Toe dan, Mientje!" zeide de waard, zich omkeerende, "waar blijft het

ontbijt voor den koopman?"

"Zoo aanstonds," antwoordde de dochter: "wil je er beschuit op hebben,

koopman? of verkies je nagelhout?"

"Wel!" hernam ik: "laat ons van allebei eens proeven: maak er mij maar

twee."

"Messen!--scharen!--khurkhetrekkers!--khammen!" vervolgde de Jood, met

een pause tusschen elk voorwerp, dat hij opnoemde: "of... wil je liever

kurieuser whaar: je bent toch een ghesthudeerd jong mensch... hik 'ep

hook mooie poekkies: 'ier is de Arlekhijn Haksinischt!... 't plijspel

van Khinkampoeis![1] de leste woorden van Saco, toen ie op 'et schavot

stond."

Er was geen middel van hem af te komen, zonder in de beurs te tasten. Ik

liet mij dus overhalen om mij een kurketrekker aan te schaffen, al ware

het maar om te kunnen zeggen, dat ik een Grieksch testament[2] van een

Jood gekocht had. De koop was spoedig gesloten, en ik betaalde zonder

afdingen den gevraagden prijs, ofschoon de innerlijke waarde van het

voorwerp verre te bovengaande, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat

mij de kramer met geene verdere aanbiedingen zou lastig vallen.--Mijn

edelmoedigheid was mij niet nadeelig, gelijk men terstond zal

gewaarworden.

"Ghelik er meê!" zeide Simon, terwijl hij mij het gekochte voorwerp ter

hand stelde: "maar phas op," voegde hij er fluisterend bij, "dat je een

mhes vraagt bij je hontbijt en je niet bhedient van 't ghenige dat dhaar

sthaat."

"Hoe!" zeide ik met eenige verbazing,--maar, toen ik met de oogen den

blik des raadgevers volgde, vielen zij op een mes, hetwelk mijn

overbuurman, van wiens ongunstig uitzicht ik zoo even gewag maakte, kort

te voren met de punt midden in de tafel had gestoken. Te gelijker tijd

herinnerde ik mij, meermalen gehoord te hebben, hoe sommige liefhebbers

van het edele bekkesnijden, bijzonder in Eem- en Gooiland, gewoon waren

hun messen in herbergen en kroegen op een zichtbare plaats op te hangen,

of in de tafel te steken, en den onkundigen of onvoorzichtigen

vreemdeling, die er zich van bedienen wilde, of er slechts even naar

keek, tot een gevecht te dagen. Ik dankte dus met een bijna onmerkbaar

knikje den goeden Jood voor zijn tijdige waarschuwing, welke mij

toescheen ruim op te wegen tegen den voor den kurketrekker betaalden

prijs: en ik gevoelde daarvan het dubbel belang, toen ik, na mijn

ontbijt uit de handen van Mientje te hebben bekomen en een mes daarbij

te hebben gevraagd, op het gelaat van mijn overbuurman een trek van

ontevredenheid zag oprijzen. Ik heb het afbeeldsel van dezen kwant nog

niet gegeven: en echter verdient hij wel, dat ik een oogenblik daarbij

stilsta: hij had, gelijk ik reeds met een enkeld woord aanstipte, een

afzichtelijk voorkomen: lange, sluike haren, wier kleur men raden moest,

hingen hem van onder een ruige muts op de schouders: zijn oogen hadden

den gluipenden blik der hyena en waren van wenkbraauwen en ooghaartjes

bijna geheel onvoorzien; zijn wijde mond, die, door de gewoonte van een

kort pijpje bestendig aan denzelfden kant tusschen de lippen te klemmen,

geheel scheef was getrokken, opende zich nu en dan tot een grijnzenden

lach, die een alleronaangenaamsten indruk verwekte; of onze maat een

neus had of niet, kon met reden tot het onderwerp eener weddingschap

gestrekt hebben, zoovele naden en kruislijnen van lidteekens

(overblijfselen van vroegere gevechten) vereenigden het vormelooze

stompje boven den mond met de wangen en de bovenlip. Dit beminnelijk

wezen was half op zijn boersch, half op zijn zeemans gekleed, met een

blaauw duffelsch buis, vol lappen en winkelhaken, een vest zonder

knoopen, hetwelk den ruig bewassen boezem geheel bloot liet, een wijde

visschersbroek, opgehouden door een zwart lederen gordelriem, waarin een

messcheede van robbevel stak, wollen kousen, en holsblokken aan de

voeten.

Waarschijnlijk had hij verwacht, dat ik hem de gelegenheid tot ten klein

snijpartijtje zoude verschaft hebben, en reeds, als een tijger in zijn

hinderlaag, zitten loeren, of ik ook onbedachtzaam het voor hem geplante

wagentuig zoude aangrijpen. Zijn teleurstelling althans, toen hier niets

van kwam, bleek mij te groot te zijn, dan dat hij zou kunnen gezwegen

hebben: de uitdrukking, die zijn gelaat aannam, wekte mijn

opmerkzaamheid en trok mijn aandacht af van het gesprek, dat baas

Roggeveld voerde, die juist bezig was te verhalen, hoe hij van Peer de

Groot tien lakenveldsche koeien gekocht had voor fl 80 het stuk. De

varensgast nam het pijpje uit den mond, blies een dikke rookwolk weg,

sloeg het glaasje brandewijn, dat hij voor zich had staan, in eene teug

naar binnen, en vroeg mij, na deze voorbereiding, waarom ik mij niet

bediend had van het mes, dat voor mij stond.

"Ik had het niet gezien," zeide ik op een onverschilligen toon: "en

bovendien heb ik gaarne een mes voor mij alleen."--Dit gezegd hebbende

ging ik met eten door, zonder den kwant verder aan te kijken.

"Niet gezien!" herhaalde hij met een gemeenen vloek: "en waar hieldje

dan zoo even je kluisgaten op gericht? 't is mijn mes, voor den d....!"

vervolgde hij, met de geslotene vuist op de tafel slaande, en zijn stem

hoe langer hoe meer uitzettende, als dacht hij mij daarmede schrik aan

te jagen: "en wie er naar kijkt, die kan met mij aan den gang komen,

daar valt niet van, voor den....! Jij hebt er naar gekeken, en as je

boterham binnen is, dan zullen we eens zien, of je voor je boeg kunt

zorgen."

Deze forsche uitdaging verwekte een plotslinge stilte bij de aanwezige

boeren, die, in goede eendracht bijeen zittende, bezig waren over den

prijs der granen en andere onderwerpen van hun gading te spreken. Aller

oogen vestigden zich op den matroos (want daarvoor moest ik hem aan zijn

taal houden) en vervolgens op mij, met die belangstelling, welke een

twist als deze nimmer nalaat te verwekken: ja, ik geloof, dat menigeen

zich reeds streelde in de verwachting van het genoegen, dat een echt

nationaal messengevecht hun verschaffen zoude, ik moet echter tot hun

eer zeggen, dat ik hier en daar een blik van welwillend medelijden

ontmoette, en op menig gelaat kon lezen, dat men mij niet bestand achtte

tegen den geöefenden kamper, die mij had uitgedaagd. Wat mij betreft, ik

was, gelijk men denken kan, niet zeer op mijn gemak: ik begreep echter

zoo bedaard mogelijk te moeten blijven en den storm door rustige

onverschrokkenheid afkeeren. Ik ledigde eerst mijn glas en zeide toen,

op een toon, zoo kalm mogelijk, dat ik geene reden hoegenaamd tot een

gevecht zag, daar ik niet wist, iemand met woorden of daden beleedigd te

hebben. Mijn woorden werden wel opgenomen door de aanwezige boeren:

althans er ontstond een goedkeurend gemurmel: de landman, die aan het

boveneinde zat, knikte mij vriendelijk toe, en zich vervolgens tot den

zeeman wendende: "wat heit jou die koopman 'edaan, Andries Matthijssen!"

vroeg hij, "dat je met hum voor 't mesje wilt?"

"Wel! baas Roggeveld!" zeide Andries, zijn taal met vloeken

doormengende, welke ik, om geene kiesche ooren te kwetsen, slechts met

een () zal aanduiden: "die koopman kijkt naar mijn mes en geeft een

bretaal antwoord daar te boven (). Mot ik me van zoo'n

loop-in-'t-lijntje laten op den kop zitten? () Maar omdat hij nog maar

een loeris van een jongen is, zal ik hem () niet te hard behandelen en,

met een enkeld half maantje over zijn hakkebord, laten waaien;--maar

opstaan mot hij."

En met-een oprijzende, trad hij naar mij toe en wilde mij in den kraag

grijpen:--ik was echter op mijn hoede, en, zoowel een vuist- als een

messengevecht willende vermijden, schoof ik bij zijn nadering met mijn

bankje achteruit, "Pas op!" zeide ik, de armen kruisende en hem stijf in

't gezicht ziende: "raak mij niet aan of het zou slecht met u kunnen

afloopen. Ik zoek geen twist; maar het zou u rouwen, zoo ge mij eenig

leed deedt."

"Wat zou me rouwen, jou beroerde zandhaas?" snaauwde Andries, terwijl

hij hoe langer hoe driftiger werd, mij toe: "ik zel je leeren,

ordentelijk vlag te strijken. Op! zeg ik jou: nou je zoo spreekt zel ik

eens zien, of ik geen frikkedellen van je voorgebergte kan snijen."

Onder het uiten dezer bedreiging stak hij nogmaals de hand uit, om mij

te dwingen mijn plaats te verlaten en met hem aan 't snijen te gaan. Ik

moet bekennen, dat ik mijn toestand hoogst onaangenaam begon te vinden;

want ik zag niets aardigs in het denkbeeld van zonder neus bij mijn

ouders te keeren: en waar ik de blikken heen wendde, ik bespeurde bij de

boeren geen zucht om zich met den twist te bemoeien: zij waren daartoe

of te lui, of te nieuwsgierig hoe het af zoude loopen, en bleven met een

fatale koelbloedigheid hun pijpjes rooken en hun drank opslorpen.

Er kwam echter hulp van een anderen kant. Simon de Jood had zich, bij de

eerste woorden van Andries, met een angstig gelaat naar een der hoeken

van het voorhuis teruggetrokken en was, toen de twist hooger begon te

loopen, langs den muur naar de toonbank geschoven, waar hij aan Mientje,

die, ofschoon aan dergelijke tooneelen waarschijnlijk gewoon, eenigszins

onthutst keek, eenige woorden in 't oor had gefluisterd. Het meisje was

hierop terstond haar vader te gemoet geloopen, die juist uit den kelder

kwam met eenige versch getapte kruiken. Hoewel deze zich anders

waarschijnlijk zelden over een dergelijke rusie bekommerde, waar hij wel

wist dat meestal een goed gelag op volgde, scheen hij toch eenigszins

versteld over de geheimzinnige mededeeling, welke zij hem deed.

"Hoe zegje?..." vroeg hij halfluid: "de zoon van...."

Het antwoord van Mientje werd op zulk een flaauwen toon gegeven, dat ik

alleen de woorden: "Hoofdschout, Amsterdam" verstaan kon, waaruit ik

opmaakte, dat Simon haar verhaald had wie ik was.

"En zeit die Smous dat?" vroeg de waard weder: "die koopman daar de zoon

van...." en hij zag Simon aan, die, bevend bij den haard gedoken, met

een herhaalden hoofdknik de waarheid van het gezegde bevestigde.

"Dat vereischt overleg," zeide de waard, zich den kop krabbende, en de

kruiken aan Mientje overhandigende; "die Sinjeurs in Amsterdam hebben

armen, die ver reiken, en zij zouden het mij inpeperen, zoo ik een van

hun broedsel in den pekel liet steken. Hei wat, vrind Andries!" riep hij

op eens, zijne breede hand op den schouder des twistzoekers leggende, op

het oogenblik, dat deze, na mij verlaten te hebben om even aan een

buurman te vertellen waar hij mij raken zoude, zich opnieuw in postuur

stelde om mij aan 't lijf te komen.

"Wel! wat wouje?" vroeg Andries, zich onwillig omkeerende.

"Wat ik woû? herhaalde de waard, zijn zwaarlijvige gedaante tusschen ons

beiden instellende: "ik woû, dat je dut heerschap daar met vrede liet.

De man heit jou ommers geen stroobreedte in den weg 'eleid! Ga zitten en

drink je zoopje: je ziet ommers dat het je portuur niet is."

"De kastelein spreekt als een verstandig man," zeide baas Roggeveld,

zijn pijp even omdraaiende: "je zoudt er, in dat geval, geen eer meê

inleggen, met teugen dien koopman te vechten: en ik beloof het je ook,

we hadden het nooit zooverre laten komen, in dat geval. Ik was maar

'ereis nieuwsgierig hoe hij zich houen zou; maar ik mot zeggen, hij was

niet bang ook, in dat geval!" en bij deze loftuiting voegde hij een

vleiend knikje.

"Ei! ei!" zeide Andries, den waard schamper aanziende: "jij zelt ook

zooveel klanten krijgen as er op het spil van den bramtop kunnen staan,

as je 't zoo anleit; en een man, die, zoo als ik, een echt Gooierskind

ben en nog bovendien al de eilanden van de Westinjes zoo goed ken as jij

den weg naar je kelder, beletten wilt een klein, eerlijk vechtpartijtje

te hebben. 's Lands wijs, 's lands eer! zeg ik maar: en ik beloof je,

dat je mijn gezicht ook voor 't laatst ziet as het zoo mot gaan."

Deze bedreiging deed mij in mij zelven lachen; want ik dacht, dat de

waard juist niet zeer gesteld moest zijn op een klant als Andries, wiens

uiterlijk geene zeer gevulde beurs verraadde. Ik bedroog mij echter,

althans naar hetgeen de kastelein volgen liet.

"Kom! kom!" zeide hij, Andries gulhartig op den schouder tikkende: "zoo

motje nou ook niet spreken. Je weet, dat ik een eerlijke snijpartij al

zoo graag zie als een aêr; maar dan mot het over en weer goedwillig in

zijn werk gaan, zoodat Schout of Baljuw er niets in te zeggen heit. Je

weet ommers zelf best hoe 't gaat, as de eene partij niet wil vechten en

de aêre al; dan schuren naderhand allebei hun piek en de kastelein wordt

in de boete geslagen."

"Ei wat! denk er niet meer over," riep Roggeveld Andries toe, die norsch

voor zich heen keek: "er zel nog wel gelegenheid kommen vandaag om te

toonen wat een kaerel je bent, in dat geval. Drink nou de quaestie af

met den koopman en laat het daarbij blijven, in dat geval."

"Dat is niet kwaad gedacht," zeide ik, hopende op deze wijze de zaak 't

best te sussen: "geef dan een glaasje brandewijn, vrijster! en laat er

niet meer over de quaestie gesproken worden, _Zwik_!" zeide ik, mijn

mond aan het zoopje zettende, dat Mientje mij bracht en het daarna aan

Andries toestekende.

"_Zwak_!" zeide deze, het glas ledigende: "en ik wensch je toe dat je

nooit meer in mijn vaarwater komen meugt."

Ik zag eenigszins vreemd op bij dezen zonderlingen wensch: de toon,

waarop die werd uitgesproken, zoowel als de schuinsche blik waarmede hij

vergezeld ging, deed bij mij een onwillekeurigen schroom ontstaan,

waarover ik mij zelven verwonderde. Ik wilde nu heengaan; maar ik weet

niet welk een valsche schaamte mij beduidde van nog een oogenblik te

blijven, om niet door een overhaast vertrek de boeren in den waan te

brengen, dat ik mij uit vrees verwijderde. Ik bleef dus nog een poos bij

de toonbank draaien, en keek van tijd tot tijd naar buiten, waar de man

met den rooden mantel zich nog altijd bevond en thans met zijn voerman

praatte, die hem, naar het mij voorkwam, scheen te beduiden, dat het

paard opnieuw beslagen moest worden; althans, na eenige oogenblikken

werd het beest naar den smid aan de overzijde gebracht.

"Is het waar," hoorde ik intusschen baas Roggeveld aan een zijner buren

vragen, "dat Aafje Jansz gisteravond op het Larensche veen is afgezet

eworden?"

"Naakt uit'eschud, meugje wel zeggen," was het antwoord: "'t is veul,

zoo die schelmen heur een hemd an 't lijf hebben elaten. Zij waren met

er drieën, as ik hoor."

"'k Sou zoo garen om een roompje

Met jou eens naar buiten gaan,

Rusten onder 't lindeboompje;

Dat je 't maar eens dorst bestaan."

zong Andries er tusschenbeide.

"Ja nog erger," zeide een andere boer: "zij hebben de weuning van Klaas

Tymensz te nacht op'ebroken en zijn met al den bult gaan strijken."

"'t Is de bende van Zwarten Piet," zeide een derde.

"Ei wat!" bromde Andries tusschen de tanden, en terstond weêr

voortzingende:

"Margriet! maar ziet,

Besjen is te kwaad,

Als men eventjes bij jou staat,

Maar ziet, besjen is te kwaad.

Als men maar eens met jou praat."

Ferdinand Huyck · 第 2 / 51 段