VI. Voor de plaatsing der zin-deelen is het in den regel onverschillig:

a. Of deze uit een enkel woord dan wel uit meerdere woorden

bestaan.

b. Of de zin een mededeelende, vragende, uitroepende, bevelende

enz., en of hij een enkelvoudige dan wel een deel van een

samengestelden zin is.

Ofschoon ik hierboven eenige grondregelen der Chineesche grammatiek heb

aangehaald, komt men eigenlijk met de geheele grammatiek der geleerde

heeren niet zoo heel veel verder om Chineesche klassieken te kunnen

lezen en doorgronden. De verschillende schrijvers verschillen hiervoor

te veel van elkaar, en het is niet zoozeer hun wijze van uitdrukking,

als hun wijze van denken, die de lezer uit hun werken moet trachten te

naderen. Niet wat een Chineesche schrijver schrijft zoozeer, maar wat

hij denkt is de hoofdzaak.

Geen wonder, dat mijn leermeester Prof. Dr. G. Schlegel eens in zijn

tijdschrift „T’oung Pao” aan jeugdige studenten der Chineesche

taal de les gaf: „Lisez! Lisez! Jetez vos grammaires au feu!” Ik

moet hier ook onwillekeurig aan de schoone woorden van Confucius

denken:

„tsch’û tâ êrh yì”

d. i. „De taal moet (de bedoeling) bekend stellen en daarmede uit”.

Het is de bedoeling, de gedachte, waar het in de Chineesche taal om

gaat, niet de grammatische finesse. Daarom is zoogenaamd „letterlijk

vertalen” uit het Chineesch absurd. Ook al omdat de Chineesche

ideografische karakters iets gehéél anders zijn dan letters. De

meeste geleerde Europeesche sinologen willen dit niet aannemen.

De Chinees is van zijn jeugd af gewend om ideeën te associeeren met

geteekende symbolen, zooals wij, Europeanen, die ideeën associeeren

met letter-combinaties, die woorden voorstellen.

De Chineesche geschreven (beter: geteekende) karakters zijn geen

weêrgevingen van woorden, maar zijn, zooals de sinoloog Prof. Legge

het zeer juist heeft uitgedrukt, meer „symbolen van ideeën”, en de

combinatie van Chineesche karakters in een boek „is niet zoozeer de

representatie van wat de schrijver (in woorden) wilde spreken, maar van

wat hij denkt.” Zéér terecht zegt Legge van vertalingen uit het

Chineesch: „In a study of Chinese classical books there is not so

much an interpretation of the characters employed by the writer as a

participation of the thoughts; there is the seeing mind to mind”.

Inderdaad geeft een Chineesch boek—hoe vreemd dit ook voor

westerlingen moge klinken—niet zoozeer weêr hetgeen een Chineesch

schrijver wil zeggen, spreken, maar vooral hetgeen hij denkt.

Hieruit volgt al dat de Chineesche geschreven taal een ideaal voertuig

is voor filosofie. De ontoereikendheid van het woord om begrippen

zuiver uit te drukken, waarover o.a. door lady Welby zulk een mooi boek

is geschreven [6] wordt lang niet zoo gevoeld in de Chineesche taal,

waarin gedachten als ’t ware symbolisch geteekend kunnen worden.

Voor een Chineesch literator is het ondenkbaar dat de Chineesche

filosofie ooit op eenige andere wijze kan uitgedrukt worden dan door

Chineesche schriftteekens. Men begrijpt ook, al het bovenstaande

lezend, hoe moeilijk—somtijds zelfs onmogelijk—de vertaling is van

de ideografische en symbolische Chineesche taal in eene alphabetische

Europeesche. Vandaar, dat de vertalingen van verschillende, zelfs van

eerste rangs Europeesche sinologen van één en denzelfden tekst zoo

hemelsbreed kunnen verschillen. Ziehier b.v. één tekst uit de „Tao

Teh King”, vertaald door twee Europeesche vertalers:

„Daarvan komt het dat de Wijze altijd op het rechte Pad gaat en

zich nooit verwijdert van de rust en den ernst” (Stanislas

Julien).

„Daarom verlaat de Wijze mensch, zelfs al reist hij maar een dag,

zijn bagagewagens niet, zoodat, als een mooi gezicht zich voor hem

uitspreidt, hij even rust en dan zijn reis voortzet”. (G. G.

Alexander).

De hoofdzaak bij eene vertaling is: het in direct contact komen met den

geest, en den gedachtengang van den schrijver.

Het klinkt vreemd, maar tóch is het zoo: de onzichtbare gedachten van

den schrijver zijn van meer belang er bij dan de zichtbare

schriftteekens zelven.

De uiterste eenvoud van den stijl der Chineesche filosofie is oorzaak

geweest, dat de meest eenvoudige teksten dikwijls niet begrepen zijn,

en er allerlei breedsprakige, pompeuze vertalingen gekomen zijn, waarin

de oorspronkelijke gedachte verdronk. De Amerikaansche geleerde Samuel

Johnson [7] zegt terecht: „Het is een groote fout, deze

schrift-teekens, zooals zij (in Europeesche vertalingen) in

alphabetische zinnen omgezet zijn, verantwoordelijk te stellen voor een

pompeuze taal, geheel tegenovergesteld aan den genius van het

Chineesch, welks specialiteit is gekuischte en zelfs elliptische

uitdrukking. De Chineesche stijl is niet alleen een product van de

practische kwaliteiten van den nationalen geest, maar volgt direct uit

de natuur der schriftteekens, wier betrekking tot elkander in groote

mate moet geleverd worden door over-en-weêr begrijpen, als de

conversatie van vrienden.”

Het korte, gecondenseerde, geconcentreerde, oer-eenvoudige, als van

gedachten, die na véél zuivering en geestelijke filtreering bezonken

zijn in kern-vorm, is de karakteristiek van den Chineeschen klassieken

stijl, waarin de Chineesche filosofie zich uitte.

Zooals ik reeds zeide, wordt het onveranderlijke Chineesche schrift,

overal hetzelfde, in verschillende deelen van China verschillend

uitgesproken.

Uit al het hierboven duidelijk gemaakte zal de lezer begrijpen dat de

Chineezen niet een alphabetisch volk zijn maar een groot ras van

ideographen, hun nadrukkelijke expressie vloeit naar vormen in stede

van naar klanken. Hun geschreven taal is, zooals Samuel Johnson in zijn

boek „China” eens terecht opmerkte, het symbool van

generaliseerende en synthetische kwaliteiten van geest, zooals

alphabetische talen van een analytischen geest getuigen. Ook in de

Chineesche filosofie zal men dien synthetischen geest als kenmerk

terugvinden.

De afwezigheid van natuurlijke relatie tusschen teeken en geluid, en de

voortdurende symbolische afbeelding maken het Chineesche ideologische

schrift een geschikt medium van omgang tusschen Aziatische rassen. Niet

verbonden aan eenig speciaal vocalisme, heeft het niet alleen één

algemeen schrift geleverd voor al de zoozeer verschillende dialecten

van China zelf, maar heeft het Korea, Japan, Anam en Mantsjoerije van

uniforme teekens voorzien voor hun toch zoozeer verschillende

spraakvormen. Deze aangepastheid voor over en weer begrijpen en verkeer

is een teeken van universeelheid, zooals Samuel Johnson terecht

opmerkt, dat reeds op zichzelf de zoogenaamde isolatie van China altijd

heeft tegengesproken. De rigide, onveranderlijke Chineesche

ideografische karakters zijn, in de ras-grenzen, even unifieerend als

een natuurproces. Feitelijk is de geschreven Chineesche taal voor

honderden millioenen Chineezen, Koreanen, Japanners enz. als een soort

Volapuk of Esperanto, waarin zij elkaars gedachten kunnen lezen en

inwisselen. De Rosny, in de „Archives Paléographiques” heeft eens

in allen ernst de Chineesche geschreven taal als geschikt voor een

universeele wereld-taal aanbevolen. Ik ken geen Koreaansch b.v. en geen

Japansch, maar zou met een ontwikkelden Koreaner of Japanner, op papier

Chineesch schrijvend, van gedachten kunnen wisselen. Jammer alleen dat

de groote moeilijkheid om al die duizenden Chineesche karakters of

schriftteekens te leeren, de verspreiding van zoo’n universeele

wereld-taal in den weg staat.

Men mag de Chineesche geschreven taal moeilijk vinden—en zij is dit

zonder twijfel—maar zij is de schoonste taal der wereld. Geen wonder,

dat nergens de eerbied voor de taal zoo groot is als in China.

Zóó als de Hebreeër niet op papier wilde treden, omdat misschien de

naam „Jehovah” er op geschreven kon zijn, zóó is voor den Chinees

elk geschreven woord heilig. Een geletterde Chinees zal een beschreven

vod papier oprapen en in een der urnen deponeeren, die daarvoor in de

straten aanwezig zijn. Op deze urnen staat meestal geschreven: „Hebt

eerbied voor beschreven papier.”

Evenals de Noorsche runen dat waren, zijn vele Chineesche

karakters—b.v. die voor geluk, lang leven, en anderen—heilig, en de

schriftteekens worden „de oogen van den Wijze” genoemd. Een goed

kenner van China heeft eens gezegd: „China is één groot open

boek”. Bijna alles wordt met karakters bedrukt. Muren, deuren,

pilaren dragen gelukaanbrengende motto’s en spreuken. Aan de muren

der huizen hangen rollen, in kakemono-vorm, in paren, met

correspondeerende spreuken of wijze woorden er op, in sierlijk

getrokken karakters. Rotsen zelfs, vooral bij tempels, zijn er mede

beschreven. Mantels en gewaden worden niet alleen gedragen, maar ook

gelezen, geornamenteerd als zij zijn met karakters. Op een huisdeur van

een literator zag ik eens in stijlvolle karakters: „Moge ik zoo

geleerd worden dat ik 10000 boekdeelen in mijn gedachten heb.”

Veelvuldig las ik in China boven een deurpost de schoone woorden:

„Door de Literatuur wordt een volk groot”.

In Peking zag ik alle boeken der Chineesche klassieken in steenen

tafelen van massief graniet gegrift, in de „Hal der Klassieken”.

Waaiers, kopjes, borden, schotels, op al deze dingen worden meestal

spreuken of klassieke teksten of verzen geteekend. Het dragen van

sommige karakters op het lijf—b.v. het karakter „shau”,

eeuwigdurend, lang leven—heeft het karakter van het dragen van een

amulet.

Voorwerpen om mede te schrijven zijn in China volmaakt tot in de

perfectie. Typografie werd voor ruim 1500 jaar in China uitgevonden, er

bestaan uitgebreide, oude werken over het maken van inkt, en folio’s

verhandelingen over de structuur en het stijlvol trekken der karakters.

Door de uitvinding van het drukken en van goed materiaal om druk te

verspreiden, overtrof China verre Rome, dat nog gebonden was aan het

gebruik der palimpsesten, waardoor véél is verloren moeten gaan.

Ik moet hier nog even bij vermelden, dat, zooals Raphaël Petrucci

terecht opgemerkt heeft [8], oorspronkelijk het schrijven—en dit

beteekent iets anders dan schrijven in ’t Westen, want het wil

zeggen: teekenen—van Chineesche karakters, als ’t ware eene

magische handeling was. Het primitieve idee er van was namelijk, dat de

teekening een mysterieus leven verleent aan het afbeeldsel van ’t

geteekende voorwerp. Teekenen was dus in zekeren zin eene mystieke

creatie. Alle kunst, niet alleen teekenen, maar ook schilderen, en

plastiek, heeft oorspronkelijk een magisch karakter.

Het eigenaardige wezen der Chineesche schriftteekens geeft aan de

Chineesche poëzie nog eene aparte schoonheids-bekoring, die westersche

poëzie niet heeft. De Europeesche letters zijn namelijk op zichzelf

doode dingen, de Chineesche schriftteekens hebben een aparte

aesthetische en symbolische schoonheid. Zooals Hans Bethge terecht

zegt. [9]. „Diese Dichtung wendet sich an Ohr und Auge in gleicher

Weise”. Bij ons, in ’t Westen, is het alleen het oor, dat poëzie

opneemt, in China is het ook het oog, daar de schriftteekens, in welke

zij is uitgedrukt, op zich zelf teekeningen zijn. Vooral wanneer de

poëzie niet gedrukt, maar door den dichter met eigen hand geschreven

is, komt deze aparte schoonheid naar voren. Ieder groot dichter in

China was ook een groot teekenaar van schriftteekens, zooals hij ook

meestal een groot schilder was. In de sierlijke omtrekken zijn

karakters vol lichte en soepele toetsen, met plotselinge halten en

bevallige bochten, stijgende accenten en langzamerhand wegkwijnende

lijnen, openbaarde zich de ziel van den dichter-teekenaar. De

ornamentale Chineesche schriftteekens, door een dichter neergeteekend

in zijn poëzie, bevatten somtijds zijn innigste intimiteiten.

Geen wonder, dat in China het schrijfgereedschap aangeduid wordt met de

uitdrukking: „sz’ pao” d.i. „de vier kostbaarheden”, n.l. het

penseel, het inktstaafje, de inktsteen (om de inkt op te wrijven), en

het papier.

En inderdaad zijn het dan ook deze vier kostbaarheden, waardoor de

Geest van China zich op het schoonste heeft geuit.

De Geest van China · 第 10 / 48 题