Als de schilder het principe van Geest gegrepen heeft door het fluïde
te doen trillen, dat de vormen bezielt, onzichtbaar er achter, moet hij
doordringen in de plooien en schuilhoeken waarin die geest, Tao, zich
verbergt. Hij moet dan de essentieele structuur bepalen, die aan ’t
ding of ’t wezen den transitoiren vorm geeft waarin die eeuwige Geest
zich tijdelijk uitdrukt. Het gaat hier dus niet enkel om de anatomische
structuur maar om iets hoogers waarin men nog een reflex voelt van de
oude magische conceptie van een teekening. Het penseel, de wet van de
inwendige structuur oproepende, leent een zeker mystiek leven aan den
vorm. Het resultaat van ’t penseel dat teekent of schildert moet niet
een geleerde, exacte voorstelling of imitatie zijn, maar geeft een
diepere werkelijkheid en openbaart den algemeenen, eeuwigen zin van het
voorgestelde.