C B A

Siu Shwaai Th’ien

Tao Sing Ming

Chü Chü Chü

Wei Wei Wei

Kiao Tao Sing

修 率 天

道 性 命

之 之 之

謂 謂 謂

教 道 性

Dit zijn in ’t geheel maar 15 schriftteekens of karakters, maar er

zijn geheele boekdeelen te schrijven, en die zijn dan ook geschreven,

over de uitlegging van dezen tekst.

Nu is ’t gemakkelijk om, zooals wel eens enkele sinologen gedaan

hebben, voor ieder der Chineesche karakters een equivalent te nemen in

een Europeesche taal, en er dan een paar Europeesche zinnen van te

maken. Ik moet er echter nog eens op wijzen dat een Chineesche tekst

niet is een representatie van woorden, maar een opeenvolging van

ideeën en dat de combinatie van die symbolen niet is een representatie

van wat de schrijver wilde zeggen, maar vooral van wat hij denkt. Een

woordelijke versie is daarom onmogelijk.

Prof. Legge, de groote, erkende sinoloog van de Chinese Classics heeft

den eersten zin vertaald met:

„What Heaven has conferred is called the Nature” (wat de Hemel

heeft verleend wordt genaamd de Natuur). En hij zegt er in een

commentaar bij: „By Sing of Nature is to be understood the Nature of

Man”. (Onder Sing of natuur is te verstaan de Natuur van den Mensch).

Er zit echter véél meer aan vast, en ik zeg dit, behalve uit eigen

overtuiging, op gezag van Chineesche geleerden. Wij moeten dus dezen

tekst eens wat nader beschouwen. Ten eerste: Wat wordt hier bedoeld met

Hemel?

In de alleroudste Chineesche godsdienst en geschiedenisboeken lezen wij

van één, alleroppersten God, oneindig en in-zich-zelf bestaande, die

genaamd werd Shang Ti letterlijk vertaald met: Opperste Macht of Heer.

(In de Bijbelvertaling is God dan ook met dit Shang Ti vertaald). Voor

dit abstracte begrip Shang Ti is later een meer concreet, Th’ien, de

Hemel, in de plaats gekomen. Trouwens, ook wij spreken dikwijls in

volkstaal van de Hemel, waar wij God bedoelen. Shang Ti en Th’ien

zijn daarom in de oude Chineesche Heilige Schriften één en hetzelfde,

het eerste alleen abstracter, het tweede wat concreter uitgedrukt. De

alleroudste Chineesche godsdienst spreekt niet van goden of afgoden,

maar van één Opperwezen, Shang Ti, later ook wel Th’ien, Hemel,

genaamd.

Het karakter Ti bestaat uit een combinatie van twee, waarvan het eene:

Boven, en het andere: Doordringen beteekent, dus: het Opperste dat

alles doordringt.

Het woord „ming” is samengesteld, ideografisch, uit „mond”, en

„bevelen” of „ordonneeren”, en beteekent niet alleen bevel,

order, maar ook het bevel zelf, het z.g. mandaat, en ook: de wil, die

het bevel gaf. Zoo wordt de Regeering beschouwd te zijn als een

mandaat, bevel van den Hemel, en ook dat, wat van den Hemel verkregen

is bij Hemelsche beschikking. Al deze beteekenissen te zamen liggen

opgesloten in ’t karakter ming, en het is onmogelijk, die met een

Hollandsch woord weer te geven. Omschrijvend, zou het hier zijn:

„Dat, wat de Hemel, beschikt heeft, te bevelen en te verleenen, en

ook dàt, wat van den Hemel verleend is krachtens deze beschikking”.

Meer vrij-Europeesch: dat wat de Hemelsche Wijsheid geordonneerd heeft

dat zoo zij. (Het karakter Chü duidt een soort genitief aan, hier meer

dat wat.) Dit nu, wordt genaamd, Sing, een karakter, samengesteld uit

hart, en geboren worden. Dus geboren zijn van het hart. Dit karakter

hart beteekent in ’t Chineesch ook geest, mind, niet alleen ’t

physieke hart. We moeten nu den zin niet letter-alphabetisch, maar

symbolisch lezen, zooals alle Chineesche filosofie. We zien, hier,

ideografisch gelezen, staan: dat, wat de Hemel beschikt, bevolen heeft

en ook: dat, wat van den Hemel krachtens die beschikking ontvangen is,

heet (wei) „hart geboren”.

In de Europeesche, alphabetische taal moeten die symbolen worden

omschreven, die in ’t Chineesch niet gespeld in letters en

geconstrueerd in zinnen, maar gedacht worden en als gedachten

ideografisch voorgesteld. De Chineesche tekst wordt daardoor als ’t

ware op een ander gebied overgebracht, want hij is meer op

gedachte-gebied dan op taal-gebied.

We krijgen dan, véél uitvoeriger en met véél meer omhaal:

Dat, bij wat ’t geboren worden van het hart, (den geest)

verkregen is door beschikking van den Hemel (van ’t Opperwezen)

heet Sing.

De groote Chineesche filosoof Choe Hie, die van 1129–1201 v. C.

leefde, noemt deze Sing „het goddelijke principe (li)”.

Er staat volstrekt niet bij, dat deze Sing alleen aan den mensch

gegeven zou zijn. Integendeel, zoowel Choe Hie als andere groote

Chineesche wijsgeeren en commentators zeggen er uitdrukkelijk bij, dat:

Alle myriaden dingen (wan woe) deze Sing in zich hebben. De Sing is dus

volstrekt niet alleen de natuur van den mensch, maar veel universeeler,

het goddelijke principe van Shang Ti, het Opperwezen, in zijne

openbaring in het Heelal daaraan gegeven. Men kan dit polytheisme

noemen, men kan ’t echter ook monotheisme noemen, want het neemt

één God aan, al is ’t geen persoonlijke God, niet buiten het Heelal

staande, maar in ’t geheele Heelal gemanifesteerd, en er dus één

mede. Voor zoover ’t op menschen betrekking heeft, in beperkter zin,

kan men het de Hemelsche natuur van den mensch noemen.

De volgende tekst luidt:

Het volgen van den (leider) Sing heet Tao.

Het karakter 率 „shwaai” (zie B) beteekent hier:

het volgen van een leider, het medegaan met, het gehoorzaam zijn aan,

en tegelijk het den vrijen loop laten aan.

Dit Tao—een van de beteekenisvolste karakters in de Chineesche

filosofie—is dus hier in Confucius ongeveer als het Pad, de Weg, mits

men dan altijd in ’t oog houde: Een geestelijke Weg, een geestelijk

Pad, en niet aan afstand of ruimte hierbij denke. Het volgen van den

leider Sing, het goddelijke principe in ons, is alzoo de geestelijke

Weg, of het geestelijke Levens-bewegen.

De derde tekst luidt:

Het regelen, cultiveeren (siu 修 zie C beteekent beide) van de Tao

(den spiritueelen Weg) heet Kiao.

Kiao is een Chineesch karakter dat Onderwijs, Leering beteekent, maar

dat ook in zekeren zin Godsdienst beteekent. Het karakter voor

godsdienst is ook: Kiao. In den godsdienstigen zin beteekent Kiao:

moreele lessen, somtijds sluit het het geheel der beschaving in. Daarom

is wat de Chinees onder godsdienst verstaat niet alleen spiritueel,

maar ook moreel, sociaal en filosofisch.

Kiao is zoowel gewoon onderwijs als godsdienst. En dat is zoo vreemd

niet als ’t wel lijkt, want de Chinees beschouwt godsdienst als de

moreele les leerend 道 Tao, den spiritueelen Weg, (het volgen van den

leidenden Sing) te begaan. Een opvoedende instelling is in China

daardoor kerk en school beiden. De eigenlijke priesters van ’t

Confucianisme, dat geen priesters heeft, zijn dan ook de literati, die

de hoogere literatuur, d.i. de Confucianistische filosofie,

onderwijzen.

Ik heb deze teksten hier neergeschreven, om een denkbeeld te geven,

hoeveel er aan die aparte Chineesche karakters vastzit, en hoe moeilijk

het is, er equivalenten voor te krijgen in Europeesch alphabetisch

schrift.

Ik wijs er nog even op dat het karakter Tao, de spiritueele Weg of het

geestelijk Pad, bestaat, ideografisch, uit: bewegen, of rondgaan, en

hoofd, hier dus in den zin: spiritueele hoofd, geestelijk

hoofdprincipe, dat beweegt, of rondgaat in ’t Heelal. In de nog

oudere filosofie, en in Lao Tsz’, beteekent ditzelfde Tao niet het

spiritueele Pad, maar de suprême Geest zelf, die zich in ’t Heelal

openbaart en daarin zijn Weg gaat en dat is de oorspronkelijke

beteekenis van Tao.

Het zou te lang duren en ook voor een publiek van niet sinologen wat te

moeilijk worden, als ik nu ook alle andere teksten in ’t Chineesch

zou neerschrijven, dus de volgende geef ik daarom in mijne vertaling:

„Welnu, Tao mag geen oogenblikje verlaten worden. Kon het verlaten

worden, dan zou het Tao niet zijn. Daarom is de Superieure Mensch

waakzaam over wat hij niet ziet, en in vreeze over wat hij niet hoort.

Wat men niet ziet is verborgen, wat niet zichtbaar geopenbaard is, is

subtiel. Daarom is de Superieure Mensch waakzaam over zijn

eenzaamheid.”

Dus niet op de zichtbare en hoorbare dingen, door de zinnen

waarneembaar, moet de Superieure Mensch enkel letten, maar over de

verborgen, subtiele, geestelijke dingen, diep in zich zelf, behoort hij

te waken en er voor in reverente vreeze te zijn. Daarom is hij waakzaam

over zijn eenzaamheid. (Een karakter „toe”, door den filosoof Choe

Hie omschreven met: „de plaats die andere menschen niet weten, maar

die wij alleen weten”). In die plaats juist, in onze diepste

binnenste, kunnen wij van den geestelijken Weg, van Tao, afwijken. En

Tao mag geen oogenblikje verlaten worden, anders zou het niet Tao, het

volgen van den leider Sing, ’t Hemelsche principe zijn.

Nu komen weer twee belangrijke teksten:

„Als vreugde, toon, smart, of geluk nog niet bewegen, heet dat Choeng

(Midden, Centrum); als zij wèl bewegen, maar in den juisten maat, heet

dat Ho (Harmonie). Dit Choeng (Centrum) nu, is de groote oorsprong van

het geopenbaarde, deze Ho (Harmonie) is de manifestatie van Tao (den

Spiritueelen Weg).

„Als men het uiterste Choeng en de uiterste Harmonie bereikt heeft,

zijn Hemel en Aarde gevestigd en al het geopenbaarde ligt gevoed en

gekoesterd”.

De geestelijke portée van de laatste teksten is niet altijd volledig

door Europeesche vertalers begrepen.

Confucius’ filosofie is hier verwant aan de oude Indische, n.l. de

Brahmaansche en Hindoesche filosofie. Het Choeng, Midden, Centrum, is

verwant aan wat in die oude wijsbegeerten bedoeld wordt met het

goddelijke, onpersoonlijk Zelf, dat Zelf, dat, als ongeopenbaard in

’t Heelal, volkomen rustig, stil onbewegelijk is. Als de mensch die

goddelijke rust in zich zelf, in zijn goddelijke Zelf, heeft bereikt,

bewegen geenerlei aandoeningen van vreugde of toorn, smart of geluk. Is

men in dit Choeng, Midden, geconcentreerd dan voelt, zegt een

Chineesche commentator er bij, men zijn Sing één met de Sing van alle

menschen en dingen, van al ’t door ’t Opperwezen geopenbaarde, en

voelt men hoe Hemel en Aarde en al dat geopenbaarde gevestigd zijn in

’t goddelijke en dus gevoed en gekoesterd liggen in dat goddelijke,

Choe Hie zegt in een commentaar: „Is mijn hart recht, dan is dat van

Hemel en Aarde óók recht”.

Als de aandoeningen vreugde, toorn, smart of geluk wèl bewegen, maar

in de juiste middenmaat, dan is er Harmonie in den Mensch, een bewijs,

dat Tao, ’t Geestelijke Pad, gevolgd wordt, dat zich manifesteert in

Harmonie. Choeng slaat dus meer op ’t hóógste als ongeopenbaard, Ho

op het geopenbaarde, want Tao is de Weg van ’t geopenbaarde.

Choeng is dus het einde van dat Pad, het einde van Tao, dat, waartoe

Tao leidt, en waarna alle menschelijke aandoeningen, vreugde, toorn,

geluk, smart, zwijgen en ophouden, als de groote Rust is

binnengetreden. Harmonie, Ho, in die aandoeningen is ’t bewijs, dat

men in Tao, het Pad gaat, dat daartoe leidt.

Het zou voor een sinoloog een loonend werk zijn, eens eene studie te

schrijven over de, totnutoe nog veel te weinig opgemerkte overeenkomst

van deze Confucianistische bespiegelingen, met oude Indische

wijsbegeerte, ook het Boeddhisme.

De concentratie in het van den Hemel gegeven zelf, het vrij worden van

aandoeningen en hartstochten, den geest geconcentreerd in het

Hemelsche; het inwendige, spiritueele leven, vrij van de uitwendige

verschijnselen, dit alles zou voor een Brahmaan en een Boeddhist

volkomen begrijpelijk zijn.

De titel van het werk waarvan ik zooeven den eersten tekst opschreef,

is Choeng Yoeng.

Onder Choeng (het schriftteeken is: Midden) is te verstaan het zonder

overneiging naar een of andere zijde zijn, dus: stabiel, in rust,

eeuwig zijn; onder Yoeng het nooit veranderen, altijd hetzelfde

blijven. Choeng is het doel van de rechte Tao, het rechte spiritueele

Pad, dat altijd stabiel ’t zelfde is, en niet neigt naar een of

andere zijde, Yoeng is het vaste principe van al ’t Geopenbaarde, de

onveranderlijke kern van al de veranderlijke dingen.

De voorreden van de Choeng Yoeng zegt van het eerste hoofdstuk, dat ik

zooeven behandelde: „Het spreekt eerst van het ééne principe (de

Sing n.l.) dan spreidt het dit uit, en het omvat alle dingen, ten

laatste keert het terug en vereenigt ze weer onder het eene principe.

Ontrol het, en het vult het Heelal, rolt het (weer) op en het verbergt

zich in mysterie”.

M.a.w. het Hemelsche principe doordringt het Heelal, en is in alle

dingen gemanifesteerd, de Eenheid is in de Veelheid, maar alle Veelheid

kan teruggebracht worden tot Eenheid. En die Eenheid, het goddelijke,

ligt voor ons verborgen in mysterie.

In de Loen Yü, eene verzameling gezegden van en over Confucius, door

zijne discipelen opgeteekend, komt het volgende gezegde van den Meester

voor: „Mijn leer is een Eenheid die alles samenhoudt”. Met deze

Eenheid bedoelde hij het universeele van het goddelijke principe, dat

het Heelal, en dus ook de menschen, doordringt, de Sing, door den Hemel

of het Opperwezen in Zijne Wijsheid, zijn Wil gegeven, toen Hij zich

openbaarde, en waarvan het volgen heet Tao, het spiritueele Pad, dat

alzoo is als het bewegen van de zich openbarende Godheid in het Heelal,

dat Hij openbaarde.

Met betrekking op de menschen vindt dit Eenheids-Idee óók haar

uiting, in een ander karakter uit de Confucianistische filosofie, n.l.

„Shoe”, ideografisch samengesteld uit „evenals”, „gelijk

aan” en „hart”, dus: „gelijk aan mijn hart”.

In de Loen Yü lezen wij: Tsz’Koeng (een van Confucius’ discipelen)

vroeg eens: „Is er één woord, dat als een regel van gedrag voor

’t geheele leven kan gelden?” De Meester zeide: „Is niet Shoe

zulk een woord? Wat gij niet wilt van anderen gedaan zijn, doe dat ook

aan anderen niet”.

Deze tekst, bijna eender door Jezus Christus later geuit, is

karakteristiek voor Confucius’ filosofie. Dit karakter „shoe” is

moeilijk te vertalen, ideografisch leest de Chinees er al in: gelijk

mijn hart is het hart der menschen. Prof. Legge vertaalde het door

„reciprocity”.

We zouden het ook, in Hollandsche termen gelijkheid of broederschap

kunnen noemen. Het groote principe van Confucius nu is: de eigen Sing

rein houden en volmaakt doen blijven, maar ook: de Sing van anderen,

van onze broeders, rein houden en volmaken, en dit laatste geschiedt

door Kiao, dat èn onderricht en godsdienstleer beteekent. De Hemel, of

Shang Ti, gaf ons bij onze geboorte de Sing, en is dus onze Vader. Onze

medemenschen, die immers dezelfde Sing hebben als wij, zijn onze

broeders. Dr. Chen Huan Chang noemt dat in westersche termen: De leer

van ’t vaderschap van God en de broederschap der menschen.

Als de zoon van Shang Ti, later beschouwd van Th’ien, Hemel, werd in

latere eeuwen erkend de Keizer, wien dan ook de eerenaam Th’ien

Tsz’, d.i. Zoon van den Hemel, werd gegeven. Met betrekking tot het

menschelijk leven op de aarde—dus niet in hóógeren metaphysischen

zin hier—werd een ander Drietal als heilig, van hooger hand

vastgesteld, aangenomen, n.l. Th’ien-Ti-Jên, Hemel-Aarde-Mensch. De

hooge wetten, die den Hemel, Th’ien regeeren, zijn dezelfde als die,

welke de aarde, en ook de menschheid regeeren. Al die wetten, die de

menschheid regeeren, en die met bepaald ceremonieel worden

samengehouden en uitgevoerd, openbaren zich in wat in de Chineesche

taal „Li” heet, een onvertaalbaar begrip, waar decorum nog het

dichtste bij komt, mits begrepen als: door hoogere machten en wetten

vastgesteld, die ook den Hemel regeeren. De vaste wetten, die het

geheele planeet-stelsel zijn baan aangeven, zijn dezelfde als die de

z.g. betrekkingen der menschen regelen. Men houde dit goed in ’t oog,

want de geheele inrichting van den Chineeschen staat en van de

Chineesche familie (die de staat in ’t klein is), werd beschouwd als

een goddelijke instelling.

Wat nu de Orde der dingen aangaat in de menschheid, het voornaamste

hiervan was volgens Confucius het onderhouden der z.g. Woe Loen, d.i.

Vijf Betrekkingen, n.l. die tusschen Vorst en Onderdaan, Vader en Zoon,

Man en Vrouw, Ouderen Broeder en Jongeren Broeder, en Vriend en Vriend.

Deze betrekkingen worden beschouwd als te zijn ingesteld door

goddelijke wet, en eigenlijk als eene voortzetting in de menschheid der

kosmische wetten.

Een van de allereerste deugden van den Mensch is de Hiao, uitgedrukt,

zeer treffend, door een ideografische combinatie van ’t karakter oud

en ’t karakter kind, waarin ’t kind, onderaan geplaatst, het oude

steunt.

Dit Hiao wordt meestal door Filial Pity, Ouderliefde, vertaald, maar

heeft een veel wijdere strekking dan algemeen geacht wordt. Hiao is

n.l. niet alleen ouderlijke liefde, maar in ’t algemeen een geheele

wijsbegeerte, gebaseerd op de regelende harmonieën der Natuur, op de

wederzijdsche verplichtingen tusschen die bovenaan staan in de wereld

en die onderaan staan, en op de kracht van het voorbeeld. De Hiao is,

in ’t maatschappelijke leven der Chineezen, wat de orde der hemelsche

bewegingen en de onuitputtelijke vruchtbaarheid van de aarde is ten

opzichte van het zichtbare heelal.

In de Hiao King, door een van Confucius’ discipelen gecompileerd,

maar van onbekende afkomst, is alles over deze deugd te vinden. Hier

volgen eenige teksten er uit, waaruit men ziet, dat het méér is dan

enkel liefde voor de ouders.

„Van de Hiao is het eerste principe om, in zuiverheid en kracht, het

lichaam te behouden, dat wij van onze ouders hebben gekregen. Zijn

volmaaktheid ligt in de beoefening van de deugd en in ’t verwerven

van een naam, die hun herinnering eer aandoet.”

„Zijn voorbeeld is de regelmatigheid der hemelsche lichamen in ’t

verschaffen wat noodig is voor de aarde, en in ’t regelen van de

daden der menschen.”

„De koningen, van oudsher af, in ’t betrachten van Hiao, zouden

niet een oude van dagen of een weduwe durven verachten, noch iemand,

beroemd om zijn deugd en wijsheid.”

„Eén deugdzame koning trekt een heel volk met zich mede. Laat de

vrees om de herinnering aan Uw ouders te kwetsen de eerste gedachte

zijn van Uw droomen, en laat de slaap ze niet verdrijven”.

Hiao is dus méér dan ouderliefde, het is ook eerbied voor den koning,

eerbied voor deugd en wijsheid, voor ouden van dagen, ja, we kunnen

gerust zeggen, voor al wat schoon en edel is, en zelfs de koning en de

keizer hebben alleen dan Hiao, als zij rechtvaardig en wijs regeeren.

De eerste aller deugden zegt Confucius, ’t zij in een zoon of in een

onderdaan, is Hiao. Het is dit wat de mensch van ’t redelooze dier

onderscheidt, het is dit, hetgeen de erkentenis is van de ware relatie

tusschen kind en vader, tusschen vader en Hemel, en door de beoefening

van Hiao is het, dat de harmonie van ’t Heelal wordt bewaard.

Dat Hiao nog véél verder gaat dan alléén liefde en gehoorzaamheid

aan de ouders kan blijken uit een tekst uit de Li Ki, die luidt:

„Iedere boom heeft zijn bepaalden tijd om te vergaan en ieder beest

om te sterven, en hij, die een boom omhakt vóór zijn tijd, of een

beest doodt vóór diens tijd is schuldig aan een gebrek aan Hiao”.

Zeer treffend is het feit, dat onder de vijf Betrekkingen ook

Vriendschap is opgenomen.

De liefde tusschen broeders is even heilig als de liefde tusschen

vrienden. Vriendschap is in China een even heilige zaak als nauwe

bloedverwantschap. Van den keizer af moeten allen vrienden hebben, zegt

Confucius.

Vriendschap is de eerste van alle sociale relaties en mag niet voor

één dag verwaarloosd worden. Niemand mag een vriend hebben, die niet

minstens zijn gelijke is. Vrienden zijn weelde voor de armen, kracht

voor de zwakken, medicijn voor de zieken. Zij moeten altijd de slechte

dingen van hun vriend vergeven en om hun deugden blijven denken. De

schoonste vriendschap is die, welke door den band der literatuur is

gemaakt. Confucius zeide: Sluit vriendschap met de deugdzaamsten onder

de literatoren. De hoofdplicht tusschen vrienden is: sin, een

ideografisch karakter, samengesteld uit „mensch” en „woorden”

of „spreken”.

„Sin” beteekent dan ook waarheid, oprechtheid, geloof. Geraaktheid,

twijfel, wantrouwen tusschen vrienden is een gebrek aan sin.

Confucius onderscheidt nu drie soorten van menschen. De eerste, maar

héél zeldzame, zijn de Shêng Jên, de Heilige Menschen, Wijzen, en

dat zijn de uitverkorenen, die vanzelf de hoogste Wijsheid zonder

inspanning bezitten, en die daarom van zelf Tao, het spiritueele Pad

begaan, zonder dat daartoe ontwikkeling door Kiao, onderricht, leering,

noodig is. Hun Sing, hun goddelijke principe, wordt nooit, door wàt

ook van menschelijken aard, verduisterd, en verkeert van zelf in den

staat van volkomen volmaking, die Confucius uitdrukt met het

schriftteeken: Ch’ing, een karakter, bestaande uit „woord”, en,

„volmaakt”.

Ch’ing is de volmaakt reine, door niets verduisterde,

oorspronkelijke, en dus goddelijke staat van de Sing. Zij, die in den

staat Ch’ing zijn, hebben het al-Weten en doorgronden de goddelijke

dingen.

Zij zijn in zekeren zin één met Th’ien, den Hemel, of, abstracter

gesproken, met Shang Ti, het Opperwezen.

Confucius zelf is door het nageslacht als zulk een Shêng Jên

beschouwd.

De tweede soort is wat Confucius noemt de Kiün Tsz’, de Vorstelijke,

Koninklijke Mensch, we zouden ook kunnen zeggen: De Superieure Mensch.

Dr. van Deventer heeft er mij eens op gewezen dat deze Kiün Tsz’,

zooals hij er in mijn vertaling van Confucius over las, veel heeft van

wat in de Grieksche Platonische filosofie heet kalokágathos. Er is

misschien ook iets in, maar dan zonder het conventioneele dat er aan is

gaan kleven, en meer in ’t hoogere, ideale, van ’t Engelsche

„gentleman”.

De derde soort is de Siao Jên, de Kleine Mensch. De meeste sinologen,

en ik vroeger ook, hebben dit opgevat in den zin van de verachtelijke

mensch, maar volgens de moderne Confucianisten beteekent het meer de

mindere, nog niet ontwikkelde mensch, de armere mensch die, omdat hij

nog uitsluitend om zijn voedsel moet denken en tobben, het hoogere

ethische leven nog niet kent. Het zou dan veel hebben, van wat in

Europa met eene klasse-aanduiding de proletariër heet.

Het wonderschoone in Confucius’ leer is dat hij het bereiken der

hoogste Deugd binnen ieders vermogen stelt en verzekert, dat

„Ch’ing”, den staat van volmaakte helderheid der Sing, dien de

Wijze Heilige, de „Shêng Jên” reeds bij de geboorte bezit, ook

door andere, gewone menschen door onderricht („Kiao”) en oefening

kan verkregen worden. Dit wordt duidelijk gezegd in den tekst uit de

„Choeng Yoeng”:

„Sommige worden met de kennis (der plichten en deugden) geboren;

sommigen leeren haar later; sommigen kennen haar (eerst) na een

smartelijk besef van hun onwetendheid. Maar als ze haar eenmaal weten

is het ’t zelfde.”

Men behoeft alzoo niet als heilige geboren te worden om den volmaakten

staat „Ch’ing” te bereiken. Ieder kan dit „Ch’ing”

verkrijgen, hetzij door studie, hetzij door de loutering en verheffing

van de smart.

Ik zal nu eerst eens nader de menschelijke betrekkingen der „Woe

Loen” toelichten.

Men houde vooral in het oog, dat de „vijf betrekkingen” als een

orde van dingen in de menschheid beschouwd worden, die eene

voortvloeiing zijn van de groote Orde der Dingen van het heelal. Zij

zijn dus niet enkel een maatschappelijke, maar eigenlijk een heilige,

kosmische orde. De ritueele of formeele orde, die het gedrag der

menschen in die betrekkingen regelt is wat in China „Li” heet. In

een der heilige boeken, de „Li Ki” is al het daaraan verbonden

ceremonieel omschreven. De „Li” is echter niet enkel ceremonieel en

ritueel van menschen onderling, maar ook van menschen tegenover de

hoogere, goddelijke machten. Voor zoover de formaliteiten onder

menschen aangaat is dit ceremonieel door oningewijde Westerlingen

veelal voor overdreven conventie, en zelfs affectatie aangezien. Deze

„Li” is echter niet—als de Westersche begrippen decorum,

beleefdheid, fatsoen enz.—afgescheiden van ethica en geloof in China,

maar is er identiek mede. De ceremoniën van de „Li” zijn „een

symbool van den mensch in zijn veelvuldige verwantschappen”, en wel

niet enkel menschelijke, maar ook kosmische en goddelijke

verwantschappen. Uit het hoofdstuk in dit werk over de „Yih King”

zal men gewaar worden, dat kosmisch en goddelijk in ’t Chineesch zeer

na verwante, zoo niet identieke begrippen zijn, daar de gansche kosmos

goddelijke openbaring is.

De Chineesche familie is, zooals ik reeds zeide, niet enkel een

maatschappelijke, maar een kosmische orde. Eerbied voor de familie is

eerbied voor de kosmische orde, voor de goddelijke orde. De Chineesche

familie is de georganiseerde uitdrukking van den staat. Vandaar dat de

absolute keizerlijke macht over het rijk afgespiegeld is in de absolute

„patria potestas” in de familie. Het godsdienstige ideaal is in de

inrichting der familie zichtbaar gemaakt in patriarchale vormen. De

familie is èn een religieuze, èn een kosmische, èn een sociale

instelling. Het begrip „familie” weerspiegelt ook het hoogere

„creatie”, onafgebroken vorming en voortbrenging van leven. Samuel

Johnson heeft terecht den innigen samenhang tusschen de leden eener

Chineesche familie verklaard uit hetgeen hij noemt „the religion of

the seed”. Deze is zóó veelomvattend dat hij verwantschap berekent

in negen geslachten, en dat de oudere broeder den zoon van zijn

jongeren broeder als zijn eigen zoon beschouwt, en volle neven worden

gerekend broeder te zijn.

Zóó als de keizer verantwoordelijk is voor het welzijn van zijn volk,

is de familievader verantwoordelijk voor dat zijner familie. Hij heeft

een onbeperkte „patria potestas” maar hij is dan ook de waker, de

hoeder over alles en allen in de familie, hij moet voor haar zorgen en

werken, en zelfs is hij aansprakelijk voor het gedrag der familieleden.

Volgens de „Shêng Yü”, het Heilige Edict, uitgevaardigd door

keizer Kh’ang Hsi, is hij zelfs strafbaar voor de vergrijpen en

misdaden der kinderen. Dit Heilige Edict vergelijkt de familie met een

stroom, die vele takken en zijarmen heeft, waarin, hoe vèr ook van den

oorsprong, hetzelfde water is.

De noodzakelijkheid, het leven altijd door te verlengen, als een

heilige plicht, geeft aan het huwelijk als eerste doel het verwekken

van kinderen. Te sterven zonder zonen na te laten is een bewijs van

oneerbiedigheid tegenover de ouders en voorouders, een gebrek aan

„Hiao”, en daarom is voor een man zonder zonen adoptie—mits van

een agnatischen verwant—plicht en is, zelfs nà zijn dood, voor de

familie-oudsten posthume adoptie voorgeschreven. Door dit verlangen

naar zonen heeft het patriarchale concubinaat, gegrond op voortzetting

van het heilige leven, in China niet een enkel zinnelijk motief, maar

is het oorspronkelijk godsdienstig. De patriarch is het moreele en

sociale hoofd van de familie, wiens priester hij in zekeren zin is.

Naar beneden vloeit de patriarchale idee zóó uit, dat de oudere

broeder macht heeft over den jongere, en tevens den plicht, hem te

steunen en te leeren. Als twee broeders twisten, zegt het Heilige

Edict, is dit alsof de linkerhand de rechter slaat.

De „patria potestas” is een absolute macht, evenals de keizerlijke

autoriteit, maar steeds getemperd en begrensd door recht, door de

plicht ook om te onderwijzen en liefderijk te helpen en te steunen.

In zekeren zin is Ouderdom óók een patriarch in China.

De „Li Ki” zegt, dat eerbied voor den Ouderdom even oud is als het

menschelijk geweten.

De geheele Chineesche godsdienst is wel eens genoemd eene ontwikkeling

uit de „Hiao”, die de liefde en de eerbied tot de ouders niet

alleen is, maar de ondergeschiktheid, in reverentie, van ’t lagere in

de orde der dingen tot het hoogere in die orde. In elken Chineeschen

vorm van godsdienst is de basis patriarchaal.

De patriarch in de Chineesche familie heeft ook niet zijn autoriteit

als alleenstaand persoonlijk individu, maar als een schakel in de

kosmische orde der dingen, als constitueerend deel der geheele Familie,

de doode voorvaderen medegerekend, en deze familie weer mede

constitueerend den staat, met aan ’t hoofd de keizer, die weer boven

zich heeft zijn vader Shang Ti (of, meer concreet: Th’ien, den

Hemel).

Wij moeten dus den voor ons, Westerlingen, overdreven lijkenden

samenhang der Chineesche familie, en den eerbied der Chineezen voor hun

familiebetrekkingen—een eerbied, zóó groot, dat een volwassen,

veertigjarig man niets van belang doen zal vóór zijn ouden vader

eerst om raad, en vergunning te vragen—niet beschouwen als een

maatschappelijke conventie, maar als eerbied voor de kosmische en

goddelijke Orde der dingen. Het Pad, Tao, kan niet begaan worden zonder

eerbied voor en in standhouding van de familiebetrekkingen. Een tekst

uit de „Choeng Yoeng” zegt dan ook: „De Tao van den Kiün Tsz’

begint met (den gewonen omgang van) mannen en vrouwen. Maar aan het

opperste er van gekomen strekt Tao zich uit over Hemel en Aarde”.

Zooals ik reeds gezegd heb, werd de Sing door Confucius beschouwd als

de bron van alle menschelijke deugden. Was deze Sing dus in den

toestand van Ch’ing, Volmaaktheid, dan waren alle deugden in den

mensch ook volmaakt. De mensch wordt, volgens Confucius, dus niet

geboren met zonde, maar met Deugd. Er is geen Duivel en geen Hel, die

hem wachten, omdat hij (waar hij toch moeilijk iets aan doen kon) met

erfzonde geboren werd, maar door zijn Deugd, indien hij zich slechts

aan de Sing hield, en deze in Ch’ing, den volmaakten staat bleef, kan

hij worden als zijn Vader, den Hemel, Shang Ti. Niet met een soort

boeman, die Satan heette, noch met een brandend vuurtje, de Hel, moeten

de menschen bang gehouden worden, om hun des te beter te kunnen

regeeren, maar door de kracht van zijn eigen Wijsheid, die de Deugd

insluit, moet de regeerder het volk regeeren. Regeert hij niet met de

Deugd en de Wijsheid, dan wordt het Ming, het mandaat van den Hemel hem

ontnomen.

575 jaar voor Confucius werd de tiran keizer Chow door den

revolutionnair Wen Wang, die later een zeer goed, wijs koning werd,

onthoofd, omdat hij zijn macht in wreedheid misbruikte, en deze Wen

Wang wordt in de Shoe King als een van China’s deugdzaamste groote

mannen verheerlijkt en door Confucius telkens als moreel voorbeeld

gesteld.

De „Sing” is het uitgangspunt van het geheele leven, zoowel in de

familie als in den staat. En hier komen wij nu tot het schoone

beginsel, waarin de Geest van China zich op zijn heerlijkst openbaart,

en dat het geheele Westen, dat zijn staatkundige inrichting op het

oogenblik in haar grondvesten geschokt ziet, hoog noodig van het Oosten

behoort over te nemen, namelijk dit: dat regeeren berust op het

zelf-karakter, dus op de cultivatie van de Sing, van den regeerder of

de regeerders. Niet op enkel kunde, intellect, knapheid van de

regeerders behoort de staat te berusten, maar op hun karakter.

Ik haal, om dit te illustreeren, eenige teksten van Confucius hieronder

aan:

„Daarom mag (de Vorst die een Kiün Tsz’ is) niet verzuimen zijn

eigen karakter te verzorgen. Wil hij zijn eigen karakter verzorgen, dan

mag hij niet verzuimen, zijn ouders te dienen. Wil hij zijn ouders

dienen, dan mag hij niet verzuimen de menschen te kennen. Wil hij de

menschen kennen, dan mag hij niet verzuimen, den Hemel te kennen”.

[12]

„De instellingen en wetten van den (Vorst die een) Kiün Tsz’ (is)

hebben hun oorsprong in zijn eigen karakter, en de bevestiging er van

gebeurt door de groote massa van het volk”. [13]

„Alleen hij, die de opperste Wijsheid heeft onder den Hemel kan

voldoende vlug van bevatting, helder van doorzicht, van vèr-reikende

intelligentie, àlomvattend van kennis zijn om de regeering uit te

oefenen”. [14]

„Alleen hij, die de opperste „Ching” heeft onder den Hemel, kan

de hoogste, natuurlijke betrekkingen der menschen onder den Hemel

regelen, kan de groote, oorspronkelijke deugden van den Hemel

grondvesten, kan de transformeerende en voedende acties van den Hemel

weten. Hoe zou hij iets buiten zichzelf kunnen hebben om op te

steunen?” [15]

„De Ouden, die de schitterende Deugd door het geheele keizerrijk

wilden heldermaken, regeerden eerst hun rijk goed. Wilden zij hun rijk

regeeren, dan regelden zij eerst hun families. Wilden zij hun families

regelen, dan verzorgden zij eerst hun Zelf. Wilden zij hun Zelf

verzorgen dan maakten zij eerst hun wil en gedachten oprecht, wilden

zij hun wil en gedachten oprecht maken, dan voerden zij hun kennis tot

het allerhoogste op. De kennis tot het allerhoogste opvoeren bestaat in

het doorgronden van de dingen”. [16]

„Van den Keizer af tot de massa van het volk toe moeten allen het

verzorgen van het Zelf als de Oorsprong beschouwen.” [17] „Wordt de

Oorsprong verward dan kan niets wat daaruit voortkomt tot goede orde

worden gebracht”. [18]

„Wat bedoeld wordt met „Om het rijk te regeeren moet men eerst

zijne familie regelen” beteekent: als men zijne familie niet kan

leeren, kan men andere menschen niet leeren. Daarom behoeft de Kiün

Tsz’ niet buiten zijne familie te gaan om zijn leer voor den staat te

volmaken. De Hiao, daarmede moet men zijn vorst dienen. De Ti (liefde

voor ouderen broeder) daarmede moet men zijn superieuren dienen. De

Ts’z’ (mededoogen) daarmede moet men de menigte behandelen”. [19]

„Daarom moet (de Vorst die een Kiün Tsz’ is) alles (eerst) zelf

hebben en daarna van het volk verlangen, dat het zelf (ook) heeft, en

moet alles (eerst) zelf niet hebben en daarna van het volk verlangen,

dat het dit zelf (ook) niet heeft. Een mensch, die zichzelf wegcijfert

en (alles) niet wederkeerig op zichzelf doet slaan, en (toch) het volk

vermocht te leeren, heeft nog niet bestaan”. [20]

„Daarom zal de Vorst allereerst zorg dragen voor (eigen) deugd. Als

hij de deugd heeft, heeft hij ook de menschen. Als hij de menschen

heeft, heeft hij het grondgebied. Als hij het grondgebied heeft, heeft

hij bezittingen. Heeft hij bezittingen dan heeft hij middelen voor zijn

uitgaven.” [21]

„De deugd is de Oorsprong. De bezittingen zijn het einde.” [22]

„De Vorst die den Oorsprong bijzaak maakt, en het einde hoofdzaak,

zal met het volk in strijd komen, en maken dat er roof gebeurt”. [23]

„Daarom heeft de (Vorst die een) Kiün Tsz’ (is) een groote Tao

(Weg) te volgen. Met zelfvolmaking en waarachtigheid verkrijgt hij het.

Met hoogmoed en buitensporigheid verliest hij het.” [24]

Bovenstaande teksten illustreeren genoegzaam de bedoeling, dat het de

Wijsheid is, die alleen recht en bevoegdheid geeft om te regeeren.

Uit den schoonen, en zoo eenvoudigen tekst: „De Deugd is de

oorsprong, de bezittingen zijn het einde” volgt de oplossing van het

moeilijke raadsel, waardoor de wereld thans in zulk eene schromelijke

verwarring is, namelijk het raadsel, hoe de groote economische strijd

is op te lossen. Die oplossing zal namelijk eerst daar zijn, wanneer

Economie en Ethica één zijn.

Om een en ander goed uit te leggen is het echter noodig, eerst iets te

vertellen van een toekomst-droom, door Confucius in een grandioze

zieners-vizie gedroomd.

De Geest van China · 第 12 / 48 题