CONFUCIUS

(Kh’ oeng-Foe-Tsz’)

Meer dan twee duizend jaren geleden is het, dat zijn lichaam gestorven

is, maar nog altijd leeft de geest van Confucius in iedere Chineesche

woning.

Kort voor zijn dood, toen hij zich ziek voelde worden, zeide hij tot

zijn discipel Tsz’ Koeng: „De groote berg valt in puin. De stutbalk

breekt. De Wijze sterft weg als een plant”, maar dit doelde slechts

op zijn stoffelijk omhulsel, waarin zijn groote geest tijdelijk op

aarde woonde.

Zijn geest, die onsterfelijk is, heeft sedert over geheel China

getrild, en er is geen Geest van China denkbaar zonder den Geest van

Confucius.

„Mijn Leer is een Eenheid, die Alles samenhoudt,” zeide hij eens

tot zijn leerling Ts’an. Het is die Synthese, die het groote gebouw

van godsdienst, filosofie, literatuur, wetenschap en staatkunde van

China bij elkaar heeft gehouden, in kosmische Eenheid.

Er is eigenlijk niets in het leven der Chineezen, waarin de geest van

Confucius zich niet openbaart. Geen enkele gewichtige handeling, geen

enkele familie-, liefde-, of vriendschapsband, geen enkele literaire of

filosofische arbeid, geen enkele godsdienstige of wijsgeerige gedachte,

geen enkele beleefdheids-ceremonie, geen enkele maatschappelijke orde,

geen enkel levens-ding van de Chineezen is eigenlijk denkbaar, waarbij

de geest van Confucius hun niet beïnvloedt.

Wèl zeer terecht schreef de Chineesche literator Cheng Chang Loo in

1909 in een Engelsch blad:

„In China hebben wij gedurende de laatste 2500 jaar gewerkt op het

geaccumuleerde kapitaal van onze voorvaderen, wier illustere

herinneringen en onsterfelijke volmakingen voor ons zijn bewaard door

de vooruitziendheid en de wijsheid van onzen grooten Wijze Confucius.

Zonder Confucius zou het Verre Oosten—China, Korea, Annam en zelfs

het nu machtige Japan—gezonken zijn in de diepten van barbarisme”.

Al ware het alléén reeds om de twee door hem, honderden jaren vóór

zijn grooten mede-Leeraar der menschheid, Jezus Christus uitgesproken

gulden woorden:

„Alle menschen binnen de vier zeeën zijn broeders”

en

„Wat gij niet wilt dat aan U zelven gedaan wordt, doe dat aan anderen

niet”

zou hij reeds den titel verdiend hebben, die boven den inbouw van den

tempel van Confucius in Peking staat:

„Wan Shi Sh’ Piao”

(„Het Voorbeeld der Meesters van Tienduizend Eeuwen”)

en die de groote, literaire keizer Khang Hsi, de keizerlijke

literator-filosoof, met eigen penseel heeft neergeschreven.

De geest van Confucius heeft geleefd, en leeft nog altijd, in het

penseel van iederen Chineeschen literator, en in de geheele, hooge

Literatuur van China is het die geest geweest, die de Schoonheid er in

deed stralen.

Het eerste werk van de voornaamste literaire revolutionnairen van

1911–1912 was, om over het geheele land redevoeringen en voordrachten

te houden, om de leer van Confucius duidelijk te maken, zooals is

voorgeschreven in een der heilige Vier Boeken, de „Ta Hioh”, de

Groote Leering. Mijn vriend Dr. Lim Boon King zond mij, in ’t begin

van 1912, eene kleine serie Confucianistische teksten, door hem

opgesteld, die het onderwerp zouden vormen zijner „yen shwoh”

(voordrachten, ten doel hebbend, de nieuwe maatschappij op den

grondslag van Confucius’ leer op te trekken.)

Ik begin daarom de filosofie van China, waarin China’s Geest leeft,

te behandelen met de leer van China’s populairste Wijze K’hoeng Foe

Tsz’. Gelatinizeerd is deze naam Kh’oeng Foe Tsz’, die beteekent

den Meester Kh’oeng, Confucius geworden.

Confucius werd, volgens geloofwaardige commentators, geboren in ’t

jaar 552 v. C., doch door China’s grooten historieschrijver Sz’ Ma

Ch’ien is abusievelijk het jaar 551 v. C. opgegeven.

Om een denkbeeld te hebben van den tijd, waarin Confucius leefde,

moeten wij ons het China in die periode vooral niet denken als het

China van de laatste eeuwen. Het was een geheel ander China, waarin

alles, tot haardracht en kleeding toe, anders was dan nu.

De Chineesche geschiedenis verliest zich in de verre Oudheid. De

precieze datum van het begin dier geschiedenis is onbekend, maar het is

zeker, dat China als eene natie reeds 6000 jaar bestaat. De eerste

legendaire keizer, Pao Hsi of Fu Hsi, leefde 2402 jaar vóór de

geboorte van Confucius, alzoo omstreeks 2953–2839 v. C. Het was

gedurende de z.g. Chow-dynastie (1022–255 v. C.) dat de Chineesche

oude beschaving tot haar volle ontwikkeling kwam. Confucianisme, de

nieuwe godsdienst of juister misschien: de nieuwe filosofie van

Confucius, was daarom niet de godsdienst van een primitief volk, maar

van een volk met hooge, door eeuwen heen ontwikkelde beschaving.

Tijdens Confucius’ leven was de Chow-dynastie al aan het vervallen,

de keizers waren practisch al zonder werkelijke macht, en China leefde

in een verval-tijdperk van feudalisme. Iedere feudale staat was

eigenlijk een onafhankelijke natie, iedere vorst van zulk een natie

vocht om de oppermacht en de macht van die feudale vorsten was

eigenlijk grooter dan die van een keizer. Gedurende Confucius’ tijd

was de macht van die vorsten alweer gaandeweg in de handen van eenige

adellijke families gevallen en heerschte er een soort oligarchie.

Wanorde was door de regeerende klasse over het geheele rijk gebracht,

terwijl het volk, niet genoeg ontwikkeld om voor zich zelf te zorgen,

geheel verwaarloosd werd. Toch bestond er een midden-klasse, die zich

zelf had opgevoed, en ontwikkeld genoeg was voor nieuwe ideeën. Die

midden-klasse was het product van een reeds eeuwenoude beschaving. En,

ondanks die oligarchie, en die verwarring had iedereen vrijheid van

beweging en van spreken, zooals Dr. Chen Huan Cheng terecht opmerkt.

In 522 werd Confucius geboren in den staat Loe, den staat van den

hertog van Chow, ongeveer in ’t tegenwoordige Shantung. Loe was het

centrum der toenmalige Chineesche beschaving. In militaire kracht was

het de mindere van de oudere staten, maar in kunst, literatuur,

filosofie en moraliteit de meerdere. Confucius’ vader was een hoog

ambtenaar, zooiets als bij ons in een groote residentiestad een

burgemeester. Confucius’ familienaam was K’oeng, zijn persoonlijke

naam Ch’iu, en zijn puberteits-naam Chung Ni (een Chinees krijgt bij

zijn puberteit een nieuwen naam). Later werd hij meestal met den

eerenaam Meester, Leeraar aangeduid, in ’t Chineesch Foe Tsz’, dus

Kh’oeng de Meester, d.i. Kh’oeng Foe Tsz’.

Ik zal in dit hoofdstuk niet te lang over het leven van Confucius

uitweiden, méér over zijn werken. Bijzonderheden over zijn leven kan

men o.a. vinden in mijn 15 jaar geleden bij van Kampen uitgegeven werk:

De Chineesche Filosofie, toegelicht voor niet-sinologen. Deel I

Confucius, waarnaar ik hierbij verwijs.

Ik volsta hier dus met te zeggen, dat hij, diep getroffen door de

verwarring en ontaarding, die in zijn tijd in China heerschten, zijn

leven lang werkte en streed, om door rede en wijsheid de regeering en

het volk te hervormen. Op 52-jarigen leeftijd, na allerlei

teleurstellingen en wederwaardigheden, werd hij magistraat van de stad

Chung Tu in den staat Loe. Zijn administratie en rechtspraak waren

zóó rechtvaardig, dat de vorsten der naburige staten haar als model

namen. Toen hij 53 jaar was werd hij benoemd tot Minister van

Binnenlandsche Zaken, en later van Justitie, en toen hij 56 was, tot

Eersten Minister. Zijn moreele invloed werd zóó groot, en de door hem

aangebrachte hervormingen zóó verreikend, dat de naburige staten

jaloersch werden, en vreesden dat de staat Loe hen allen zou

overvleugelen. De vorst van den naburigen staat Ch’i zond toen, echt

Oostersch, tachtig van de mooiste meisjes, die maar te vinden waren,

met een geschenk van 120 prachtige paarden naar hertog Ting van den

staat Loe, om deze van de wijs te brengen en van Confucius te

vervreemden.

De wijsheid moest toen wijken voor de schoonheid, de hertog en zijn hof

dachten om niets meer dan om de mooie vrouwen, het volk, dat onder

Confucius’ regeering zoo sterk en trouw en kuisch was geworden, begon

door dit voorbeeld te ontaarden, en Confucius kon niets anders doen dan

den staat verlaten, waar de zinnelijke schoonheid de wijsheid

verdrongen had.

Van toen af werd zijn leven, als dat van Dante, één zwerftocht buiten

zijn vaderland. Hij zwierf door al de feudale staten van China, waar

hij overal zijn diensten aanbood tot hervorming van regeering en volk,

nù eens tijdelijk aangenomen, en later weer afgewezen, voortdurend

uitgestooten, en zelfs nu en dan gevangen genomen. Zijn vele reizen

waren echter óók eenigszins in den geest van zendingswerk. Overal

verspreidde hij zijn leer, kreeg discipelen, en stichtte scholen van

zijn levensleer. Op het laatst had hij wel drieduizend discipelen. Na

veertien jaar verguisd in den vreemde te hebben gezworven, werd hij

door zijn geboorte-staat Loe teruggeroepen, maar kreeg daar toch geen

ambt meer. Hij was toen 69 jaar. Confucius was, als zoo vele groote

mannen, niet bestemd om zijn eigen onmiddellijke tijden te dienen, maar

om de eeuwen van de toekomst te beïnvloeden.

Al vroeger, toen hij 48 jaar was, had hij de oude heilige geschriften

van China, overgeleverd door eeuwenlange beschaving, verzameld, herzien

en toegelicht.

Ik moet hier zeggen, dat China in Confucius’ tijd heilige boeken

bezat, die werden geacht, door hoogere geestelijke machten

geïnspireerd te zijn, evenals gedacht wordt van onze Heilige Schrift.

Deze geschriften werden genaamd King (in ’t Peking-Mandarijnsch:

Ching.) Confucius wordt door de Chineezen geacht een door hoogere macht

gezondene en aangewezene te zijn geweest, om goddelijke wijsheid te

verkondigen en ook om die Heilige Geschriften, de King’s, te ordenen

en te regelen, zoodat zij, in den door hem geordenden vorm, zouden

bewaard blijven. De Chineesche geleerde Chen Huan Chang in zijn

onlangs, door de Columbia-University uitgegeven werk „The Economic

Principles of Confucius and his School” zegt dat het woord King door

de Europeesche sinologie „mistranslated” (verkeerd vertaald) is

met: Classics, Klassieken. Prof. Legge, een groot sinoloog, maar als

zendeling bevooroordeeld, spreekt voortdurend van de door hem vertaalde

Kings als van Chinese Classics. De juiste vertaling is volgens Dr.

Chen: Chineesche Heilige Schriften, een soort Chineesche Bijbels dus.

Bijbel, zegt hij, ware de rechte vertaling voor King, en wordt ook als

zoodanig gebruikt door moderne hedendaagsche Confucianisten. Of dit

juist is zou ik echter niet durven verzekeren.

Deze Chineesche Kings nu, zooals zij thans bewaard zijn, zijn

gedeeltelijk eigen werk van Confucius, al bevatten zij wijsbegeerte,

poëzie en geschiedenis van de vroegste eeuwen af.

Er waren oorspronkelijk 6 van die Chineesche Heilige Schriften, waarvan

er één, die der Muziek, in de Han-dynastie (ongeveer 85 n. C.)

verloren is gegaan, zoodat er nu nog 5 over zijn, door Confucius

verzameld, geredigeerd, en ook gedeeltelijk geschreven.

De eerste is de Shi King, of Bijbel der Poëzie. Hij bevat 305

Gedichten en Odes die door verschillende dichters eeuwen vóór

Confucius geschreven zijn, maar door Confucius volgens zijn eigen

principes uitgegeven. Zeer mooi is door Confucius het wezen van dezen

King en ook het wezen der Poëzie gekarakteriseerd toen hij eens tot

zijn discipelen zeide: „De Shi King heeft 300 stukken, maar alles kan

worden vervat in één zin: Hebt géén lage gedachten.”

De tweede is de Shoe-King, de Bijbel der Geschiedenis, die de

geschiedenis bevat van China, vanaf 2357 j. v. C.–621 v. C. De

documenten hiervoor zijn geschreven door verschillende auteurs, maar

door Confucius uitgegeven. Geheele, belangrijke hoofdstukken ervan,

herkenbaar aan hun zelfden, van de anderen verschillenden stijl worden

door bevoegde Chineesche geleerden aan Confucius zelf toegeschreven.

De derde is de Li Ki of de Annalen van den Ritus en het Decorum. Hij

bevat alweder zéér oude geschriften, over zeden en gewoonten, maar

verzameld en geredigeerd door Confucius.

De vierde is de Yih King, de Bijbel der Transformaties, beter en

juister: de Bijbel der Evolutie, het diepzinnigste boek der Chineesche

filosofie. Ofschoon hier de acht triagrammen van keizer Foe Hsi

(2953–2839 v. C.) de grondslag van zijn en ook de daaruit afgeleide

64 hexagrammen van Wen Wang, is volgens sommige Chineesche geleerden

het grootste deel tekst van Confucius. Confucius heeft eens gezegd dat

hij een overleveraar en geen maker was. Hij heeft dan ook zéér veel

oude wijsheid die reeds bekend was overgeleverd. Maar overigens moet

dit gezegde betracht worden als eene uiting van de bekende Chineesche

bescheidenheid. Confucius heeft niet enkel overgeleverd, maar ook zeer

veel zelf gemaakt.

De vijfde is de z.g. Ts’oen Ts’ioe (lett: Lente en Herfst), een

boek, dat geheel en al door Confucius geschreven is, het éénige

geheel van hèm alléén. Het bevat de geschiedenis van China van

722–481 v. C. Om dit boek te kunnen vervaardigen, zond Confucius 14

zijner leerlingen uit om de heilige geschriften van 120 volken voor hem

te halen en deze te bestudeeren, aldus Dr. Chen Huan Chang.

Ik heb vroeger, o.a. toen ik, nu 15 jaar geleden, mijn Hollandsch werk

over Confucius uitgaf, gedacht, dat dit boek Ts’oen Ts’ioe een

exclusief geschiedkundig karakter had, en daarom van niet zooveel

beteekenis was voor zijn filosofie. Dit is ook het oordeel van de

meeste Europeesche sinologen. Sedert echter hebben Chineesche geleerde

vrienden mij er op gewezen, dat dit niet juist is. Het zou n.l. niet

zuiver historisch van karakter zijn, volgens hun oordeel. Zooals Dr.

Chen Huan Chang er van zegt: „De woorden, uit de geschiedenis

aangehaald, zijn slechts de beelden, waarmede Confucius zijn principes

illustreert”. „Ik zou mijn ideeën als pure theorieën willen

verkondigen”, zeide Confucius er zelf van, „maar het is dieper,

waarder, helderder, glanzender, ze te representeeren door de daden van

menschen”. Hij critizeert er de keizers in, verlaagt er de vorsten

in, valt de hooge ambtenaren aan en vestigt zijn ideale koninkrijk, een

republiek op aarde door de Ts’oen Ts’ioe. Confucius was dus, als

trouwens alle groote mannen, een revolutionnair. Confucius heeft zelfs

gezegd: (zie de Loen Yü): „Het is alleen de Ts’oen Ts’ioe die

mij bekend zal maken bij de menschen, en ’t is alleen de Ts’oen

Ts’ioe die zal maken dat de menschen mij veroordeelen.”

Van de 5 daar zooeven door mij opgenoemde boeken zijn de Yih King de

Bijbel der Evolutie, en de Ts’oen Ts’ioe de voornaamste, volgens

sommige Chineesche geleerden.

De Yih King is deductief, beginnende met abstracte principes en

voortgaande tot hun practische toepassing; de Ts’oen Ts’ioe is

inductief, en komt door de analyse van feiten uit de historie tot

algemeene theorieën.

Voor degenen onder mijn lezers, die mijn in 1898 verschenen boekje over

Confucius mochten gelezen hebben, zou ik er hier gaarne even op wijzen,

dat het mij nù zéér spijt, daarin niet meer van deze twee Chineesche

Kings te hebben gezegd, die zoo veel van Confucius zelf en zijn

godsdienstige wijsbegeerte bevatten. Ik schaam mij niet te zeggen, dat

ik in de 16 jaar, die na de publiceering van dat werkje verloopen zijn,

wat dieper in de Chineesche filosofie ben doorgedrongen, en er wat

méér van geleerd heb. Ik ben dan ook bezig aan een vollediger werk er

over, waarin ik het vroeger te weinig gegevene hoop in te halen.

Bij zijn terugkomst in Loe, toen hij 69 jaar oud was, voltooide hij de

Yih King, en hij was 72, toen hij de Ts’oen Ts’ioe schreef. In 479

v. C. stierf hij 74 jaar oud, 8 jaar vóór de geboorte van Socrates.

Ik heb Confucius’ leven hier maar even zéér beknopt behandeld,

omdat ik liever gauw op zijn leer wilde neerkomen.

Wat wij van Confucius’ Wijsheid over hebben is (behalve wat ik

zooeven aanhaalde, de Ts’oen Ts’ioe en de bewerking der 5 Kings)

alles overlevering zijner discipelen, dus niet door hem zelf geschreven

werk. Deze overleveringen, werken van discipelen over Confucius en zijn

leer, de Choeng [10] Yoeng, de Ta Hioh en de Loen Yü worden, met de

werken van den filosoof Mêng Tsz’ of Mencius, de z.g. Sz’ Shoe

d.i. Vier Boeken genoemd, naast de vijf Kings de literaire en

filosofische schatten van China.

Ik zal nu beginnen met de Choeng Yoeng, door Confucius’ kleinzoon

K’oeng Kei geschreven, die gewoonlijk bij zijn studeernaam Tsz’

Sz’ wordt genoemd. De Choeng Yoeng is de zuivere, overgeleverde leer

van Confucius, door Tsz’ Sz, zijn kleinzoon en discipel, uit den mond

van den Wijze opgeteekend, omdat hij vreesde, dat ze anders wellicht

later verkeerd zou worden overgebracht. Confucius’ discipelen waren

gewoon, belangrijke woorden van hun Meester op tabletten aan te

teekenen om ze te onthouden.

Ik zal den eersten tekst geheel opschrijven om een idee te geven van

den uitersten eenvoud en kortheid van Chineesche filosofie.

(van boven naar beneden te lezen, van rechts naar links, te beginnen

met kolom A) [11]

De Geest van China · 第 11 / 48 题