II. De wet der beenderen door middel van het penseel.

Als de schilder het principe van Geest gegrepen heeft door het fluïde

te doen trillen, dat de vormen bezielt, onzichtbaar er achter, moet hij

doordringen in de plooien en schuilhoeken waarin die geest, Tao, zich

verbergt. Hij moet dan de essentieele structuur bepalen, die aan ’t

ding of ’t wezen den transitoiren vorm geeft waarin die eeuwige Geest

zich tijdelijk uitdrukt. Het gaat hier dus niet enkel om de anatomische

structuur maar om iets hoogers waarin men nog een reflex voelt van de

oude magische conceptie van een teekening. Het penseel, de wet van de

inwendige structuur oproepende, leent een zeker mystiek leven aan den

vorm. Het resultaat van ’t penseel dat teekent of schildert moet niet

een geleerde, exacte voorstelling of imitatie zijn, maar geeft een

diepere werkelijkheid en openbaart den algemeenen, eeuwigen zin van het

voorgestelde.

De Geest van China · 第 40 / 48 题