De meest populaire Wijze van China is zonder twijfel Kh’oeng Foe
Tsz’, en hij is het, die het meeste ingedrongen is in het sociale
leven der Chineezen, al is de diepere, esoterische bedoeling van werken
als de „Choeng Yoeng” stellig geen gemeen goed van alle Chineezen
uit het volk kunnen worden.
Er is dikwijls de fout gemaakt—ook ik heb die vroeger gemaakt, totdat
Chineesche literatoren mij haar aanwezen—Confucius voor een minder
diepzinnig wijsgeer te houden, juist om zijne populariteit, en om zijn
nadrukkelijk wijzen op de noodzakelijkheid van allerlei ceremonies en
maatschappelijke conventies.
De filosoof Lao Tsz’ werd dan voor den meer diepzinnigen wijsgeer
gehouden, ook door mij vroeger.
Hierbij werd over het hoofd gezien, dat Confucius’ bewerking en
ordening van mystiek-diepzinnige klassieken als de „Yih King” het
tegendeel reeds aantoont, en dat zijn sociale voorschriften en
conventies alléén betrekking hadden op het z.g. „Tweede Stadium”,
en wel speciaal de tijden daarvan, waarin hij leefde.
De wijsgeer Lao Tsz’ heeft zich nooit tot dat Tweede Stadium bepaald,
en maakte zich niet druk over de maatschappelijke en politieke
instellingen en regelingen, die Confucius zoo noodzakelijk vond.
Hij is de Wijze der metaphysische bespiegelingen en der transcendente
speculaties, die slechts door een kleine uitzondering intuïtieve
denkers en voelers, maar niet door de groote massa van het volk kunnen
begrepen worden.
Toch is, misschien juist daarom, de zéér fijne essence van den Geest
van China in dezen mysterieuzen droomer en denker het subtielste te
vinden.
Zijn leer is neergelegd in zijn eenige werk, de „Tao Teh King”.
Daar wij met zijn leven eigenlijk weinig te maken hebben—immers hij
liet de „Tao Teh King” achter als het wezenlijkste
daarvan—vermeld ik hier alleen, dat hij in 604 v. C. werd geboren in
den staat Ch’u, dat hij een tijd lang bewaarder van de archieven was
in de hoofdstad van dat rijk, en, toen hij zag dat alles in dien staat
in wanorde en verval geraakte, zijn ambt neerlegde, en verdween, zooals
de geschiedschrijver zegt „Naar het Westen”. Volgens sommigen zou
dit naar Thibet geweest zijn.
Toen hij de grenzen van den Westelijken bergpas overschreed, die naar
de vreemde rijken leidde, vroeg de grenswachter I Hie hem: „Nu gij u
in de eenzaamheid gaat terugtrekken moet ge me toch een boek geven, dat
tot leering kan zijn”. Hierop gaf Lao Tsz’ hem een kort werk in 2
deelen, dat later „Tao Teh King” werd genoemd. Daarna ging hij
heen, op een os gezeten, en verdween voor goed. Latere filosofen
noemden dit dat hij „in de verborgenheid ging”. Zijn graf is
onbekend. Dit onbekende van zijn persoon, en van zijne stoffelijke
overblijfselen, en dit, geheel los van zijn persoon, overblijven van
zijn werk, is precies in overeenstemming met zijn leer.
De „Tao Teh King”, een zeer bescheiden boekje, bevat niet een
logische op enkel Rede gebaseerde uiteenzetting van Lao Tsz’s
wijsheid, maar is geschreven in zeer compacten stijl, met
schriftteekens, zóó uit hun gewone sfeer gehaald om aparte,
spiritueele dingen aan te duiden, dat het voor niet-intuïtief
aangelegden duister, en op vele plaatsen onbegrijpelijk is. Lao Tsz’
werkt er niet in met logische redeneeringen, maar met donkere
aanduidingen, en de methode er in is, om den lezer als ’t ware tot
voorgevoelens, tot „Ahnungen” te brengen, die hem voeren naar over
de grenzen van het enkel door gedachte vatbare, naar het
„Jenseits”, waar de hoogste intuïtie enkel toe leiden kan. Klare
formuleering is in dit systeem uitgesloten, en een vertaling uit het
schrift van Chineesche symbolieke teekens in eene meer nuchtere,
alphabetische Europeesche taal zal altijd zeer gebrekkig moeten
blijven. Een gewone taal-geleerde, die zulke mystieke, duistere,
suggestieve symboliek vertalen gaat, krijgt wel eens de onzinnigste
nonsens. Hij die den Geest van China niet heeft doorvoeld, welke zich
nergens zoo karakteriseert als in de intuïtieve, schijnbaar-duistere
uitings-methoden der Chineesche filosofie, staat voor de „Tao Teh
King” als voor een onbegrijpelijk raadsel, en vreest zelfs eene
mystificatie.
Lao Tsz’ schreef niet voor geleerden, maar voor gevoelige
intuïtieven. Hij zegt dit zelf in een tekst: „Zij die Tao kennen
zijn niet geleerd, zij die geleerd zijn kennen Tao niet”.
De Chineesche filosofie zoowel als de Chineesche kunst maken de hoogste
aanspraak op medewerking en aanvulling van den beschouwer of
toehoorder. Zij zijn, zooals dr. Glaser zeer terecht gezegd heeft
„Beschränkung” en geen „Entfaltung”. Hij, die er van geniet,
„breitet nicht eine Fülle vor sich aus”, maar „zieht sich
zurück auf das Eine, in das er sich ganz versinkt”.
Confucius heeft verder eens tot zijne discipelen gezegd: „Als ik
één hoek van een zaak heb aangetoond en men er dan niet (vanzelf) de
andere drie uit grijpt, herhaal ik mijn les niet”.
Men zal dan ook in de geheele Chineesche filosofie tevergeefs zoeken
naar een zoo klaren, logischen gedachtengang, waarin het eene bijna
wiskunstig zeker uit het vorige volgt, als b.v. in Plato. (Ik denk hier
b.v. aan zijn „Phaedon”, waarin logisch redeneerend de
onsterfelijkheid van ’s menschen geest wordt bewezen.) De Chineesche
methode is daarom geen mindere of inferieure, zij is alleen een andere.
Er wordt meer in gerekend op intuïtie dan op logisch denken, er wordt
meer aangeduid met symbolen—en dit volgt al uit het symbolieke
Chineesche schrift—dan bewezen met redeneeringen al wijder en wijder,
het is eene verzinking, een concentratie. In dit opzicht is de
Chineesche filosofie—ik bedoel hier vooral die van Lao
Tsz’—verwanter aan de Vedanta-filosofie der Upanishads.
Lao Tsz’ nam zich nergens de moeite, zijn korte, suggestieve teksten
uit te leggen. Zijn werk is een wonder van véél-zeggen in zoo weinig
mogelijke schriftteekens. Ik zeg niet: woorden, omdat de Chineesche
„karakters” eigenlijk meer symbolen van ideeën dan woorden zijn.
Hij schreef ook maar zéér zelden in gelijkenissen, omdat zijn teksten
meestal in de Eenheid, Tao, zijn geconcentreerd, en gelijkenissen in de
Veelheid werken.
Ongeveer 250 jaar na Lao Tsz’ leefde een wijsgeer, Chuang Tsz’
geheeten, die de leer van de „Tao Teh King” in een veel
uitgebreider werk, de „Nan Hwa King” heeft verduidelijkt, en wel
grootendeels door gelijkenissen in korte verhalen, meest fictie, al
komen er historische personen in voor. Wel is waar heeft ook Chuang
Tsz’ niet met strenge logica gewerkt en verduidelijkt, want ook zijn
boek is vol vage, veelal duistere suggesties, maar tóch wordt het
uiterst geconcentreerde en essentieele uit de „Tao Teh King” er in
wijder ruimte door geïllustreerd.
Ik zou gerust durven zeggen: er valt over de „Tao Teh King”
eigenlijk niet te redeneeren. Ik kan dan ook niet beter in
overeenstemming met den Geest van China handelen in dit boek dan door
eenige teksten er uit in vertaling te geven, teksten, die het
Chineesche begrip Tao suggereeren (niet definieeren). Die teksten
worden intuïtief begrepen, òf zij worden het niet.
Ik zal hier en daar een zoo kort mogelijke commentaar geven, maar te
lang redeneeren zou juist hoe langer hoe verder van Tao afbrengen. Wie
niet op de Chineesche manier, intuïtief en suggestief, Chineesche
filosofie direct áánvoelt, begrijpt haar tòch nooit. Want die
filosofie werkt op een hooger gebied dan het enkel intellectueele. De
Geest van China kan nooit enkel intellectueel begrepen worden, zonder
het véél zekere intuïtieve voelen, dat weten is.
Ik merkte te voren op, dat de enkele teksten, die ik zal aanhalen—ze
zijn kort—niet onmiddellijk logisch met elkaar in verband schijnen te
staan, of op elkaar dóór redeneeren, want zóó is de Chineesche
methode niet. Het zijn aanduidingen, vage toespelingen, in de
verborgenheid van eenzaamheid en concentratie eerder gefluisterd dan
gesproken, die meer op intuïtie dan op verstand berekend zijn, om den
lezer of hoorder te doen voorgevoelen het Godsbegrip Tao, een begrip
dat niet in woorden is uit te drukken. Een tekst in de „Tao Teh
King” luidt:
„Zij die Tao kennen spreken er niet over, zij, die er over spreken
kennen Tao niet”.
Als wij dit letterlijk opvatten zou dus elke mededeeling te dezen
opzichte uit den Booze zijn, maar zóó letterlijk is het zeker niet
bedoeld en ik meen dus geen al te groote heiligschennis te begaan door
het werk „Tao Teh King” van Lao Tsz’ te bespreken.
Hier ga de opmerking vooraf, dat, waar Lao Tsz’ met Tao trachtte aan
te geven de Godheid als ongemanifesteerd, in zich zelf, hij met
Teh—letterlijk: Deugd beteekenend, maar hier met een geheel aparte,
mystieke beteekenis—bedoelde „de wijze van bestaan eigen aan Tao in
zijne manifestaties in ’t Heelal”.
Er is nog al eens verwarring ontstaan, omdat in Confucius Tao meestal
(niet altijd) met „het Pad, de Weg” (the Way, the Path in Prof.
Legge’s „Chinese Classics”) vertaald kan worden. In zekeren zin
beteekent het in Confucius veelal ook „Het Pad”, mits men hieronder
een spiritueel Pad versta, en niet aan Tijd en Ruimte er bij denke.
Wanneer wij echter de symboliek van het Chineesche karakter
(schriftteeken) beschouwen, dat het begrip Tao afbeeldt—de symboliek
der Chineesche filosofie is tusschen twee haakjes door de vertalers
altijd veel te veel over het hoofd gezien—dan bevinden we dat Tao
bestaat uit twee deelen, waarvan het tweede oók uit twee bestaat n.l.
uit Io „Het Hoofd”, en uit IIo Gaan, Bewegen. Prof. Chavannes, in
zijn „Mémoires Historiques de Sse-Ma-Tsien” heeft hier óók
terecht de aandacht op gevestigd. Hij heeft hierbij echter vergeten te
releveeren, dat dit tweede, n.l. „Gaan, Bewegen” ook weer uit twee
deelen bestaat, n.l. Io „loopen” (gaan) en IIo „stilstaan”, en
juist dit kan een groote mystieke beteekenis hebben, waarover ik hier
echter niet kan uitweiden. Van „Het Hoofd” dat „beweegt”, dat
„gáát”, naar een geestelijk hoofd, een geestelijk principe, dat
in het Heelal rondgaat, is in mystieke filosofie vol symboliek de
sprong niet zoo heel ver. De oorspronkelijke symboliek der Chineesche
schriftteekens is afgebeeld door zeer diepzinnige menschen, die wel
precies wisten wat ze er mede bedoelden, en vooral in oude Chineesche
filosofie is het zaak, goed te letten op de schriftteekens, die de
filosoof voor zijn begrippen gebruikt. Uit de symboliek van het
schriftteeken voor „Tao” volgt vanzelf al, dat het oorspronkelijk
geen „Pad” of „Weg” kan beteekend hebben, maar het „Hoofd”,
het Principe zelf, dat in het Heelal rondgaat, en Zijn eeuwigen Weg
gaat. Later is die Weg in de plaats van het Principe zelf gekomen,
zooals dat wel meer gaat. Er is echter geen kwestie van of, reeds
eeuwen vóór Confucius was bij de Chineezen een begrip Tao bekend,
niet als een Weg, maar hoe vaag en duister ook, als een Godsbegrip, en
zelfs Prof. Legge, de vertaler der „Chinese Classics” erkent na
speciale en grondige studie hierover tot de wetenschap gekomen te zijn
dat lang voor Lao Tsz’ „there was a Taoïsm earlier than this”.
Ik laat thans eenige teksten volgen, in mijne eigen vertaling.
Hoofdstuk I.
„1. Kon Tao uitgezegd worden, dan zou het de eeuwige Tao niet zijn:
kon de Naam genoemd worden, zoo zou het de eeuwige Naam niet zijn.
„2. Als Niet-Zijn kan men Het noemen het Begin van Hemel en Aarde;
als Zijn kan men Het noemen de Moeder aller Dingen.
„3. Daarom (als men) voortdurend Niet (Niet-Begeerte) is, kan (men)
Zijn verborgen geheimenis zien, (als men) voortdurend (Begeerte) is,
kan (men) er enkel den (Vorm) grens van zien.
„4. Deze beiden, Zijn en Niet-Zijn, komen uit hetzelfde voort en
hebben verschillenden naam. Beiden zijn zij geheimzinnig. Het
geheimzinnige ervan is wederom geheimzinnig. Het is de Poort van het
Geheimenis”.
Lao Tsz’ beschouwt alzoo Tao als in zich zelf, ongemanifesteerd, dus
voor ons, die aan alle Zijn een zichtbaren vorm verbinden, als
Niet-Zijnde—dit relatieve Niet-Zijn is echter juist het absolute
Zijn—en aldus, ongemanifesteerd beschouwd is het ’t Begin van
alles, van Hemel en Aarde. Verder beschouwt hij Het als gemanifesteerd
in ’t Heelal, als voor ons Zijnde dus, en als zóódanig is Het als
de Moeder, die baarde alle dingen, waaruit dus alle dingen voortkomen.
Als men „Niet-Is”, dat wil zeggen: niet in de uiterlijke wereld van
de uiterlijke phenomena levend, niet misleid door de wereld van
relatieve dingen en tegenstellingen, maar geconcentreerd in de Eenheid,
in Tao (hierover later uitvoeriger) dan kan men ’t verborgen
Geheimenis van Tao in-zich-zelve, als ongemanifesteerd aanschouwen. Als
men wèl „Is”, ziet men alleen de manifestatie van Tao in ’t
Heelal, den begrensden vorm dus. Toch komen Zijn en Niet-Zijn beide uit
hetzelfde, uit Tao voort; ze zijn dus beide op geheimzinnige wijze
identiek. En dat geheimzinnige is dubbel geheimzinnig, omdat—zooals
de commentator van mijn editie, Peh Yü Shen, zoo terecht zegt: „In
’t voor ons onreëele is ’t Reëele verborgen, in het Niets ligt
juist het echte Iets”. Wat wij relatief Niet-Zijn noemen, omdat we
’t niet vatten kunnen is juist het éénige, absolute Zijn. Dit
doorgronden is aan de Poort staan van het Geheimenis.
De bespiegelingen over Zijn en Niet-Zijn vinden wij evenzoo in de
Upanishads.
Het Niet-Zijn of Niets is vermoedelijk door Lao Tsz’ als hetzelfde
gedacht als wat Choe Hie ook aanneemt als nog vóór het „T’ai
Ki”, als dát, wat het „Tai Ki” voortbracht.