van drie gebroken lijnen wordt genaamd „Kw’oen”, en symboliseert
„de Aarde”, in haar ondergeschiktheid aan den Hemel. (Het ééne
karakter „kw’oen” is ideografisch samengesteld uit twéé,
waarvan het eene „aarde” en het tweede „zich uitstrekken”
beteekent).
Men neme hier „Hemel” en „Aarde” niet zoozeer in de meer
concrete beteekenis van „uitspansel” en „grond”, maar in meer
abstracte, symbolische. K’ien, of Hemel, wordt ook wel „Yang”
genoemd (oorspronkelijk echter is „Yang” gesymboliseerd door één
enkele, en niet drie geheele lijnen), en Kw’oen, of Aarde, is dan
„Yin”, terwijl overeenkomstig met deze twee de Zon en Maan als
symbolen worden genomen, als de eerste mannelijk, de tweede vrouwelijk.
Zóó wordt weer de Man als personifieerend Yang, en de Vrouw als
personifieerend Yin aangenomen.
Tusschen de uitersten K’ien en Kw’oen in evolueert het geheele
Heelal, in een millioenen cyclus, terug te brengen tot de 64
hexagrammen en deze weer tot de 8 triagrammen, in eindelooze „Yih”,
d. i. transformaties, besloten in de Eenheid „T’ai Kie”.
In een commentaar van Lai Th’ang in een mijner „Yih King” edities
staat: „K’ien en Kw’oen zijn het Mannelijke en Vrouwelijke van de
„tienduizend dingen” [33] (maar) het Mannelijke en Vrouwelijke zijn
het K’ien en Kw’oen van één ding”. Verder „Het Mannelijke en
Vrouwelijke staan in onderlinge verhouding van hun contrasten, en
daartusschen in beweegt de „ch’i”” (waarover straks).
Als men zich blind staart op de hierboven gereproduceerde triagrammen,
en er slechts een spel van streepjes in ziet, zooiets als wichelstokjes
van heidenen en barbaren, wordt de „Yih King” natuurlijk niet veel
meer dan een mystificatie, een soort kinderachtig tooverboek van
hocus-pocus. Als men dan nog de legende er bij overweegt, dat deze
geheimzinnige „kwa” zouden zijn ontdekt op den rug van een
draakachtig paard, dan wordt die mystificatie nog onzinniger.
Wij kunnen—en moeten—echter dergelijke mystieke teekens trachten te
doorgronden enkel als symbolen in hun diepe geheime beteekenis, en
iedere serieuze Chineesche filosoof leest er in, zooals Samuel Johnson
het zoo treffend heeft uitgedrukt: „the simplicity and university of
natural laws”. Nergens als in Samuel Johnson heb ik zoo duidelijk het
begrip uitgedrukt gezien van wat de eigenlijke beteekenis dezer
„kwa” is, en als een bescheiden hulde haal ik hier de volgende
regelen van hem aan:
„Welke occulte meeningen ook mogen zijn toegeschreven aan deze
diagrammen van Fuh Hi, in de Chineesche gedachte hebben zij altijd
voorgesteld de Eenvoud en Universeelheid aan natuurlijke wetten. Door
te lezen het grootste in het kleinste, het complexe in het eenvoudige,
het gehéél in het atoom, het ééne in het verscheidene, de wet in
het phenomeen, in het proces van wetenschap en godsdienst, is dat
proces zeker vóórgevoeld in een physisch, moreel, filosofisch en
politiek systeem, afgeleid van een gehééle en een gebroken lijn, als
symbolen van alles-doordringende principes. In ’t eerst gekozen als
natuurlijke typen van de contrasten tusschen even en oneven, licht en
schaduw, mannelijk en vrouwelijk, hemel en aarde, hooger en lager,
droog en vochtig, hard en zacht, compleet en incompleet, is hun
substantieele bedoeling geweest de relatie tusschen eenheid en
verscheidenheid als basis van die compositie van elementen, door welke
ieder wezen en ding wordt wat het is. Vanuit deze relatie zouden de
Chineezen best hun geheele filosofie en geloof kunnen opbouwen”.
Het dualistische of polaire principe, waarvan de Yih-King eene
ontwikkeling is, is dan ook niet van enkel physieken, maar van
metaphysieken oorsprong.
Dit is wel een der grootste leeringen die wij, Oosterlingen, nù nog
uit de „Yih King” kunnen trekken: dat alle physica ten slotte
uitloopt in metaphysica, en in ruimer zin: dat alle wetenschap ten
slotte eindigt in goddelijk, ondoorgrondelijk mysterie. De allerlaatste
westersche ontdekkingen op het gebied der verschillende stralen, der
electronen enz. enz. wijzen hier reeds duidelijk op. En het zou wel
eens kunnen zijn, dat in de veel gesmade, door vele sinologen voor
nonsens en mystificatie uitgekreten „Yih King” oplossingen worden
gevonden—zij ’t in mystieke symbolen-taal—van meer dan één tot
nu toe onopgelost geheim der westersche wetenschap.
Zooals ik reeds terloops bij de behandeling der Confucianistische
filosofie gezegd heb, de wetten, die den Kosmos regeeren, evolueeren,
volgens de Chineesche filosofie, over de menschheid door, en zijn
dezelfde als die, welke de ethica, de moraal, en de wetten der menschen
bestemmen. Zóó zijn ook de diagrammen, triagrammen en hexagrammen van
de „Yih King” een soort „algebra van ethische en politieke
wetten” geworden voor de Chineezen, en zóó zijn, zooals Johnson
terecht zegt „zuiver moreele en politieke interpretaties gevoegd bij
de cosmico-ethische en mythische”. De triagrammen zijn ook emblemen
geworden, waarin de relatieve positie van geheele en gebroken lijnen
voorstellen de stadiums van menschelijk leven, de vormen van het
noodlot, de tegenstellingen van karakter, enz. enz.
Zóó kan b. v. het triagram van „berg”, geplaatst onder het
triagram van „aarde” voorstellen: „groote mannen, die zich uit
nederigheid onder inferieure anderen plaatsen”. Al deze
interpretaties zijn natuurlijk van eeuwen en eeuwen later dan de runen
der triagrammen van de „Yih King”, die oorspronkelijk metaphysisch
en mystiek bedoeld waren.
Aan de acht „kwa’s” (zie de voorafgegane teekening met nummers)
zijn later ook beteekenissen gegeven van de resultaten daarvan. Zoo
werd: [34]
I: Hemel, Yang, hemelsche voortbrenger, ether, vocht.
II: Water, opstijgende dampen, fonteinen, lichtheid.
III: Vuur, licht, leven, schoonheid, hitte gevend, warmte.
IV: Donder, vurige exhalaties, beweger van dingen, stijfheid.
V: Wind, damp, energie van expansie, flexibiliteit.
VI: Water, vloeistof, elementen, rigiditeit, koude.
VII: Bergen, soliditeit, dat wat motie onderhoudt, rust, graviteit.
VIII: Aarde, Yin, de aardsche ontvanger van corruptie, droogte.
In de „Yih King” staat, uit alle teekenen, duidelijk te lezen, dat
ten slotte het geheele Heelal samengesteld is uit twee polaire
principes, beide uit Eén (het „T’ai Kie”) gevormd. De eindelooze
verscheidenheid van alle phenomenen, alle wezens, alle dingen in het
Heelal ontstaat enkel door de combinaties en permutaties van die twee
principes, te symboliseeren door een eindelooze verscheidenheid van
„kwa’s”.
Men heeft het eene „Yang” wel eens in westersche termen „Geest”
en het andere „Yin” „stof” willen noemen, maar hierbij dient
men bizonder op te passen, daar zooiets als wat in westersch
materialisme „doode stof” heet voor den Chinees niet bestaat. Als
wij het idee „stof” in westerschen zin op „Yin” zouden
toepassen zouden wij geheel buiten den geest van China geraken. Dit zou
indruischen tegen hetgeen Samuel Johnson zoo terecht den karaktertrek
der Chineesche filosofie noemt: „de Éénheid van Essence met
Manifestatie”. De stof—in Chineeschen, niet-westerschen zin—is
één met den Geest die de essence van het Heelal is. Stof als een
dood, vreemd, buitenstaand ding, onderscheiden van Geest, bestaat in de
Chineesche gedachte niet. Er bestaan „Yang” en „Yin”, beide
door en uit het „T’ai Kie” gevormd, en dus op mysterieuze wijze
één van oorsprong. Deze twee „Yang” en „Yin” worden genoemd
de beide „Ie” (metaphysisch kosmische krachten).
De verhouding—let wel, de rythmische verhouding—tusschen de in
diepste mystiek eigenlijk identieke contrasten „Yang” en „Yin”
wordt genaamd „Shoe”, d. i. het Getal. Inderdaad, als men de acht
„kwa” diagrammen aanziet, is het duidelijk dat deze symbolen op
getallen berusten, dat dus de elementaire samenstelling van den Kosmos,
door het „T’ai Kie” geopenbaard, op eene verhouding van getallen
berust. (Wie denkt hier niet aan Plato?) De suprême, heerschende Wet
of Orde, die deze getallen-verhoudingen vaststelt en regelt, wordt
genoemd „Li”. De „Li” is dus de vaststeller, de regelaar der
mathematische principes van het Heelal. De energie, die het „vloeien
en bewegen” (zooals het in een commentaar mijner „Yih King”
editie luidt) van „Yang” en „Yin” animeert, wordt genaamd
„Ch’i”, het beste m. i. te vertalen door den „Adem” van ’t
Heelal. [35] Die „Ch’i”, die Adem, trilt door den ganschen
Kosmos, en het is die „Ch’i” die in stand houdt, hetgeen de
sinoloog Eitel zoo treffend noemt: „a golden chain of spiritual life
running through every form of existence and binding together, as in one
living body, everything that subsists in heaven above and on earth
below”.
Indien wij maar oppassen, bij het begrip „stof” vooral niet te
denken aan het westersche begrip „doode stof” als apart van en
tegenovergesteld aan geest, kunnen wij Choe Hie begrijpen, die van
„Yang” en „Yin” spreekt als van „Primaire Kracht” en
„Primaire Stof”. Maar die „Primaire Kracht” acht hij
onbestaanbaar zonder de „Primaire Stof”, omdat zij zonder deze niet
kan werken en ageeren. Er is ook volgens Choe Hie, geen kwestie van,
dat deze „Primaire Kracht” zou bestaan hebben vóór de „Primaire
Stof”, want deze beide zijn in constante interfusie en onderlinge
afhankelijkheid, het eene is ondenkbaar zonder het andere.
Ik kan mij niet weerhouden, hier nog even het volgende mystieke symbool
wêer te geven uit een mijner beste „Yih King” edities, dat in zijn
eenvoud zulk eene treffende voorstelling geeft van de productie of
misschien beter vorming van „Yang” en „Yin”, niet uit (want
niets kan er immers buiten treden) maar in het „T’ai Kie”. Het is
overgenomen uit de „T’ai Kie T’u”, de filosofische
encyclopaedie van Chow Tsz’:
[FIGUUR]
De volgende voor zich zelf sprekende commentaar staat onder deze
„T’ai Kie T’u” (kaart van Tai Kie):
„Het witte is de „Ie” (het kosmische principe) „Yang”, het
zwarte is de „Ie” (het kosmische principe) „Yin”. Het zwart en
het wit (vormen) twee wegen. Het uiterste Yang baart Yin, het uiterste
Yin baart Yang. Toen hun Adem-Motie nog niet voortdurend ademde was het
„T’ai Kie”. Als er in ’t midden nog geen cirkel is, is dat de
oorspronkelijke vorm van „T’ai Kie”.
Het Oneindige heeft zichzelf begrensd toen het zich openbaarde.
Is er ooit met grooter durf en eenvoud de formatie van den Kosmos in
het Absolute symbolisch grafisch voorgesteld dan in deze Chineesche
filosofie? Men lette op den cirkel, die het al omvat. Hier is geen
creatie uit T’ai Kie maar vorming in T’ai Kie. De cirkel
symboliseert het zonder begin en zonder einde zijn.
Deze T’ai Kie T’u van Chow Tsz’ zegt, dat de „Yang” en
„Yin”, tot Eenheid samengebracht, dan ook het T’ai Kie
samenstellen. Een andere tekst uit dit werk luidt: „Ieder ding heeft
zijn aparte natuur, maar de Eenheid van het geheel is het T’ai
Kie”, en weer een andere: „De T’ai Kie is zóó, dat Het in de
principes Yang en Yin is, en er niet van gescheiden kan worden”.
Uit dezen laatsten tekst blijkt nog eens duidelijk, hoe „Yin” nooit
„doode stof” kan zijn.
De moraal van de Chineesche filosofie is op deze kosmische
beschouwingen gebaseerd. Er bestaat voor den geest van China geen
erfzonde, geen absoluut goed, of absoluut kwaad, maar de moraal is
gebaseerd op een Rythme, een Verhouding, een Getal. Het „Yang” en
„Yin” verklaard in de Chineesche wijsbegeerte de
tweevoudigheid—die, wijs doorpeild, een Éénvoudigheid, een mystieke
Identiteit is—van Subject en Object, van uiterlijk en innerlijk, van
Ik en Niet-Ik, van positief en negatief, van goed en kwaad. Goed en
kwaad, geluk en ongeluk bestaan alleen als een verhouding. Als Yang en
Yin in de rechte verhouding zijn, is alles goed. Er is alleen kwaad als
de verhouding van Yang en Yin, als het Getal, het Rythme, niet juist
is. Het Leven is een evenwicht van polaire krachten, die
„tegenheden” (maar, in diepste mystiek één, want formatie in en
door Één) zijn. De „Yang” en „Yin” bepalen in den mensch het
evenwicht in harmonie van hartstochten en krachten. Slecht is slechts
een gebrek aan evenwicht, goed is het juiste evenwicht tusschen
„Yang” en „Yin”. Het geheim van het leven ligt in het juiste
Getal, het juiste Rythme.
Nergens uit de Geest van China zich meer dan in dezen eerbied voor het
heilige Rythme van het Heelal. De eeuwige strijd tusschen Geest en
Stof, de oorzaak van zooveel groote tragedies in het denken en voelen
van ’t Westen, is in deze Chineesche filosofie vermeden, of liever
van zelf onmogelijk gemaakt. Immers, stof als geheel afgescheiden, en
zelfs in contrast met geest, zooals in westerschen zin, wordt in de
Chineesche filosofie niet aangenomen. Stof en geest zijn in één
conceptie omsloten. Er zijn in deze wijsbegeerte geen strijdende
contrasten, er zijn rythmische verhoudingen, er is geen goed of kwaad,
er is harmonische of onharmonische verhouding. Het geheim van het Leven
is het volgen van het juiste Getal, het bewegen op het juiste Rythme.
De „Yang en Yin” bepalen in den mensch het goddelijk
Evenwicht—het hoogste goed van Confucius’ ideaal-mensch. De
„T’ai Kie T’u” zegt: „In den mensch is de vorm van Yin, de
geest van Yang” en „De beweging en de rust van die twee
constitueeren de rechte Orde”.
Hoe dicht naderen deze Chineesche filosofische beschouwingen de oude
Indische filosofie, wanneer wij regelen lezen als van Choe Hie:
„Alles is van één essence; er bestaat niets zonder het mysterie van
Dat, hetwelk geen anderen grond heeft dan zichzelf, en tóch in ieder
ding aanwezig is”!
Het prachtige werk, inhoudende eene vergelijkende studie van de
filosofie der Yih King, van Confucius, van Choe Hie en van Lao Tsz’
met de oude hindoesche en brahmaansche filosofie moet nog geschreven
worden. Dan zou ook een hoofdstuk te wijden zijn aan de vergelijkende
studie van Yang en Yin aan de eene zijde, en Purusha en Prakriti aan de
andere.
Volgens Choe Hie, den „Aristoteles van China”, die van 1129–1201
n. C. leefde, en wiens commentaren op de klassieken in China groote
autoriteit hebben, is het „T’ai Kie” slechts de uiterste grens
van het menschelijk denken omtrent de primordiale oorzaak van alle
bestaan, maar moet dit „T’ai Kie” óók weer geopenbaard zijn
door—of liever: in—een nòg onbegrijpelijker, mysterieuzer wezen,
dat hij „het Absolute Niets” noemde.
Choe Hie neemt aan het „ademen” van T’ai Kie.
Toen T’ai Kie voor ’t eerst ademde bracht die etherische adem, als
’t ware stollende, het „Yang” voort, en toen dit ademen het
toppunt bereikt had en „T’ai Kie” daarvan weêr rustte, bracht
het „Yin” voort.
Nadat het tot het uiterste gerust had, bewoog, d.i. ademde het weder,
en zóó door, afwisselend bewegende en rustende, nadat hetgeen boven
was de Hemel, en hetgeen beneden was, de Aarde had gevormd, volgden
telkens combinaties en permutaties van „Yang” en „Yin” waardoor
alle „tienduizend dingen” (later mineralen, planten, dieren,
menschen) werden gevormd.
Dezelfde vitale energie, die beweging en rust vormt, gaat stééds
door, en door de twee oorspronkelijke oorzaken, „Yang” en „Yin”
héén ageert deze energie zonder ophouden, en laat deze twee
oer-principes „vloeien en bewegen” in alle dingen van ’t Heelal.
Deze vitale energie, de mysterieuze „ch’i”, die ik reeds
„adem” noemde, zal ik in het hoofdstuk over „De Chineesche
Kunst” nader releveeren, want de eerste wet van de Chineesche
kunst—die alweer dezelfde wetten ondergaat als, want immers één is
met den kosmos—is, dat de „Ch’i” het kunstwerk moet doordringen
en doorvloeien, en er in rond moet gaan. Zonder „Ch’i” is geen
waar leven bestaanbaar. Dit „Ch’i” is wel een van de mystiekste
begrippen dezer Chineesche filosofie, een geheimzinnige, fluïdische
Adem, die het geheele Heelal bezielt, en er de vitale kracht van is. In
een der commentaren van mijne groote „Yih King” editie staat, zóó
duidelijk dat het geen twijfel overlaat, vermeld, dat de Oorsprong van
alle „ch’i” de Zon is „waarvan het Getal is Één”. In de
zonne-energie zou dus de oorsprong van alle „ch’i” te zoeken
zijn, en de „ch’i” zou dan ten slotte niets anders zijn dan het
ondoorgrondelijke mysterie van vitale fluïdische energie, dat de
moderne westersche wetenschap thans als één vermoedt achter Licht,
Warmte, en Electriciteit, die er verscheidenheden van zijn. De
Chineesche wetenschap, zoo arm en gebrekkig in de empirische studie der
zichtbare verschijnselen, zoo onbeholpen in de physica, zou dan toch in
hare hoogste uiting, de filosofische metaphysica, een der groote
mysteriën geweten hebben, het mysterie van deze „ch’i”, waar de
westersche wetenschap eeuwen en eeuwen niets van vermoedde. Ook het
z.g. „oer-atoom” volgt direct uit de filosofie van de „Yih
King”, dat mysterieuze oer-atoom, waar alle andere atomen en
elementen uit ontstaan zijn, door eindelooze permutaties en
combinaties, door verhoudingen, en dus getallen, Rythme. Alzoo ook
Wiskunde, in hoogsten zin, is Filosofie, en evenzoo Natuurkunde en
Scheikunde.
De energie, die de twee oer-principes „Yang” en „Yin” animeert,
dooreen doet vloeien en bewegen, de „ch’i”, moet ééns voor ’t
eerst in actie zijn getreden, of „geademd” hebben, zooals de
Chineesche wijsgeer het noemt, zoodat de „ch’i” door zijn adem
het geheele Heelal leven inblies. De „ch’i” deed dit toen niet
zóó maar in ’t wilde, en doet dit ook thans zoo maar niet, maar
volgde vaste, ondoorgrondelijke wetten, die onveranderlijk zijn. Deze
wetten, die de Orde der Dingen vaststellen, heeten in ’t Chineesch de
„Li”, [36] en die wetten of eigenlijk die Wet, want allen tot één
terugkeerend, was er reeds vóór het eerste ademen der „ch’i”.
De oude Chineesche Wijzen, deze Wet, en deze Orde van ’t Heelal
beschouwend, merkten op, dat al de verschillende wetten der natuur, en
al de werkingen, de ademingen van de „ch’i”, die de vitale adem
van den kosmos is, in strikte overeenstemming zijn met zekere
mathematische principes. Deze mathematische principes kunnen
gesymboliseerd worden door triagrammen, en diagrammen, die de numerieke
proporties van het Heelal, genaamd „Shu”, het Getal, uitdrukken.
Deze drie, de „Ch’i”, de Vitale Adem, de „Li”, de Wet, en de
„Shu”, het Getal, zijn niet direct kenbaar door de zinnen, maar
manifesteeren zich aan onze zinnen door stoffelijke vormen en omtrekken
van fysieken aard. Daarom vormen de phenomena der natuur, haar
uitwendigen vorm alzoo, een vierde tak van filosofische beschouwing,
die der z. g. „Hing”, natuurvormen. De „ch’i” heeft in de
natuur grenzen in de „Hing”. Achter die „Hing”, die uiterlijke
vormen, zoekt de oosterling echter het verborgen geestelijk mysterie.
Hier komen wij tot het groote principe der Chineesche Kunst, dat ik in
het hoofdstuk „Chineesche Kunst” nader zal behandelen. Het
geestelijke mysterie te benaderen door de stoffelijke vormen heen, de
innerlijke onzichtbare Schoonheid, het Rythme van mystiek in-wezen uit
te drukken, ziehier het doel der groote Chineesche kunstenaars van alle
tijden.
Met het oog op de wetenschap zij hierbij nog gezegd, dat voor den
wijsgeerigen Chinees physica slechts een middel is, een weg, die tot
metaphysica leidt, en deze metaphysica is eigenlijk tegelijk weer èn
filosofie èn godsdienst. Enkel empirische „matter of fact”
wetenschap, materialistisch, kent China, en trouwens het geheele Oosten
niet. Het Oosten zoekt verder dan de zichtbare „Hing” natuurvormen.
Degenen der lezers van dit boek, die de laatste studies van Becquerel,
Curie enz. over de electronen gevolgd hebben en de laatste geschriften
van Lorentz over de graviteit, zullen begrijpen, hoe de moderne
Europeesche empirische wetenschap hoe langer hoe meer de mysteriën,
verborgen achter de symbolen der „Yih King” nadert.
Ook in Europa, al zullen de geleerden het met tegenzin later moeten
bekennen, naderen physica en chemie reeds hoe langer hoe meer tot
metaphysica. Het mag vreemd klinken, maar de oude Chineesche Wijzen van
de symboliek der „Yih King”, duizenden jaren vóór Christus, zijn
eigenlijk daar begonnen, waar de westersche empirische wetenschap hoe
langer hoe meer in gaat eindigen.
Reeds is de Westersche theorie van de doode stof door de laatste
ontdekkingen der chemie onhoudbaar geworden.
Het is heel gemakkelijk om, zooals al te veel materialistische
Europeesche sinologen gedaan hebben, de Chineezen voor bijgeloovig uit
te maken, omdat zij aan mystieke krachten en wezens gelooven,
onzichtbaar voor de zintuigen; maar ik vestig de aandacht op de gulden
woorden van den sinoloog Eitel:
„God gave, dat onze eigen wetenschappelijke menschen in hun
laboratoria, observatoria en lezing-lokalen denzelfden kinderlijken
eerbied voor de levende krachten der natuur hadden, dien heiligen
eerbied en vreeze voor de mysteriën van het ongeziene, dat vaste
geloof in de werkelijkheid der onzichtbare wereld en haar voortdurende
communicatie met het zichtbare en tijdelijke, die de Chineesche
tastingen en zoekingen naar de natuurwetten kenmerken”.
Dat de mystieke filosofie van de „Yih King” langzamerhand
verbasterd is, en ontaard in een populair bijgeloof als b.v. dat van
„Fung Shui” doet niets tot haar innerlijke waarde en diepte af. Als
wij den „Geest van China” beschouwen, moeten wij den
oorspronkelijken geest voor oogen hebben, in zijn zuiveren vorm, niet
de ontaardingen onder het volk.
Nog een enkel woord ten slotte over de Westersche begrippen goed en
kwaad, en de reden, waarom die in China zoo geheel anders opgevat
worden.
Choe Hie leert, dat goed en kwaad geen positief autogonisme zijn, maar
„noodig voor elkaar”. Door kwaad wordt goed gesuggereerd, ook aan
de kwaden. Het is niet in de afwezigheid van goed, maar in de verbroken
subordinatie van het hoogere tot het lagere dat het kwaad zelf bestaat.
Deugd, Goedheid, is noch Yin noch Yang, maar is hun rechte, juiste
verhouding, als gelijk noodige elementen. „Als zij in de juiste orde
zijn is alles goed, in de onjuiste is alles slecht.”
Door de lijnen der „kwa” zijn de grenzen van vooruitgang en
teruggang, begin en einde, bepaald. M.a.w. rechtvaardigheid, rede,
puurheid, maat, bestaan in ’t juiste betrachten van grenzen.
Er is dus geen absoluut kwaad. Het moreele heelal is geen strijd van
ongelijke, vijandelijke principes. Kwaad is de noodzakelijkheid
begrepen in Veelheid, Verscheidenheid, de grond van vooruitgang en
ontwikkeling, de disproportie van elementen, die nog niet in de juiste
relatie en symmetrie zijn gebracht.
Om de Chineesche symbolen te gebruiken: de Yin als lagere is kwaad,
maar alleen als ’t zich niet houdt bij zijn ware functie van lager,
van ’t hoogere te dienen in zijn medewerking aan de universeele Orde.
Het Yang als hooger is goed, maar enkel als de grenzen erkennend
tusschen zich zelf en Yin als lagere die zijn eigen souvereiniteit
bewaren. M.a.w. hier is de psychologie, die ook Plato kende, dat alle
menschelijke eigenschap goed is en alleen dàn kwaad in onjuiste
proportie en verkeerde orde van vóórrang. Zooals ik al bij de
behandeling van Confucius zeide: de conceptie van een Satan, een
positieve entiteit van kwaad is voor de Chineesche gedachte een
onmogelijkheid.
Aan het slot van deze beschouwingen, en men gelieve zich die over
Confucius en Lao Tsz’ hierbij te herinneren, wil ik er nog even de
aandacht op vestigen, hoe ongegrond de beweringen van vele schrijvers
over China, waaronder beroemde sinologen zijn, als zou de geest van
China’s filosofie eene materialistische wezen. Terecht heeft Samuel
Johnson hiervan gezegd: „Het is merkwaardig te constateeren hoe vele
christelijke schrijvers over Chineesche filosofie gefaald hebben in te
zien dat de inherentie van essentie in manifestatie geenszins
materialisme in zich sluit, in dien hoogeren zin die de concrete wereld
verheft tot de reëele activiteit van alle ideeën, waarheden en
krachten. [Wij hebben gezien dat in al de voornaamste werken van
Chineesche speculatie en practische opvoeding het immaterieele
vóórgaat voor het materieele.]”
En verder:
„Als wij onder „materialisme” verstaan wat ik opvat als zijn ware
beteekenis, namelijk dat geest het product is van de laagste vormen van
bestaan, dan is de Chineesche filosofie, zooals getoond is door haar
verschillende scholen, in géén zin materialistisch. Zij doet den
mensch en al zijn vermogens voortkomen uit den Kosmos, als de
vereeniging van actieve en passieve principes, in zich zelf rationeel,
en voortschrijdende binnen de Ondoorgrondelijke Substantie en de
Universeele Rede. Met andere woorden: geest is het product van het
Geheel, niet van het láágste, maar van hetgeen tegelijkertijd het
hóógste en het meest universeele is. Dit is een klaar voorgevoelen
van de essentieele harmonie van evolutie en godsdienst. Het is in het
overbrengen van zijn „principes” op aspiraties naar ideale deugden
dat het spiritualisme van deze oude kosmische conceptie het meest
blijkt. Op te rijzen van de observatie van haar voorbijgaande phenomena
tot het idee van cyclische eenheden van wet, en deze te reduceeren tot
één enkele goddelijke substantie als de „T’ai Kie” of de
„Tao” is achter uiterlijke vormen gaan naar hun onzichtbare
essence. Niets is meer karakteristiek voor het Chineesche volk dan deze
interpretatieve gewoonte: het stellen van het ongeziene achter het
geziene, van de beteekenis achter het symbool”.
Tot zoover de voortreffelijke karakteriseering van Samuel Johnson.
En ziehier tevens, waarom de Geest van China in den waren zin des
woords een Geest is.