Ik kan niet nalaten, hieronder een en ander te laten volgen uit de
„Nan Hwa King”, het mystieke werk van Lao Tsz’s grooten discipel
Chuang Tsz’, die 250 jaar na hem leefde en, grootendeels door
gelijkenissen in korte verhalen en parabelen, de leer van de „Tao Teh
King” geïllustreerd heeft.
Men verwachte ook hier geen logische uiteenzetting, want dezelfde
intuïtieve, suggestieve methode wordt er in gevolgd, die niet voor
enkel intellectueelen, maar voor intuïtief aangelegden begrijpelijk
zijn.
Ik zal mij aan die methode houden, en dus enkele korte verhalen uit de
„Nan Hwa King” hier in vertaling geven, om ten slotte eene korte
beschouwing er over te houden:
(Uit Hoofdstuk II)
„Als er een begin was, was er ook een tijd dat dat begin nog geen
begin was. En dan was er ook een tijd vóór den tijd, die was vóór
den tijd van dat begin.
„Als er Zijn was, was er ook Niet-Zijn. En als er een tijd was dat
Niets bestond, moest er ook een tijd geweest zijn dat Niets niet
bestond.
„Plotseling was er Niets, maar ik weet nog niet of dit nu iets is dat
bestaat of niet bestaat”.
(Uit Hoofdstuk II)
Er bestaat geen ding dat niet objectief is, er bestaat geen ding dat
niet subjectief is. Als wij van het objectieve uitgaan dan zien wij
niets. Alleen van ’t eigen (subjectieve) weten uit kunnen wij weten.
Daarom zegt men: het objectieve komt uit het subjectieve voort.
Objectief en subjectief is een theorie (spraak) van alternatie. En
toch, als ’t eene wordt geboren is ’t andere gestorven, als ’t
eene sterft wordt ’t andere geboren, als ’t eene kan kan ’t
andere niet, als ’t eene niet kan kan ’t andere, omdat ’t eene
positief is is ’t andere negatief, omdat ’t eene negatief is is
’t andere positief.
Daarom, de Wijze bekijkt niet uit deze standpunten. Hij plaatst zich in
den Hemel [43] en is dan vanzelf in het (groote) Subjectieve standpunt,
waar subjectief ook objectief is en objectief ook subjectief, en waar
de tegenstellingen niet-onderscheidbaar tot één vermengd zijn.
Daarom, kunnen we (eigenlijk) wel zeggen dat subjectief en objectief
bestaan of niet-bestaan?
Waar subjectief en objectief niet (meer) hun correspondeerende
tegenstelling hebben daar is Tao in zijn inwezen [44].
(Uit Hoofdstuk XII)
Ten eerste: De vijf kleuren verwarren het oog, en maken dat het niet
helder meer ziet.
Ten tweede: De vijf geluiden verwarren het oor en maken dat het niet
duidelijk meer hoort.
Ten derde: De vijf geuren verwarren den neus en maken dat de reuk
belemmerd wordt.
Ten vierde: De vijf smaken verzadigen het verhemelte en maken het
smaakgevoel ziek.
Ten vijfde: Lust en afkeer verduisteren het hart en maken dat de
oorspronkelijke natuur vervliegt.
Deze vijf zijn de gevaren van het leven, en toch beschouwden Yang en
Mih [45] die als het hoogste goed.
Ik noem dit niet het hoogste goed verkrijgen. Want als in zulke ellende
opgesloten te zijn het hoogste goed verkrijgen moet heeten, dan kunnen
duiven en uilen in hun kooien ook het hoogste goed verkregen hebben.
Buitendien, zichzelf van binnen vol te stoppen met neigingen en
afkeeren en geluiden en kleuren, en zich van buiten mooi te maken met
bonte mutsen, veêren hoeden, tabletten en gordels, (vanbinnen
volgepropt met allerlei overbodigs en vanbuiten piekfijn van pracht) en
dan nog te praten van ’t hoogste goed te hebben verkregen.... op die
manier kunnen een misdadiger met zijn armen op zijn rug gebonden en
zijn vingers in de duimschroef, of een tijger of een luipaard in hun
kooi óók het hoogste goed hebben verkregen.
(Uit Hoofdstuk XVIII)
Toen Chuang Tsz’s vrouw stierf kwam Hui Tsz’ om hem rouw te
betoonen. Chuang Tsz’ was toen juist bezig, op den grond met rechtuit
gespreide beenen op een schaal te trommelen, terwijl hij er bij zong.
Hui Tsz’ zeide: „Met een vrouw te leven, Uw oudsten zoon te zien
opgroeien en dan als haar lichaam sterft niet te weenen, dat is al
genoeg, naar ik meen, maar dan nog op een schaal te trommelen en te
zingen, is dat niet àl te erg?”
Chuang Tsz’ antwoordde: „Zóó is ’t niet. Toen zij pas gestorven
was en ik alleen bleef, hoe kon ik toen anders dan bedroefd zijn? Maar
toèn ben ik gaan nadenken dat zij vroeger geen leven had, niet alleen
geen leven, maar (zelfs) geen vorm, niet alleen geen vorm, maar (zelfs)
geen fluïde. In dien oer-toestand werd, door de kosmische
transformaties fluïde gegeven, toen vorm, en toen geboorte. Thans,
door wederom transformatie, stierf zij. Dit is gelijk de gang der vier
jaargetijden, lente, zomer, herfst, winter.
„En nu, terwijl zij rustigjes slaapt in het Groote Huis (van Tao) te
gaan huilen en jammeren, zou zijn het niet begrijpen van deze
goddelijke wet. Daarom onthoud ik mij.”
(Ibid.)
Lieh Tsz’, toen hij op reis was, zat te eten langs den weg, toen hij
een eeuwenoud doodshoofd zag. Hij plukte een rietje af en zeide, het
aanwijzende: „Alleen gij en ik weten hoe nog nooit bewezen is dat
dood of leven bestaan”.
(Uit Hoofdstuk XXII)
Schitterend Licht vroeg Niet-Zijn „Bestaat gij, Meester, of bestaat
gij niet?” Schitterend Licht kreeg geen antwoord en trachtte de
gedaante van Niet-Zijn te zien.
.... Diepte.... Leegte....
Den ganschen dag keek hij uit maar zag niets, luisterde maar hoorde
niets, greep er naar maar kreeg niets.
„Dat is ’t toppunt” zei Schitterend Licht. „Wie kan hier aan
toe komen? Ik kan er in komen dat er Niet-Zijn is, ik kan er niet in
komen dat Niet-Zijn er niet is. Als Niet-Zijn bestaat, hoe kan het dan
tot het bestaan van dit (Niet Niet-Zijn) komen?
(Uit Hoofdstuk XII)
De Gele Keizer reisde ten Noorden van het Roode Water en besteeg de
K’un Lun bergen. Naar het Zuiden terugkeerende verloor hij zijn
mystieke parel.
Hij gebruikte Weten om haar terug te vinden, maar kreeg haar niet. Hij
gebruikte Magie om haar terug te vinden maar kreeg haar niet. Hij
gebruikte Uiterste Kracht om haar terug te vinden maar kreeg haar niet.
Toen gebuikte hij Niets [46]. En Niets kreeg haar.
En de Gele Keizer zeide: „Hoe vreemd! Niets kreeg haar terug!”
(Uit Hoofdstuk XX)
(De filosoof I Liao zeide tot den vorst van Lu:)
Het is ons mensch-zijn dat ons belemmert, het is het mensch-zijn in
anderen dat ons verdriet geeft. Daarom had (keizer) Yau dit mensch-zijn
niet en zag het niet in anderen. Ik zou wenschen die belemmering en dat
verdriet van U weg te hebben en U eenzaam in Tao in het oneindige rijk
aan Niets te doen zweven.
Veronderstel dat een boot een rivier oversteekt en een leege boot komt
er mede in botsing. Zelfs een prikkelbaar man zou dan niet boos worden.
Maar als er iemand in die boot was zou het geschreeuw geven om uit te
wijken. Als de andere ’t niet hoorde zou er voor de tweede en voor de
derde maal geschreeuwd worden en dan zouden er stellig woedende woorden
vallen. In ’t eerste geval was er geen boosheid, maar nù wel; omdat
in ’t eerste geval de boot ledig was maar nù was er iets in. Als de
mensch óók ledig kan zijn en zóó door de wereld zweven, wie kan hem
dan schaden?
(Uit Hoofdstuk XXII)
(Over concentratie:)
Toen Confucius naar (den staat) Ch’u ging kwam hij door een bosch
waar hij een bochel krekels zag vangen alsof hij ze zóó maar met zijn
hand greep.
Confucius zeide: „Wat is dat knap! Is daar een Weg voor?” De bochel
antwoordde: „Ik heb er een Weg voor. In de 5e en 6e maand oefen ik
mij door twee ballen op elkaar in evenwicht te houden. Als zij niet
vallen mis ik niet veel krekels. Als ik er drie op elkaar in evenwicht
houd mis ik er maar één op de tien, en als ik er vijf zoo kan houden
kan ik ze als ’t ware zóó met mijn handen pakken. Ik rust dan in
mijn lichaam alsof ’t een boomstam was, en mijn armen doode takken.
Al zijn Hemel en Aarde om mij, en de Veelheid der dingen, ik weet
alleen maar van krekel-vleugels af. Ik keer mij niet om, ik ga niet
terzijde, ik heb niets met de duizenderlei transformaties der dingen te
maken, en hoe kan ’t dan anders of ik moet die krekel-vleugels
pakken?”
Confucius zag om en zeide tot zijne discipelen: „Richt Uw Wil op
één ding en Uw geest wordt geconcentreerd. Hierdoor komt het succes
van dezen bochel”.
(Uit Hoofdstuk XXII)
Weten reisde noordwaarts, over het Mysterieuze Water, en over den
Duister-Diepen Berg en ontmoette Doe-Niets Zeg-Niets, dien hij vroeg:
„Ik zou U gaarne vragen, door welke gedachten, door welke
overpeinzingen kan men Tao weten? Door wáárin te rusten, door waar
naar te richten kan men in Tao toeven. Door wàt te volgen, door welken
weg kan Tao verkregen worden?”
Op deze drie vragen antwoordde Doe-Niets Zeg-Niets niets. Niet omdat
hij niet antwoorden wilde, maar omdat hij ’t niet wist.
Toen Weten geen antwoord kreeg keerde hij om, ging hij zuidelijk van
het Witte Water den Ku-Chuëh berg op, en zag Dolleman-Stotteraar, wien
hij hetzelfde vroeg.
„O!” zeide Dolleman-Stotteraar, „Ik weet het. Ik zal ’t U
zeggen....”
Maar juist toen hij wilde spreken vergat hij het wat hij zeggen wilde.
Toen Weten geen antwoord kreeg keerde hij terug naar het keizerlijk
paleis. Hij ging op audiëntie bij den Gelen Keizer en vroeg het dezen.
De Gele Keizer zeide: „Door géén overpeinzingen kan men Tao weten.
Niet door ergens in te rusten, noch door zich ergens naar te richten
kan men in Tao toeven. Door niets te volgen, door géén Weg kan men
Tao verkrijgen.”
Toen vroeg Weten den Gelen Keizer: „Gij en ik weten dit nu. Maar van
die twee van zooeven, wie heeft daarvan gelijk?”
De Gele Keizer zeide: „Die Doe-Niets Zeg-Niets heeft in waarheid
gelijk en Dolleman-Stotteraar ook bijna. Gij en ik zijn er verre van
af. [47] Zij die (Tao) kennen spreken er niet over, zij die er over
spreken kennen (Tao) niet. Daarom begaat de Wijze de Leer zonder
woorden”.
(Uit Hoofdstuk XXXII)
Toen Chuang Tsz’ op het punt was van te sterven wilden zijn
leerlingen hem met staatsie begraven. Chuang Tsz’ zeide: „Ik heb
Hemel en Aarde voor mijn doodkist en mijn sarcophaag, Zon en Maan
zullen mijn edelsteenen, de Sterren zullen mijn paarlen zijn, en de
geheele creatie de rouwenden bij mijn uitvaart. Is dus alles niet reeds
gereed?”
De leerlingen zeiden: „Wij vreezen dat de aasgieren onzen Meester
zullen opeten”.
En Chuang Tsz’ antwoordde: „Boven den grond ben ik voedsel voor de
aasgieren, onder den grond voor de krekels en mieren. Waarom den een te
berooven om den andere te voeden?”
Ook uit deze weinige fragmenten van Chuang Tsz’ naderen wij uit de
verte het begrip Tao—bereiken doen we het natuurlijk niet—evenzoo
als uit de Tao Teh King van Lao Tsz’.
Tao, wordt herhaaldelijk gezegd, kan niet uitgevorscht of uitgelegd
worden. Het heeft ook geen Bestaan in den zin dien wij aan Bestaan
geven. Als wij Tao in Hemel en Aarde, in Ruimte en Tijd zoeken vinden
we Het niet, en toch hebben al deze in Tao hun grond. Er is maar één
Weg om Tao (niet te kennen of te weten maar) te Zijn, en dat is in het
innerlijke leven. Dan heeft men Tao niet zijn eigendom of bezit, maar
is men Tao, één met het Al. Tao is de Eenheid in de Veelheid, de
Eeuwigheid in den Tijd.
Dat zoowel de Tao Teh King als de Nan Hwa King meestal in paradoxalen
vorm geschreven zijn is een gevolg dáárvan, dat de hoogste waarheid
altijd paradoxaal is als zij in termen van óns bewustzijn wordt
uitgedrukt, dat zèlf gebonden is door relativiteit en tegenstellingen.
Westersch definieerende zouden wij kunnen zeggen „Tao is de Eenheid
in Veelheid van God, Teh is de Veelheid in Eenheid van de Natuur in den
Geopenbaarden Kosmos”.
De leer, dat de objectieve en subjectieve werelden niet scheidbaar,
maar één zijn, en dat Eén Alles is, is een der grondprincipes van
deze Chineesche wijsbegeerte. Alle schijn van het tegendeel is maar
schijn als gevolg van het zich identificeren met een of ander
standpunt. Chuang Tsz’ noemt zulk een identifieeren het „Drie in
den Morgen standpunt” en geeft daar het volgende, zéér treffende
voorbeeld van:
„Een baas die apen hield zeide met betrekking tot hun rantsoen van
kastanjes dat iedere aap er „drie in den morgen” zou krijgen en
„vier in den nacht”. Toen werden de apen erg boos en daarom zeide
de baas dat ze er vier in den morgen zouden krijgen en drie in den
nacht, en dezen maatregel vonden ze toen allen prachtig. Het werkelijke
getal bleef hetzelfde, maar er was een aanpassing aan de neiging en den
afkeer van de betrokkenen.”
Alzoo is het principe van het zich zelf met uitwendige dingen in
subjectieve betrekking stellen. „Waarom de ware Wijze,
tegenstellingen als identiek beschouwend, zich aanpast aan de wetten
van den Hemel”.
Chuang Tsz’ wijst in zijn werk ook herhaaldelijk op het foutieve en
gebrekkige van wat wij kennen, of eigenlijk erkennen noemen. Er is geen
erkentenis in de Ruimte, omdat we enkel relatieve ruimte kennen. Een
grashalm is eigenlijk even groot als een toren. Een krekel begrijpt de
vlucht niet van een adelaar. Een berg is een zandkorrel. Dit
illustreert hij in verscheiden voorbeelden.
Er is geen erkentenis in den tijd omdat voor ons duur alleen een
verhouding is. Geen wezen heeft een hoogeren ouderdom dan een
eendagsvlieg of een kindje dat in den wieg sterft.
Er is geen erkentenis in Waarde omdat wij geen absoluut richtsnoer
hebben, waaraan te onderscheiden wat mooi en leelijk, goed en slecht
is. Goed en slecht bestaan niet in wezenlijk, zijn relatieve begrippen.
Er is evenmin erkentenis in Leven omdat alle leven relatief is en er
geen criterium is wat absoluut Leven is. Zelfs tusschen leven en droom
onderscheiden is moeilijk. Chuang Tsz’ vertelt dit in een parabel,
n.l. dat hij eens droomde, een vlinder te zijn, zalig-fladderend, met
allerlei vlinder-emoties, geheel onbewust van zijn mensch-zijn.
Plotseling werd hij wakker en kreeg weêr ’t idee „ik, zelf”. En
toen vroeg hij zich af: „Ben ik nu een mensch die gedroomd heeft dat
hij een vlinder is, of een vlinder die op ’t oogenblik droomt dat hij
een mensch is?”
Alzoo: er bestaat geen erkentenis in de wereld van de tegenstellingen
en het Gescheidene.
Drie jaar geleden is te Leipzig (Insel-Verlag) een boek verschenen
„Reden und Gleichnisse des Tschuang Tse,” door een Duitschen
filosoof, Dr. Martin Buber, die zelf geen Chineesch kent, maar met een
Chineeschen, ongenoemden literator gewerkt heeft aan deze uitgave.
Jammer genoeg geeft hij daarin maar een zeer klein uittreksel
fragmenten uit de groote „Nan Hwa King” maar wat zuiver begrip en
volkomen „Verständnis” aangaat, is dit het beste, dat ooit over
deze Chineesche filosofie is verschenen, vooral door het schitterende
„Nachwort” dat het besluit.
Een bizonder mooi gedeelte hieruit, mooi namelijk om het zuivere begrip
van Tao zooals Het zich openbaart in ons menschenleven, en om de
heldere manier, waarop het de valsche meening te niet doet als zou Tao
medebrengen een monotoon leven zonder veranderingen, laat ik even hier
volgen in vertaling:
„Ieder ding openbaart Tao door den Weg van zijn Bestaan, door zijn
Leven; want Tao is de Eenheid in de Verandering, de Eenheid die zich,
evenals in de Veelheid dingen, ook in de Veelheid der op elkander
volgende oogenblikken in het leven in stand houdt. Daarom is niet de
mensch, wiens weg zonder veranderingen verloopt, de volkomen openbaring
van Tao, maar de mensch, die met de sterkste verandering de zuiverste
Eenheid vereenigt. Er zijn twee soorten van leven. Het eene is het
gewone àf-leven, de afslijting tot het uitdooven; de andere is de
eeuwige verandering en hare Eenheid in den Geest. Wie zich in ’t
leven niet laat verteren, maar zich onophoudelijk vernieuwt en juist
dáárdoor, in de verandering, en dóór haar, zijn Zelf in stand
houdt—dat niet een star Zijn, maar juist een Weg, Tao [48] is—die
gewint de eeuwige Verandering en instandhouding”.