DE TOEKOMST-DROOM VAN CONFUCIUS

Wanneer wij de Confucianistische zedeleer en sociale verordeningen

beschouwen, met hun oude tradities en hun vastgesteld decorum, dan zou

het ons licht kunnen voorkomen, alsof wij hier te doen hebben met een

leer van star conservatisme, die geen ontwikkeling zou kennen, en dus

op den duur vooruitgang zou tegenhouden. Al die zorgvuldig

voorgeschreven familieverhoudingen, waarin een heilige Orde werd

gezien, als een onderdeel van de groote kosmische Orde, dat angstvallig

vasthouden aan familiebanden en verplichtingen, de bijna kinderachtige

angst, het decorum te schenden, en te kort te komen aan

maatschappelijke verhoudingen, dat alles zou in staat zijn, de figuur

van Confucius, ondanks zijn groote wijsheid, voor ons kleiner te maken.

Confucius, als alle groote wereld-Wijzen, wist echter zeer goed, dat de

gansche kosmos in een voortdurend proces van evolutie is, en dat dus

ook de menschheid, in die kosmische orde begrepen, niet altijd dezelfde

zal blijven, maar verschillende stadia van evolutie zal doorloopen. De

zedewetten, de sociale orde-bepalingen, de verschillende menschelijke

verhoudingen en relaties, die hij met zooveel zorg en nadruk als noodig

voorschreef en leeraarde, waren berekend op het stadium van

ontwikkeling waarin toen het volk verkeerde.

Dat Confucius echter geen star conservatief was, maar wel degelijk, in

een schoonen zieners-droom door den mist der tijden heen, helder in

komende eeuwen zag, wordt duidelijk bewezen door een gedeelte uit zijn

geschiedkundig-filosofisch werk „Ts’oen Ts’oe”, waarin hij

aangeeft de „Drie Stadia van Ontwikkeling der Menschheid”. Wij

kunnen hieruit zien, dat de droom van den Wereldvrede reeds honderden

jaren vóór Christus door den grooten Chineeschen Wijze gedroomd is.

Ik laat hieronder volgen, gedeeltelijk aan de hand van Chen Huan Chang:

De Drie Stadia van Confucius.

In het eerste, het Wanordelijke Stadium, is de primitieve beschaving

juist uit den chaos ontstaan, en de sociale geest is nog zeer ruw. Er

is een scherpe afscheiding tusschen het eigen land en alle andere

landen. Daarom wordt meer gelet op de toestanden in eigen land, dan in

den vreemde, en behalve machtige rijken, die worden gevreesd, worden

kleine landjes verwaarloosd en over ’t hoofd gezien.

In het tweede, het z.g.: Vooruitgaande Vrede-Stadium, is er enkel

onderscheid tusschen beschaafde landen en de onbeschaafde, de

barbarenvolken. De grens der beschaving is breeder en de vriendschap

der naties is nauwer. Door gelijke rechten kunnen kleine landen bij

groote hun vertegenwoordiger hebben.

Maar in ’t derde, ’t Stadium van den Uitersten Vrede, genaamd Ta

T’oeng, de Groote Gelijkheid, is er in ’t geheel geen

onderscheiding meer. De barbaren zijn beschaafde volken geworden, en

hebben gelijke rechten met andere volken.

Al zijn de naties ver vanelkaar, of dichtbij, klein of groot, de heele

wereld is een Eenheid, en ’t karakter der menschheid is tot zijn

hoogste ontwikkeling gekomen.

Ik zal nu eens aanhalen met Confucius’ eigen woorden, uit zijn werk

„Lente en Herfst” „Ts’oen Ts’ioe”, hoe hij zich dat 3e

stadium Ta T’oeng voorstelt.

„Als het groote principe van Ta T’oeng regeert, wordt de geheele

wereld één Republiek. Men kiest menschen van talent, deugd en kunde,

deze spreken over ernstige overeenkomst en samenwerking, en bevorderen

algemeenen wereld-vrede. De menschen beschouwen hun ouders niet enkel

meer als hun eigen ouders of hun kinderen als hun eigen kinderen. Er

wordt een practische voorziening getroffen voor ouden van dagen tot aan

hun dood, werkverschaffing voor den middelbaren leeftijd en opvoeding

voor de jeugd. De weduwnaars, weduwen en weezen en kinderlooze oude

menschen, en zij, die door ziekte niet meer in staat zijn te werken,

worden allen behoorlijk onderhouden. Iedere man heeft zijn rechten en

de individualiteit van iedere vrouw is gewaarborgd. De menschen

produceeren goederen en weelde, omdat zij niet willen, dat die

verwaarloosd zullen worden, maar niet voor hun eigen pleizier alleen.

Ledigheid hatende, werken zij, maar niet met het oog op eigen voordeel.

Op die manier worden zelfzuchtige plannen onderdrukt of kunnen zij niet

opkomen. Roovers, inbrekers en moordenaars bestaan niet. Vandaar dat de

huisdeuren open kunnen blijven en niet gesloten worden. Dat is wat ik

het stadium van „Groote Gelijkheid” noem.

„Nu dit groote principe nog niet ontwikkeld is, wordt in de wereld

geërfd, door de familie. Ieder beschouwt zijn ouders enkel als zijn

eigen ouders en behandelt zijn kinderen enkel als zijn eigen kinderen.

De welvaart van ieder, en zijn werk, zijn enkel voor zijn eigenbelang.

„Groote mannen verbeelden zich, dat het regel is, dat hun bezittingen

overgaan op hun familie. Hun doel is om de muren van hun steden en

voorsteden sterk te maken en hun grachten en slooten secuur.

„Ritus en justitie worden beschouwd als de draden, door welke zij in

haar correctheid de betrekking tusschen vorst en onderdaan zien te

handhaven, in haar edelmoedige zorg die tusschen vader en zoon, in hare

harmonie die tusschen ouderen broeder en jongeren, en in een

gemeenschap van sentiment die tusschen man en vrouw, en in

overeenstemming daarmede regelen zij het verbruik, en distribueeren

land en huizen, onderscheiden mannen van militaire bekwaamheid en

knapheid, en volvoeren hun arbeid met het oog op eigen voordeel. Zóó

komt het, dat zelfzuchtige plannen en ondernemingen voortdurend

oprijzen, en daar is altijd oorlog het gevolg van.”

Tot zoover Confucius, voor zoover ik hem letterlijk aanhaal, ik zal er

nu een en ander uitlichten. Ieder sinoloog weet, dat Confucius de 5

z.g. „sociale betrekkingen” (die tusschen vorst en onderdaan, vader

en kind, man en vrouw, ouderen broeder en jongeren broeder, vriend en

vriend), hoofdzaak in de sociale en moreele orde vond. Hij beschouwde

die echter van tijdelijken aard in de evolutie der Menschheid, en ze

waren alleen in die evolutie noodig en van kracht voor ’t 2e Stadium

waarin hij leefde, en waarin wij nu nog leven. In ’t 3e Stadium, de

„Groote Gelijkheid”, is de gehééle wereld de eenige sociale

organisatie, en het individu is de onafhankelijke eenheid; zoowel de

sociale als de individueele karakters bereiken hun hoogste

ontwikkeling. Er is geen nationale staat, zoodat er geen oorlog is,

geen defensie-noodzakelijkheid, en er ook geen menschen van militaire

kunde en talenten noodig zijn. Mannen van deugd, talent en bekwaamheid,

worden door het volk gekozen, zoodat het volk zelf souverein is, en de

betrekking tusschen vorst en onderdaan bestaat dus niet meer. Man en

vrouw zijn niet langer gebonden door den band van ’t huwelijk, en de

betrekkingen: vorst en onderdaan, man en vrouw, vader en zoon, oudere

en jongere broeder bestaan niet meer.

De eenige betrekking die bestaat is: vriendschap.

Er is geen familie, dus er is ook geen erfenis, geen privaat eigendom,

geen zelfzuchtig plan. Er bestaan ook geen klassen, zoodat de eenige

classificatie, die men kan maken is die van ouderdom of sekse, maar of

iemand oud, middelbaar leeftijd of jong is, man of vrouw, ieder kan

voorzien in zijn behoeften. Het groote Principe van Ta T’oeng

regeert, zoodat iedereen evengoed is als ieder ander, en de

onderscheiding der z.g. moreele constanten: liefde, justitie, ritus,

wetenschap en eerlijkheid niet meer noodig zijn. Iedereen heeft van

zelf liefde voor alle anderen, dus artificieele ritus en justitie zijn

overbodig.

Men ziet: Confucius geloofde in een ontwikkeling, een evolutie der

menschheid en heeft—zij het in een verre, verre toekomst—den

Wereld-Vrede geprofeteerd, lang voor Carnegie en ’t Vredespaleis.

Door de geheele leer van Confucius loopt trouwens de leer van den

Vrede, en ook door de leer van een Wijze, die nà hem kwam, Mêng

Tsz’ (Mencius). Mencius zeide eens, en ’t was of hij de politieke

toestanden van vóór dezen oorlog besprak:

„Zij, die zeggen, dat wij, om onzen souverein, allianties moeten

sluiten met andere staten, opdat onze veldslagen dan succesvol zullen

zijn, worden tegenwoordig goede ministers genoemd, maar vroeger werden

zij genoemd: de pest van het volk.”

Confucius veroordeelde niet alleen den oorlog, maar ook de

voorbereidingen er voor. Hij noemde dat verspilling van weelde en

welvaart en een zwaren last voor ’t volk. Ook economisch veroordeelde

hij daarom den oorlog.

Zijn ideaal was: oorlog afschaffen en de militaire maatschappij

veranderen in een industrieele. Toen Confucius eens met zijn discipelen

Tsz’ Loe, Tsz’ Koeng en Yen Yuän op een berg stond, vroeg hij hun

eens hun individueele wenschen op te noemen.

Tsz’ Loe zei, dat hij wenschte een leger te vormen, den vijand aan te

vallen en duizenden mijlen grondgebied te veroveren.

Tsz’ Koeng zei, dat hij een wit kleed wenschte aan te doen en een

witte kap opzetten om de oorlogvoerenden tot rede te brengen en te

verzoenen. Maar Yen Yuän zeide: „Mijn eenige wensch is, een vrijen

koning of andere wijze regeering te hebben en daaronder minister te

worden. Ik zou dan maken, dat de wallen der steden niet meer noodig

waren, en ook geen grachten, want geen vijand, die er over wilde komen,

en dat ik de zwaarden en lansen kon laten smelten om er

landbouwwerktuigen van te maken. Ik zou voor duizend jaren een oorlog

onmogelijk maken.”

Confucius viel hem bij. Tsz’ Loe sprak als een militair, Tsz’ Koeng

als een diplomaat, maar Yen Yuän en Confucius als de hoogste

staatsman, met ’t hoogste ideaal, als de Wijze, die den Vrede wil.

Het meest belangrijke is hier: ’t smelten van zwaarden en lansen om

er landbouwwerktuigen van te maken. Soldaten zouden hierdoor tot

vreedzame landbouwers worden. Plato’s ideaal-staat was nog altijd een

kleine goed begrensde staat, tot den oorlog zoo noodig gereed.

Confucius’ ideaal ging verder de toekomst in. Hij heeft voorgevoeld

den Wereld-Vrede, in het derde stadium, de Groote Gelijkheid. Het

eerste Vredespaleis, een geestelijk, is opgetrokken door de Oostersche

gedachte van Confucius, en was vrij wat eerlijker en reëeler dan het

stoffelijke luxe-paleis op den Scheveningschen Weg, met heel wat minder

vertoon en koude drukte er omheen.

De geheele Confucianistische filosofie is steeds gericht op: ten eerste

zelf-volmaking, maar deze niet egoïstisch bedoeld doch steeds leidende

tot het door eigen deugd volmaken van de medemenschen, de broeders.

Alle menschelijke deugden beschouwt Confucius als te zijn vervat in

één hoofddeugd, ideographisch uitgedrukt door een karakter

„Jên”, samengesteld uit twee andere, waarvan het eene „mensch”

en het andere „twee” beteekent. Alzoo: „twee menschen in één

vereenigd.”

Prof. Legge en vele andere sinologen vertalen het met

„benevolence”, Dr. Chen Huan Chang noemt het „Love”, Liefde. De

Confucianistische hoofddeugd is alzoo liefde voor den medemensch,

Broederschap, en wel omdat (men denke hier aan het te voren behandelde

karakter „shoe”) „mijn hart is evenals het hart van andere

menschen”.

Een andere Confucianistische deugd wordt genoemd „Yi”, ideografisch

geschreven met een karakter, waarvan het eene deel beteekent „ik,

ikzelf”, en het andere waarschijnlijk eene samentrekking is van

„goed”. Alzoo beteekende: „ik zelf goed”. Alzoo „Jên”,

Broederschap, slaat op de anderen, de medemenschen, en „Yi” is een

aspect van het zelf. Wij hebben anderen lief, maar wij maken ons zelven

rechtvaardig.

Als men den toekomst-droom van Confucius goed in het oog blijft houden,

dien droom, waarin de „Groote Gelijkheid” der menschen bereikt zal

zijn, maar tevens niet vergeet, dat thans, in het z.g. „Tweede

Stadium” waarin de menschheid nog verkeert, de groote verschillen

bestaan tusschen den „Shêng Jên”, den „Kiün Tsz” en den

„Siao Jên”, dan begrijpen wij, hoe Confucius, van het Zelf

uitgaande het ethische leven boven het economische stelde, maar de

maatschappij in dat nog onvolmaakte tweede stadium beschouwend, het

economische nog moest stellen boven het ethische.

Een treffende illustratie hiervan is te geven uit de „Loen Yü”, de

Verspreide Gezegden van Confucius. Toen Confucius eens in zijn wagen

uitreed, zeide hij tot zijn wagenmenner Yan Yu: „Hoe talrijk is het

volk!”

Toen zeide Yan Yu: „Als ze dan zoo talrijk zijn, wat moet er dan nog

méér voor hun gedaan worden?”

„Geef hun welvaart” was het antwoord—„En als zij welvaart

hebben, wat dan nog meer?”—En Confucius zeide: „Onderwijs hen!”

En hier sprak hij een universeel principe uit. Vóór het volk te

onderwijzen moet men het voedsel en welvaart geven. In de „Shi

King”, den Bijbel der Poezie, staat: „Geef hun eten en geef hun

drinken (dus dit eerst. H. B.) Onderwijs hen en leer hen”.

Er moet goed onderscheiden worden dat Confucius twee principes gaf,

voor twee klassen menschen, superieure menschen en kleine menschen. De

hóógste, Heilige of Wijze menschen hebben geen aparte principes

noodig, daar deze de wijsheid reeds hebben. Voor de superieure menschen

is het ethische leven hoofdzaak; voor de mindere menschen het

economische. Confucius zeide ook nog (zie de „Loen Yü”) „De

geest van den superieuren mensch is gericht op Rechtvaardigheid; de

geest van den minderen mensch is gericht op voordeel”.

Voor den minderen mensch, die nog niet onderwezen is, en die ’t

allereerst nog voor zijn dagelijksch brood heeft te zorgen, is voordeel

’t voornaamste.

In Mencius lezen wij: „De man van volmaakte deugd is aldus: strikt

volgende rechtvaardigheid, maar niet om het voordeel; grondig principes

overwegende, maar niet met de verwachting van succes”.

Confucius verbood aan vorsten en aan superieure menschen over

„voordeel” te spreken, maar daarom zeide hij nog volstrekt niet dat

het volk niet om voordeel mocht denken. De begrippen „Li”,

voordeel, winst, en „Yi” rechtvaardigheid, van Confucius, zijn, ook

door sommige Chineesche Confucianisten, vooral in de Soeng dynastie, te

veel als tegenstellingen genomen.

De moderne Confucianisten, aldus Chen Huan Chang, houden ze voor

hetzelfde, maar in verschillende termen, voor verschillende klassen van

menschen. Zij harmonieeren economie en ethica en identificeren

Rechtvaardigheid met voordeel. Zij zeggen: het wàre Voordeel, dat

tegen Rechtvaardigheid ingaat zal, op den langen duur, blijken géén

Voordeel te zijn. Het onmiddellijk Voordeel te verkiezen boven Recht is

zelfmoord-politiek.

Dat Confucius de woorden Voordeel en Rechtvaardigheid toch nog als

verschillend gebruikte, is omdat hij steeds drie stadia van evolutie

der menschheid voor oogen had, en hij wist, nog maar in het tweede te

leven.

Als hij steeds het woord „Voordeel” in plaats „Recht” gebruikte

zou dat, in het tweede Stadium, dat der z.g. „Kleine Rust”

aanleiding tot verwarring kunnen geven. Dan zou misschien meer om geld

dan om karakter worden gedacht. Ook in onze Europeesche geldmakende

maatschappij van thans zou dit zoo zijn.

Hoewel ten slotte de economische principes harmonieeren met de

ethische, kan onder sommige omstandigheden economisch leven niet

bestaan naast ethisch leven.

De Geest van China · 第 13 / 48 题