NABETRACHTING

Ik heb in dit boek, dat geen ethnografisch en ethnologisch werk wil

zijn, niet uitgeweid over den oorsprong en de geschiedenis van het

Chineesche volk. Over den allereersten oorsprong ligt trouwens de

geschiedenis in het duister. Door vele geleerde sinologen zijn

theorieën en verhandelingen over dien oorsprong geschreven, maar

wetenschappelijk zèker is hij nooit aangetoond kunnen worden. Het is

in het bekken van de Yang-Tsz’ rivier, dat de geschiedenis der

Chineezen voor het eerst onder onze aandacht wordt gebracht, maar waar

zij vandaan kwamen vóór ze daar verschenen, is nooit met zekerheid

uitgemaakt, al wordt verondersteld dat ze van het Noord-Westen kwamen.

Er is eene aanwijzing in het Chineesche karakterschrift, die een

afkomst uit het Westen bevestigt, namelijk deze, dat het ideografische

schriftteeken voor „willen” bestaat uit eene symbolische

samenstelling van twee karakters, waarvan het eene het schriftteeken

voor „westen” en het andere dat voor „vrouw” is. Wàt is het

voornaamste, dat een emigrant wil als hij in den vreemde is, waarhéén

gaat dan zijn hoogste verlangen? Naar een vrouw uit zijn eigen land. En

zóó is het Chineesche karakter voor „willen” onafscheidelijk

geworden van een vrouw uit het Westen.

Het is de „Shoe King”—het heilige Boek der Geschiedenis, dat van

2357–621 v. C. loopt—die ons voor het eerst konde doet van het

bestaan van het Chineesche volk in het bekken van de Yang Tsz’, maar

het is wel zeker, dat een ontzachelijk groote periode verloopen is

tusschen de eerste verschijning daar van het volk uit het Westen en het

tijdstip, bedoeld in de „Shoe King”.

Duidelijk is het, dat, hetgeen men verstaat onder „de Chineezen”

van thans, géén puur, onvermengd volk is. Daarvoor is hun innerlijke,

constructieve kracht ook te geweldig. Het is de vermenging der volken,

die de krachtige rassen maakt. Pure, onvermengde rassen, dit heeft de

wetenschap uitgemaakt, blijven niet zóó lang krachtig bestaan als het

Chineesche.

Er is eene voortdurende vermenging geweest van Aziatische, voornamelijk

Mongoolsche stammen, wier trekken nog steeds duidelijk zijn op te

merken in de verschillende variëteiten van het Chineesche karakter, en

toch heeft dit niet belet, dat als een geheel, zooals Samuel Johnson

zoo terecht opmerkt, het Chineesche ras-type het meest distinct

individueele is van alle andere volkeren der wereld.

Sommige oude gewoonten, waarover ik in dit werk niet speciaal kan

uitweiden, wijzen op een uit de grijze oudheid dateerende nomadische

afkomst der Chineezen.

Als een groot geheel worden de Chineezen tot het z.g. Turanische ras

gerekend, waartoe ook de Finnen, en misschien zelfs de oude Etruscische

en Dravidische stammen van Indië behooren.

De verre afkomst van de Chineezen als een oorspronkelijk slechts

betrekkelijk klein getal emigranten uit het Westen wordt ook eenigszins

aangeduid door de bekende uitdrukking „pai sing” voor „volk”,

en „pai sing” beteekent hier „de honderd familie-namen”.

Oorspronkelijk zouden er dus slechts honderd families hebben bestaan,

waarvan het Chineesche volk afstamt.

Ook thans zijn er, op dit volk van ruim 400 millioen menschen, nog maar

een zeer gering aantal familie-namen. In keizer Khang Hsi’s

dictionaire zijn ze allen vermeld, en wel 408 z.g. „enkele” en 30

„dubbele” (uit twee bestaande), alzoo in ’t geheel slechts 438.

Chineesche geschiedvorschers hebben deze namen nagespeurd tot de verst

bereikbare oudheid, sommigen zelfs tot meer dan 3000 jaar geleden, en

zóó vast is het geloof aan de heilige verwantschap van afstamming,

door tientallen eeuwen heen, dat nog steeds elkaar geheel onbekende

Chineezen van denzelfden familienaam elkaar als verre bloedverwanten

beschouwen, en dat een huwelijk tusschen een man en vrouw van

denzelfden familienaam ongeveer als bloedschande zou worden beschouwd,

en bij de wet verboden is.

Ik heb in de vorige hoofdstukken trachten uit te doen komen, hetgeen

ik, in een ruim vijf-en-twintigjarige studie van China en de Chineezen,

na een jarenlangen dagelijkschen omgang met Chineezen, als den Geest

van China heb aangevoeld.

Nu moet men niet aanmerkend vragen: „is elk van de ruim 400 millioen

Chineezen nu van al, wat in die hoofdstukken beschreven is,

doortrokken?” of „hoe komt het dat China, met zulk een Geest, niet

het machtigste en meest ontwikkelde rijk der wereld is?” want dan

komt men op geheel andere kwesties, die niet aan de orde van dit boek

zijn.

China, als het meerendeel der Oostersche rijken en volken, is, voor

zoover het de aethische, aesthetische en filosofische, zoowel als de

kunst-beschaving aangaat, wel degelijk een der eerste rijken van de

wereld, maar omdat zijn wetenschappelijke en economische beschaving

daarmede geen gelijken tred gehouden heeft, is het op ’t oogenblik

achterlijk. Het heeft van ’t Westen de wetenschap en de economische

orde hard noodig, maar al het andere heeft het, nù nog in zich zelf en

daarvan behoeft het niets van het Westen.

Binnen de lijn van dit werk ligt niet eene verhandeling over de

moderniseering van China en de Chineezen. Ik heb elders hier reeds een

en ander over geschreven. [57]

Ik zeide hierboven, dat ik in dit boek heb trachten te geven—niet

uitsluitend voor geleerden en sinologen, maar voor het groote,

ontwikkelde publiek, en alzoo in den vorm, die daaraan geëigend

was—hetgeen ik voor mij zelf steeds heb aangevoeld als te zijn de

Geest van China. Nu kan er morgen een ander komen en zeggen: dat is de

Geest van China niet, de Geest van China is: onkunde en bijgeloof, de

superstitieuze gebruiken bij begrafenissen, het geloof aan weerwolven

en weertijgers en demonen, het opgeblazen idee der superioriteit van

alles wat Chineesch is en der inferioriteit van alles, wat niet

Chineesch is, de vuilheid en onreinheid der steden en bewoners, het

verminken, tot voor kort, der vrouwenvoeten, het verkoopen van

kinderen, het gebrek aan hygiëne, het conservatisme, de geslotenheid

en de onoprechtheid in ’t spreken (tegenover Europeanen), de vele

„heidensche” zeden, enz. enz. En dan kan die iemand dikke

boekdeelen vol getuigenissen aanhalen tot staving zijner beweringen.

Maar toch is mijn antwoord dan: wat ge daar opnoemt is alles waar, ik

ontken het niet, maar dat is de verwording, in deze tijden, van den

Geest van China, en gedeeltelijk ook in vroeger tijden, maar niet die

Geest zelve.

Voor mij spreekt de ware Geest van een volk in hetgeen zijn denken en

voelen voortbracht in zijn Filosofie, zijn Literatuur, zijn Kunst. En

dit heb ik in mijn boek trachten te geven, uit den aard der zaak hier

beknopt—de Chineesche beschaving loopt over duizenden jaren—maar

toch in de kern, de essentie er van.

Er is ook wel veel gezegd, dat de Chinees uit het volk zijn eigen

literatuur—en dit is tevens de filosofie—niet kan lezen. In mijn

hoofdstuk over de Chineesche taal heb ik reeds doen uitkomen, hoe de

groote moeilijkheden, aan het Chineesche karakter-schrift verbonden, en

de overwegende rol, die de syntaxis speelt, beletsels zijn voor het

volk, om zich in schrift uit te drukken en boeken te lezen, vooral die

in klassieken stijl.

Het aantal personen in China, die met gemak de geheele literatuur van

de vroegste perioden af kunnen volgen, is, in verhouding tot het aantal

inwoners (op ruim 400 millioen geschat) zeker gering. Toch werd door

Medhurst dit aantal nog op 2 millioen getaxeerd. Hetgeen niet belet,

dat de invloed dier literatuur-filosofie op het staats- en familieleven

der Chineezen zóó overweldigend groot is geweest, dat ook Chineezen,

die haar niet kunnen lezen, er, zonder het te weten, in hun denken en

voelen van doortrokken zijn. Terecht schreef Von der Gabelentz: [58]

„Er is bijna géén ander mensch, die als Confucius, in zijn eigen

persoon al de constitueerende elementen van het Chineesche type

belichaamde, en al wat aanwezig is in ’t wezen van zijn volk. Want

zelfs in den tegenwoordigen tijd, na meer dan 2000 jaar, ondergaat nog

steeds het moreele, sociale en politieke leven van ongeveer een derde

deel der menschheid den vollen invloed van zijn geest”.

Het is volkomen juist hetgeen Alfons Paquet heeft gezegd: [59] „Ook

de allerlaatste onder deze gele-bruine menschen draagt bij zich het

bewustzijn en de instincten van zijn volk, als een amulet. Cultuur is

daar, waar gecompliceerde geestelijke dingen zich ingenesteld hebben.

Achter dit volk staat een rijk, een overal tegenwoordige volheid van

eigenaardige gebruiken, van wijze inrichtingen. Daarin voelt zich de

minste nog op den grond van een onwankelbare, reusachtige pyramide,

wier top met den hemel spreekt”.

Ik heb precies hetzelfde opgemerkt, zelfs in den minsten koelie heb ik

tóch nog den Geest van China teruggevonden.

Wat nu aangaat de Chineesche literatuur, ondanks de groote

moeielijkheid, die de Chineesche schriftteekens opleveren, is China

toch in alle opzichten het land van de gansche wereld, waar, als in

geen enkel ander, de Literatuur steeds in de hoogste eere is gehouden.

De opeenhooping van boeken in bibliotheken is fabelachtig. De klassieke

collectie van keizer Kien Lung (1736–1796) bevatte alleen 105.000

werken, en de catalogus er van geeft 1450 commentaren op de „Yih

King” en 303 encyclopaedieën. De bekende „Catalogus der Vier

Bibliotheken” bestaat uit 112 octavo deelen, van elk 300 paginas, en

bevat een overzicht van 20.000 werken. Zooals Samuel Johnson terecht

zegt van de ontzachelijke hoeveelheid Chineesche boeken in beroemde

bibliotheken: „It is Chinese immortality, this Phoenix of letters. It

is the analogue of Western science, as entire persistence of force”.

Vijf groote brand-catastrophes hebben de literaire schatten van 3000

jaar niet kunnen vernietigen. Keizer Chi Hwang Ti (259–210 v. C.) gaf

last, om alle klassieke boeken te verbranden, ten einde met hèm een

nieuwe geschiedenis en een nieuwe literatuur te doen beginnen, en

vervolgde met de vreeselijkste straffen hen, die tóch nog boeken in

hun bezit hadden. Desniettegenstaande is er nog een schat van die oude

literatuur overgebleven. Chineesche encyclopaedieën hebben een omvang,

waar de groote Europeesche klein bij gelijken. Een der beroemdste bevat

uittreksels van 1700 werken en bestaat uit 1500 deelen.

Keizer Khang Hsi (1662–1723), die de groote standaard-dictionaire der

Chineesche taal uitgaf, schreef 176 boeken „Literaire Uitspanning”

en 289 gedichten. Keizer Kien Lung compileerde eene verzameling van

34000 gedichten uit werken, enkel loopende over het tijdvak zijner

eigen regeering. Om de bovengenoemde dictionaire te kunnen uitgeven

zette keizer Khang Hsi 80 geleerden-literatoren aan ’t werk gedurende

zeven jaren.

Wij kunnen ons in Europa geen denkbeeld maken van de overgroote eer,

die in China aan de literatuur en aan groote literatoren wordt bewezen.

Terecht vergelijkt een Amerikaansche schrijver dat met een godsdienst.

Het is een feit dat, nù nog, in China literaire ontwikkeling meer op

waarde wordt geschat dan rijkdom, en dat een groot literator er, ook in

socialen zin, veel hooger in eere staat dan een millionair. In zekeren

zin is de literator in China wat de Brahmaan in ’t oude Indië was,

hoewel in maatschappelijken zin anders.

Een der grondvesten voor universeele opvoeding is een werk van keizer

Khang Hsi „Shêng Yü”, het Heilig Edict, dat om de 14 dagen, met

de commentaren daarop van keizer Yung Ching, in ’t openbaar in de

steden wordt voorgelezen. [60]

Hoewel de zeer groote hoeveelheid Chineesche karakters, waarvan de

kennis noodig is om alle klassieke werken te lezen, zooals ik zeide,

een beletsel is dat voor de groote massa van het volk die werken

ontoegankelijk maakt, kan toch zoo goed als iedere Chinees wel degelijk

die karakters lezen, die te pas komen bij zijn handel of

levensonderhoud. In dat opzicht staat het Chineesche volk uit de

laagste kringen zelfs hooger dan dat uit de laagste Europeesche. Het is

veelvuldig in Europeesche consulaten in China voorgekomen, dat, bij het

afleggen van verklaringen, Europeesche matrozen, analphabeten zijnde,

met een kruisje moesten teekenen, terwijl Chineesche zonder moeite hun

naam in ’t Chineesch konden teekenen. En—óók geheel anders dan

bij de laagste standen van Europeesche volken—tot in de laagste lagen

der Chineesche maatschappij is bij het volk de eerbied voor literaire

ontwikkeling ingeworteld.

Het is een zeer gewoon verschijnsel dat een eenvoudige sampan-roeier of

ricksha-koelie met groote opoffering van zijn zuur verdiende penningen

spaart om toch maar zijn zoon een literaire opvoeding te kunnen geven.

Trouwens het feit dat het Chineesche karakter „wên”, dat

„schriftteeken” beteekent, tevens het begrip „beschaving”

uitdrukt, spreekt al voor de hooge eer, waarin de literatuur in China

staat. Beschaving is er zonder literaire en filosofischen aanleg niet

denkbaar.

Dat zóó China’s toekomstige cultuur van aard blijve is de hoofdzaak

en véél gewichtiger dan dat zij westersche economie en wetenschap

aanvaardt.

Zeer terecht heeft Rev. Paul Bergen geschreven: [61] „Het is te hopen

dat de tegenwoordige generatie niet door de fascinatie van het nieuwe

ertoe zal geleid worden om hun oude literatuur te veronachtzamen, daar

ze hun grootste glorie is, streng in stijl, verheven van toon, een pure

zedelijkheid leerende en idealen ophoudende van politieke wijsheid en

van heiligheid van het familieleven”.

In het jong-Chineesche tijdschrift „The Republican Advocate” las ik

het volgende: „The danger in China to day is not that she will lack

the proper quota of men to develop her agriculture or mines, but the

tendency to lose the higher and divine religious instincts”.

Men vervalle niet in de dwaling te denken, dat de zoogenaamde

„hervorming” in China, het aanleeren der westersche wetenschap en

toepassen van westersche uitvindingen, voor China per se moet

beteekenen het wegwerpen van haar oude wijsheid en levensbeschouwingen.

Dit zal evenmin met China het geval worden als het met Japan het geval

geweest is. Dr. Chen Huan Chang, in zijn reeds meermalen aangehaalde

boek „The Economic Principles of Confucius and his School” zegt

uitdrukkelijk, hoe dit boek bedoeld is „as a manual for Modern China

in its struggle with the Occident, showing how it must revive the old

ways of the most ancient ancients”. Men begrijpe dit goed: dit alles

met aanpassing aan de moderne tijden, en met beoefening van westersche

wetenschap, toepassing, voor zoover mogelijk van westersche economische

systemen, staatkundige instellingen, enz. enz.

Ik durf het met zekerheid voorspellen: ook in het moderne China van

over honderden jaren, dat géén onzer zal beleven, zal de Geest van

China dezelfde zijn gebleven als die, waarvan ik in dit boek de

schoonheid en wijsheid heb trachten te geven.

Ik kan niet nalaten hier even aan te halen, wat Ku Hung Ming zegt van

de nooden van China:

„Daarom behoeven dingen, zooals Yuan Shih Kai en Dr. Morrison ze voor

China willen: zooals kolen, ijzer, goedkoope zeep, goedkoope tramwegen,

draadlooze telegrafie—dingen die Goethe het „nuttige”

noemt—geen bizondere bevordering. Maar dingen, zooals de gestorven

Keizerin-Weduwe ze voor China wilde: de schoonheid van haar

zomerpaleis, de gesprekken („Loen Yü”) van Confucius, de

Chineesche poëzie en zelfs de „achtdeelige opstellen” [62], dingen

die Goethe „het schoone” noemt, moeten bevorderd worden. Zonder dat

schoone bestaat er geen voornaamheid van karakter en de arbeidskracht

van een volk wordt zooals wij gezien hebben, misbruikt tot gemeen en

verkwistend gebruik. Als de arbeidskracht zoo misbruikt wordt, dan zijn

comfort, pracht en luxe van het leven van iedere gemeenschap en iederen

staat als de appelen van het doode meer van Sodom en Gomorrha, glanzend

van buiten, maar achter de huid vol van bitterheid, verwezenheid en

dood”.

Dit is de reden, waarom China zich zoo lang niet aangetrokken kon

voelen tot de zoogenaamde beschaving van Europa, wier hoogste doel haar

toeleek te zijn: materieele welvaart, leidend tot wat Ku Hung Ming

noemt: eene onvoorname en verkwistende verbruiksaanwending, de

productie van luxe-voorwerpen en middelen tot gemak en leegen schijn.

De nieuwe maatschappelijke wetenschap van Europa leek dezen Chinees toe

te leeren, dat de grond-voorwaarde voor een mensch succes in het leven

was, en dat de grootte van een natie lag in ’t hebben van rijkdom,

macht en materieel geluk. Dit was in flagranten strijd met de leer van

Confucius, dat menschen en naties hun hart niet op rijkdom, macht en

materieele welvaart zullen vestigen.

De Confucianistische principes zijn niet alleen verplichtend voor het

leven van den enkelen mensch maar ook voor volken.

Ook het zoo hooggeroemde „intellect”, dat soort althans, wat Ku

Hung Ming zoo treffend „vossen-verstand” noemt „zonder fijnheid

en teederheid”, waarop het Westen in zijn materieele cultuur zoo

trots is, kon geen aantrekking hebben voor den Chinees, die het fijne

en teedere hooger stelde dan de luxe en het gemak.

Voor de Chineezen is de „Europeaniseering” van China geruimen tijd

gelijkduidend geweest met het instroomen van gemeenheid en leelijkheid,

en zij vonden de ethische en aesthetische armoede van Europa véél

erger dan de materieele armoede en de economische wanorde van China. Ik

heb een Chinees onlangs van den tegenwoordigen wereld-oorlog hooren

zeggen: ziehier nu de uitkomst van uw hooggeroemde economische

„Orde!”

De Geest van China voelt intuïtief dat hij zou ondergaan, en dat dus

China zou ondergaan, als enkel materieele welvaart het hoogste doel van

China’s beschaving zou worden. Want de kostbaarste schatten van

China, van de grijze oudheid af, zijn geestelijke, en geen materieele

geweest. En wat de economie aangaat, zooals ik al in het hoofdstuk over

Confucius heb aangegeven, China kan de zoo hooggeroemde economische

toestanden en wetenschappen van Europa niet onverdeeld bewonderen,

zoolang economie er niet synoniem is met ethica. Ook de territoriale

expansie is geen ideaal van China. Er is geen ander volk dan het

Chineesche in de wereld-geschiedenis bekend dat zulk een overwicht

heeft gehad in stoffelijke kracht zonder den schrik te worden van

zwakkere naties. Zooals Johnson zoo terecht opmerkt, China heeft er de

voorkeur aan gegeven Arbeid en Literatuur te onderwijzen, en haar eigen

overwinnaars, als b.v. de Mandsjoes, te bekeeren tot vreedzame

ondernemingen.

Het met de geschiedenis van China onbekende publiek verkeert over ’t

algemeen in de meening, dat de Geest van China een isoleerende is, dat

China altijd huiverig is geweest voor aanraking met vreemde landen en

volken, en als een slak in zijn huis kroop bij de minste aanraking van

buiten.

Precies het tegendeel is waar. De Chineezen hebben juist meer aanraking

en omgang met vreemde naties gehad dan eenig ander Aziatisch ras.

Zooals Mc Culloch schreef zijn de Chineezen „een uiterst commercieel

volk, en het idée van hun verachting voor vreemdelingen is ten zeerste

ongegrond. Nergens kunnen scheepsladingen met meer business-like

activiteit worden gekocht en verkocht, ingeladen en uitgeladen als in

Canton”. Ampère constateert, dat, duizend jaar geleden, de uiterste

lijn van hun aanrakingsgrenzen de westelijke grenzen van Azië

bereikte. Pauthier verhaalt, hoe in Fransche archieven diplomatieke

bescheiden gevonden worden van den kleinzoon van den Mongoolschen

Dzjengis Khan aan Philips den Schoone. Gedurende de Tartaren-dynastie

bezochten aanzienlijke Mongolen Rome.

Peter de Groote zond agenten naar Peking om daar de wetenschap van

regeerings-systemen te leeren, en de kunst van bouwen, zooals Pollas en

Klaproth [63] vermelden. In Tartarije leefden eeuwen geleden Russen,

Hongaren en zelfs Vlamingen, en een Tartaar was contractant voor helmen

in het Fransche leger. Ampère verhaalt, hoe Mongoolsche cavalerie werd

aangeboden voor de verovering van het Heilige Graf gedurende de

kruistochten, en bewoners van Genua, Pisa en Venetië hebben eeuwen

geleden door Chineesch Centraal-Azië gereisd. Er is geen enkele

oostersche godsdienst of filosofie, die niet onbelemmerd in China haar

intrede gedaan heeft, en geen naburige taal, waaruit geen vertalingen

in ’t Chineesch zijn gemaakt. Een schat van Boeddhistische

literatuur, waarvan de origineelen in het Pali en Sanskriet verloren

zijn gegaan, is in ’t Chineesch bewaard gebleven, en men kan gerust

zeggen, dat zonder deze Chineesche vertalingen volledige studie van het

Boeddhisme onmogelijk zou zijn geweest. Omgekeerd is er geen naburige

taal, waarin de Chineezen hun eigen taal niet vertaald hebben.

Het is eerst sedert de agressie van Europeesche zijde, eene agressie,

waaraan de christelijke zending groote schuld heeft, dat de

geslotenheid voor het Westen begonnen is. Het waren zijn heiligste

goederen, die China er mede tegen de indringende

materieel-intellectueele westersche beschaving verdedigde, en het

isolement is eerst begonnen in de latere jaren der Mandsjoe-dynastie.

Tegen het Christendom als zoodanig heeft China nooit vijandig gestaan,

enkel tegen het agressieve drijven en de bemoeizucht van zendelingen,

dien zij, niet geheel ten onrechte, als de geheime politieke agenten

beschouwde van hebzuchtige vreemde regeeringen, tuk op annexatie en

exploitatie.

Ik heb in dit boek, dat aan een’ zekeren omvang gebonden is, niet de

gelegenheid, uitvoerig te behandelen de groote „up and down”

bewegingen in de Chineesche gedachte en het Chineesche voelen,

gedurende de eeuwen van China’s beschaving, die ten duidelijkste het

in Europa ingeroeste idee weerspreken, als zou de Chineesche cultuur

altijd conservatief dezelfde, en als een stagneerend water zijn

geweest. Zeer aan te raden, om van dit absoluut verkeerde denkbeeld te

genezen, is de lezing van Prof. E. Fenollosa’s „Epochs of Chinese

and Japanese Art”, waarin de verschillende tijdperken en stroomingen

van de Chineesche kunst niet alleen, maar ook de in onverbreekbaar

daarmede in verband staande Chineesche gedachten en gevoelens op

schitterende wijze zijn beschreven. Ik haal hier kortheidshalve de

volgende woorden van Fenollosa aan:

„Het zal zeker een vreemd ding zijn voor Europeesche geleerden en een

publiek, dat gewoon is Chineesche cultuur gedurende drie duizend jaren

als een Doode Zee-niveau van uniformiteit te beschouwen, om de woorden

te lezen van mannen, die onder de Noordelijke Soeng-dynastie hoopvolle

woorden schreven als die van den artiest-criticus Kuo-Hsi, die beweerde

dat: „het is de echte natuur van den mensch om al wat oud is te

verafschuwen en zich vast te klemmen aan wat nieuw is”. De geheele

omvang van de Soeng-cultuur is een immens pakhuis vol documenten, die

aantoonen dat de Chineesche menschheid die drie eeuwen lang gebouwd

heeft op wat wij geneigd zijn laag te schatten als zijnde

niet-Chineesch”.

Dit klinkt eenigszins anders dan de uitspraak van Prof. J. J. M. de

Groot, die openlijk de enormiteit durfde doen drukken, dat het

Chineesche ras „is stamped for ever with the total incapacity to rise

to a higher level of mental culture”.

Het bijna tragische in de droevige figuur van dezen geleerden

sinoloog—geleerd hier vooral te nemen in den zin van

taal-geleerd—is dat hij, zonder eenigen filosofischen aanleg, en

zonder de minste intuïtie voor metaphysiek, aan de sereene,

diepzinnige Wijsheid van China is voorbijgegaan als een kruidenier

voorbij een tempel vol symbolen, die hij „gek” en „casueel”

vindt, zonder een vaag idee van de geweldige beteekenis. Het dolzinnige

idee, dat een geleerde, die een bolleboos is in een Oostersche taal,

enkel daardoor ook per se bevoegd is, over oostersche filosofie mede te

spreken, zal helaas nog wel een tijd lang in onze academische

faculteiten ingeroest blijven. [64]

Hetgeen men uit Fenollosa’s boek leeren kan, is de stijging en daling

der Chineesche beschaving gelijktijdig met de Chineesche kunst. Die

kunst—en ook die cultuur—maakt haar eerste, nog in ’t duister

liggende stijging in het eerste gedeelte van het derde millenium vóór

Christus, rijst tot haar eersten golf van kracht met de Shang-dynastie,

omstreeks 1800 v. C., tot haar tweeden met de Chow-dynastie, omstreeks

1100 v. C., zij doet haar derde en krachtiger scheppende poging met de

Han-dynastie in de 2e eeuw vóór Christus, dan, na een tusschenpauze,

stijgt zij langzaam en machtig tot haar hoogtepunt onder de

Th’ang-dynastie in de 8e eeuw, en later weer tot een niet minder

verheven glorie-periode onder de Soeng-dynastie, in de 11e en 12e eeuw,

om dan weder langzamerhand te dalen en te dalen, tot den tegenwoordigen

toestand van zwakheid.

Men ziet, ik erken hiermede, dat de Chineesche cultuur van tegenwoordig

op een aanmerkelijk lager niveau is gekomen dan in de Oudheid. De

ontaarding en het bijgeloof, in Prof. De Groots dikke folio’s zoo

fijn uitgeplozen, zijn kenteekenen van deze daling.

Maar daarmede is de Geest van China niet uitgedoofd, hij leeft nog

steeds, en de tegenwoordige hervorming, de groote beroeringen, die

thans plaats hebben, wijzen op een nieuwe periode van stijging. Een

nieuwe tempel zal in China in de komende tijden, na groote stormen en

beroeringen, worden opgetrokken, maar de grondslag van dien tempel zal

de Oude Wijsheid zijn, waarin de Geest van China eeuwig leeft.

Scheveningen, 6 April 1916.

LIJST VAN DE VOORNAAMSTE WERKEN DOOR MIJ GERAADPLEEGD BIJ HET SCHRIJVEN

VAN „DE GEEST VAN CHINA”: [65]

Dr. Chen Huan Chang. The Economic Principles of Confucius and his

School.

Ku Hung Ming. Chinas Verteidigung gegen Europäische Ideen.

Prof. E. Fenollosa. Epochs of Chinese and Japanese Art.

Raphaël Petrucci. La Philosophie de la Nature dans l’Art

d’Extrême Orient.

Raphaël Petrucci. Kie Tseu Yuan Houa Tchouan.

Dr. Curt Glaser. Die Kunst Ost-Asiens.

Samuel Johnson. Oriental Religions and their Relation to Universal

Religion. China.

Herbert A. Giles. Introduction to the History of Chinese Pictorial Art.

E. J. Eitel. Fung Shui.

Martin Buber. Reden und Gleichnisse des Tschuang Tse.

Lafcadio Hearn. Gleanings in Buddha Fields.

De Geest van China · 第 43 / 48 题