DE VOORVADEREN-DIENST

Zeer terecht heeft Samuel Johnson gezegd: „Zóó huiselijk is de

godsdienst der Chineezen dat hun voorvaderlijke ritueelen eenvoudig een

uitbreiding zijn van hun huis-associaties; en dit is zóó compleet

verdaadwerkelijkt dat het graf zijn verschrikking verloren heeft en aan

vreugde is gewijd”.

Dit is inderdaad weêr een der schoone trekken van den Geest van China:

de vreezeloosheid voor den Dood, en niet alleen deze vreezeloosheid,

maar de vertrouwelijkheid er mede.

De Europeaan, over ’t algemeen, is bang voor den dood, hij wil er

niet aan denken, moffelt het denkbeeld er van in zijn dagelijksche

leven weg, en een graf is voor hem een donker, vunzig gat van

verschrikking en verrotting.

In China is het doodgaan geen ding van angst en vreeze, want de

voorvaderendienst en het familie-altaar hebben over de grimmigheid van

het sterven den glans der eeuwigheid gelegd.

Ik heb in China ouden van dagen met een rustig, vredig gezicht buiten,

in de rotsbergen om Amoy, meermalen hun eigen graf zien uitzoeken, ik

heb kinderen aan hun bejaarden vader een doodkist zien cadeau geven,

die als een kostelijk geschenk werd aanvaard, en ik heb, vóór de

begrafenis, maandenlang, zooals het gebruik is, een doodkist met een

lijk in een Chineesche woning zien staan, met kinderen spelend er vlak

bij, zonder een schijn van vrees of huivering.

Dit komt omdat „dood zijn” van een familielid in China heel iets

anders beteekent dan in Europa. Het doode familielid is in China niet

„weg” als het begraven is, het is eenvoudig „teruggekeerd” naar

de groote voorvaderen-familie aan gene zijde van het graf, in die

ongeziene sfeer, die eene voortzetting is van de zichtbare sfeer waarin

de overlevenden nog zijn.

De „Hiao”, waarover ik het in mijn hoofdstuk over Confucius had,

sluit niet enkel in het liefhebben en eeren der levende vaderen, maar

ook der doode voorvaderen. De dooden-vereering in China is niet een

bijgeloof, zonder meer, maar eenvoudig eene uitbreiding, in de

ongeziene sferen, van de aardsche familie-betrekkingen. De doode

vaderen in China zijn eigenlijk niet dood, maar leven nog steeds het

huiselijke leven mede, nemen kennis van alle gewichtige gebeurtenissen

in de familie, doen mede aan alle feesten en feestjes, worden in alle

beraadslagingen over familiezaken gekend, enz. enz.

Zéér juist en schoon zegt Okakura Yoshisaburo in zijn „Geest van

Japan”, en dit is ook geheel en al op de Chineezen van toepassing:

„De afgestorvene wordt, ofschoon onzichtbaar, geacht zijn

schimmenbestaan in dezelfde wereld en in vrijwel denzelfden staat voort

te zetten, als hij dat op aarde placht te doen. Evenmin als het kleine

kind, waarvan Wordsworth zoo treffend verhaalt, kunnen wij inzien, dat

wij de zoogenaamde dooden niet meer onder de bestaanden hebben mede te

rekenen. Het onderscheid ligt in de tastbaarheid en de zichtbaarheid,

maar dan ook in niets meer”.

Zeer terecht zegt Samuel Johnson, dat de Familie in China niet bevoegd

zou zijn om eene beschaving te scheppen, als zij niet de oplossende

macht van den dood kon overwinnen. Het is aan het graf, of bij de

voorvaderlijke „ziele-tablet”, waar de gestorven familie-leden

onzichtbaar maar onveranderd voortleven, „dat de vroege vormen van de

„Hiao” een godsdienstige ritus worden.”

De dooden zijn voor den Chinees niet „weg”, zooals voor den

Europeaan. De doode is er nog steeds. Ook voor den Japanner. Zooals

Okakura-Yoshisaburo het treffend uitdrukt: „De essentie van zijn

individualiteit is, schoon onzichtbaar, steeds aanwezig”.

Een Europeaan, die nooit in het Oosten geweest is, kan zich geen

voorstelling maken van de absolute realiteit, die voor den Chinees de

aanwezigheid der onzichtbare dooden heeft, en van de intimiteit,

waarmede de doode familieleden nog aan het huiselijk leven deelnemen.

Voor het Europeesche begrip ligt het doode familielid op het kerkhof,

voor het Chineesche is hij ook in huis steeds aanwezig.

Op het familie-altaar in huis staat de mystieke „zieletablet”

(„shên-tjoe”), waarin iets van de ziel van den afgestorvene wordt

verondersteld te wonen, en waarop in de stijlvolle Chineesche karakters

zijn naam en geboorte- en sterfdag vermeld staan benevens de namen

zijner kinderen en kleinkinderen. De Europeaan brengt, nu en dan,

bloemen voor den afgestorvene naar het kerkhof. De Chinees zet ook

geregeld bloemen en offeranden, in zijn eigen huis, voor het altaar met

de zieletabletten, al vergeet hij het graf buiten niet.

De doode neemt nog steeds deel aan alles, wat de familie-leden, die hem

overleven, betreft.

De aanbidding en de offering van wierook en vruchten zijn het symbool

van den eerbied voor huiselijk geluk, reinheid van huwelijks-zeden,

tradities van liefde en plicht. Achter elke offering, door oningewijde

Westerlingen voor afgoderij aangezien, ligt een symbool van waarheid en

religieus gevoel. In de „Li Ki” staat „dat de zoon offert met

zijn geest gevestigd op zijn ouders, alsof zij nog leefden, droevig in

den winter, dat zij zijn als het vallende blad, maar vreugdevol in de

lente, om te denken dat hij ze spoedig terug zal zien.”

Woont een zeer groote familie in één groot vóórvaderlijk huis te

zamen, zooals zoo dikwijls in China het geval is, dan is de z.g.

„Voorvaderlijke Hal”, waar dan de ziele-tabletten der voorvaderen

staan, het heilige der heiligen, en het centrum der familie, ook der

verre, buitenwonende bloedverwanten, zonder onderscheid van stand of

rang. In deze „Voorvaderlijke Hal” worden alle gewichtige

familiegebeurtenissen afgekondigd, de jeugd krijgt er het teeken van

mannelijkheid, geslaagde examens worden gevierd, de huwelijken worden

er afgekondigd, de mandarijnen (ambtenaren) worden er met hun ambt

bekleed, ja, nog sterker, er wordt aan de onzichtbare dooden om raad

gevraagd in moeilijke gevallen. In een Chineesch huis wonen niet alleen

de levende familieleden, maar ook, schoon onzichtbaar, de doode. De

dooden zijn niet verdwenen uit de familie, maar blijven er eeuwig in.

„Terugkeeren tot zijn familie” is een der Chineesche uitdrukkingen

voor sterven, zooals ik zooeven reeds zeide.

Dood zijn is niet voor de Chineezen, zooals voor de Europeanen, iets

„griezeligs”. Een lijk, een doodkist, zijn heel vertrouwde,

familiaire dingen. Ik herinner mij nog goed, hoe vaak ik in Amoy met

mijn ouden Chineeschen schrijver Chao in diens huis kwam, toen het lijk

van zijn vader nog in de kist boven de aarde stond, wachtende op den

gunstigen astrologischen dag voor de begrafenis. De doodkist stond

daar, als een heel intiem, vertrouwd ding in een kamer, en kleine

kinderen speelden er vreezeloos om heen. Er stonden wel eens

schoteltjes eten en kopjes drinken om heen, delicatessen, waar de doode

tijdens zijn leven veel van hield, en waarvan zijn geest nu de

onzichtbare essence proefde.

Ik herinner mij ook nog zoo goed den ouden, ouden Chineeschen literator

in Chang Chow, dien ik eens bezig vond met zelf in sierlijke karakters

het grafschrift neer te penseelen, dat ééns op zijn graf zou worden

gebeiteld.

En was het niet de literaire, eerwaardige onderkoning Chang Chih Tung,

het lid van den „Grand Council”, die in October 1909, toen hij

stervende was, zelf in prachtig-klassieke taal zijn eigen doodsbericht

schreef voor den keizer?

Een Chinees, als hij sterft, heeft niet het idee, dat hij uit zijn

familie heengaat, maar juist, dat hij er in „terugkeert”;

terugkeert namelijk tot de voorvaderen aan wie hij zijn geheele leven

eerbied bewezen en offeranden gebracht heeft. Hij weet ook, dat zijn

kinderen hem niet vergeten zullen, dat hij nog steeds in alle

gewichtige familie-aangelegenheden gekend en geraadpleegd zal worden,

dat hij, onzichtbaar, maar daarom niet minder werkelijk, bij alles

tegenwoordig zal zijn, wat in de familie gebeurt, en dat hem dezelfde

eer en dezelfde offeranden zullen geschonken worden, die hij, tijdens

zijn leven, zijn voorvaderen wijdde. De roem, en de onderscheidingen,

die een Chinees gedurende zijn leven van regeeringswege mocht

ontvangen, slaan terug op zijn voorvaderen, die er in deelen.

Het ergste, wat een Chinees kan overkomen, is te sterven zonder zonen,

die hem een graf schenken en die, aan zijn graf, of voor zijn

ziele-tablet, hem eerbewijzen en offeren. Te sterven zonder een zoon na

te laten is niet alleen een ramp voor zichzelven in China, maar ook een

gebrek aan „Hiao”, een oneerbiedigheid, tegenover de voorvaderen.

Daarom is, zoo zeide ik reeds, voor een man zonder zonen adoptie van

een zoon—mits steeds agnatische verwanten, en volgens vaste volgorde,

te beginnen met een zoon van een oudsten broeder—plicht, en zelfs na

zijn dood is deze adoptie, posthuum, door de familie-oudsten,

voorgeschreven. Baart de hoofdvrouw geen zonen, zoo is concubinaat

vanzelf sprekend, om het leven van den echtgenoot voort te zetten. Dit

concubinaat in China heeft daarom oorspronkelijk geen zinnelijk, maar

een heilig, godsdienstig motief. Het dient om de voorvaderen voort te

zetten.

De familie, waarin de voorvaderen inbegrepen, wordt in het bekende

„Heilig Edict” van keizer Khang Hsi (1662–1723) vergeleken met

één stroom, die vele zijtakken en armen heeft, maar waarin, hoe ver

ook van den oorsprong, altijd hetzelfde water is.

Een van de karaktertrekken van China, waarin zijn Geest zich het

treffendst uit, is de eerbied voor het Verleden en den Ouderdom, een

eerbied, die niet alleen naar de levenden onder de Ouden uitgaat, maar

ook naar de dooden, naar de voorvaderen. In de „Li Ki” staat dat

eerbied voor den Ouderdom even oud is als het menschelijk geweten. Deze

eerbied voor Ouderdom vindt men trouwens terug in ’t oude Egypte,

’t oude Griekenland, ’t oude Rome. De schoone woorden van

Epaminondas dat het vreugdevolste wat hem ooit overkomen was, hierin

bestond dat hij de overwinning bij Leuctra had behaald toen zijn vader

en moeder nog leefden, zouden door iederen Chinees gewaardeerd en

begrepen worden.

Het is heel gemakkelijk om, zooals zooveel Westersche schrijvers over

China gedaan hebben, te glimlachen over de vereering voor den Ouderdom,

en vooral de vereering voor de voorvaderen in China, maar, wanneer men

al de ceremoniën beschouwt, die, vooral aan de laatste, zijn

verbonden, behoort men de oorspronkelijke symboliek er van te voelen en

te begrijpen, om er een helder oordeel over te kunnen hebben.

De voorvaderen-dienst draagt, zooals Samuel Johnson zoo juist heeft

gezegd, het „home” over in de ongeziene sferen. Daar die ongeziene

sferen niet tot het gebied der Europeesche empirische wetenschap

behooren, is al gauw de neiging tot spot en ridiculiseering aanwezig

bij nuchtere Westerlingen.

Sommige sinologen hebben het voorvaderlijke altaar afgoderij en

bijgeloof genoemd, Johnson noemde het, en ik ben van dezelfde meening,

„the open conscience of the people, where all duties are laid bare to

the wisdom and order of the world, enshrined in these honoured ones”.

Het groote sentiment der Chineezen in hun voorvaderen-dienst zou door

de oude Egyptenaren beter begrepen zijn dan door de moderne Europeanen.

In elk geval mag wel eens bedacht worden, hoe klein en onwijsgeerig in

Europa over ’t algemeen de vrees voor den dood is, en hoe de

voorvaderen-dienst der Chineezen al het angstige en „griezelige”

aan den dood ontnomen heeft, door de dooden in dezelfde vertrouwelijke

intimiteit van den familie-kring opgenomen te denken als de levenden.

Mijn leerling en vriend Yap Hong Tjoen, die te Leiden het artsexamen

heeft afgelegd, en een westersche opvoeding heeft gehad, wijst mij er

op, dat ook bij westersch opgevoede Chineezen de eerbied en liefde voor

de voorvaderen in de ziel bewaard blijft.

„Het mooie er van is”, zeide hij mij, „dat bij deze vereering het

slechte, zoo dit er mocht geweest zijn, van de afgestorvenen verdwijnt

voor de overlevenden, en alleen het goede overblijft. Alleen het beste

en edelste van de dooden blijft over voor het nageslacht, hun mooie en

groote daden”.

„Als ik kniel voor de ziele-tablet van mijn vader” zegt mijn

leerling Yap, „dan is dit geen afgoderij, maar dan zie ik al zijn

mooie daden voor mij. Ook zoo, als ik kniel voor de tablet van mijn

grootvader”.

Dit is, wat de meeste Westerlingen niet kunnen begrijpen als zij van

Chineeschen of Japanschen voorvaderen-dienst lezen.

„Als ik hier in Europa” zegt Yap, die thans bezig is van mij de

taal van China te leeren, die hij door zijn westersche studie heeft

moeten verwaarloozen, „als ik hier in Europa op ’t oogenblik

onbezorgd kan leven, en overal nuttige en schoone dingen zien en

leeren, dan dank ik dit aan den arbeid van mijn vader en grootvader. Ik

vergeet dit geen oogenblik. Zelfs als ik met mijn vrouw in een loge zit

in de komedie denk ik: het is mijn overleden vader, die mij hiertoe in

staat stelde. Ik zie mijn vader en mijn grootvader steeds vóór mij in

al hun goedheid en grootheid, en ik weet dat ik niets zou zijn zonder

hen”.

Zonder dit sentiment te begrijpen kan niemand over den Chineeschen

voorvaderen-dienst oordeelen.

Voor alle begrijpen, vooral van oostersche gebruiken en zeden, is in de

eerste plaats reverentie noodig. Zeker, er is in den loop der eeuwen in

den voorvaderen-dienst heel wat bijgeloof en ontaarding ingeslopen.

Maar dáármede heb ik niet te maken als ik over den zuiveren oorsprong

er van schrijf.

Ik zou dit hoofdstuk willen sluiten met de aanhaling van de roerende

opdracht, vóór aan het bewonderenswaardige werk van Dr. Chen Huan

Chang „The Economic Principles of Confucius”:

This Book as a Token of Gratitude and Affection I Dedicate to the

Memory of my Father Chen Chin Ch’üan Who suffered Poverty, Adversity

and Many bitter Disappointments In Order that his Son Might lead the

Scholars Life

In deze opdracht van een zoon aan zijn gestorven vader trilt weer iets

van de edelste essentie van den Geest van China.

De Geest van China · 第 37 / 48 题