Produced by Marc D'Hooghe.
FERDINAND HUYCK
Door
Mr. J. VAN LENNEP.
* * * * *
BRIEF VAN DEN HEER P. AAN DEN UITGEVER, TOT INLEIDING DIENENDE.
Amsterdam, den....
Ik weet niet, of gij van nabij bekend zijt geweest met de oude Juffrouw
Stauffacher, die nu ruim twaalf jaren geleden in den ouderdom van
ongeveer drieëntachtig jaren hier ter stede ontslapen is: zoo niet, acht
ik zulks uiterst jammer voor iemand als gij, die een liefhebber zijt van
onderzoek te doen naar min bekende bijzonderheden, het leven, het
karakter, of de lotgevallen betreffende van vermaarde personen; want zij
was een levend repertorium van dergelijke aardigheden. Ofschoon zelve,
voor zooverre mij bewust is, nooit eenige buitengewone avonturen
hebbende gehad, was zij, door de omstandigheden van haar levensloop, in
betrekking geweest met een groot aantal van die personaadjes, welke zich
in de vorige eeuw in verschillende opzichten vermaardheid hebben
verworven: velen hunner had zij zelfs van nabij gekend.
Quiconque a beaucoup vû
Peut avoir beaucoup retenu,
zegt La Fontaine; en zij had een uitmuntend geheugen. Zij was
tegenwoordig geweest, toen Voltaire in den schouwburg bekroond werd, en
had Lodewijk XV zien uitrijden met Madame Dubarry: zij had Necker zijn
financieel stelsel hooren ontwikkelen en den Graaf de Saint-Germain het
toilet beschrijven van de keizerin Helena en de inneming van Akkaron
door Richard Leeuwenhart. Er was, in Frankrijk vooral, bijna geen
adellijke familie, waarvan zij niet de vertakkingen en opvolging kende,
zoo goed en beter misschien dan die van haar eigen geslacht; (want ik
heb nooit kunnen uitvorschen, of zij van den medestichter der
Zwitsersche vrijheid al dan niet vermeende af te stammen) en zij ware in
staat geweest aan de Pseudo-Marquise de Créqui menige dwaling aan te
wijzen in de gedenkschriften, die op haar naam zijn uitgevent. Zij kende
ook al de kleine anecdoten, die omtrent de merkwaardige personen van het
Fransche hof te boek gesteld zijn; en menige daarbij, die niet gedrukt
staat, en welke zij onder vier oogen aan de uitverkorene vrienden met
zooveel bijzonderheden en locale kleur wist te vertellen, dat men aan de
echtheid daarvan niet dorst twijfelen, en dikwijls overtuigd bleef, dat
zij hetgeen zij mededeelde had bijgewoond of althans uit de eerste hand
vernomen. Wat onze Nederlandsche familiën betreft, hoewel zij ruim
vijftig jaren hier af en toe had doorgebracht, was zij daarmede wel eens
in de war: niet, dat men haar ooit op misslagen betrapte, wanneer het de
afkomst of vermaagschapping gold; maar zij was, gelijk zulks bij oude
lieden meer het geval is, op het laatst van haar leven altijd geneigd,
een geslacht te verspringen: zoodat zij mij en mijne tijdgenooten tot de
zonen onzer grootvaders en de broeders onzer tantes verhief, 't is waar,
dat een glimlach van hem, wien de misslag gold, doorgaans genoeg was, om
haar te herinneren, dat zij zich vergiste, en om tot rectificatie
aanleiding te geven.
Gij moet echter niet denken, dat zij geene andere verdiensten bezat als
die van veel gezien en opgemerkt te hebben:--hoewel ook deze minder
algemeen gevonden wordt dan men wel denken zoude. Zij paarde aan een
gezond oordeel veel _solide_ kennis, en was in de gelegenheid geweest,
daarvan voor haar zelve en voor anderen een nuttig gebruik te maken.
Ettelijke jonge dames uit onze aanzienlijkste huizen waren aan haar
onderwijs en leiding toevertrouwd geweest: en menig verdienstelijk
staatsman of geleerde, thans in hooge betrekking geplaatst, getuigt nog
heden van het nut, dat hij als jongeling uit haar omgang of lessen
getrokken heeft. En bij die verstandelijke gaven voegde zij,--in weêrwil
van haar vroegere bekendheid met vrijgeesten en filosofen, met
kwakzalvers en _roués_, in weêrwil zelfs van het zwak, dat haar was
bijgebleven voor verscheidene geschriften, die men thans uit de boekerij
eener vrouw verbannen zoude,--een vromen, godsdienstigen zin: en haar
werken zoowel als haar woorden getuigden, dat haar geloof vast was en op
een onwankelbaren grondslag gebouwd.
Haar karakter was vrolijk en opgeruimd: en tot haar einde toe bleef haar
het levendige, ja, ik zoû zeggen, het kinderlijke van een jong meisje
bij. Vandaar dat zij zich somtijds op een kluchtige wijze recht boos kon
maken: bij voorbeeld, wanneer zij iets gelezen of gehoord had, dat niet
strookte met hetgeen zij begreep en volhield waar te zijn: of wanneer
iemand een regel uit een dichtwerk verkeerd aanhaalde, of dien niet aan
den rechten maker toeschreef, of wel zijn onkunde aantoonde omtrent het
juiste getal kinderen, door Lodewijk XIV bij Mevrouw de Montespan
verwekt. Maar de lieden, op wie zij het voornamelijk geladen had, waren
onze hedendaagsche boekverkoopers, met hun flikkerende stereotypen, hun
miniatuur-uitgaven en hun compleete werken in een deel. Zij nam het zeer
kwalijk, dat men aan oude lieden, wier gezicht begon te verzwakken, en
die toch buiten lectuur weinig anderen troost konden vinden, juist die
eenige uitspanning zoo moeilijk maakte. Zij bleef dus de 4e edities
voorstaan: en, behalve den huisbijbel, kon men ook doorgaans op haar
tafel een Cats in dat formaat aantreffen, of wel de fraaiste en
duidelijkste uitgaven der Fransche puikdichters. Ook met onze
hedendaagsche muziek kon zij het maar niet vinden: zij haalde de
schouders op bij de roulades en fioritures, die tegenwoordig bij geen
aria ontbreken: en beweerde dat men alle lieflijkheid, alle gevoel had
verbannen en opgeöfferd aan de zucht om te schitteren en moeilijkheden
te overwinnen; terwijl daar-en-tegen, gelijk zij volhield, de muziek,
die men in hare jeugd maakte, tot het hart sprak en verstaanbaar was,
en tot bewijs van haar stelling gebeurde het wel eens, dat zij den
redetwist besloot door met een nog vaste en zuivere, hoewel verzwakte
stem, een aria uit _Blaise et Babet_ of _Les trois Fermiers_ te zingen,
of liedjes te neuriën, welke zij van haar grootmoeder gehoord had, en
die dus, behalve de overige verdiensten, ook die der nieuwheid
bezaten;--voor zooverre immers in de muziek hooge oudheid het nieuwste
is dat men hooren kan.
Haar huishouding bestond uit twee oude meiden en een kat: maar er was
geen papegaai, die de menschen met zijn dom gesnater in de rede viel;
noch kanarievogel, die alle conversatie met zijn schel gezang onmogelijk
maakte. Ik herinner mij echter, dat zij langen tijd een goudvink bezat,
die twee of drie van haar lievelingsdeuntjes floot; maar het was een
welopgevoede muziekant, die zich, even als alle verdienstelijke
virtuosen, niet hooren liet, tenzij hij eerst eenige malen daartoe was
aangespoord.
Wat de kat betreft, het was geen oude, dikke, logge, vetgemeste
pannelikker, zooals men die gewoonlijk bij bejaarde vrijsters plaatst,
die den dag doorbracht met op een kussen te slapen en met de lekkerste
beetjes gevoed werd; maar het was een jong vlug, geestig diertje, met
een glinsterende zwarte vacht, en een uitzicht, zoo schrander en
vernuftig als dat van den wijdberoemden kater _Murr_ kan geweest zijn:
en zijn meesteres bedierf hem volstrekt niet, maar behandelde hem gelijk
men een dartel spelend kind doet, aan hetwelk men gepaste toegevendheid
bewijst, doch dat men tevens in ontzag weet te houden. Het was een lust
om te zien, hoe aardig ons poesje uren lang met het kluwgaren van zijn
meesteres of met den rotting of de handschoenen van den bezoeker wist te
spelen en welk een pret het vond in dergelijke vermaken: hoe het over
den schoorsteenmantel, tusschen al de flacons, kopjes en vaasjes door,
heen en weder liep, zonder iets aan te raken, laat staan te beschadigen;
het zoû de kunstenaren, die op eieren danst, beschaamd hebben gemaakt.
Men kon dus met een gerust geweten, en zonder beschuldigd te worden van
zich aan vleierij over te geven, met de lofspraken instemmen, welke
Mejuffrouw Stauffacher aan haar lieveling gaf, en ook gaarne had, dat
er door anderen aan gegeven werden. Ik zal hier nog bijvoegen, dat poes
geen legaat heeft gehad: de goede juffrouw wist wel, dat het, ook na
haar dood en zoo lang haar beide oude getrouwe dienstmaagden leefden,
aan niets gebrek zoû hebben.
Maar gij zult mij vragen, wat u dit alles aangaat, en waarom ik u uwen
tijd ontroof, door u over de kunstjes van de poes mijner oude vriendin
te onderhouden? Ik zal er u openhartig de reden van zeggen: het is mij,
uit hetgeen ik zoo dagelijks lees, genoegzaam gebleken, dat het door
alle schrijvers van naam en gezag als een vereischte wordt aangemerkt,
nimmer terstond plomp weg met de deur in huis te vallen: maar eerst
eenige omschrijving en inleiding te bezigen, bestemd om de
nieuwsgierigheid te prikkelen en voorts ongeveer dezelfde dienst te
doen, welke de pastijtjes en _croquettes_ bewijzen wanneer zij het
gebraad voorafgaan.
Het voorbeeld dier doorluchtige schrijvers wilde ik volgen, en u daarom
met Mejuffrouw Stauffacher en haar _alentours_ bekend maken, alvorens ik
er toe overging om u het onderhoud te verhalen, hetwelk ik eens met haar
had en waaraan dit geschrijf zijn oorsprong verschuldigd is.
Het was op een voorjaars-achtermiddag: ik had, gelijk ik meermalen deed,
wanneer beroepsbezigheden mij in de stad hielden, het middagmaal bij
haar genomen en zat, in afwachting der koffie, tegen-over haar voor het
open raam een pijp te rooken, waartoe zij mij altijd aanspoorde, er
bijvoegende, dat de tabakslucht zulke aangename herinneringen bij haar
opwekte, dewijl zij dan aan haar vader dacht, die kapitein bij het
Regiment Waldeck was geweest, en die zooveel van rooken hield, dat hij
de pijp zelfs niet uit den mond nam, wanneer hij een schoon hemd
aantrok. De oude Juffrouw zat over mij, de een weinig van de jicht
gezwollen voeten op een met groen baai overtrokken bankje houdende,
en knorde van tijd tot tijd op de nieuwerwetsche filtreerkannen en de
koffie, die niet lekken wilde. De kat was op de tafel gesprongen en
vermaakte zich met den sleutelbos, die aan het tinnen koffietrommeltje
hing: een uitspanning, welke zij nu en dan staakte om naar buiten te
zien en aan de vogeltjes, die den pereboom voor het raam op en af
vlogen, een blik toe te werpen, die zoo veel aanduidde, als dat, indien
zij het fatsoenshalve niet liet, zij wel eens jacht op hen zoude willen
maken.
Wij hadden een poos stilzwijgend over elkander gezeten, in die
aangename, rustige gemoedsgesteldheid, welke zoo bevorderlijk is aan de
goede spijsvertering, en waarin men, zonder de hersens met eenig bepaald
onderwerp te vermoeien, de schakel der gedachten volgt, die zich van
zelve ongezocht in het brein ontwikkelen. Ik _recapituleerde_ bij mij
zelven hetgeen zij mij aan den disch had verteld, betreffende de
misslagen en logens voorkomende in zekere onlangs uitgekomene
gedenkschriften, welke ik haar geleend had, en die mij in de gelegenheid
hadden gesteld, opnieuw haar zaakkennis en geheugen op te merken.
"Weet gij, wat mij verwondert?" zeide ik eindelijk, uit mijn mijmering
ontwakende.
"Wat?--Dat ik niet liever de koffie kook, gelijk ik vroeger placht te
doen, dan een filtreerkan te gebruiken?--Gij hebt volkomen gelijk."
"Neen, lieve vriendin! Ik heb niets betreffende uw koffie aan te merken,
die reeds zulke aangename geuren begint te verspreiden, dat, naar mijn
overtuiging, het plechtig oogenblik van inschenken niet ver meer
verwijderd kan zijn; maar ik wilde u mijn bevreemding te kennen geven,
dat iemand, die zooveel gezien en gehoord heeft, waarvan wij ons niet
dan door valsche of gedeeltelijke opgaven een denkbeeld kunnen maken,
die zulk een uitmuntend geheugen heeft, en de pen bovendien zoo goed
te hanteeren weet als gij, er nimmer aan gedacht heeft, zelve eens
gedenkschriften te schrijven."
"In waarheid, mijn beste P....! ik heb in mijn vroegere betrekkingen wel
wat anders te doen gehad als memoriën te schrijven: en op mijn jaren
betaamt het eer, dat men zich met de toekomst, dan met het verledene
bezig houde."
"Nu ja!--Maar nu doet gij zulk een grooten sprong. Zoo gij op uw
vijftigste jaar begonnen waart, zoudt gij ruim den tijd hebben gehad,
eenige boekdeelen te vullen."
"Hoor! ik heb nooit verlangd, mij een naam te maken: en al wat ik begeer
is, na mijn dood vergeten te worden."
"Foei! Gij weet te goed, dat er menschen genoeg zullen zijn, bij wie gij
in gezegend aandenken zult blijven: en het zoû u zelfs leed doen te
denken, dat die u vergeten konnen."
"Kom! kom! gekheid! Gij weet wel, dat ik het in dien zin niet meen; maar
wil ik u eens zeggen, waarom het dwaas in mij zoû geweest zijn, als
schrijfster op te treden?--Zoo als gij mij nu kent, houdt gij er van,
mij te hooren keuvelen en somtijds misschien wat doorslaan: en later
als ik dood ben, zult gij, vertrouw ik, wel eens aan de oude Juffrouw
denken, als aan iemand, die nog al wat van den ouden tijd wist te
vertellen; en mogelijk gebeurt het, dat gij nu en dan aan dezen of
genen, die verkeerd onderricht is; toevoegt, hoe Juffrouw Stauffacher,
die het wel wist, dat verhaalde; maar zoo ik gedenkschriften had
uitgegeven, dan ware ik niet langer de oude Juffrouw meer, die men op
haar woord geloofde, maar een schrijfster; die elk het recht zoude
hebben met aanmerkingen en kritieken op 't lijf te vallen.--Spreek mij
niet tegen," vervolgde zij, ziende, dat ik het hoofd schudde, als
iemand, die niet overtuigd is: "ik weet het beter:--en dit ware niet
alles; maar ik zoû geen genoeglijk uur meer met u of mijn andere goede
vrienden hebben. Thans mag ik u nog de eene of andere anecdote
vertellen, die gij tien of meermalen gehoord hebt; maar waar gij de
beleefdheid hebt naar te luisteren, als of zij u geheel nieuw
voorkwam;--maar stond die eens gedrukt, dan zoû ik immers den mond niet
meer durven opendoen om over oude zaken te praten, uit vrees, dat iemand
mij op mijn boterham zoû geven: "ja! dat hebben wij gelezen bladz. 58
van het Eerste Deel." Neen! neen! dat niet. En dan is er nog iets: ik
heb met heel wat rare potentaten en stoethaspels omgegaan, en hen in hun
dagelijks bedrijf gezien: en ofschoon ik er géén kwaad in zie, over hen
te praten, en het zelfs gaarne doe, zoo heb ik er nooit van gehouden,
om datgene publiek te maken, wat tot het private leven van personen
behoort. Het komt mij altoos voor, dat noch Necker, noch Delille, noch
Madame Du Deffant, zich in mijne tegenwoordigheid zoo zouden hebben
uitgelaten als zij deden, wanneer zij vermoed hadden, dat ik hunne
gezegden later openbaar zoude maken. Er is iets heiligs, naar mijn
oordeel, in een gemeenzaam onderhoud: en daarvan mag geen misbruik
gemaakt worden."
"Dat ben ik niet met u eens. Beroemde mannen behooren tot de
nakomelingschap, en zij zijn er zelfs over 't geheel mede gestreeld,
wanneer men aan hetgeen zij gezegd of gesproken hebben waarde genoeg
hecht om het bekend te maken: zelfs dan, als het hun niet tot eer
verstrekt. Zij hebben allen een weinig van de ijdelheid van Herostratus
weg, en wanneer men slechts van hen spreekt, kan het hun minder schelen,
hoe."
"Ieder heeft zijne inzichten; maar ik heb mij niet geroepen geacht, om
iets te doen, waar mijn gevoel tegen opkwam."
"Dan is het jammer, dat gij geen roman geschreven hebt, waar gij uw
kennissen met verandering van naam, tijd, enz. in te pas had gebracht."
"Mijn lieve P.! gij vergeet, dat die kleine bijzonderheden, die thans
aan u en anderen belangrijk voorkomen, omdat zij belangrijke personen
betreffen, of wel omdat ik er zelve in gemoeid ben, al haar aardigheid
zouden missen, indien zij betrekking hadden op onbekenden. Er zijn zeer
weinige zoogenaamde vernuftige gezegden, zeer weinige merkwaardige
voorvallen, die hun waarde niet grootendeels ontleenen aan de namen,
die er mede gemoeid zijn. Zoû iemand zich b.v. de moeite ooit getroost
hebben om de zoutelooze kwinkslagen op te teekenen of na te schrijven,
die men aan Cicero toekent, indien gij of ik die gezegd hadden?--En
echter vinden wij die in al de schoolboeken.
"Ik beken gaarne, dat gij dagelijks betere dingen voortbrengt, dan al
wat wij van dien aard in de klassieke oudheid aantreffen: en juist
daarom verbeeld ik mij, dat gij, gebruik makende van de bouwstoffen die
gij hebt, een zeer onderhoudend boek zoudt hebben kunnen schrijven.
"'t Is mogelijk: ik heb het nooit beproefd: en in allen gevalle weet ik
niet, of het mij gelukt zoû zijn langs den door u aangewezen weg. Want
het is niet genoeg steen en kalk te hebben, men moet ook de bekwaamheid
bezitten van die aan-een te voegen, indien men er een huis van wil
bouwen: en al heb ik nog zulk een voorraad anecdoten en grappen, ik
diende een lijst te hebben om die in te plaatsen; want gij zoudt toch
niet begeeren, dat ik een boek schreef alleen om de menschen aan 't
lachen te maken: en er diende toch wel een zekere zedeleer bij te
komen."
"Hm!" zeide ik, glimlachende: "die zedeleer van de romans!"
"Ja! ik weet wel, dat men daar tegenwoordig niet meer om geeft: en dat
althans de Fransche boeken van dien aard zijn, dat men zich bijna
schaamt, die gelezen te hebben; nu--voor mijn part, ik lees ze niet:
ik hou mij bij 't oude."
"Er valt zeker niet veel op te roemen" zeide ik, mij vermakende met de
drift, waarmede zij sprak: "maar," vervolgde ik, haar willende plagen
door een van haar lievelingsschrijvers aan te vallen: "daar is Fielding,
met wien gij nog al ophebt: die is dan toch ook niet bij uitstek kiesch
in zijn tooneelen."
"Dat weet ik wel, en ik zoû u ook niet zeggen, dat gij _Tom Jones_ aan
uw dochter ter lezing moest geven; maar indien gij beweert, dat het boek
geen goede zedeleer heeft, dan zeg ik, dat gij het nooit met aandacht
gelezen hebt. Indien Fielding zijn held nu en dan laat struikelen, en
daardoor in de noodzakelijkheid vervalt van beschrijvingen te geven,
waar sommigen zich aan ergeren, dan dient hij zijn lezer later het
tegengift voor, door hem de rampzalige gevolgen aan te toonen, die
onvermijdelijk uit het inwilligen onzer verkeerde neigingen ontstaan:
daarom acht ik het boek zoo hoog, omdat het bestendig strekkende is,
om de groote en nooit genoeg herhaalde waarheid te verkondigen, dat het
kwade altijd zijn meester loont."
"Ziedaar een waarheid, lieve Juffrouw! die zoo oudbakken is, dat men er
aan begint te twijfelen: en, rechtuit gezegd, ik behoor onder die
twijfelaars; want wordt niet door de stelling, dat deugd en misdrijf
beide reeds hier op aarde vergolden worden, de leer der vergelding hier
namaals merkelijk verzwakt?--En leert ons eene, misschien ook wat
oudbakken, ondervinding niet, dat de booze dikwijls, ongestoord, de
rijkste zegeningen geniet, terwijl de brave in armoede en ellende zucht
en met allerlei tegenspoeden te kampen heeft?"
"Tot op zekere hoogte geef ik dit toe; maar ik verzoek u, wel op te
letten, dat ik geenszins beweerd heb, dat het goede zoowel als het kwade
hier beneden beloond of gestraft wordt in den zin, dien gij er aan
hecht:--verre van dien: dat geschiedt eerst in een volgend leven; maar
alleen, dat elke daad, die wij verrichten, haar natuurlijke,
onvermijdelijke gevolgen met zich brengt, die somtijds, wel is waar,
geheel anders zijn, dan men die zich voorstelt; maar die niet-te-min
leerzaam zijn en blijven voor den opmerkzamen beschouwer. Het moge den
booze--want ik wil uw redeneering eens volgen; ofschoon ik anders niet
houde van die peremptoire manier om de menschen in twee deelen te
scheiden, goeden en slechten;--ik heb nooit zulk een volslagen schelm
gekend, of hij had ook zijn goede zijde: en de beste mensch
daar-en-tegen zondigt ook nog dagelijks--het moge, zoo als ik zeide, den
booze welgaan: hij moge zelfs de stem van het geweten smoren ('t geen ik
ook al met geloof, want daar is poes; die kan ik het altijd aanzien als
zij gesnoept heeft, aan de schuwe en verlegene houding die zij dan
aanneemt: en zoo poes een conscientie heeft, dan heeft een mensch er een
_à plus forte raison_); maar het gedane kwaad zal niet-te-min gevolgen
hebben, die hem, soms na jaren en op 't onverwachtst, voor 't aangezicht
zullen springen en lastige oogenblikken bezorgen. Met het goede, dat men
verricht, is het, of liever, schijnt het niet volkomen zoo gelegen;
maar, behalve dat zich bij het beste dat wij verrichten altijd iets
menschelijks paart, en wij eigentlijk niets wezentlijks goeds kunnen
uitrichten, maar altijd, als onnutte dienstknechten, zeer achterlijk
blijven, zoo leert ons de ondervinding, dat men het goede om zich zelf
moet doen en niet om het loon, dat er uit voortkomt, en dat miskenning,
ondankbaarheid, terugzetting, enz. er menigmalen de gevolgen van zijn.
Nog meer: men kan wel dadelijk bepalen, en men doet het ook genoeg,
welke daad verkeerd is geweest; maar evenmin als men de drijfveeren
kent, welke iemand tot zondigen aangezet hebben en hem tot verschoning
kunnen strekken, evenmin kan men beöordeelen, of de ogenschijnlijk goede
daden altijd even zuiver in haar oorsprong zijn: en of die zoogenaamde
lijdende deugd haar tegenspoeden niet veelal aan zich zelve te wijten
heeft. Ik voor mij geloof niet aan die heel brave lieden, die tevens zoo
heel ellendig zijn: wanneer men hun geschiedenis wel kende, zoû men
dikwijls vinden dat de rampen, waarmede zij te worstelen hebben, haar
oorsprong hebben, in verkeerde, en vooral in domme streken, vroeger
gepleegd."
"Ik ben het in vele opzichten met u eens; maar ik bid u, zeg het niet
overluid; want wat werd er van het medelijden en van de liefdadigheid,
indien men zich gerechtigd achtte, elken behoeftige toe te voegen, dat
hij door eigen schuld ongelukkig ware?"
"Wel! mij dunkt, dat hij daardoor juist een dubbele aanspraak op ons
medelijden heeft."
"Ja; maar daar heeft hij weinig aan, zoo er de liefdadigheid niet bij
komt; doch--om tot ons onderwerp terug te keeren. Gij zoudt dus denken,
dat wanneer men haarklein iemands geschiedenis wist, men de bron der
wederwaardigheden, die hem treffen, altijd daarin zoû kunnen
terugvinden, even als men op een landkaart den oorsprong eener rivier
kan opsporen."
"Hou wat, gij keert mijn stelling om: en dat is mis. Even als de
oorsprong, dien gij zoekt, soms buiten de kaart gelegen zijn, even-zoo
kan de aanleiding van een ramp, die ons treft, van buiten komen; maar
ik heb beweerd, dat elke daad, die wij verrichten, tot de minste
onvoorzichtigheid toe, ons of onmiddellijk, of later, opbreekt, en dat
elke levensgeschiedenis, mids naar waarheid geschreven, ons daarvan
getuigenis geven zoude."
"Nu! ik zoû gaarne een zoodanige geschiedenis zien."
"Ik zoû gemakkelijk aan uw verlangen kunnen voldoen: wilt gij de
goedheid hebben, even aan de schel te trekken."
De meid kwam. "Fremmetje!" zeide Mejuffrouw Stauffacher, haar den
Sleutelring gevende: "ga eens op de boven-achterkamer. In de tweede kast
van het raam af, op de vijfde plank van onderen af, ligt een pakket, met
rood band omwonden: haal mij dat eens hier: maar denk er aan, de knippen
te sluiten, als gij de kast weer dicht-doet: en neem het koffiegoed maar
weg: Mijn Heer drinkt toch niet meer."
"Ziehier," vervolgde zij, toen zij het gevraagde uit de handen der
dienstmaagd bekomen had, "de geschiedenis, waar ik u van sprak. Hij, die
de hoofdpersoon er van uitmaakt, beging een kleine, zeer verschoonbare
onvoorzichtigheid, die voor hem een bron was van verdrietelijkheden en
ongenoegen: anderen, daarin voorkomende, begingen grootere dwaasheden;
en ook zij moesten er de gevolgen van dragen."
"En--de geschiedenis van de geschiedenis?"
"Gij weet, dat ik vroegere jaren eenigen tijd bij de familie A. als
gouvernante heb doorgebracht. Wij zagen dikwijls den Heer X., die aan
het hoofd stond van een bloeiend huis van negotie. Hij was daarbij een
groot minnaar en voorstander der letterkunde en hield er veel van, met
mij over de daartoe betrekkelijke onderwerpen te redeneeren. Eens dat
wij van romans spraken en ik mij ergerde over het onwaarschijnlijke der
meeste voorvallen, die ons in dat slag van werken worden opgedischt:
"_où trouvera-t-on le romanesque, si ce n'est dans les romans_," vroeg
hij lachende. "Ja!" zeide ik: "dat is even als de boef, die vroeg, waar
de valsche eeden toe dienden, als men ze niet gebruiken mocht?"--"Maar,"
vervolgde hij: "ik beweer, dat vele dingen, die ons in het dagelijksch
leven gebeuren, zoo vreemd, toevallig of zonderbaar zijn, dat zij, in
een roman vermeld, met den naam van onwaarschijnlijkheden zouden
bestempeld worden."
"_Le vrai peut quelquefois n'être pas vraisemblable_," zeide ik, maar
voegde er bij, dat het niet om een enkele onwaarschijnlijkheid, maar om
de opeenstapeling van onwaarschijnlijkheden was, dat ik de meeste romans
veroordeelde. "Nu!" zeide hij: "zoo ik op uw discretie staat kon maken,
zoû ik u een handschrift kunnen doen zien, eenige voorvallen behelzende,
die mijn eigen grootvader zijn overkomen, en waarin zoovele
toevalligheden en vreemde ontmoetingen voorkomen, als men die naauwlijks
in een roman zoû aantreffen."--Ik betuigde hem mijn verlangen om dat
handschrift te lezen: hij voldeed aan mijn wensen, en ik moest hem, na
de lezing, toestemmen, dat hij de waarheid gesproken had. Ik verzocht
hem afschrift er van te mogen nemen. "Daar heb ik niet tegen," zeide
hij: "op voorwaarde, dat gij het aan niemand laat lezen, althans in de
eerste veertig jaren niet; want er zijn te veel personen in gemoeid,
wier kinderen of kleinkinderen nog leven. Wat later gebeurt, kan mij
niet schelen: al wil men het uitgeven; want dan zullen de daarin
voorkomende portretten wel niet meer dan antiquiteiten zijn."
"Ik beloofde zulks en deed nog meer: ik veranderde al de namen, ten
einde niemand, die bij toeval het stuk in handen kreeg, zoû weten of het
waar, dan wel verzonnen ware. Nu zijn die veertig jaren om, en ik wil
niet, dat men het na mijn dood onder mijne papieren vinde: men mocht
eens denken, dat het eigen compositie ware. Neem het dus en handel er
meê naar welgevallen."
Ik aanvaardde met gretigheid het aangeboden geschenk, en las het, zoodra
ik te huis was, met belangstelling. Of echter de veranderingen, welke
het oorspronkelijke heeft ondergaan, zich alleen tot de namen bepaald
hebben, en of Mejuffrouw Stauffacher er niet hier en daar een weinig uit
haar eigen brein heeft tusschen gevoegd, wil ik niet beslissen. Het
laatste meen ik vooral daarom te moeten gelooven, omdat, schoon haar
naauwgezetheid zooverre is gegaan, dat zij alle jaartallen en _data_
heeft weggelaten, er hier en daar, bij toespelingen op bekende
gebeurtenissen, bij het schetsen van sommige zeden, gebruiken,
kleederdrachten enz., ja bij het doen van enkele aanhalingen, het een
of ander voorkomt, dat mij toescheen niet tot het tijdvak, waarin het
verhaalde voorvalt, maar iets vroeger of iets later te huis te behooren.
Ik had echter geene gelegenheid Mejuffrouw Stauffacher deswege nader te
onderhouden; daar ik haar niet weder alleen aantrof, en zij kort daarop,
tot bittere droefheid van haar vrienden, tot een beter leven werd
opgeroepen.
Ik was het geheele Handschrift vergeten, toen het mij, dezer dagen, bij
het opruimen van oude papieren onder de oogen kwam. Bij de herlezing
scheen het mij toe, dat wellicht diezelfde vreemde avonturen, met welker
lezing ik mij vermaakt had, ook bij anderen eenig belang zouden kunnen
wekken, en dat, na verloop van zoo vele jaren, geene zwarigheid meer
bestond, om de geschiedenis van den Heer Ferdinand Huyck (gelijk hij
door Mejuffrouw Stauffacher herdoopt is), wereldkundig te maken. Daar uw
naam echter meer dan de mijne in de letterkundige wereld bekend is, wend
ik mij tot u, met de vraag of gij de peetschap over het papieren kind
wilt op u nemen, overtuigd dat enz....
Uw vriend
P.
* * * * *
Dat ik aan het verlangen van mijn vriend voldeed, blijkt uit de
navolgende bladzijden. Ik beken echter, dat ik niet zoo volkomen gerust
ben omtrent de echtheid van het werk, als mijn vriend schijnt te zijn.
Ook heb ik Mejuffrouw Stauffacher niet zoo van nabij gekend als hij, en
durf dus niet beslissen, of haar waarheidsliefde zooverre ging, dat zij
nooit knollen voor citroenen verkocht: en somtijds rijst bij mij het
vermoeden op, of zij, ondanks haar betuigingen van het tegendeel, niet
eens in haar leven tot de verzoeking vervallen is van een roman te
schrijven en, hoewel huiverig om dien bij haar leven uit te geven,
echter heeft willen zorgen, dat hij na haar dood het licht zage. Wat
hiervan zij, ik geef het boek zoo als ik het ontvangen heb: en heb er
niets aan veranderd, zelfs de spelling niet; waaromtrent ik moet doen
opmerken, dat Mejuffrouw Stauffacher overal de klanklooze _e_ achter het
onbepalend lidwoord en veelal ook achter de _possessiva_ weglaat, tenzij
wanneer het eerste een telwoord wordt of wanneer de laatsten bijzonderen
nadruk vereischen. Zij schreef misschien niet volgens vaste regelen;
misschien meer dan zij zelve wist; maar zij volgde in allen gevalle haar
gehoor: en, voor zooverre men schrijven moet gelijk men spreekt, geef ik
haar daarin geen ongelijk.
DE UITGEVER.
* * * * *
EERSTE HOOFDSTUK.
WAARIN, ONDER MEER ANDERE WETENSWAARDIGE ZAKEN, HET PORTRET VAN DEN HELD
DEZER GESCHIEDENIS GEVONDEN WORDT.
Dikwijls, mijn kinderen! wanneer wij na afloop van den avond-disch een
naauwer kring om den haard sloten, en ik nog een laatste pijp stopte,
terwijl uw lieve grootmoeder, half wakend, half slapend, nieuwe hieltjes
aan de versletene kousjes der kleintjes breide, en een van u mij met een
vleiende stem toeriep: "och, grootvader! vertel ons nog eens wat van den
Carnaval te Venetiën, of van den Landgraaf van Hessen, of van de
Frankforter mis!" heb ik aan uw nieuwsgierigheid voldaan en u eenige der
belangrijkste episoden verteld van die reis, welke ik als jongeling door
Duitschland en Italiën deed: ja, zoo menigmalen hebt gij naar het
gepraat van den ouden man geluisterd, dat gij op het laatst mijn
ontmoetingen en wederwaardigheden zoo goed en beter kendet dan ik zelf,
en vaak, wanneer mijn door ouderdom eenigszins verzwakt geheugen te kort
schoot, mij de kleine bijzonderheden herinnerdet, welke tot aanvulling
mijns verhaals moesten strekken. Nimmer echter heeft een uwer mij
ondervraagd betreffende hetgeen mij na mijn terugkomst van die reize
overkomen is; waarschijnlijk omdat gij, wetende hoe kalm en gerust ik,
sedert mijn huwelijk, de dagen mijns levens in den schoot mijns
huisgezins gesleten heb, verondersteldet, dat ik, te huis komende, zoo
maar dadelijk een vrouw en een aanzienlijk vermogen gevonden had, en dat
geene zorg noch wederwaardigheid die dagen van kalmte was voorafgegaan.
Intusschen bedriegt gij u zeer: en het tijdvak, dat onmiddellijk op mijn
reis volgde, was het gewichtigste en, in zijn bijzonderheden, het
belangrijkste mijns levens. Dat ik er tot heden nimmer over gesproken
heb, en ik ook thans, in plaats van u de voorvallen, die daarin plaats
vonden, bij monde mede te deelen, die in geschrifte stel, ten einde gij
die na mijn dood zoudt kunnen te weten komen, moet gij niet aan een
dwaze gril toeschrijven: ik had daar een gezonde reden toe. De
gebeurtenissen, waarbij mij de omstandigheden een werkzame rol deden
spelen of wier invloed zoo krachtdadig op mijn volgenden levensloop
werkte, waren van dien aard, dat zij deels uw jeugdig verstand te boven
gingen, deels voor uw grootmoeder te droevige herinneringen opwekten:
ja, ik zou die geheel aan de vergetelheid opgeofferd hebben, ware het
niet, dat gij, naar ik mij voorstelde, bij het vorderen in jaren,
daaruit nutte les en leering zoudt kunnen trekken. Ik heb derhalve mijn
herinneringen, zooveel in mij was, bijeenverzameld, ten einde niets te
vergeten van hetgene in verband staat met de lotgevallen, welke de
navolgende bladen zullen behelzen. Ofschoon ik voor u schreef, en u
steeds gedurende mijn arbeid voor oogen had, heb ik, ter vermijding der
verwarring, welke door het gebruik der tweede persoon zoo licht ontstaan
kon in een verhaal, waarin zoovele samenspraken zijn ingelascht, dat
verhaal zoodanig ingericht, als schreef ik voor dat groote publiek,
jegens hetwelk men, uit eerbied, altijd de derde persoon moet bezigen,
en welks welwillendheid ik, (die niet weet hoe het t' avond of morgen
dit geschrijf onder de oogen krijgen kan) bij dezen inroep.
* * * * *
Het was in den zomer van het jaar 17.., dat ik, na een afwezigheid van
twee jaren, den vaderlandschen grond weder betrad. Een oudoom van mij,
die te Leiden woonde, bij wien ik, gedurende mijn academiejaren,
dagelijks aan huis verkeerde, en die voor het einde mijner studiën
overleed, had mij een vrij aardig sommetje gelegateerd, onder
voorwaarde, dat ik daarvoor een reis naar Italiën zoude doen, iets
hetwelk bij bij zijn leven altijd hoogstnoodzakelijk placht te stellen
om de jeugd te vormen. Hij zelf was nooit verder dan den Haag geweest en
zeide altijd, dat het hem speet; ofschoon ik de reden nog niet begrijp,
welke hem, die ongehuwd en onafhankelijk was, heeft kunnen terughouden
van datgene te doen, wat hij anderen aanprees.
Verschillende oorzaken hadden medegewerkt om mij langer te doen
uitblijven, dan ik oorspronkelijk van meening geweest was, en onder die
oorzaken waren de navolgende de voornaamsten. Tusschen het handelshuis
van Bempden van Baaien en Co. te Amsterdam en een ander huis te Livorno,
hadden, sedert een geruimen tijd, over een netelige handelsquaestie,
briefwisselingen bestaan, welke tot geen beslissing leidden. Daar nu een
mijner Tantes in het eerstgenoemde Huis een groot gedeelte van haar
vermogen had zitten, schreef zij mij, of ik ook kans zou zien, de zaak
gedurende mijn verblijf in Italiën in het effen te brengen. Ik had, hij
geluk, juist kennis gemaakt met een der deelgenooten der Livornoosche
firma en, bij nog grooter geluk, zijn gunst en vertrouwen gewonnen;
zoodat ik, minder ten gevolge mijner bekwaamheden als gevolmachtigde,
dan omdat ik met een rekkelijk man te doen had, die rede wist te
verstaan, volkomen mocht slagen in het ter stand brengen eener
schikking, waarmede beide partijen tevreden waren.--Hiermede echter
was, hoe vlot het ook ging, toch altijd een vrij lange tijd verloopen.
Mij een paar maanden later te Napels bevindende, ontmoette ik den Jonker
van Ypendael, een hoogst beminnelijk jongeling, die, even als ik, voor
zijn genoegen reisde en wiens kennismaking mij ten uiterste welkom was.
Wij vormden het besluit, onze reis gezamentlijk voor te zetten. In
Siciliën overviel hem een kwaadaardige ziekte, welke van langen duur
werd en waaruit hij slechts langzaam herstelde. Het spreekt van zelf
dat ik mijn vriend en reisgenoot niet verliet en hem, zoo trouw ik kon,
oppaste en verzorgde; maar dit onvoorziene toeval vertraagde mijn
terugkomst opnieuw.
Des te zoeter was, na een zoolang uitblijven, ons beider gevoel, toen
wij voor het eerst weder, over Munsterland teruggekeerd, de moedertaal,
al was het dan ook met den Overijselschen tongval, hoorden spreken; en
met aandoening was ik een dag later getuige van de heuglijke vereeniging
mijns reisgenoots met zijn familie, die een Ridderhofstad aan gene zijde
van Amersfoort bewoonde. Ondanks mijn vrij natuurlijke begeerte om mijn
weg zonder oponthoud te vervolgen, ten einde hetzelfde geluk te smaken,
dat mijn vriend was te beurt gevallen, kon ik zijn dringend aanzoek niet
weêrstaan, om nog dien dag met hem te blijven doorbrengen en deel te
nemen in het vrolijke familiefeest, waarop zijn behouden terugkomst
gevierd werd en hetwelk volgens de uitdrukking der blijde ouders, niet
volkomen zou zijn, indien de reisgenoot van hun zoon er aan ontbrak en
zij de gelegenheid moesten missen om mij te bedanken voor de trouwe
verzorging van hun Eduard. Ik kan niet anders zeggen of,
niettegenstaande mijn gedachten meestal te Amsterdam waren, ik deed eer
aan het maal en vergastte mij recht op de zoo lang ontbeerde
dorperwtjes, op het heerlijk rundvleesch en de geurige fruit, die mij
werden toegediend; want welke voordeelen ook de Hoogduitsche keuken moge
hebben, ik gaf toch aan den Hollandschen pot de voorkeur en groette
elken mondvol, dien ik nam, met hetzelfde vermaak, waarmede ik een lang
gemisten vriend de hand zou gedrukt hebben.
"Kom, nog een glas borgonje!" riep mij de oude, dikke landedelman toe,
terwijl zijn bolle wangen gloeiden van het geluk dat hem de wederkomst
van zijn zoon verschafte, en van de herhaalde offers, aan Bacchus
gebracht: "Deze wijn kan u geen kwaad: hij is van het echte merk en niet
van die zure clairetwijnen, waar men in mijn jongen tijd niets van af
wist, en waarmede men ons nu in de kleêren wil steken. Kom, mijn jongen!
de gezondheid van uw vader! Lang moge hij leven, tot heil van Amstels
burgerij, en tot handhaving der goede Justitie!"
"Van harte gaarne!" zeide de oudste broeder mijns vriends, zijn glas
vullende: "en dat hij er spoedig in moge slagen, dien gevreesden Zwarten
Piet meester te worden, die, gelijk men zegt, de verstrooide bende van
wijlen Jaco heeft vereenigt en er het Sticht mede afloopt.
"Wel zoo!" zeide lachende Eduard, "wilt gij die eer aan onze Stichtsche
Baljuwen niet gunnen? Is dat nu een wensch voor den erfgenaam eener
Heerlijkheid, welke het recht van hooge en lage jurisdictie bezit?--maar
genoeg daarvan: Moeder schudt het hoofd en Leentje wordt bleek, wanneer
wij zoo van dieven spreken. Ik laat den Hoofdschout daar, Ferdinand! en
drink de gezondheid uws vaders."
"En dezen dronk," vervolgde de Baron, zijn geledigd glas weder vullende,
"wijde ik uwer brave moeder!"
Het was reeds de derde reis, dat de goede man al de leden mijner familie
met zijn toasten (gelijk men die thans noemt) was rondgegaan: en ik
begon te vreezen, dat de gezondheid van de mijnen mij nog ziek zoude
maken: ik verzocht dus, zoodra ik mijn glas geledigd had, om verlof, van
mij naar mijn kamer te mogen begeven, tot verschooning bijbrengende, dat
ik den volgenden dag, wilde ik nog met den avond te huis zijn,
vroegtijdig vertrekken moest.
"Het blijft dan uw vast besluit ons morgen te verlaten?" vroeg de oude
Heer.
"UEd. kan zelve beöordeelen, of ik mijn vertrek langer mag uitstellen."
"De jonge heer heeft gelijk," zeide mevrouw van Ypendael: "en hoe gaarne
wij langer zijn gezelschap zouden willen genieten, mogen wij hem echter
niet tegen zijn zin hier houden; daar wij aan ons eigen hart kunnen
gevoelen, hoezeer zijn familie naar zijn terugkomst verlangen moet. Wij
zonden het ook niet aardig gevonden hebben, indien men onzen Eduard
langer van huis gehouden had."--Met deze woorden drukte zij de hand van
haar teruggekeerden lieveling.
"Gij hebt wel gelijk, moeder!" zeide deze, haar omhelzende: "ik vind mij
nu zoo gelukkig: en zou ik dan mijn vriend beletten, dat zelfde geluk
zoo spoedig mogelijk te smaken?"
"En hoe denkt gij de reis te doen?" vroeg mij de Baron.
"Mijn voornemen is, te voet tot Naarden, en verder per schuit te gaan."
"Te voet!" zeide de oude Heer, lachende: "gij zijt, dunkt mij, ook van
de leer: haast u langzaam. Verbruid! ware ik in uwe plaats, en de zoon
van een rijken Amsterdammer, ik nam te Amersfoort een wagentje bij Jan
Stoffelsz, die rijdt flinke paarden: en dan: voort koetsier! den zweep
er over gelegd en dubbel drinkgeld zoo gij dubbelen spoed maakt."
"Ik geloof," merkte glimlachende de oudste zoon aan, "dat onze vriend
Ferdinand een kleine huichelaar is, en als een apostel bij zijn vader
te huis wil komen, om hem te doen denken dat hij op zijn gansche reis
altoos zoo zuinig op zijn _équipage_ geweest is."
Ik glimlachte en zweeg; want ik achtte het onnoodig, de ware reden
mijner handelwijze bloot te leggen, namelijk dat ik geen geld genoeg
meer bij mij had, om de onkosten van een rijtuig te dragen; want van den
laatsten mij gezonden wissel op Munster had ik geen gebruik gemaakt, in
den waan, dat hetgeen ik nog aan contanten overig had, toereikende zoude
zijn om mij tot Amsterdam te brengen. Het bleek mij echter dat ik mij
verrekend had; maar ik was nu te trotsch of te beschroomd om geld van
mijn gastheer ter leen te vragen, en evenmin wilde ik een rijtuig op
crediet nemen en bij mijn thuiskomst beginnen met mijn vader te
verzoeken, het rijtuig te betalen: iets, dat hem voorzeker slechte
denkbeelden van mijn wijze van huishouden zou hebben ingeboezemd; want
hij was geen vriend van onnutte geldverteringen; en ofschoon ik geloof,
dat hij bij deze gelegenheid de kosten van een rijtuig zou verschoond
hebben, wilde ik echter geen gevaar loopen van een vermaning. Bovendien
kende ik den zandigen weg van Amersfoort tot Naarden; en ondanks den
lof, door den Heer van Ypendael aan de paarden van Jan Stoffelsz
gegeven, wist ik zeer wel, dat wij de grootste helft stappende zouden
afleggen, en dat ik te voet omtrent even spoedig, en zeker op een veel
aangenamer wijze, mijn doel bereiken zou.
"Nu," zeide de Baron: "een mensch zijn zin, een mensch zijn leven;
--maar het eind is toch wat ver om geheel te loopen: wij zullen u van
hier naar Amersfoort laten brengen!... ik denk dat Eduard zich daarmede
wel zal willen belasten, zoo ik er hem vriendelijk om verzoek."
Dit aanbod was te heusch om afgeslagen te worden. Na het drinken van een
afscheidsdronk, en nog, tot slotte, van een glas cognacq, hetwelk de
Heer van Ypendael zijn slaapmutsje noemde, werd het mij vergund den
aftocht te blazen.
Den volgenden morgen te vijf ure, terwijl het geheele huisgezin nog in
de armen der rust lag gedompeld, zat ik reeds met Eduard in een
wagentje, met twee vlugge hitten bespannen, die ons met een prijselijken
spoed naar Amersfoort brachten. Na elkanderen herhaalde reizen
gezondheid te hebben toegewenscht en onder belofte van briefwisseling,
namen wij afscheid: hij keerde met zijn voertuig terug, in de hoop van
de familie aan het ontbijt te vinden, en ik zette eenzaam mijn weg voort
tusschen de bevallige bosschaadjen, aan weêrskanten van den weg gelegen.
Het was een heerlijke morgen; ja zelfs, voor een voetganger, al te fraai
weêr. Er was weinig of geen wind: de lucht begon, naarmate het verder op
den dag werd, meer heet en drukkend te worden, en was met die soort van
spakerige nevelachtigheid bezwaard, welke niet zelden het voorteeken is
van een verandering in den dampkring. Ten noordwesten stapelden zich
dikke wolken op elkander, en eenige zeevogels, die krijschende
rondzwierden, schenen zoovele boden, uitgezonden om zwaar weêr aan den
landbouwer te verkondigen. De zon was bloedrood, en haar stralen,
stekend als breinaalden, hadden het zand van het rulle voetpad als in
gloeiende asch herschapen. Groote zweetdruppels biggelden tappelings
langs mijn wangen af, en, wanneer ik het oog op de verwijderde buien
vestigde, zag ik met welgevallen den regen te gemoet, die de dorstige
aarde laven en mijn pad wat gemakkelijker maken zoude. In afwachting
daarvan, stapte ik echter rustig voorwaarts, en ik geloof zonder
ijdelheid te kunnen zeggen, dat ieder landman, die mij met een vasten en
gelijken tred zijn hoeve zag voorbijgaan, wel dadelijk bespeuren kon,
dat een voetreis geen ongewone zaak voor mij was, en dat ik niet tegen
de ongemakken opzag, die haar gemeenlijk vergezellen. Ik vergat dan ook
de moeielijkheden van den weg, zoo dikwijls ik herdacht, dat elke stap,
dien ik nederzette, mij nader bracht bij de voorwerpen mijner
kinderlijke liefde, bij mijn welbeminde broeders en zusters, bij de
vrienden mijner kindsheid en bij dat dierbare Amsterdam, hetwelk ik in
zulk een geruimen tijd niet aanschouwd had. Aangename gedachten brengen
bij den onbedorven mensch altijd welwillendheid voort: ik althans voelde
mij hoe langer hoe meer gestemd om alles, wat mij ontmoette of
bejegende, met hartelijkheid te behandelen: ik had een blijden groet
over voor elken boer of daglooner, die langs den weg zijn zomerarbeid
verrichtte, een paar duiten voor ieder kind, dat op de bloote voeten
voor mij uitliep en over de greppen duikelde om mijn liefdadigheid op te
wekken, en een scherts voor het frissche landmeisje, dat mij tegenkwam
en soms nog, lang nadat ik voorbij was, het hoofd omwendde, met dien
half verwonderden, half spottenden lach, welken alle eenigszins vreemde
kleederdacht bij onze landgenooten gewoonlijk verwekt. En in de daad, ik
moet bekennen dat mijn uiterlijke tooi niet van dien aard was, dat ik er
hoog op roemen kon, en in het oog van de zoodanigen, die alleen naar het
gewaad de lieden beöordeelen, zeer moest afsteken tegen de nette en
zwierige kleedij der stedelingen van dien tijd: ja, dat ik bij de eerste
beschouwing veel had van een eenvoudigen marskramer. De stoffaadje van
mijn gewaad was fijn, maar helaas! door lang gebruik zoodanig versleten,
dat niets van hetgeen ik droeg de blijken toonde van ooit nieuw te zijn
geweest. Mijn hoed, op zijn Spaansch, met breede slappe randen voorzien,
die mij ten zonnescherm strekten, was van leder, dat eenmaal zwart
geweest was, maar door zon en regen met een roze-roode kleur begiftigd
geworden, en hier en daar met enkele bruine en gele vlekken getijgerd.
Mijn rok, van uitlandsch fatsoen en zonder eenig galon of borduursel,
had insgelijks van den invloed der luchtgesteldheid geleden, en droeg
bovendien de kenmerken van lange en trouwe diensten; want menige knoop
had zijn post verlaten: en aan de ellebogen en opslagen zag men kale
plekken van een geheel andere kleur dan die, welke den grond der
stoffaadje uitmaakte. Het kamizool, dat van witte zijde was, met groene
vlaszijde geborduurd, had volkomen het aanzien, als ware het van een
verkooping op de Noordermarkt afkomstig; maar daaronder blonk hetgeen ik
altijd gewoon ben geweest als het echte kenmerk eens beschaafden mans te
beschouwen, namelijk het heldere hemdslinnen dat, dank zij mijn moeder,
die het uit twintig stukken uitgezocht had, zoo fijn was, als men ergens
bekomen kon, en zoo blank, als het stuivende stof toeliet, dat reeds
mijn witte kousen en hooge schoenen bedekt had met die roodaardige
kleur, welke aan het zand in die streken eigen is.
Een plunje als de mijne was niet geschikt om eenigen struikrover in
verzoeking te brengen: ik had dan ook de pistolen en den degen, die mij
op onze uitstapjes in Duitschland trouw vergezelden, bij mijn bagaadje
gelaten, welke met den bolderwagen van Deventer op Naarden reisde, en
meende tegen de gevaren, die ik van Amersfoort tot Naarden te vreezen
mocht hebben, en waaronder ik de ontmoeting van een dollen hond als de
ergste rekende, genoegzaam beveiligd te zijn door den kneppel, dien ik
over den rechterschouder droeg en waar aan een pakje bungelde, bestaande
uit mijn nachtgoed en eenige andere onontbeerlijke benoodigdheden, in
een bonten doek te zamen geknoopt.
Ik sta met opzet bij deze bijzonderheden stil, die wellicht onbeduidend
zullen schijnen; maar die mij toch voorkwamen vermeld te moeten worden,
tot beter verstand van hetgeen verder volgen zal. Ik durf er (want op
mijn leeftijd kan het aan geen ijdelheid worden geweten) nog dit
bijvoegen, dat, zoo mijn uitlandsche en sobere opschik aan de meisjes
een lach afdwong, het mij somtijds toescheen, als of mijn persoon zelve
haar anders niet mishaagde: ik was groot en sterk van gestalte: mijn
kloeke lichaamsbouw gaf mij, ofschoon ik werkelijk jonger ware, het
voorkomen van reeds boven de vijf-en-twintig jaren te zijn; mijn gelaat,
ofschoon geroost door den invloed van zon en lucht, prijkte met den
frisschen blos van jeugd en gezondheid: mijn tanden, die ik tot heden
toe goed bewaard heb, hadden toen bovendien het voorrecht, van blank en
welgeplaatst te zijn: en, naar de getuigenis van anderen, waren mijn
lichtbruine oogen geheel niet van levendigheid ontbloot en
onderscheidden zich ten minste door een niet onaangename uitdrukking van
goeden luim en welwillendheid. Wat mijn haren betreft, zij waren blond,
en ofschoon helaas! bestemd om bij mijn komst te Amsterdam door de
schaar des kappers te worden afgemaaid, en voor een gekrulde paruik
plaats te maken, zij golfden nog op dien ochtend in hun natuurlijken
staat over mijn schouders en deden mij konnen als een onverbasterden
afstammeling van het echte Noordsche ras.