CHINEESCHE KUNST

Er is van Chineesche kunst veel te weinig bekend, en dit is de schuld

van de sinologen, of eigenlijk ook weer niet hun schuld, omdat er zoo

veel werkelijk heel groote geleerden, en zoo uiterst weinig artistieke,

wat de Grieken zouden noemen „musische” menschen onder hen waren.

Toch is het een heel groote dwaling als men zich verbeeldt, een volk te

kennen zonder zijn kunst te begrijpen, en dit beteekent: te doorvoelen;

want het is juist in de kunst dat de cultuur van een volk, de hoogste

bloei ook van de volksziel, zich uit. Wij kunnen ons de Grieken b.v.

niet denken zonder hun prachtige beeldhouwkunst en hun poëzie, wij

kunnen de Egyptenaren niet begrijpen zonder hun pyramiden, hun

Sphinxen, hun kolossale beelden, en evenmin is het mogelijk, de

Romeinen te kennen zonder hun kunst. Juist in de kunst vond de cultuur

dier volken haar hoogste uiting.

Maar nu heeft zich het merkwaardige geval voorgedaan, eigenlijk eenig

in de studie van een oud volk, dat men tot voor kort gemeend heeft,

China en de Chineezen wèl te kunnen begrijpen zonder hun kunst. Dit is

zelfs zóó sterk, dat een sinoloog, die wèl artistiek voelt, en die

juist in de kunst der Chineezen de eigenlijk diepste studie

zoekt—want immers de studie van de innerlijke ziel van het

volk—door de sinologen wel eens niet voor „vol” wordt aangezien,

en in géén geval voor een geleerde. Dit is nu weer juist dáárom zoo

eigenaardig, omdat men zich in China geen geleerde kan voorstellen, die

géén kunstenaar is. Een geleerde, een z.g. „poh sz” is in China

altijd iemand die ook een „musisch” mensch is en die, behalve in de

geleerdheid, óók nog, en voorál zelfs, doorgedrongen is in de

poëzie, de literatuur, de schilderkunst en andere kunsten. Zelfs in de

meest diepzinnige filosofie, b.v. die der „Yih King”, in de meest

moeilijk te bevatten beschouwing over abstracties, als b.v. de

primordiale oorzaken van al het bestaan in ’t Heelal, in de

wiskunstige verhoudingen zelfs van alle mystieke z.g. „principes en

ademen” in den Kosmos, kwamen de Chineezen altijd tot een leer van

getallen tot de z.g. „Shoe”, die in den grond niets anders is als

de leer van het groote Rythme, dat de bron is van alle kunst en

poëzie. Het Rythme van de Poëzie, van de kunst, is tenslotte

hetzelfde als het mathematische rythme van den Kosmos, en ook van de

wetenschap in China. Wiskunde, sterrekunde, physica, chemie, muziek,

literatuur en alle kunsten hebben dit Rythme. Hoe vreemd dit ook moge

klinken voor een Westerling, voor een ontwikkelden, beschaafden,

geleerden Chinees zijn juist wetenschap en poëzie en kunst één en

hetzelfde, mits die wetenschap niet tot de uiterlijke phenomena beperkt

wordt, maar beschouwd tot in het ondoorgrondelijk geheim waarop ten

slotte alle wetenschap stuit (en hier gaat het tegenwoordig

onvermijdelijk naar toe met de verschillende stralen, de electronen en

zoo). In mijn hoofdstuk over de „Yih King” toonde ik dit reeds aan.

Achter alle kunst, als achter alle wetenschap, weet de Chinees het

Rythme; het Rythme, dat als een dans van getallen door al ’t

geopenbaarde gaat (ook Plato kende dit) en waardoor alle verschijnselen

en alle uitingen, zichtbaar en onzichtbaar, worden bewogen. Dit Rythme

is altijd het hoogste goed geweest van den geleerde, en ook van den

kunstenaar in China. De Geest van China is van dat Rythme doordrongen.

Zoowel de Chineesche filosofie als de Chineesche literatuur, zoowel de

Chineesche kunst als de Chineesche wetenschap—hoe gebrekkig deze ook

moge zijn voor zoover het de studie der zichtbare, uiterlijke

verschijnselen betreft—zijn altijd geweest een niet uitsluitend

logische geleerdheid (want voor de diepste wereldraadselen staat de

logica ten slotte machteloos) maar óók een suggestieve intuïtie, een

zich omhoog doen rijzen boven de grens van het met gedachten vatbare,

een bewustworden in het, wat de Duitschers noemen

„Jenseits”,—Gene zijde—boven het Diesseits—Déze zijde—van

tastbare, zichtbare dingen, een verzinking in het groote „Niets”

van filosofen als Lao Tsz’ en Choe Hie, alléén mogelijk voor wie

musisch genoeg is, om zich op het groote Rythme er toe op te laten

stijgen. Zooiets als dorre geleerdheid, boeken-geleerdheid, enkel

nuchter verstandelijke uitpluizing van verschijnselen, zonder het

musische, rythmische—dat altijd ook in den grond mystiek is—is in

China onbekend. De groote Chineesche geleerden en de groote Chineesche

filosofen—in China zijn dit geen tegenstellingen—waren ook altijd

musische menschen of poeëten. Een van de hoogst geschatte middelen van

opvoeding en onderwijs was dan ook in de Chineesche Oudheid de Muziek,

de kunst bij uitnemendheid, die tóch in haar diepsten grond van

trillingen één is met de wetenschap van getallen, met alle Wiskunde.

En nu is het juist het groote ongeluk geweest in de Europeesche studie

van China en de Chineezen, dat de sinologen, op enkele zeldzame

uitzonderingen na, gemeend hebben met enkel droge geleerdheid en

philologie—hoe uitnemend en eerbiedwaardig die op zich zelve ook

mogen zijn—niet alleen de taal, maar ook de filosofie en de

literatuur, en zelfs de eigenlijke cultuur van dit wonderbare oude land

te kunnen doorgronden, die met énkel verstand, hoe eminent dit ook

zij, niet te doorgronden zijn, als het rythmische en musische er niet

bij komt. Is over literatuur en filosofie nog veel geschreven en

bestudeerd—hoewel bijna altijd op een droge, enkel westersch-geleerde

manier—over Chineesche kunst hebben tot voor kort zelfs de grootste

sinologen zich nooit druk gemaakt en als ze eens bij uitzondering hier

en daar er hun aandacht aan schonken, dan was het van uit een

archeologisch, maar niet van uit een kunstoogpunt, terwijl het uit

beide zijn moet. Ik zeide zooeven al: Griekenland, en ’t Romeinsche

rijk zijn ondenkbaar zonder hun kunst, die er één mede is. Welnu,

China is dit evenzeer, maar toch bemoeide de sinologie zich tot voor

weinig jaren zoo goed als niet met de Chineesche kunst, en zij

verbeeldde zich, China zonder die kunst te kennen en haar cultuur te

begrijpen.

De ware geschiedenis van China’s hooge cultuur staat voor ons te

lezen in schilderijen, poëzie en plastiek, in bronzen, porselein en

lakwerk, dáárin is de ware cultuur in haar fijnste volkomenheid

weerspiegeld, en zonder deze kan niemand, ook de grootste geleerde

niet, de Chineesche volksziel begrijpen.

De Schoonheid is ten alle tijde voor den ontwikkelden Chinees een

toevlucht geweest, die hem openstond voor alle ellende en verdriet in

het leven en hem er boven verhief.

Een groot Chineesch dichter heeft eens gezegd dat geen verdriet op

aarde de artistieke bekoring weerstaan kon van een mooi stuk gele

zijde. In dit gezegde ligt een karakteristiek van de Chineesche

volksziel opgesloten. De schoone kunsten zijn in China onafscheidelijk

van beschaving. Er is een Chineesch woord „Shih” dat door de

sinologen meestal met „geleerde” wordt vertaald, en met de

bijvoeging dat het in oude tijden ook „krijgsman” beteekende, maar

Chineesche sinologen—die zijn er heusch óók—hebben mij uitgelegd

dat het èn „geleerde” en „dappere”, „ridderlijke”

beteekent en tevens onafscheidelijk hiermede een voor kunst diep

voelende, wat de Grieken een „musisch mensch” noemden.

In de laatste jaren doet zich het gelukkig verschijnsel voor, dat er

ook sinologen opstaan, al zijn het er nog niet veel, die besef toonen

van hoeveel gewicht de Chineesche kunst is voor de studie van China, en

die er eene studie van maken, niet enkel uit een oudheidkundig maar ook

uit een kunst-oogpunt. Hier en daar verschijnen er werken over, en in

China worden de laatste jaren, vooral in Shanghai, lezingen over

Chineesche kunst gehouden, en tentoonstellingen van Chineesche kunst.

Zoowel het „International Institute” te Shanghai als de Noord-China

tak van de „Royal Asiatic Society” maken zich in dit opzicht

verdienstelijk. Dat vroeger nooit tentoonstellingen van kunst in China

werden gehouden is daaraan toe te schrijven, dat een Chinees, en over

’t algemeen elke oosterling, zijn mooie dingen, die hem heilig zijn,

juist verbergt, en alleen aan heel intieme vrienden laat zien, om er

dan samen, meer zwijgend dan sprekend, van te genieten. Mooie, heilige

dingen voor het publiek ten toon stellen is òn-oostersch. Thans, nu de

invloed van het Westen hoe langer hoe meer door dringt komen Chineezen

er eerder toe, hun kunstschatten voor eene tentoonstelling af te staan

en zóó zijn de laatste jaren tentoonstellingen in Shanghai, Tientsin

en andere steden kunnen gehouden worden van bronzen, porseleinen en

schilderingen. Het is een verblijdend teeken dat zelfs een

wetenschappelijk genootschap als de „Royal Asiatic Society” thans

de Chineesche kunst, niet alleen uit een archeologisch maar ook uit een

kunst-oogpunt onder zijn vleugelen heeft genomen. Prof Ernest

Fenollosa, eertijds hoogleeraar in de filosofie aan de Universiteit te

Tokio, heeft er eindelijk in zijn boek „Epochs of Chinese and

Japanese Art” (1912) op gewezen, dat al hetgeen tot nu toe over

Chineesche kunst is geschreven, meer een studie van antiquarischen en

archeologischen aard is geweest dan van kunst zelf.

Tot voor kort meende de oningewijde Europeaan de hoogste uitingen van

Chineesche kunst te zien in porseleinen borden, vazen en pullen, in

lakwerk en grillige „curios” of „bibelots”, maar het is nu tijd

geworden dat het Westen eindelijk eens wete, hoe de allerschoonste

uiting van den Geest van China in kunst de Chineesche schilderkunst

geweest is.

In China is onder alle kunsten de schilderkunst altijd het hoogste in

aanzien geweest, en zij nam de plaats in van de muziek bij ons in

Europa, De wel-opgevoede Chinees was altijd min of meer schilder,

zooals bij ons een wel-opgevoed mensch gewoonlijk piano speelt of zingt

of aan andere muzikale kunst doet. Schilderingen zien was voor een

Chinees wat voor ons is het gaan naar een opera of concert. Een Chinees

bekijkt een oude schildering uit de Soeng-dynastie in denzelfden geest

als een echte Germaan in Bayreuth naar Wagner gaat luisteren.

De Chineesche schilderkunst is eigenlijk afgeleid van de calligrafie.

Calligrafie was een schoone kunst omdat ze niet, als in ’t Westen,

een enkele reproductie was van klanken, maar van ideeën. Chineesche

schriftteekens, of zooals men ze gewoonlijk noemt: karakters, waren

immers oorspronkelijk symbolisch en ideographisch, het werd zóó

beschouwd dat het daarin uitgedrukte idee iets van de schoonheid in

zich had van de kleine teekening, die haar voorstelde.

Daarom was een literair mensch trotsch op zijn calligrafie, en dit is

nòg zoo in China. Een literair mensch is altijd óók een beetje een

schilder. Schilderen was vroeger geen apart beroep, ieder ontwikkeld

mensch schilderde. De hoogste beschaving werd het in China geacht de

gevoelens uit te kunnen drukken zoowel in poëzie als met penseel op

zijde. Teekenen werd geleerd zooals bij òns schrijven. Hét

schriftteeken voor teekenen, in ’t Chineesch „hoá”, in ’t

Japansch „kaku” is ’t zelfde als voor schrijven, zeide ik reeds.

De vroegste Chineesche karakters waren teekeningen van voorwerpen of

voorstellingen. Dit wordt al aangeduid door het karakter voor

schriftteeken: „wên”, d.i. lijnen, omtrekken van een voorwerp. De

schilderachtige natuur van ’t Chineesche schrift eischt een

langdurigen studie-cursus, en dezelfde fijne oefening van oog en hand

als de studie van het teekenen. Het schrijven van Chineesche karakters

wordt in China bepaald als een echte, edele kunst beschouwd, even

verdienstelijk als het maken van een mooie teekening. Men ziet dan ook

in China veel kakemono’s met niets dan één of zeer weinige

karakters er op, waarvan de lijnen en bogen, het rythme, evenzeer

bewonderd worden als die in eene schildering of teekening. In de

Chineesche schilderkunst is de lijn altijd van veel gewicht, van méér

gewicht dan de kleur.

De natuur van het gebruikte materiaal, zooals lichtelijk absorbeerend

papier, gebleekte zijde en dunne waterkleuren geven aan het Chineesche

schilderen een apart karakter. Men stelle zich de enorme moeilijkheid

voor, die een Europeaan zou hebben, om een teekening te maken op een

soort vloeipapier met een penseel met dunne, waterige Chineesche

kleuren. Er is daarbij geen kwestie van overdoen, wat er staat is met

één penseelstreek gedaan, en moet blijven staan. Het is alles „aus

einem Gusz” neêrgepenseeld, niets kan overgedaan of uitgevlakt

worden. De Chineesche schilder denkt en voelt eerst een schildering

dagen of maanden uit, dát is het groote werk, en als het rijp

voldragen is, eerder niet, penseelt hij het neer, dikwijls in zéér

korten tijd.

De kleur is in een goede Chineesche schildering niet voldoende voor de

waardebepaling, al kan zij er een zekeren glans aan geven, maar het

lijnen-rythme maakt de schildering tot een kunstschepping. In den

grootsten bloeitijd der Chineesche schilderkunst werden voornamelijk

monochrome schilderijen geschilderd.

Wanneer wij Chineesche of Japansche schilderkunst zien—deze twee zijn

zeer na aan elkander verwant—moeten wij ons verplaatsen in de ziel

van den Oosterling, en niet alles van een Westersch standpunt blijven

beschouwen.

Raphaël Petrucci heeft de onsterfelijke verdienste gehad, om de

geheele Chineesche kunst te verklaren uit de Chineesche filosofie. Zijn

prachtig werk „La Philosophie de la Nature dans l’Art d’Extrême

Oriënt” is het monument daarvan. De magische visie van den Kosmos,

de diepste beschouwingen over de kosmische wetten en verschijnselen,

vinden wij weerspiegeld in de Chineesche kunst.

„On part d’un bibelot très accessible”, schrijft Petrucci,

„où l’attitude, le mouvement, la structure, dégagent un charme

pénétrant, et l’on finit par découvrir, derrière l’œuvre

peinte ou sculptée, la vision magique de l’univers”.

Zonder de filosofie van de „Yih King”, die van Lao Tsz’, en

zonder het Boeddhisme is de Chineesche kunst niet te begrijpen.

Ik heb in dit boek „de Geest van China” het Boeddhisme niet apart

behandeld, omdat het een godsdienst—juister: een wijsbegeerte—is,

die niet oorspronkelijk in China ontstaan is, maar van buiten in China

is gekomen. Aparte behandeling van het Boeddhisme zou dit werk te

lijvig maken; ik moet dus de voornaamste leerstellingen er van bij den

lezer bekend veronderstellen. [49]

Met een enkel woord zal ik hier enkel den invloed van het Boeddhisme op

de Chineesche kunst aangeven.

Het Boeddhisme heeft op het leven en dus ook op de kunst—de hóógste

uiting van dat leven—in China en Japan een invloed gehad, die

overweldigend groot als hij is, nog nooit ten volle beschreven is

geworden. Al te veel Europeesche geleerden die over China schreven

hebben, zooals terecht door Prof. Fenollosa in zijn in 1912 verschenen

werk „Epochs of Chinese and Japanese Art” is opgemerkt, den indruk

gekregen en in hun geschriften gegeven, alsof het Boeddhisme in China

een ontaarde en verachte godsdienst is, die geen vat heeft op de

ontwikkelde klassen en die genegeerd kan worden in ’t beschrijven van

de Chineesche maatschappij.

Nu is het zeker waar dat de Chineezen niet zulke zuivere, devote

Boeddhisten zijn als b.v. de bewoners van Ceylon, en ook, dat de echte

Confucianistische literatoren, waartoe ook het geheele hoogere

mandarijnendom zoowat behoort, dikwijls—en vooral van de 8e eeuw

af—zeer vijandig tegen het Boeddhisme geageerd hebben. Maar toch is

het even waar, dat een belangrijk deel van de schoonste gedachten en

zelfs van de levensstandaarden in China, en een zeer belangrijk, ja het

allerschoonste deel van de geheele Chineesche kunst zéér sterk getint

is met Boeddhistische invloeden. Over Chineesche kunst te spreken en

’t Boeddhisme er buiten laten, zou een even onmogelijk te maken fout

zijn, als over Europeesche kunst te spreken zonder ’t Christendom.

Het Chineesche Boeddhisme behoort bijna geheel, zoo verklaren de

geleerden, tot het z.g. „Grootere Voertuig”, het Mahayana. Onze

meeste informatie over ’t Boeddhisme komt uit Zuidelijke bronnen, in

Pali-geschriften en de geheele Ceyloneesche informatie, en die wordt

geacht dichter te liggen bij de oorspronkelijke bron van Shakyamuni.

Daarom wordt Noordelijk Boeddhisme, Mahayana, meestal gedacht eene

revolutionnaire ontaarding en corruptie daarvan te zijn. Men vergeet

hierbij te veel dat het Boeddhisme—evenals trouwens het

Christendom—een godsdienst (juister ware eigenlijk eene religieuze

wijsbegeerte) is met evolutionair karakter, die niet hardnekkig aan oud

formalisme vasthoudt, maar zich steeds aanpast, adapteert en

re-adapteert aan de behoeften van de natuur der verschillende volken

waarmede het in contact komt. Zóó paste het oorspronkelijke,

Zuidelijke Boeddhisme zich aan de sterkere Noordelijke rassen van N.W.

Indië, en werd het meer positie, sociaal en humaan onder de groote,

practische rassen van China en Japan. Deze aanpassing is daarom echter

volstrekt nog geen ontaarding.

De introductie van ’t Boeddhisme in de Chineesche kunst is bovendien

langzaam gegaan, en liep over eeuwen, samengaande met eene reeks

revolutionnaire hervormingen in ’t universeele Boeddhisme. Er wordt

wel eens aangenomen dat reeds in 120 v. C. de Chineesche keizer Woe Ti

van de Han dynastie, van Chang Ch’ien, een zijner gezanten en

generaals, die de z.g. Yueh Chi, de Hunnen, in ’t Westen bezocht, een

gouden beeld medegebracht kreeg, 3 M. hoog, dat een Boddhisattva zou

hebben voorgesteld, maar, indien dit al zoo was, werd hiermede toch nog

niet het Boeddhisme ingevoerd. Eerst in ’t jaar 61 n. C., onder

keizer Ming Ti, kan met zekerheid eene missie worden getraceerd die

hij, tengevolge van een droom, naar ’t Westen zond om daar

inlichtingen en boeken te gaan zoeken over Boeddha.

Deze missie kwam tot Magadha, in Centraal-Indië, N. van de Ganges en

kwam terug met reliquien en boeken, en met 2 boeddhistische leeraars

uit Indië. Van dien tijd af werd het Boeddhisme in China bestudeerd en

werden boeddhistische werken vertaald, maar het was niet vóór de

Th’ang-dynastie, dat de eigenlijke expansie van ’t Boeddhisme in de

Chineesche kunst op werkelijk groote schaal begon, die toen al eeuwen

geleden nu en dan sporadisch de aanraking had gevoeld van de Indische

kunst. Deze Indische kunst was gedeeltelijk eene Greco-Boeddhistische,

waarin Perzische invloeden zich met Helleensche elementen vermengd

hadden.

Het was deze Greco-Boeddhistische kunst, oorspronkelijk uit de verte

dateerende van de veroveringen van Alexander den Groote, die ook in

China zijn intrede deed, later in Korea, en in Japan, en het eerste

karakter gaf aan de Chineesche Boeddhistische kunst. Het klink wel wat

vreemd dat de Grieksche kunst, zij ’t vermengd met andere, werkelijk

doorgedrongen is tot China en Japan, vooral als men zoo dikwijls

Chineesche en Japansche kunst als e.g. „romantisch” heeft hooren

noemen in tegenstelling met het Grieksche klassicisme. De bekende

versregels van Rudyard Kipling:

„East is East and West is West

And never the twain will meet”

lijken dit ook wel tegen te spreken, maar in de kunst hebben Oost en

West elkaar al lang ontmoet, want de Boeddhistische kunst van China en

Japan heeft nog altijd voor een deel westersche invloeden in zich die

er zich in hebben opgelost. Er zijn zelfs Boeddha- en

Boddhisattva-beelden in China en Japan, waarvan niet alleen de draperie

van het gewaad volkomen Grieksch is, maar waarvan het gezicht een

beslist klassieke Helleensche schoonheid heeft. De oprijzing van de

Chineesche en Japansche Boeddhistische kunst onder die verre

Grieksch-klassieke invloeden uit het Westen ging opmerkelijker wijze

gepaard met de volkomen depressie van die klassieke kunst in Europa. De

specifiek christelijke kunst van de gothiek, die uit de ruïnen van het

Helleensche klassicisme in Europa ontstaan is, kwam veel later dan de

specifiek Boeddhistische kunst onder invloeden van dat Hellenisme in

China en Japan.

Het is in de kunst, de Boeddhistische kunst, dat Oost en West elkaar

reeds eeuwen en eeuwen hebben ontmoet, en te zamenkomend schoonheid

hebben geschapen. [50] Het is een huwelijk geweest, dat zeer mooie

kinderen heeft voortgebracht, en die kinderen, scheppingen van

Boeddhistische kunst in China, Japan en ook Korea, zijn dus eigenlijk

geestelijke kleurlingen, halfbloeden, uit een Griekschen voor-vader en

een Aziatische moeder, of althans verre Grieksche voor-vaderen, daar

eerst die Helleensche invloeden weer door Perzische en Bactrische kunst

waren gegaan.

Men wachte zich wel, die Graeco-Boeddhistische invloeden te

overschatten. Terecht hebben kunstkenners als Strzygowski, Fenollosa en

Petrucci er op gewezen, dat de Graeco-Boeddhistische strooming maar

kort van duur was, door den Saracenen-inval, die er kort op volgde. Een

zekere nobele gratie, aan verren Griekschen invloed toe te schrijven,

is in de geheele later volgende Boeddhistische kunst blijven bestaan,

maar zoowel uit het verleden, vooral de Han-dynastie, als in de

volgende eeuwen der Th’ang-dynastie kwamen groote spiritueele, echte

Chineesche elementen de kunst beïnvloeden, en, evenals het Boeddhisme

zelf zich adapteerde aan den geest van het Chineesche volk, kwamen in

de Chineesche Boeddhistische kunst echt Chineesche elementen, invloeden

en proportiën, die deze kunst tot iets echt, geheel apart Chineesch

maakten. Dat nu en dan hier en daar sporadisch een Helleensche

karaktertrek weer doorbrak, doet tot dat feit niets af.

Om nu tot het begrijpen en genieten van Chineesche kunst te komen,

waarin zich China’s Geest zoo schoon openbaart, moeten wij, alvorens

een Chineesche kunstschepping te gaan beschouwen, eerst onze geheele

exclusief westersche levensbeschouwing en aesthetica ter zijde zetten,

en ons in de ziel verplaatsen van den Chineeschen kunstenaar. Deze ziet

de wereld en de dingen geheel anders aan dan een nuchtere, in de

empirische wetenschap—maar ook niets meer—opgevoede Europeaan.

Het „gek” of „vreemd” vinden van Oostersche, en dus ook

Chineesche kunst, berust meestal daarop, dat we haar vanuit onze

Westersche ziel aanzien.

Neem een gewoon geval: een bloem, of een vogel. Die ziet een westerling

over ’t algemeen nogal nuchter, als iets buiten zijn eigen leven om,

al vindt hij ze mooi of merkwaardig. Zelden voelt hij iets voor ’t

innerlijk geheimzinnige leven er in. De Chineesche Taoïst, de

Chineesche Boeddhist en ook de Japansche Shintaoïst ziet de Natuur

overal gelijkmatig door één Al-Ziel bezield. Hij vergelijkt zelfs

niet eens een dier met een mensch, zooals Dr. Curt Glaser in zijn

„Ost-Asiatische Kunst” zoo juist zegt, maar ook zal hij geen

menschenziel in een dierenlijf zoeken, of geen elf uit een bloem laten

komen, want dier en mensch en bloem en de geheele schepping zijn hem

één. Het „Seelenhafte”—ik weet er geen mooi Hollandsch woord

voor,—het „Seelenhafte” in het dier, in de bloem te begrijpen,

hun lichaamsvorm niet als lagere mogelijkheid van openbaarwording van

de levens-stof, maar als onmiddelbaar deelachtig aan de Al-bezieldheid,

van welke de mensch óók een deel is, dàt vast te leggen is het doel

van een groot deel der Chineesche en Japansche kunst. De plant is voor

zoo’n kunstenaar geen ornamentaal vormbeeld, ook niet een bonte

kleurenvlek, maar een levend wezen, het is niet „nature morte”, ook

niet stil-leven, maar juist héél innig leven, zinnebeeld van leven en

bezield leven, een stuk van de ál-bezieling, die ook in ons, menschen

is. Het begrip „doode stof” kent het Oosten eigenlijk niet.

In een zéér mooi boek over Japan, van André Bellesort „La

Société Japonaise” heb ik eens gelezen: „Het kleine Japansche

meisje dat een vlinder naloopt en dit mooie stukje licht aanlokt om op

haar hand te komen zitten, ziet daar niet, als onze kinderen, een stuk

speelgoed in, teerder en brozer dan het andere, maar zij sympathiseert

al op naïeve wijze met dat geheimzinnige leven, waar zij ook maar een

deeltje van is.” De ziel van den Oosterling is als ’t ware maar een

droppel in den maalstroom van zielen, die in het leven wemelt.

De Oost-Aziaat verlost niet een Dryade uit een boom, de boom zèlf is

een verheven wezen voor hem, waard om vereerd te worden.

De Grieksche dichter of ander kunstenaar leende, zegt Dr. Glaser

terecht, als ’t ware een ziel aan een boom en gaf die ziel dan

tegelijk een menschelijke gestalte, hij schildert dus een wezen af, dat

tijdelijk een thuis in den boom vindt. De stam wordt dan behuizing voor

een wezen dat van buiten is gekomen. Maar voor den Oost-Aziaat is de

boom en zijn ziel hetzelfde. De groote Chineesche schilders, beeldden

niet af uit enkel vreugde over den schoonen schijn der dingen, het

oppervlak van een bloem, het toevallige licht op een landschap of een

koeienrug. Zij drukten de ziel dezer dingen, een stuk der

àl-bezieldheid met hun kunstwerk uit.

Nu wil ik nog even verwijzen naar een prachtig artikel van Yoshio

Markino in de „Fortnightly Review” van Juli 1910 j.l. Deze Yoshio

Markino haalt o. a. een’ brief aan van één zijner goede vrienden,

die een zéér bekend Japansch schilder is van den tegenwoordigen tijd,

Busho Hara. In dezen brief noemt Busho Hara, die jarenlang in Londen

Europeesche kunst heeft bestudeerd, de Oostersche kunst, tenminste de

oùde Oostersche kunst, subjectief, en de westersche objectief en hij

legt dit op de volgende wijze uit: „De oude Japansche kunst—en dit

geldt ook voor Chineesche—is de zuiverste „Subjectieve”. Dat wil

zeggen, de artiesten hadden diepe sympathie met de Natuur, zij

bestudeerden zorgvuldig hoe alles bestond in deze wereld en, na véél

beschouwing en vele verbeeldingen, probeerden de kunstenaars te voelen

of ze zélf beesten, bloemen, of wàt ook, dat zij probeerden te

schilderen, waren. Al de schilderingen werden alleen dán gemaakt als

de artiesten deze hoogte bereikt hadden. Daarom waren noch achtergrond,

noch perspectief voor hun schilderingen noodig. Oók het kleuren was

zéér simpel, en zij hadden niet zulke ingewikkelde plannen voor

kleuren noodig als de Westersche kunst. De lijn, niet de kleur, was

eigenlijk altijd hoofdzaak in China en Japan.

De Westersche kunst, zooals ge weet, is geheel verschillend van de

Japansche kunst. Dat wil zeggen, de Westersche artiesten schilderen

alles, zooals het hun toeschijnt. Daarom moet de Westersche kunstenaar

studeeren over licht en schaduw, perspectief en tonen en allerlei

wetenschappen.

We zien dan ook dikwijls in de Westersche kunst te veel techniek, en

zij verliest het sympathieke gevoel voor de Natuur, hetgeen de fout is

van het „Objectieve”, terwijl Japansche kunst de fout heeft van het

„Subjectieve” en de uitwendige vormen der natuur wel eens uit het

oog verliest.

Aan den anderen kant, als deze Westersche „objectieve” artiesten

het hóógste punt van uitstekendheid bereiken, moeten zij vanzelf op

dezelfde plaats aankomen als deze Oostersche „subjectieve”

artiesten, dat Tenturiki is.

Tenturiki is een Japansch woord-begrip voor „het ideale verkeer met

de Natuur”.

Yoshio Markino zegt, na deze aanhaling van zijn’ vriend Busho Hara,

zélf nog: „Ik zeg altijd dat de Westersche beschaving

wetenschappelijk is, terwijl de Oostersche beschaving poëtisch is.

Inderdaad, de Westersche beschaving is zéér hoog, maar zij is net als

de Eiffeltoren. Zij heeft de trappen en de liften, die ik de

wetenschappen noem, zoodat iedereen den top kan bereiken, als hij

gebruik maakt van die trappen en die liften. De Oostersche beschaving

is anders. Zij is als een berg, half verborgen in wolken; er zijn vele

afgronden, maar geen trappen. Alleen zij, die naar boven kunnen klimmen

bereiken den top.”

Hij vergelijkt ook de opvoeding van de kinderen in Japan met die van

kinderen in Europa. Als kinderen in Europa met hun vader of hun

leermeester wandelen, en zij vragen: „wat is dat voor een bloem” of

„wat is dat voor een beest”, dan krijgen zij een wetenschappelijk

antwoord, die en die soort, die en die klasse, enz, Maar de eerste les

voor Japansche kinderen is het opzeggen van de „Hiaknin shoe” of

honderd beste gedichten, en ’t geliefkoosde gedicht van kinderen is

van Saru Marudaya, uit het Chineesch vertaald, dat luidt: „O! Als wij

de herten hooren schreeuwen en op de vallende bladeren hooren stappen

in de diepe berg, dan voelen we, hoe droef de Herfst is.”

De droefheid van de herten was alzoo dezelfde als de droefheid in de

menschenziel.

Ikzelf, zegt Yoshio Markino, hield erg veel van dit gedicht, toen ik

een kind was, en ik dacht heusch, dat de herten precies hetzelfde

gevoel hadden als wij, menschen.

Of neen, niet alleen dieren en vogels, maar ook de boomen, de steenen,

de bergen en de rivieren werden gedacht zielen te hebben. Er is een

ander beroemd Chineesch vers, waar al de Japansche kinderen veel van

hielden: „Al de vogelen zijn hóóg boven weggevlogen, en een

gespikkelde witte wolk verlaat mij nu ook. Maar o! gij berg van Keitei!

Gij en ik worden het nooit moe, elkander aan te zien!”

Na zúlk een opvoeding werden de Japansche- en de Chineesche artiesten

natuurlijk „subjectief”. Zij trachtten gemeenschap te krijgen met

de „zielen” der Natuur, en dan hun gevoelens uit te schilderen.

Maar ’t eerst van alles oefenden zij de behandeling van hun

penseelen. Deze oefening was de gewichtigste voor hun. De Japanneezen

en Chineezen zijn daar het handigste in, omdat zij letters en karakters

schrijven met penseelen, en van hun vierde of vijfde jaar af oefenen de

kinderen zich allen in ’t behandelen van penseelen. Er is een

voorgeschreven, formeele manier, hoe de penseel vast te houden, en hoe

te teekenen. Als Chineezen en Japanneezen dit heelemaal meester zijn,

voelen zij de punt van het penseel als een stuk van hun eigen hand. En

dan is hun ambitie om de „zielen” van de natuur op de zijde of op

het papier te brengen.

Als men de zooeven aangehaalde woorden van Yoshio Markino goed

begrijpt, voelt men dat een goede Chineesche of Japansche schilder niet

enkel den schoonen, uitwendigen vorm van een bloem, een vogel, of een

mensch, of een berg wil geven, maar dat hij dien vorm slechts gebruikt

voor zoover hij middel is om het inwendige leven, dát wat hij noemt

„de ziel der dingen” te geven, of juister, niet de persoonlijke,

individueele ziel, maar meer den „Geest” (the Spirit), den

Al-Geest, die in alles en allen één is.

Een zéér groote invloed op de Chineesche wereldbeschouwing, en dus

ook de Chineesche kunst, heeft gehad de Boeddhistische „Shên” (in

’t Japansch geheeten „Zen”) sekte. In 520 n. C. was deze sekte

gesticht door een patriarch uit Indië, genaamd Boddhidarma (in ’t

Chineesch „Ta Mo” geheeten), en die tijdens de regeering van keizer

Woe Ti in China was gekomen. Deze sekte leerde de leer van

„Dhyani”, van contemplatie en meditatie. Zij verkondigde, dat de

absolute Waarheid transcendent is aan de begrippen goed en kwaad, dat

de ware Boeddha zelfs buiten de begrippen kennis en onwetendheid ligt,

en dat noch door woord, noch door boeken, de Waarheid ooit kan worden

erkend, maar alleen door meditatieve verzinking in zich zelf en in de

natuur. Niet het handelen in de wereld, maar het geestelijke inzicht in

zichzelf en in den kosmos leidt tot de erkentenis der Waarheid, zoo

leerde deze secte, en dus ook tot de oplossing van den eigen Geest in

den universeelen Geest. Deze leer kwam de leer van Lao Tsz’ en Chuang

Tsz’ al zéér naderbij.

De contemplatie van en de meditatieve verzinking in de natuur, zooals

geleerd door deze „Shên” sekte, welker invloed op de schilderkunst

onder keizer Huän Tsung (713–743 n. C.) der Th’ang-dynastie begon,

maar die in de latere Soeng-dynastie eerst haar hoogsten bloei zou

bereiken, is het innige wezen van de schoonste Chineesche

landschap-schilderingen. Onder de grootste Chineesche

landschapschilders waren priesters en monniken van de Shên-sekte van

’t Boeddhisme. De door hun geschilderde landschappen ademen allen

deze contemplatie, het zich verzinken in de natuur, die zij identiek

voelden met het eigen zelf. Eigenlijk is hun levensbeschouwing, zich

uitend in hun kunst, eene samenvloeiing van het Boeddhisme met het

Taoïsme van den Chineeschen wijsgeer Lao Tsz’. Ook hier is weer een

voorbeeld van de aanpassing van ’t Boeddhisme aan inheemsche

wereldbeschouwing.

De groote Chineesche landschap-schilderkunst is niet eene

impressionistische, ook niet eene naturalistische weergeving van

landschappen, maar eene geestelijke, de weergeving van de innerlijke,

geestelijke essence der natuur achter de uiterlijke verschijning.

Om Boeddhistische kunst, ook de landschap-schilderkunst te doorgronden

moet men zich altijd goed bewust zijn van de Boeddhistische

levensbeschouwing. Het Boeddhisme, ook het Chineesche Boeddhisme,

gelooft niet aan de werkelijkheid der zichtbare wereld. Het heelal is

eene illusie, eene begoocheling, ontstaan door den z.g. sluier van

Maya, en alle vormen zijn transitoir. In de z. g. zes werelden der

begeerten (de werelden der dieren, der menschen, der dewas’s, der

asuras of reuzen, der prêtas, dwalende geesten-monsters, en der

hellen) evolueeren de schepselen en dingen van de smart en den dood. De

zielen doorloopen een cyclus in de schijn-werkelijkheid onder

verschillende vorm-verschijningen. Een steen, een plant, een insect,

een mensch, een dewa, zijn maar illusoire verschijningen met—zooals

Raphaël Petrucci het uitdrukt in zijn „Les Peintres Chinois”—een

„identieke ziel” (juister ware „een identieken Geest”) die naar

de bevrijding dier illusie heen evolueert door de gevangenissen heen

van dwalingen en begeerten. Alle levensvormen zijn gevangenissen,

waarin de pure geest-essence is opgesloten, die bevrijd moet worden. De

deernis van de Boeddhistische levensbeschouwing strekt zich niet enkel

uit tot de menschen, maar tot de totaliteit van alle schepselen en

dingen. Het innerlijke karakter van alle schepselen en dingen is

hetzelfde, hun noodlot en hun toekomst óók. Achter de wisselende

vormen en verschijningen van het Heelal is dezelfde reden van bestaan,

dezelfde zuivere essence van geest, die ieder schepsel, ieder ding in

zich draagt. De natuur is voor den „Shên”-artiest de suggestie van

een geestelijk beeld achter het stoffelijke uiterlijk. Daardoor geeft

dit Boeddhisme een zekere vertrouwelijkheid, een familiariteit en

verwantschap met al het bestaande zooals géén andere godsdienst,

gelijk Raphaël Petrucci zoo schoon opmerkt.

In de kunst, zoowel de schilderkunst als de plastiek, is dit sentiment

van verwantschap óók doorgedrongen. De natuur-weergave zelfs, in deze

kunst, heeft iets innig intiems en verwants.

Ik heb zooeven de „Shên” sekte genoemd, en ook het Boeddhisme in

’t algemeen, die invloed uitoefenden op deze grootste Chineesche

schilderkunst, welke tevens—dit zullen de komende jaren uitmaken—de

allergrootste, diepst geestelijke der geheele wereld is, maar men moet

zich daarbij vooral niet wegdenken den invloed van de in China vóór

de intrede van ’t Boeddhisme reeds bestaande filosofische, echt

Chineesche systemen vooral die van de „Yih King” en van Choe Hie.

Eeuwen vóór ’t Boeddhisme kwam hadden zich in China filosofische

systemen ontwikkeld, gedeeltelijk langs zuiver intellectueelen weg,

gedeeltelijk b. v. dat van Lao Tsz’, ook langs metaphysische en

intuïtieve.

Er bestonden reeds zeer diepzinnige Chineesche leerstellingen en

systemen over de structuur van het Heelal. Het Taoïsme b. v. van Lao

Tsz’ zag, in de wisselende veelheid der verschijningen de transitoire

vormen van een universeelen Geest Tao. Aan al die reeds bestaande

Chineesche intellectueele en metaphysische beschouwingen, en systemen

kwam het Boeddhisme toevoegen, zegt Petrucci zoo terecht, wat er tot nu

toe aan ontbroken had: de deernis, de chariteit voor al het bestaande.

Zeer schoon zegt Petrucci „Aan de wellust van het intellect, zich

verlustigend in haar eigen natuur, voegt het Boeddhisme toe die cultuur

aan het hart, die in zekere perioden van de menschelijke geschiedenis

noodig is en die, in ons Westen, het fortuin heeft gemaakt van het

Christendom. Maar de groote religie van Azië (’t Boeddhisme H. B.)

zou geenszins de verovering der gedachte verduisteren; zij kon enkel

eenigen van haar karaktertrekken doen afwijken en de zielen medevoeren

tot een meer emotioneel begrip van de uiterlijke wereld. Menigen der

principes van het Taoïsme zijn de hare, en de goden van de populaire

godsdiensten adopteerende, en in zijn pantheon opnemende, wemelend van

nieuwe beelden, heeft het Boeddhisme een weg gevolgd, evenwijdig aan de

evolutie van het Taoïsme dat langzamerhand een godsdienst werd”.

Indien men de Taoïstische werken, b.v. Lao Tsz’ en Chuang Tsz’

bestudeert, zal men telkens getroffen worden door vele zuiver

Boeddhistische karaktertrekken van hun wijsbegeerte. Aan deze kwam het

Boeddhisme nu toevoegen wat er aan ontbrak: de eindelooze deernis met

al het bestaande, zich uitstrekkend tot de totaliteit der dingen, de

plicht om alle mede-schepselen van de bestaans-ellende te verlossen,

een Boeddhistisch geloof „dat in een universeele liefde de

faculteiten van het intellect zoo wel als van ’t hart doet

verzinken”. En tegelijkertijd was de Boeddha-figuur volkomen in

overeenstemming met den „Shêng Jên, den Heiligen, volmaakten Mensch

van Confucius en Choe Hie, in wien al de goddelijke, hemelsche

eigenschappen van den mensch tot de perfectie ontwikkeld zijn, en dien

deze filosofen steeds als ideaal-mensch in hun filosofie

verheerlijkten.

De Boeddhistische filosofie paste zich aan, vermengde zich met de

oorspronkelijk Chineesche, met wie zij al veel punten van verwantschap

had; de Boeddhistische kunst paste zich aan de oud-Chineesche aan, die

al sinds eeuwen bloeide, en voegde er nieuwe elementen aan toe.

Totdat eindelijk in de Zuidelijke Soeng-dynastie, in de 12e en 13e

eeuw, in de filosofie, en ook in de kunst, zelfs volbracht werd wat

Prof. Fenollosa in zijn standaardwerk: „Epochs of Chinese and

Japanese Art” terecht noemt „het grootste intellectueele feit, door

de Chineesche gedachte volbracht gedurende de 5000 jaar van haar

bestaan”, n.l. het doen samenvloeien van Confucianisme, Taoïsme en

Boeddhisme (vooral de „Shên”-sekte daarvan) in één systeem. Dit

was, zegt hij, „alsof een Leibnitz, een Kant, en een Hegel opstonden

om droge Europeesche formules te reduceeren met wetenschappelijke en

idealistische oplossingsmiddelen.”

In de Chineesche kunst is deze geheele filosofische evolutie

weerspiegeld.

Ik kan in dit hoofdstuk geen volledige geschiedenis van de ontwikkeling

der Chineesche kunst, zelfs niet alleen van de Chineesche schilderkunst

geven; hiervoor zou een apart, dik folio noodig zijn. Ik verwijs hier

dus voor een meer uitvoerige studie naar de reeds meermalen door mij

genoemde werken van Petrucci en Fenollosa. In het voortreffelijke

„Ost-Asiatische Zeitschrift” [51] kan men tevens veel schoons en

leerrijks op dit gebied vinden, en in het door Goloubew uitgegeven

tijdschrift „Ars Asiatica”. [52] Het in Japan uitgegeven

„Kokka” bevat op dit gebied ook onschatbare publicatie en

reproducties.

De bloeitijd van de Chineesche schilderkunst was onder de

Soeng-dynastie (960–1280 n. C.), en aan ’t einde der voorafgaande

Th’ang-dynastie.

Ik wil er nog even op wijzen, dat in dezen bloeitijd van China’s

kunst, evenmin trouwens als tegenwoordig, de verschillende kunsten niet

angstvallig als ’t ware in vakjes verdeeld werden, zooals thans in

Europa.

Een schilder was niet uitsluitend schilder, een dichter niet

uitsluitend dichter en meer niet, het kunstenaar zijn berustte in het

Oosten meer op een algemeene cultuur, en zoo goed als alle groote

kunstenaars waren filosofen en geleerden. De groote Chineesche kunst

staat in onverbreekbaar verband met de Chineesche filosofie.

------

FIGURE

De drie Stichters der drie in China beleden Leeren, Lao Tsz’ (de

kleinste figuur, vooraan), Confucius (in ’t midden) en de Boeddha

Shakyamuni. Samen broederlijk één.

(door den Japanschen schilder Kano Motonobu, geb. 1480)

------

Dit moet vooral goed in ’t oog worden gehouden, dat het begrip

„kunstenaar” voor den ontwikkelden Chinees tevens eene algemeene

filosofische cultuur in zich sluit. In Europa, zooals Petrucci zoo

terecht heeft opgemerkt, zijn de kunstenaars die zich—zooals b.v.

Leonardo da Vinci—door hun cultuur hebben opgeheven tot den rang van

geleerde en wijsgeer, zeldzaam, maar in China, in den bloeitijd der

kunst, waren alle groote schilders tevens geletterden en filosofen. Er

is bijna geen groot Chineesch schilder bekend, die niet tevens was

filosoof, of dichter, of staatsman, of Boeddhistisch dan wel

Taoïstisch priester. Er waren zelfs astronomen onder, en onder de

grootste schilders waren ook keizers.

De schilder die voor een landschap in contemplatie was gezeten, had

niet enkel oog voor het zoogenaamd „mooie” van het geval, voor

toevallige licht-effecten of bizondere kleurnuances, maar hij trachtte,

door den toover van den schijn heen de twee kosmische oer-principes,

Yang en Yin, met zijn geest aan te raken, en het rythme, waarop zij

zich verhielden en samenvloeiden—door de „ch’i”—in zijn

schildering te doen trillen. Hoe vreemd het ook klinke, het

onzichtbare, geestelijke, in het kunstwerk, is van meer belang dan het

zichtbare van kleur en vorm en lijn. Het is het „Niets”—men denke

hier aan Lao Tsz’ in zijn Tao Teh King—dat den vorm voortbrengt.

Shên Kua, een schilder en criticus uit de 11e eeuw heeft eens

geschreven: „In de calligraphie zoowel als in de schilderkunst

beteekent de ziel (de Geest) meer als de vorm. De goede luitjes, die

een schildering bekijken, kunnen meestal wel foutjes in vorm,

compositie en kleur ontdekken, maar verder komen zij niet. Tot de

diepere principes dringen maar weinigen door”.

Die diepere principes zijn te vinden in den Geest van het landschap,

het mystieke Wezen van het onzichtbare, dat zich in de vormen van het

zichtbare openbaart.

Geen wonder, dat ten slotte in deze geestelijke schilderingen de kleur,

als nog te stoffelijk, verworpen werd, en het ideaal een schilderen in

zwart en wit werd. De diepste geestelijke kunst uit de Soeng-dynastie

is, zooals Dr. Glaser het zoo terecht zegt „een taal der

ingewijden”. Hare werking „gaat niet in de breedte, maar in de

diepte”. Haar ontwikkeling is geen ontvouwing, maar verzinking,

concentratie. „Voltooien” werd in dezen zin „terugvoeren”, op

het alleressentieelste, beperken tot het allerinnigste en wezenlijkste.

Precies zooals het met den stijl ging van groote filosofen als Lao

Tsz’, die niet hun breed-logisch uit-ontwikkelde filosofie gaven,

maar de essentie, het in de diepste diepten bezonkene.

Ik heb zooeven het mystieke woord „Ch’i” genoemd, dat ik in mijn

hoofdstuk over de „Yih King” heb trachten te omschrijven, en thans

gebruik ik dit kosmische begrip met betrekking op de kunst.

In dat Hoofdstuk over de filosofie der „Yih King” heb ik op het

mysterieuze kosmische fluïde, de „Ch’i” gewezen, die als ’t

ware de vitale adem is van al het levende, en die, door zijn kracht de

beide kosmische principes Yang en Yin doet vloeien en bewegen.

Het verheven karakter der Chineesche kunst, en daardoor ook alweer van

den Geest van China kan niet beter aangetoond worden dan door die

alleréérste vereischte voor een Chineesch kunstwerk die „Ch’i

Yün” heet, d.i. „het Rondgaan” (er in) van de „Ch’i”.

Ik heb reeds doen uitkomen, dat dit kosmische begrip „Ch’i”

eigenlijk onvertaalbaar is, al kunnen wij het met „Vitale Adem” of

„Vitaal Fluïde” eenigszins benaderen. Raphaël Petrucci in zijn

juweel van een werkje over Chineesche schilderkunst: „Kie Tseu Yuan

Houa Tchouan” [53] vertaalt het met „Esprit” en „Ch’i Yün”

met „La Révolution de l’Esprit”, maar dit vind ik niet geheel

correct, omdat men immers Tao zoowel als T’ai Ki ook „Esprit” zou

kunnen noemen. Het is daarom voorzichtiger, het onvertaald te laten.

Evenals geen enkel schepsel of ding in het Heelal kan leven zonder die

mystieke adem-fluïde „ch’i”, die de beide kosmische principes er

in doet vloeien en bewegen, evenzoo is een waar kunstwerk, volgens de

Chineesche ethische aesthetica onmogelijk bestaanbaar zoo deze

„ch’i” er niet in rondgaat.

De beroemde schilder Sië Ho (479–501 n. C.) heeft indertijd de

„Zes Wetten” der schilderkunst vastgesteld, die oorspronkelijk

enkel betrekking hadden op figuurschilderen, maar die later, met eenige

veranderingen, ook op landschapschilderen van toepassing zijn gemaakt.

Ik zal, aan de hand van Petrucci, maar met voorbehoud om niet, als hij

het „ch’i” door „esprit” te vertalen, en om dus te dien

opzichte mijn eigen opvatting hieromtrent te volgen, deze wetten

hieronder nader omschrijven. [54]

De Geest van China · 第 38 / 48 题