V. De lijnen distribueeren en hun hiërarchische plaats toebedeelen.

Als al de vorige principes in acht genomen zijn komt de compositie van

het ensemble. Men moet dit echter niet te veel beschouwen van het

standpunt onzer westersche esthetiek. Dit 5e principe is n.l. verbonden

aan het principe van de calligraphie dat een bizonder leven en een

bepaalden zin toekent aan de streek van het penseel; het identifieert

deze streek met de sentimenten of ideeën die het vertolkt; dit

principe stelt een band daar tusschen de streek die iets uitdrukt en

den algemeenen zin der schildering, waarin die streek zich beweegt. De

lijnen, die de geschilderde oppervlakte bedekken, moeten ook de

immanente wetten van Tao in acht nemen. Er is een philosofische

ondergeschiktheid van de eene lijn tot de andere in de compositie van

’t geheel; één zekere plaats en géén andere past aan een gegeven

uitdrukking van den Geest. En die posities van de penseelstreken of de

vormen die zij uitdrukken, worden noodzakelijk opgelegd volgens de

relaties, die de elementen van het ensemble aan elkander ondergeschikt

maken. Hierdoor wordt eene hiërarchie bepaald, die niets anders is dan

de uitdrukking van het principe van Harmonie in het Heelal.

VI. De vormen zich doen ontwikkelen onder het aanbrengen in de

teekening.

De schilder-kunstenaar, die een waar werk doet van creëeren, van

scheppen, en den Geest, Tao, realiseert in zijn werk, doet de vormen

der wereld zich propageeren, ontwikkelen, in zijn kunstwerk, en hij

werkt mede aan de algemeene beweging van ’t heelal naar de

volmaaktheid toe, door aan de gerealiseerde dingen nog volmaakter

beelden toe te voegen, die er ’t principe van doen zien en de

mysterieuze essence er van loslaten. De teekening of ’t schilderij

krijgen hierdoor een hoogere waarde dan een enkel plastische. Zij

krijgen er iets verhevens, gewijds door. Zij leveren een beeld van de

wereld op, zooals men zich die in een zin van ideale volmaaktheid zou

denken.

Als wij de 6 principes van Sië Ho nader beschouwen, zien we dat zij

geen technischen voorrang beteekenen in hun volgorde, maar een

filosofische conceptie.

Als wij ze van achteren naar voren nemen, van VI naar I zien we dat het

VIe toepasselijk is op ’t feit dat de schilder een gegeven werk

uitvoert, het toont aan ’t werkelijk karakter van zijn werk, dat hij

de vormen ontwikkelt, propageert van een ideale, volmaakte wereld. Het

Ve principe bepaalt de algemeene compositie op de schildering waarin de

schilder zich uitdrukt en geeft de noodzakelijkheid aan, om zijn groote

systematische verdeelingen in acht te nemen. Het IVe leidt ons verder

dan die algemeene, voorbereidende voorwaarden en loopt (in een

mystieken, magischen zin van creatie) over de transpositie van de

kleur, zooals het IIIe loopt over de transpositie van de vormen. Het

IIe principe doet ons doordringen in de inwendige structuur, in ’t

geheime principe van die vormen, waarvan we zooeven maar de uiterlijke

verschijning hadden, en het Ie principe, het „Ch’i Yün” in die

mystieke, geestelijke structuur, die het in-wezen betreft van het

Eeuwige Principe van Geest, het Tao. Zóo de principes van VI achteruit

naar I nemende komen wij dus van de véélvormige verschijningen tot

den Eénen Geest, en als we de volgorde van I naar VI van Sië Ho nemen

komen wij van den Eénen Geest uitgaande tot de véélvormige dingen,

die de werken van den schilder zijn.

Zooals ik al zeide: de principes II tot en met VI kunnen geleerd

worden; het eerste, „Ch’i Yün”, niet. Dit is nl. wat het genie

bepaalt, dat mysterieuze, machtige genie, waarmede de kunstenaar wordt

geboren, het goddelijke. Zonder dat „Ch’i Yün” is geen ware

kunst mogelijk.

Er valt hier nog iets bij te zeggen, dat alweder teekenend is voor den

Geest van China. Als eenige vrienden samen komen om een mooie

schildering te bekijken, zullen zij wel ’t een en ander opmerken over

de schoone techniek, de bizonder goed geslaagde kleur-verdeeling of

lijnen-harmonie, of iets dergelijks, maar over het „Ch’i Yün”

mag niet gesproken worden. Dat is te heilig om iets over te durven

zeggen. Ieder neemt het zwijgend in zich op.

Wat aangaat de kwaliteiten, die aan kunstenaars in China worden

toegekend, het zijn twee dier hoedanigheden, genaamd „Yi” en

„Shên”, die slechts aan de groote genieën worden gegeven.

„Yi” beteekent in ’t algemeen ongeveer: „weg gaan, vèr

gaan”, maar hier meer: „wat vèr gaat van ’t gewone”, en

„Shên” is het mystieke Chineesche schriftteeken voor „goddelijke

geest” dus hier „wat van de Goden is,” een soort goddelijke

inspiratie. Dit „Yi” en dit „Shên” is wat het genie bij de

geboorte medekrijgt.

Al het andere is niet meer dan „Nêng”, d.i. „kunnen”, dat wat

aangeleerd kan worden, de knapheid van techniek enz.

Zooals Petrucci terecht opmerkt zijn het juist de werken uit het Oosten

op welke het „Nêng” toepasselijk is, die door het grootste deel

der Europeanen het hoogste geapprecieerd worden. Alles, wat voor

zoogenaamde „export voor het Westen” in China en Japan opzettelijk

gemaakt wordt, is slechts „Nêng”. De soort reverente angst,

waarmede de kunstkennende Chinees zijn zorgvuldig weggehouden heilige

kunstvoorwerpen voor den Europeaan verborgen houdt, wordt veroorzaakt

door het weten, dat de doorsneê-Europeaan wèl het „Nêng” erkent,

maar niet het „Yi” en het „Shên”. Het is slechts op het

oogenblik dat hij den Europeaan hoog genoeg schat om het „Ch’i

Yün” van een kunstwerk te doorvoelen, dat hij het hem durft toonen.

Inderdaad, mogen wij, Westerlingen, het niet van den Chinees leeren,

dat een kunstwerk zonder „Ch’i Yün” onmogelijk een kunstenaar

zijn kan?

Zoo noemt de Chineesche literator, zooals ik reeds in mijn hoofdstuk

over de taal zeide, ook alle literatuur, waardoor niet de adem der

Goddelijke Wijsheid gaat „siao shwoh”, d.i. „klein gepraat”. De

Wijsheid, die zich rythmisch uit in Schoonheid, het literaire

kunstwerk, waardoor „Ch’i Yün”, d.i. de kosmische Adem rondgaat,

op het goddelijke rythme, dát alleen is Literatuur. En àl het andere

is in China „siao shwoh”....

Ik heb in dit hoofdstuk speciaal de Chineesche schilderkunst behandeld,

omdat in deze de Geest van China zich zoo zuiver en schoon afspiegelt,

evenals hij dit deed in de Chineesche filosofie van de „Yih King”,

van Confucius, en Choe Hie, en Lao Tsz’, en Chuang Tsz’. Wellicht

behandel ik, in een ander werk, de Chineesche schilderkunst

uitvoeriger, en dan ook de andere Chineesche kunsten, de poëzie, de

plastiek, de porseleinkunst, de architectuur.

Ik heb in dit hoofdstuk er den nadruk op willen leggen, dat men den

Geest van China, en dus ook China’s cultuur, niet kan doorvoelen en

begrijpen, zonder China’s kunst te kennen. Kan men over de cultuur

van Europa schrijven zonder de namen Rembrandt, Leonardo da Vinci,

Michel Angelo, Botticelli, van der Weyden, Dürer, en andere grooten te

noemen? En komt het dan te pas, zooals bekende sinologen als b.v. Prof.

de Groot gedaan hebben, het Chineesche volk voor „half-barbarous”

en „semi-civilised” uit te maken, zonder een flauw denkbeeld te

hebben van de grootheid der kunstenaars, die dit volk voortbracht, van

begenadigde filosofen-dichters-schilders als Wu Tao Tsz’, Wang Wei,

Hui Tsung, Ku K’ai Chih, Ma Yuan, Mu Ch’i, Ch’ao Meng Fu, Li Lung

Mien, Yen Li Pen en zooveel anderen? Het feit, dat deze in geheel China

en Japan beroemde namen bij het groote publiek in Europa nog geheel

onbekend zijn, bewijst reeds, hoezeer de Europeesche sinologie tot voor

enkele jaren te kort geschoten is in het begrijpen en verklaren der

ware Chineesche cultuur.

Kunsthistorici van naam in Europa hebben, zooals o.a. André Michel,

Professeur à l’Ecole du Louvre in zijn „Histoire de l’Art”

durven verklaren: „l’Histoire de l’Art laisse également de

côté les arts extra-européens, art musulman, art chinois, art

japonais”, en M. Reinach, Membre de l’Institut, schrijft in zijn

„Apollo (1904): „Si je ne dis rien ici de l’Art de l’Inde ni de

celui de la Chine, c’est que la haute antiquité qu’on leur

attribue est une illusion. L’Inde n’a pas eu d’art avant

l’époque d’Alexandre le Grand et quant à l’art chinois, il

n’a commencé à produire ses chefs d’oeuvre qu’au cours du

moyen-âge européen”.

Dit klinkt wel zeer merkwaardig in een werk, dat met de quaternaire

periode begint, en tot Whistler en Manet loopt, zooals Herbert A. Giles

terecht opmerkt [55], er bijvoegend, dat vóór in de 19e eeuw het

naturalisme, impressionisme en „plein-airisme” in ’t Westen hun

intrede deden, en wel minstens 1000 jaar vroeger, nadat de groote

geestelijke kunst der Soeng-tijden reeds weer vervallen was, deze drie

in China reeds hun propagandisten hadden gevonden.

Gelukkig, dat in de laatste jaren mannen als Petrucci, Goloubew,

Fenollosa en enkele anderen de hooge waarde der Chineesche kunst zijn

gaan verkondigen, die kunst, waarin de Geest van China zich zoo subliem

heeft geuit. Er zal spoediger dan men denkt een tijd komen, dat Europa

in verrukking staat voor deze kunst.

Ik moet nog even waarschuwen tegen het verkeerde gebruik, dat door

vele, in de laatste jaren in de mode gekomen Chineesche kunsthandels

van bet begrip „Chineesche kunst” wordt gemaakt. Er is, door den

invloed dier kunsthandels, een zeker taaltje ontstaan, dat men

„collectie-jargon” zou kunnen noemen. Men hoort tegenwoordig

menschen, die geen flauw idee van de Chineesche Geschiedenis hebben,

praten van „Soeng”, „Ming”, „Khang Hsi”, „Kien Lung”

enz., zonder dat zij ook maar ’t minste weten van de cultuur van

China in die tijden.

De fijne Chineesche kunstkenner Bernard Laufer, in een artikel in den

2en jaargang van het „Ost-Asiatische Zeitschrift” over de collectie

Pierpont Morgan, schreef hierover zeer juist:

„Het ruwe en holle barbarisme van onze beschaving kon niet beter

geïllustreerd worden dan door het feit, dat wij de gelegenheid

verzuimd hebben, de Chineesche ziel te grijpen in de keramische

meesterstukken. Géén verzamelaar, jagend naar deze stukken, heeft

ooit de moeite genomen, studie te maken van hun bedoeling, hun

artistieke en sociale functie. De verzamelaars zijn tevreden als zij

den naam weten van een dynastie, waartoe een voorwerp behoort, en

kunnen een soort collectioneurs-jargon spreken over glazuren en zoo,

maar de kostbaarste beteekenis der stukken weten zij niet. Wat is nu

eigenlijk wijsheid waard, die determineert b.v. dat een stuk porselein

niet tot de Kien Lung- maar tot de Khang Hi-periode behoort? De

gedachte, en dikwijls het symbool voelen achter een porseleinen

kunstvoorwerp kunnen maar weinigen”.

Ook in de porseleinkunst, evenals in trouwens geheel de oude Chineesche

kunst openbaart zich hetgeen Laufer zoo terecht noemt „the triumph of

spirit over matter”. Ik wil hier nog even de woorden aanhalen, die de

kunst-gevoelige Edmond de Goncourt [56] over het Chineesche porselein

schreef:

„Het porselein van China! dat porselein, superieur aan alle

porseleinen van de aarde! dat porselein, dat sedert eeuwen, en op den

ganschen aardbol krankzinniger „passionnés” heeft gemaakt dan al

de andere takken bij elkaar der verzamelwoede van „curiosités”!

Dat porselein, waarvan de Chineezen het volmaakte welslagen toeschreven

aan een god van den oven, die het baksel beschermde van de

porselein-bakkers, voor wien hij liefde gevoelde! Dat flauw

doorschijnende porselein, vergeleken met Jaspis! Dat blauwe porselein,

dat volgens de uitdrukking van den dichter „blauw als de hemel, dun

als papier, schitterend als een spiegel” was! Dat porselein van Chow,

waarvan een ander dichter, Tan Chao Ling zeide, dat zijn glans dien van

de sneeuw overtrof, en waarvan hij de klagende sonoriteit roemde, dat

product van een industrieele kunst, door de poëzie van het uiterste

Oosten bezongen, zooals men bij ons een mooi landschap bezingt, een

stuk goddelijke creatie, kortom, een aarde-achtige stof, door

menschelijke handen vervormd tot een voorwerp van licht, van zacht

coloriet, in een schittering van edelsteen! Ik ken niets dat daarmede

vergeleken kan worden, om op een wand betoovering te hangen voor de

oogen van een kleurenliefhebber.... En wáár heeft ooit de keizer

geregeerd, die genoeg artiest was om eens, zooals keizer Chi Tsung te

zeggen: „dat in de toekomst het porselein in gebruik in ’t paleis

blauw zij als de hemel, dien men na regen ziet, in de tusschenruimten

tusschen wolken? En waar is ooit, na zulk een mensch en zulk een bevel,

een pottenbakker gevonden, die dadelijk daarop het porselein leverde:

„Yü kwo thien ts’ing” (hemel-blauw na den regen)?”

Zelfs al ware nog niets van die grootste aller Chineesche kunsten, de

schilderkunst, bekend geweest, dan ware de toch reeds eeuwen bekende

Chineesche porselein-kunst reeds voldoende geweest om de minachtende

qualificatie van halve barbaren en heidenen te logenstraffen, die vele

beroemde sinologen op de Chineezen hebben toegepast.

De Geest van China is door de meeste Sinologen niet gevoeld, omdat hij,

te subtiel om door het gewone intellect alléén te worden aangevat,

dat véél fijnere hoogere intellect, dat intuïtie heet, behoeft om

zich kenbaar te maken. Nog eens: de intuïtie is het, die naast het

intellectueele, ook het geestelijke inzicht geeft.

De Geest van China · 第 42 / 48 题