Na alzoo de beteekenis van de verschijningen te hebben ontdekt in den
band die ’t Rythme van den Geest bindt aan de Beweging van ’t
leven, na het essentieele van de inwendige structuur ook te hebben
ontdekt, moet de schilder de vormen voorstellen, conform aan de dingen
of wezens die deze wereld bevolken. Deze formule correspondeert met een
zeer oude conceptie der Chineesche filosofie. De volmaakte conformiteit
van een wezen met zijn natuur, of met het principe van universeele orde
dat in hem is stelt, als het zich toepast op den mensch, het Chineesche
idee van Heiligheid daar.
Het is door deze conformiteit dat de geschilderde vorm meer waarde
heeft dan een enkele representatie. Zij wordt daardoor een werkelijke
creatie en realiseert in een kunstwerk het principe van Tao. Want als
ieder wezen of ding dat voorgesteld is in een kunstwerk, conform is aan
zijn eigen natuur, wordt dit werk het beeld van een volmaakte wereld
waar de essentieele principes in evenwicht zijn in eene harmonieuze
proportie. Men ziet hier dus in philosophischen zin de oude opvatting
van de magische waarde van een teekening, die de ontwikkeling der
Chineesche schilderkunst kenmerkt, en de grondwetten der Chineesche
esthetiek.
Door zulke ideeën kwam de schilder er toe niet den onmiddellijken
uiterlijken schijn te imiteeren maar om de synthese los te maken van de
vormen, en met één schematischen penseelstreek somtijds te
suggereeren dát, wat het diepe, innerlijke karakter van den
natuurlijken vorm is waardoor de wetten dier synthese zich uitdrukken.
Dit genie van de synthese karakteriseert trouwens de geheele kunst van
het Oosten.
IV. Volgens de gelijksoortigheid (der dingen en wezens) de kleuren
verdeelen en verschikken.
Dit principe is eene voortzetting van het vorige, en brengt het idee
mede, van de werkelijke kleuren der voorwerpen te „propageeren”
door hun te transporteeren op den geteekenden vorm. Hier is weer
opnieuw het idee van de magische waarde van pictorale voorstellingen.
De kleur van de schildering is even levend als de dingen; zij wordt
gedistribueerd volgens de essentieele gelijkvormigheid van de wezens of
de dingen; zij bekleedt met haar eigen leven een structuur, waarvan
reeds de eeuwige principes en de actie van Tao uitstralen. De kleur
voltooit de diepe operatie van den schilder en brengt hem dichter bij
de oppervlakkige verschijningen, waaraan het oog gewoon is.