„Tsz’ Koeng (een discipel) vroeg eens Confucius een en ander over
Regeering:
„De vereischten voor eene Regeering”, zeide Confucius, „zijn dat
er voldoende voedsel zij, voldoende soldaten, en het geloof
(oprechtheid, eerlijkheid) van het volk”. Tsz’ Koeng zeide: „Als
het nu eens niet anders kón, en een van deze dingen moest weg, welke
moest dan het eerste weg?”—„De soldaten” antwoordde
Confucius.—„En als het nu eens niet anders kón maar een van de
twee overblijvende moest weg?” was nu de vraag weer.—En Confucius
antwoordde: „Doe dan afstand van het voedsel. Van oudsher af is de
dood het lot van alle menschen, maar als er geen geloof (oprechtheid,
eerlijkheid) in de harten der menschen is, is de Staat niet
gevestigd.”
Het woord voedsel moet hier worden opgevat als te omvatten alle
economische leven; het woord soldaten alle militaire krachten; het
woord geloof alle godsdienstige en ethische leven. Zelfs in dèze
woorden noemt Confucius het voedsel, het economische, het eerste,
vóóraan, als antwoord op een vraag omtrent Regeering. Maar tóch
concludeert hij, als òf ’t economische òf ’t ethische leven moet
worden opgeofferd, tot opoffering van ’t economische. Dit schijnt
tegenstrijdig aan zijn eigen principe dat economisch moet harmonieeren
met ethisch, maar tòch is er hier harmonie. In het éérste Stadium
der Evolutie, het z.g. Primaire, Wanordelijke, weten de menschen nog
niet van ethica, hun onmiddellijke behoefte is voedsel, en als ge tegen
hun spreekt over ethica en godsdienst—zooals nù nog in Europa zoo
veel gebeurt—terwijl ze honger en gebrek lijden, luisteren ze daar
niet naar.
Maar in de gulden toekomsteeuwen der „Ta T’oeng”, der Groote
Gelijkheid, zal dit alles anders zijn, dan zullen Ethica en Economie
niet meer in botsing komen omdat ze een zullen zijn.
Ik kom thans aan het einde van mijn hoofdstuk over Confucius, den
grooten Wijze, in wien de Geest van China het meest belichaamd is. Die
geest is de geest van den staat, de familie, en het individu van China
tegelijk.
De Confucianistische Staat is eene evolutie van moreele Orde, schreef
Johnson. De integriteit van de politieke sfeer is er afhankelijk van
het zelf-respect en de beschaving van haar leden. De familie is de
sociale eenheid van den staat, en ieder is gehouden, die sociale
eenheid zoo edel en moreel mogelijk te maken. Verder wordt het recht om
anderen te regeeren gebaseerd op de macht om zich zelf te regeeren. In
de „Loen Yü” staat: „De cultiveering van het Zelf is de wortel
van alles”.
De geheele wereld en ook het geheele Heelal worden bijeengehouden door
één „alles-omvattende Eenheid”. Die Eenheid is het universeele
van alle principes, en omvat onder één Wet de Persoon, de Familie,
den Staat en het Heelal. Eenheid, dat hoogste doel van alle
godsdienstige filosofie, rust voor Confucius op puur ethische en
practische gronden en hun toepassing op iedere sfeer. Zooiets als zonde
of zondeval is in de geheele Chineesche filosofie onbekend, en, zooals
ik reeds zeide, zooiets geraffineerd kwaads als b. v. de Satan-idee
eveneens. Ieder mensch kan volgens Confucius de Deugd bereiken, omdat
de Deugd zijn innerlijke natuur is en zijn onveranderlijke betrekking
tot het Heelal. Zóó als het Christendom het Vaderschap van God
erkent, zóó is het Confucianistische geloof een erkentenis van de
Wijsheid, Orde, Goedheid en Rechtvaardigheid van kosmische wetten, door
Shang Ti, het opperwezen voorgesteld en van ’s menschen Eenheid
daarmede. De natuur van den mensch is, volgens Confucius niet, zooals
’t Christendom aanneemt, door een oorspronkelijken zondeval
„zondig”, maar zóó als de natuur van goud hardheid is, en de
natuur van vuur hitte, zóó is de natuur van den mensch „Jên”
d.i. tegelijk liefde, rechtvaardigheid, getrouwheid, wijsheid,
zedelijkheid. De Hemel—Th’ien—heeft den mensch géén zonde
medegegeven, maar de opperste goedheid en deugd, en de geheele kunst
van het leven is, deze rein te houden, en zich te concentreeren in wat
het hart—hier ook: de geest—van den Hemel medekreeg bij zijn
geboorte. Men kan, dit in ’t oog houdende begrijpen, hoe moeilijk een
Chinees het Christendom met zijn idee van zondeval, aanneemt.
Gebed is in dit systeem onnoodig, omdat de Hemel zich niet met ieder
mensch apart bemoeit. De Hemel, Th’ien, [26] helpt niet speciaal
dezen of genen. Th’ien op zich zelf, absoluut zijnde, staat ook boven
de relatieve begrippen goed of kwaad, want het probleem, wat Th’ien
is, is transcendent aan alle betrekkelijkheden. Goed en kwaad bestaan
alleen ten opzichte der evolutie van wereld en mensch.
In een Appendix van de „Yih King” staat te lezen:
„De kosmische processen geven hun stimulans aan alle dingen, maar
hebben niet de bezorgdheid van den Wijze”.
Th’ien representeert kosmische processen, de Wijze ethische. Maar wel
heeft Th’ien bij de geboorte den mensch—en trouwens al het
bestaande—de Sing medegegeven, waarin alle deugd en goedheid inherent
zijn, en de mensch heeft de bewustheid, om die volmaakt in hem te doen
blijven, als hij de Sing maar in den volmaakten staat „Ch’ing”
houdt. En dat kan hij door oefening en studie, en leert hij ook door
smart.
Zulk een leer geeft den mensch zelf-respect, zelf-bewustheid,
waardigheid. Die waardigheid, met een sereene kalmte en voorname rust
zijn dan ook het kenmerk van den beschaafden, ontwikkelden Chinees.
Heftigheid, grofheid en drift, die groote gebreken van den Westerling,
zijn in China bewijzen van onbeschaafdheid, ongeletterdheid, en gebrek
aan evenwicht, middenmaat. Rust, kalmte, worden ze niet den Chinees
geleerd in die wonderwijze leer van „Choeng Yoeng”, en zijn
evenwicht en middenmaat niet het bewijs dat er Harmonie is in het
leven? Het is die waardige kalmte, die stijlvolle rust, die zich in al
de gebaren van het Chineesche ceremonieel, de Li, uitdrukt, die Li, die
het uiterlijke rythme is van het innerlijke evenwichtige, harmonieuze
leven. De gebruikelijke wensch en groet der Chineezen: „ts’ing
ngan” („ik wensch, ik verzoek voor u Rust”) drukt dit al reeds
uit. Men wenscht elkaar geen vermaak, of amusement, maar Rust, die
immers het hoogste levensgeluk is.
En Rust is tegelijk „Midden”, want zij is te vinden in
„Choeng”, het geestelijk centrum van al ’t geopenbaarde.
In dezen groet „ts’ing ngan” weerspiegelt zich de Geest van China
zeker wel het schoonste.
Alvorens dit hoofdstuk te eindigen over Confucius en over zijn Leer,
waarin de Geest van China bijna geheel bevat is, wensch ik even eenige
regelen aan te halen, die ik in mijn werk „Het Daghet in den
Oosten” [27] in het hoofdstuk „Confucius en de Hal der
Klassieken” aan dezen grooten Wijze gewijd heb:
„Het is wèl zeer merkwaardig, en zoover ik weet eenig in de
wereld-geschiedenis, dat niet een of andere Godheid, maar een Wijze,
die nooit bepaald gedeïfieerd is, al is hij een Heilig Mensch
verklaard, dus altijd mensch is gebleven, als het voorbeeld van het
nageslacht, zoowel van keizeren als van het volk, is vereerd. Niet de
een of andere buitengewone krijgsman of veroveraar, maar een Wijze, is
het groote, zoowel moreele als politieke voorbeeld, het voorwerp der
diepste vereering van het Chineesche volk geweest, en dit feit is zóó
veelzeggend, dat het voor China’s toekomst de schoonste mogelijkheden
van wijsheid, schoonheid en rechtvaardigheid bevat. Een volk, dat niet
de brute kracht van den geweldenaar, noch het enkele keizer- of
koningschap zonder meer, maar de Wijsheid als hoogste goed beschouwt,
en in een Wijze zijn voorbeeld ziet, zulk een volk kan aan de spits der
beschaving komen te staan, als het de moeilijkheden en strubbelingen
zijner hervorming eenmaal te boven is gekomen”.
„Denkt niet, gij Europeanen, mijn blanke broeders, al is het
brieschende stoompaard Peking binnen gedaverd, al blinken de
telephoon-draden boven de Verboden Stad, al trillen de westersche,
moderne ideeën boven de Chineesche volksziel, en al breekt de
hervorming haar glorieuze baan, spoken van duisternis, bijgeloof en
onkunde verjagend, dat daarom ooit de geest van den grooten Meester
Kh’oeng uit het Chineesche volk zal worden verdreven, want de kern
van Waarheid die hij, naast veel nu overtollige bespiegeling over
eertijds onontbeerlijke ceremonieel blootlegde, is een goddelijke gift,
niet van de tijden, maar van de eeuwigheid. De uiterlijkheden zullen
veranderen, nieuwe stroomingen van gedachten zullen door het Chineesch
brein gaan, nu de vensters naar een nieuwe toekomst reeds wijd zijn
opengewaaid, maar onvernietigbaar zal door het Chineesche volk de
Wijsheid van den Meester Kh’oeng in haar innigste kern, ontdaan van
wat tijdelijk was en niet eeuwig, als zijn grootsten en heiligsten
schat worden bewaard.”
„De hooge Literatuur, die de schoone vorm is, waarin de hooge
Wijsheid zich openbaart, zal ook voor het moderne, hervormde China het
hoogste bezit blijven, niet de macht van geld, pantserschepen en
kanonnen”.
„Een volk, dat de Wijsheid, de hooge Literatuur boven alles vereert
en liefheeft, is het Volk van de toekomst, en als de liefde voor
Confucius—de innerlijke, niet die der uiterlijkheden—het blijft
bezielen, en niet breekt door den samenstoot met het onafwendbare
moderne, dan heeft het in zich een macht, grooter dan legers en
vloten....”
Men moet vooral in het moderne, dat China thans in sommige opzichten
aanneemt, geen algeheele reactie zien tegen het oude. Zelfs de
republikeinsche revolutie van 1911–1912 was dit niet. Mijn vriend Dr.
Lim Boon Keng, die te Nanking in het gevolg van Dr. Sun Yat Sen was,
schreef mij:
„We have dethroned a dynasty that had lost the spirit of antiquity,
and amidst the ruins of revolution, I hope, we shall reconstruct a new
temple upon the wisdom of the sages.” Dit is nooit goed ingezien, dat
de revolutiemannen van 1911, dat dus ook hun leider Dr. Sun Yat Sen,
wèl hoognoodige westersche hervormingen wilden, maar niet den ouden
Geest van China wenschten te verjagen. Integendeel, zij wenschten dien
Geest terug te krijgen, dien zij in gevaar zagen, onder de
Mandsjoe-dynastie verloren te gaan, en wel wilden zij een nieuw China
opbouwen, maar op de oude grondvesten: de Wijsheid der Ouden.