„1. Allen onder den Hemel weten dat mooi mooi is, dan spijt het in
(de tegenstelling van) leelijk; allen weten zoo dat goed goed is, dan
spijt het in (de tegenstelling van) slecht.
„2. Daarom, Zijn en Niet-Zijn brengen elkander voort. Moeilijk en
Gemakkelijk zijn elkaars gevolg, Lang en Kort strijden met elkaar, Hoog
en Laag wedijveren met elkaar, de Toon en het Geluid harmonieeren met
elkaar, Vóór en Achter volgen elkaar.
„3. Daarom doet de Wijze het werk van Wu Wei en begaat de Leer zonder
woorden.
„5. Als het werk volbracht is blijft hij er niet aan hangen, en
daarom juist gaat het (Tao) niet van hem weg.”
Dit hoofdstuk is een treffend bewijs met hoe weinig woorden Lao Tsz’
veel kan zeggen. Hij neemt de moeite niet het uitvoerig uit te leggen,
hij schreef enkel voor verwante zielen, die het woord „Daarom” (ad
3) direct begrijpen.
Hij zegt in deze korte woorden, dat deze wereld een relatieve is, van
tegenstellingen, die alzoo niet in zich zelf bestaan, en zegt dat
„Daarom” de Wijze zich niet bezig houdt met werk in die
tegenstellingen maar met „Wu [38] Wei”. Letterlijk vertaald is dit
„Niet Doen”, en niet-filosofisch aangelegde sinologen hebben hierin
gezien een lui „laissez-aller” een lui niets-doen, een luie
onverschilligheid.
In waarheid echter beduidt Wu Wei heel iets anders. Het staat tot Wei,
Doen, zooals Niet-Zijn staat tot Zijn, in ’t vorige hoofdstuk. Het
relatieve Niet-Doen, voor ons, die ’t niet bevatten kunnen, is het
absolute Doen. Wu Wei is het doen in de Eenheid, in Tao, niet in de
Veelheid der tegenstellingen.
Zeer mooi is dit uitgedrukt in een drie jaar geleden verschenen werk
van Martin Buber „Reden und Gleichnisse des Tschuang Tse”. Hij
noemt daarin Wu Wei (lett. vertaald Niet-Doen) „Wirken aus
ungeschiedener, gegensatzloser, umfriedeter Einheit”.
Deze „Niet-Doen”-Actie is ons reeds welbekend uit andere Oostersche
filosofische werken, en indien de sinologen, die het „Wu Wei” voor
een lui niets-doen aanzagen dit maar begrepen hadden, zouden ze Lao
Tsz’ meer recht hebben gedaan. Lao Tsz’ duidt het nog éven aan
door te spreken van „niet aan ’t werk te blijven hangen (lett.
staat er „in blijven wonen”) als het volbracht is”.
In de Upanishads wordt een zelfde leer van geestelijk werken genoemd
„the doctrine of action without attachment to result” (vairagya).
In dit korte hoofdstuk II is, in zoo weinig mogelijke schriftteekens
uitgesproken, dat er geen eigenlijke erkentenis is in de wereld van de
tegenstellingen en van het gescheidene. Zooals Dr. Martin Buber het zoo
juist uitdrukt in zijn „Gleichnisse des Tschuang Tse”: „slechts
in wien geen scheiding is, die is niet van de wereld gescheiden en kan
de wereld erkennen. Niet in de contrasten, niet in de dialektiek van
Subject en Object, maar slechts in de Eenheid met het Al is Erkenning.
Die Eenheid is trouwens de Erkenning.”
Alzoo: die Erkenning is geen Weten, maar Zijn.
Hoofdstuk IV.