Een mooie illustratie hiervan geeft het volgende: [25]

„Tsz’ Koeng (een discipel) vroeg eens Confucius een en ander over

Regeering:

„De vereischten voor eene Regeering”, zeide Confucius, „zijn dat

er voldoende voedsel zij, voldoende soldaten, en het geloof

(oprechtheid, eerlijkheid) van het volk”. Tsz’ Koeng zeide: „Als

het nu eens niet anders kón, en een van deze dingen moest weg, welke

moest dan het eerste weg?”—„De soldaten” antwoordde

Confucius.—„En als het nu eens niet anders kón maar een van de

twee overblijvende moest weg?” was nu de vraag weer.—En Confucius

antwoordde: „Doe dan afstand van het voedsel. Van oudsher af is de

dood het lot van alle menschen, maar als er geen geloof (oprechtheid,

eerlijkheid) in de harten der menschen is, is de Staat niet

gevestigd.”

Het woord voedsel moet hier worden opgevat als te omvatten alle

economische leven; het woord soldaten alle militaire krachten; het

woord geloof alle godsdienstige en ethische leven. Zelfs in dèze

woorden noemt Confucius het voedsel, het economische, het eerste,

vóóraan, als antwoord op een vraag omtrent Regeering. Maar tóch

concludeert hij, als òf ’t economische òf ’t ethische leven moet

worden opgeofferd, tot opoffering van ’t economische. Dit schijnt

tegenstrijdig aan zijn eigen principe dat economisch moet harmonieeren

met ethisch, maar tòch is er hier harmonie. In het éérste Stadium

der Evolutie, het z.g. Primaire, Wanordelijke, weten de menschen nog

niet van ethica, hun onmiddellijke behoefte is voedsel, en als ge tegen

hun spreekt over ethica en godsdienst—zooals nù nog in Europa zoo

veel gebeurt—terwijl ze honger en gebrek lijden, luisteren ze daar

niet naar.

Maar in de gulden toekomsteeuwen der „Ta T’oeng”, der Groote

Gelijkheid, zal dit alles anders zijn, dan zullen Ethica en Economie

niet meer in botsing komen omdat ze een zullen zijn.

Ik kom thans aan het einde van mijn hoofdstuk over Confucius, den

grooten Wijze, in wien de Geest van China het meest belichaamd is. Die

geest is de geest van den staat, de familie, en het individu van China

tegelijk.

De Confucianistische Staat is eene evolutie van moreele Orde, schreef

Johnson. De integriteit van de politieke sfeer is er afhankelijk van

het zelf-respect en de beschaving van haar leden. De familie is de

sociale eenheid van den staat, en ieder is gehouden, die sociale

eenheid zoo edel en moreel mogelijk te maken. Verder wordt het recht om

anderen te regeeren gebaseerd op de macht om zich zelf te regeeren. In

de „Loen Yü” staat: „De cultiveering van het Zelf is de wortel

van alles”.

De geheele wereld en ook het geheele Heelal worden bijeengehouden door

één „alles-omvattende Eenheid”. Die Eenheid is het universeele

van alle principes, en omvat onder één Wet de Persoon, de Familie,

den Staat en het Heelal. Eenheid, dat hoogste doel van alle

godsdienstige filosofie, rust voor Confucius op puur ethische en

practische gronden en hun toepassing op iedere sfeer. Zooiets als zonde

of zondeval is in de geheele Chineesche filosofie onbekend, en, zooals

ik reeds zeide, zooiets geraffineerd kwaads als b. v. de Satan-idee

eveneens. Ieder mensch kan volgens Confucius de Deugd bereiken, omdat

de Deugd zijn innerlijke natuur is en zijn onveranderlijke betrekking

tot het Heelal. Zóó als het Christendom het Vaderschap van God

erkent, zóó is het Confucianistische geloof een erkentenis van de

Wijsheid, Orde, Goedheid en Rechtvaardigheid van kosmische wetten, door

Shang Ti, het opperwezen voorgesteld en van ’s menschen Eenheid

daarmede. De natuur van den mensch is, volgens Confucius niet, zooals

’t Christendom aanneemt, door een oorspronkelijken zondeval

„zondig”, maar zóó als de natuur van goud hardheid is, en de

natuur van vuur hitte, zóó is de natuur van den mensch „Jên”

d.i. tegelijk liefde, rechtvaardigheid, getrouwheid, wijsheid,

zedelijkheid. De Hemel—Th’ien—heeft den mensch géén zonde

medegegeven, maar de opperste goedheid en deugd, en de geheele kunst

van het leven is, deze rein te houden, en zich te concentreeren in wat

het hart—hier ook: de geest—van den Hemel medekreeg bij zijn

geboorte. Men kan, dit in ’t oog houdende begrijpen, hoe moeilijk een

Chinees het Christendom met zijn idee van zondeval, aanneemt.

Gebed is in dit systeem onnoodig, omdat de Hemel zich niet met ieder

mensch apart bemoeit. De Hemel, Th’ien, [26] helpt niet speciaal

dezen of genen. Th’ien op zich zelf, absoluut zijnde, staat ook boven

de relatieve begrippen goed of kwaad, want het probleem, wat Th’ien

is, is transcendent aan alle betrekkelijkheden. Goed en kwaad bestaan

alleen ten opzichte der evolutie van wereld en mensch.

In een Appendix van de „Yih King” staat te lezen:

„De kosmische processen geven hun stimulans aan alle dingen, maar

hebben niet de bezorgdheid van den Wijze”.

Th’ien representeert kosmische processen, de Wijze ethische. Maar wel

heeft Th’ien bij de geboorte den mensch—en trouwens al het

bestaande—de Sing medegegeven, waarin alle deugd en goedheid inherent

zijn, en de mensch heeft de bewustheid, om die volmaakt in hem te doen

blijven, als hij de Sing maar in den volmaakten staat „Ch’ing”

houdt. En dat kan hij door oefening en studie, en leert hij ook door

smart.

Zulk een leer geeft den mensch zelf-respect, zelf-bewustheid,

waardigheid. Die waardigheid, met een sereene kalmte en voorname rust

zijn dan ook het kenmerk van den beschaafden, ontwikkelden Chinees.

Heftigheid, grofheid en drift, die groote gebreken van den Westerling,

zijn in China bewijzen van onbeschaafdheid, ongeletterdheid, en gebrek

aan evenwicht, middenmaat. Rust, kalmte, worden ze niet den Chinees

geleerd in die wonderwijze leer van „Choeng Yoeng”, en zijn

evenwicht en middenmaat niet het bewijs dat er Harmonie is in het

leven? Het is die waardige kalmte, die stijlvolle rust, die zich in al

de gebaren van het Chineesche ceremonieel, de Li, uitdrukt, die Li, die

het uiterlijke rythme is van het innerlijke evenwichtige, harmonieuze

leven. De gebruikelijke wensch en groet der Chineezen: „ts’ing

ngan” („ik wensch, ik verzoek voor u Rust”) drukt dit al reeds

uit. Men wenscht elkaar geen vermaak, of amusement, maar Rust, die

immers het hoogste levensgeluk is.

En Rust is tegelijk „Midden”, want zij is te vinden in

„Choeng”, het geestelijk centrum van al ’t geopenbaarde.

In dezen groet „ts’ing ngan” weerspiegelt zich de Geest van China

zeker wel het schoonste.

Alvorens dit hoofdstuk te eindigen over Confucius en over zijn Leer,

waarin de Geest van China bijna geheel bevat is, wensch ik even eenige

regelen aan te halen, die ik in mijn werk „Het Daghet in den

Oosten” [27] in het hoofdstuk „Confucius en de Hal der

Klassieken” aan dezen grooten Wijze gewijd heb:

„Het is wèl zeer merkwaardig, en zoover ik weet eenig in de

wereld-geschiedenis, dat niet een of andere Godheid, maar een Wijze,

die nooit bepaald gedeïfieerd is, al is hij een Heilig Mensch

verklaard, dus altijd mensch is gebleven, als het voorbeeld van het

nageslacht, zoowel van keizeren als van het volk, is vereerd. Niet de

een of andere buitengewone krijgsman of veroveraar, maar een Wijze, is

het groote, zoowel moreele als politieke voorbeeld, het voorwerp der

diepste vereering van het Chineesche volk geweest, en dit feit is zóó

veelzeggend, dat het voor China’s toekomst de schoonste mogelijkheden

van wijsheid, schoonheid en rechtvaardigheid bevat. Een volk, dat niet

de brute kracht van den geweldenaar, noch het enkele keizer- of

koningschap zonder meer, maar de Wijsheid als hoogste goed beschouwt,

en in een Wijze zijn voorbeeld ziet, zulk een volk kan aan de spits der

beschaving komen te staan, als het de moeilijkheden en strubbelingen

zijner hervorming eenmaal te boven is gekomen”.

„Denkt niet, gij Europeanen, mijn blanke broeders, al is het

brieschende stoompaard Peking binnen gedaverd, al blinken de

telephoon-draden boven de Verboden Stad, al trillen de westersche,

moderne ideeën boven de Chineesche volksziel, en al breekt de

hervorming haar glorieuze baan, spoken van duisternis, bijgeloof en

onkunde verjagend, dat daarom ooit de geest van den grooten Meester

Kh’oeng uit het Chineesche volk zal worden verdreven, want de kern

van Waarheid die hij, naast veel nu overtollige bespiegeling over

eertijds onontbeerlijke ceremonieel blootlegde, is een goddelijke gift,

niet van de tijden, maar van de eeuwigheid. De uiterlijkheden zullen

veranderen, nieuwe stroomingen van gedachten zullen door het Chineesch

brein gaan, nu de vensters naar een nieuwe toekomst reeds wijd zijn

opengewaaid, maar onvernietigbaar zal door het Chineesche volk de

Wijsheid van den Meester Kh’oeng in haar innigste kern, ontdaan van

wat tijdelijk was en niet eeuwig, als zijn grootsten en heiligsten

schat worden bewaard.”

„De hooge Literatuur, die de schoone vorm is, waarin de hooge

Wijsheid zich openbaart, zal ook voor het moderne, hervormde China het

hoogste bezit blijven, niet de macht van geld, pantserschepen en

kanonnen”.

„Een volk, dat de Wijsheid, de hooge Literatuur boven alles vereert

en liefheeft, is het Volk van de toekomst, en als de liefde voor

Confucius—de innerlijke, niet die der uiterlijkheden—het blijft

bezielen, en niet breekt door den samenstoot met het onafwendbare

moderne, dan heeft het in zich een macht, grooter dan legers en

vloten....”

Men moet vooral in het moderne, dat China thans in sommige opzichten

aanneemt, geen algeheele reactie zien tegen het oude. Zelfs de

republikeinsche revolutie van 1911–1912 was dit niet. Mijn vriend Dr.

Lim Boon Keng, die te Nanking in het gevolg van Dr. Sun Yat Sen was,

schreef mij:

„We have dethroned a dynasty that had lost the spirit of antiquity,

and amidst the ruins of revolution, I hope, we shall reconstruct a new

temple upon the wisdom of the sages.” Dit is nooit goed ingezien, dat

de revolutiemannen van 1911, dat dus ook hun leider Dr. Sun Yat Sen,

wèl hoognoodige westersche hervormingen wilden, maar niet den ouden

Geest van China wenschten te verjagen. Integendeel, zij wenschten dien

Geest terug te krijgen, dien zij in gevaar zagen, onder de

Mandsjoe-dynastie verloren te gaan, en wel wilden zij een nieuw China

opbouwen, maar op de oude grondvesten: de Wijsheid der Ouden.

De Geest van China · 第 14 / 48 题