III. Conform aan de dingen (of wezens) de vormen teekenen.

Na alzoo de beteekenis van de verschijningen te hebben ontdekt in den

band die ’t Rythme van den Geest bindt aan de Beweging van ’t

leven, na het essentieele van de inwendige structuur ook te hebben

ontdekt, moet de schilder de vormen voorstellen, conform aan de dingen

of wezens die deze wereld bevolken. Deze formule correspondeert met een

zeer oude conceptie der Chineesche filosofie. De volmaakte conformiteit

van een wezen met zijn natuur, of met het principe van universeele orde

dat in hem is stelt, als het zich toepast op den mensch, het Chineesche

idee van Heiligheid daar.

Het is door deze conformiteit dat de geschilderde vorm meer waarde

heeft dan een enkele representatie. Zij wordt daardoor een werkelijke

creatie en realiseert in een kunstwerk het principe van Tao. Want als

ieder wezen of ding dat voorgesteld is in een kunstwerk, conform is aan

zijn eigen natuur, wordt dit werk het beeld van een volmaakte wereld

waar de essentieele principes in evenwicht zijn in eene harmonieuze

proportie. Men ziet hier dus in philosophischen zin de oude opvatting

van de magische waarde van een teekening, die de ontwikkeling der

Chineesche schilderkunst kenmerkt, en de grondwetten der Chineesche

esthetiek.

Door zulke ideeën kwam de schilder er toe niet den onmiddellijken

uiterlijken schijn te imiteeren maar om de synthese los te maken van de

vormen, en met één schematischen penseelstreek somtijds te

suggereeren dát, wat het diepe, innerlijke karakter van den

natuurlijken vorm is waardoor de wetten dier synthese zich uitdrukken.

Dit genie van de synthese karakteriseert trouwens de geheele kunst van

het Oosten.

IV. Volgens de gelijksoortigheid (der dingen en wezens) de kleuren

verdeelen en verschikken.

Dit principe is eene voortzetting van het vorige, en brengt het idee

mede, van de werkelijke kleuren der voorwerpen te „propageeren”

door hun te transporteeren op den geteekenden vorm. Hier is weer

opnieuw het idee van de magische waarde van pictorale voorstellingen.

De kleur van de schildering is even levend als de dingen; zij wordt

gedistribueerd volgens de essentieele gelijkvormigheid van de wezens of

de dingen; zij bekleedt met haar eigen leven een structuur, waarvan

reeds de eeuwige principes en de actie van Tao uitstralen. De kleur

voltooit de diepe operatie van den schilder en brengt hem dichter bij

de oppervlakkige verschijningen, waaraan het oog gewoon is.

De Geest van China · 第 41 / 48 题