Hoofdstuk II. [37]

„1. Allen onder den Hemel weten dat mooi mooi is, dan spijt het in

(de tegenstelling van) leelijk; allen weten zoo dat goed goed is, dan

spijt het in (de tegenstelling van) slecht.

„2. Daarom, Zijn en Niet-Zijn brengen elkander voort. Moeilijk en

Gemakkelijk zijn elkaars gevolg, Lang en Kort strijden met elkaar, Hoog

en Laag wedijveren met elkaar, de Toon en het Geluid harmonieeren met

elkaar, Vóór en Achter volgen elkaar.

„3. Daarom doet de Wijze het werk van Wu Wei en begaat de Leer zonder

woorden.

„5. Als het werk volbracht is blijft hij er niet aan hangen, en

daarom juist gaat het (Tao) niet van hem weg.”

Dit hoofdstuk is een treffend bewijs met hoe weinig woorden Lao Tsz’

veel kan zeggen. Hij neemt de moeite niet het uitvoerig uit te leggen,

hij schreef enkel voor verwante zielen, die het woord „Daarom” (ad

3) direct begrijpen.

Hij zegt in deze korte woorden, dat deze wereld een relatieve is, van

tegenstellingen, die alzoo niet in zich zelf bestaan, en zegt dat

„Daarom” de Wijze zich niet bezig houdt met werk in die

tegenstellingen maar met „Wu [38] Wei”. Letterlijk vertaald is dit

„Niet Doen”, en niet-filosofisch aangelegde sinologen hebben hierin

gezien een lui „laissez-aller” een lui niets-doen, een luie

onverschilligheid.

In waarheid echter beduidt Wu Wei heel iets anders. Het staat tot Wei,

Doen, zooals Niet-Zijn staat tot Zijn, in ’t vorige hoofdstuk. Het

relatieve Niet-Doen, voor ons, die ’t niet bevatten kunnen, is het

absolute Doen. Wu Wei is het doen in de Eenheid, in Tao, niet in de

Veelheid der tegenstellingen.

Zeer mooi is dit uitgedrukt in een drie jaar geleden verschenen werk

van Martin Buber „Reden und Gleichnisse des Tschuang Tse”. Hij

noemt daarin Wu Wei (lett. vertaald Niet-Doen) „Wirken aus

ungeschiedener, gegensatzloser, umfriedeter Einheit”.

Deze „Niet-Doen”-Actie is ons reeds welbekend uit andere Oostersche

filosofische werken, en indien de sinologen, die het „Wu Wei” voor

een lui niets-doen aanzagen dit maar begrepen hadden, zouden ze Lao

Tsz’ meer recht hebben gedaan. Lao Tsz’ duidt het nog éven aan

door te spreken van „niet aan ’t werk te blijven hangen (lett.

staat er „in blijven wonen”) als het volbracht is”.

In de Upanishads wordt een zelfde leer van geestelijk werken genoemd

„the doctrine of action without attachment to result” (vairagya).

In dit korte hoofdstuk II is, in zoo weinig mogelijke schriftteekens

uitgesproken, dat er geen eigenlijke erkentenis is in de wereld van de

tegenstellingen en van het gescheidene. Zooals Dr. Martin Buber het zoo

juist uitdrukt in zijn „Gleichnisse des Tschuang Tse”: „slechts

in wien geen scheiding is, die is niet van de wereld gescheiden en kan

de wereld erkennen. Niet in de contrasten, niet in de dialektiek van

Subject en Object, maar slechts in de Eenheid met het Al is Erkenning.

Die Eenheid is trouwens de Erkenning.”

Alzoo: die Erkenning is geen Weten, maar Zijn.

Hoofdstuk IV.

De Geest van China · 第 21 / 48 题