a. Of deze uit een enkel woord dan wel uit meerdere woorden
bestaan.
b. Of de zin een mededeelende, vragende, uitroepende, bevelende
enz., en of hij een enkelvoudige dan wel een deel van een
samengestelden zin is.
Ofschoon ik hierboven eenige grondregelen der Chineesche grammatiek heb
aangehaald, komt men eigenlijk met de geheele grammatiek der geleerde
heeren niet zoo heel veel verder om Chineesche klassieken te kunnen
lezen en doorgronden. De verschillende schrijvers verschillen hiervoor
te veel van elkaar, en het is niet zoozeer hun wijze van uitdrukking,
als hun wijze van denken, die de lezer uit hun werken moet trachten te
naderen. Niet wat een Chineesche schrijver schrijft zoozeer, maar wat
hij denkt is de hoofdzaak.
Geen wonder, dat mijn leermeester Prof. Dr. G. Schlegel eens in zijn
tijdschrift „T’oung Pao” aan jeugdige studenten der Chineesche
taal de les gaf: „Lisez! Lisez! Jetez vos grammaires au feu!” Ik
moet hier ook onwillekeurig aan de schoone woorden van Confucius
denken:
„tsch’û tâ êrh yì”
d. i. „De taal moet (de bedoeling) bekend stellen en daarmede uit”.
Het is de bedoeling, de gedachte, waar het in de Chineesche taal om
gaat, niet de grammatische finesse. Daarom is zoogenaamd „letterlijk
vertalen” uit het Chineesch absurd. Ook al omdat de Chineesche
ideografische karakters iets gehéél anders zijn dan letters. De
meeste geleerde Europeesche sinologen willen dit niet aannemen.
De Chinees is van zijn jeugd af gewend om ideeën te associeeren met
geteekende symbolen, zooals wij, Europeanen, die ideeën associeeren
met letter-combinaties, die woorden voorstellen.
De Chineesche geschreven (beter: geteekende) karakters zijn geen
weêrgevingen van woorden, maar zijn, zooals de sinoloog Prof. Legge
het zeer juist heeft uitgedrukt, meer „symbolen van ideeën”, en de
combinatie van Chineesche karakters in een boek „is niet zoozeer de
representatie van wat de schrijver (in woorden) wilde spreken, maar van
wat hij denkt.” Zéér terecht zegt Legge van vertalingen uit het
Chineesch: „In a study of Chinese classical books there is not so
much an interpretation of the characters employed by the writer as a
participation of the thoughts; there is the seeing mind to mind”.
Inderdaad geeft een Chineesch boek—hoe vreemd dit ook voor
westerlingen moge klinken—niet zoozeer weêr hetgeen een Chineesch
schrijver wil zeggen, spreken, maar vooral hetgeen hij denkt.
Hieruit volgt al dat de Chineesche geschreven taal een ideaal voertuig
is voor filosofie. De ontoereikendheid van het woord om begrippen
zuiver uit te drukken, waarover o.a. door lady Welby zulk een mooi boek
is geschreven [6] wordt lang niet zoo gevoeld in de Chineesche taal,
waarin gedachten als ’t ware symbolisch geteekend kunnen worden.
Voor een Chineesch literator is het ondenkbaar dat de Chineesche
filosofie ooit op eenige andere wijze kan uitgedrukt worden dan door
Chineesche schriftteekens. Men begrijpt ook, al het bovenstaande
lezend, hoe moeilijk—somtijds zelfs onmogelijk—de vertaling is van
de ideografische en symbolische Chineesche taal in eene alphabetische
Europeesche. Vandaar, dat de vertalingen van verschillende, zelfs van
eerste rangs Europeesche sinologen van één en denzelfden tekst zoo
hemelsbreed kunnen verschillen. Ziehier b.v. één tekst uit de „Tao
Teh King”, vertaald door twee Europeesche vertalers:
„Daarvan komt het dat de Wijze altijd op het rechte Pad gaat en
zich nooit verwijdert van de rust en den ernst” (Stanislas
Julien).
„Daarom verlaat de Wijze mensch, zelfs al reist hij maar een dag,
zijn bagagewagens niet, zoodat, als een mooi gezicht zich voor hem
uitspreidt, hij even rust en dan zijn reis voortzet”. (G. G.
Alexander).
De hoofdzaak bij eene vertaling is: het in direct contact komen met den
geest, en den gedachtengang van den schrijver.
Het klinkt vreemd, maar tóch is het zoo: de onzichtbare gedachten van
den schrijver zijn van meer belang er bij dan de zichtbare
schriftteekens zelven.
De uiterste eenvoud van den stijl der Chineesche filosofie is oorzaak
geweest, dat de meest eenvoudige teksten dikwijls niet begrepen zijn,
en er allerlei breedsprakige, pompeuze vertalingen gekomen zijn, waarin
de oorspronkelijke gedachte verdronk. De Amerikaansche geleerde Samuel
Johnson [7] zegt terecht: „Het is een groote fout, deze
schrift-teekens, zooals zij (in Europeesche vertalingen) in
alphabetische zinnen omgezet zijn, verantwoordelijk te stellen voor een
pompeuze taal, geheel tegenovergesteld aan den genius van het
Chineesch, welks specialiteit is gekuischte en zelfs elliptische
uitdrukking. De Chineesche stijl is niet alleen een product van de
practische kwaliteiten van den nationalen geest, maar volgt direct uit
de natuur der schriftteekens, wier betrekking tot elkander in groote
mate moet geleverd worden door over-en-weêr begrijpen, als de
conversatie van vrienden.”
Het korte, gecondenseerde, geconcentreerde, oer-eenvoudige, als van
gedachten, die na véél zuivering en geestelijke filtreering bezonken
zijn in kern-vorm, is de karakteristiek van den Chineeschen klassieken
stijl, waarin de Chineesche filosofie zich uitte.
Zooals ik reeds zeide, wordt het onveranderlijke Chineesche schrift,
overal hetzelfde, in verschillende deelen van China verschillend
uitgesproken.
Uit al het hierboven duidelijk gemaakte zal de lezer begrijpen dat de
Chineezen niet een alphabetisch volk zijn maar een groot ras van
ideographen, hun nadrukkelijke expressie vloeit naar vormen in stede
van naar klanken. Hun geschreven taal is, zooals Samuel Johnson in zijn
boek „China” eens terecht opmerkte, het symbool van
generaliseerende en synthetische kwaliteiten van geest, zooals
alphabetische talen van een analytischen geest getuigen. Ook in de
Chineesche filosofie zal men dien synthetischen geest als kenmerk
terugvinden.
De afwezigheid van natuurlijke relatie tusschen teeken en geluid, en de
voortdurende symbolische afbeelding maken het Chineesche ideologische
schrift een geschikt medium van omgang tusschen Aziatische rassen. Niet
verbonden aan eenig speciaal vocalisme, heeft het niet alleen één
algemeen schrift geleverd voor al de zoozeer verschillende dialecten
van China zelf, maar heeft het Korea, Japan, Anam en Mantsjoerije van
uniforme teekens voorzien voor hun toch zoozeer verschillende
spraakvormen. Deze aangepastheid voor over en weer begrijpen en verkeer
is een teeken van universeelheid, zooals Samuel Johnson terecht
opmerkt, dat reeds op zichzelf de zoogenaamde isolatie van China altijd
heeft tegengesproken. De rigide, onveranderlijke Chineesche
ideografische karakters zijn, in de ras-grenzen, even unifieerend als
een natuurproces. Feitelijk is de geschreven Chineesche taal voor
honderden millioenen Chineezen, Koreanen, Japanners enz. als een soort
Volapuk of Esperanto, waarin zij elkaars gedachten kunnen lezen en
inwisselen. De Rosny, in de „Archives Paléographiques” heeft eens
in allen ernst de Chineesche geschreven taal als geschikt voor een
universeele wereld-taal aanbevolen. Ik ken geen Koreaansch b.v. en geen
Japansch, maar zou met een ontwikkelden Koreaner of Japanner, op papier
Chineesch schrijvend, van gedachten kunnen wisselen. Jammer alleen dat
de groote moeilijkheid om al die duizenden Chineesche karakters of
schriftteekens te leeren, de verspreiding van zoo’n universeele
wereld-taal in den weg staat.
Men mag de Chineesche geschreven taal moeilijk vinden—en zij is dit
zonder twijfel—maar zij is de schoonste taal der wereld. Geen wonder,
dat nergens de eerbied voor de taal zoo groot is als in China.
Zóó als de Hebreeër niet op papier wilde treden, omdat misschien de
naam „Jehovah” er op geschreven kon zijn, zóó is voor den Chinees
elk geschreven woord heilig. Een geletterde Chinees zal een beschreven
vod papier oprapen en in een der urnen deponeeren, die daarvoor in de
straten aanwezig zijn. Op deze urnen staat meestal geschreven: „Hebt
eerbied voor beschreven papier.”
Evenals de Noorsche runen dat waren, zijn vele Chineesche
karakters—b.v. die voor geluk, lang leven, en anderen—heilig, en de
schriftteekens worden „de oogen van den Wijze” genoemd. Een goed
kenner van China heeft eens gezegd: „China is één groot open
boek”. Bijna alles wordt met karakters bedrukt. Muren, deuren,
pilaren dragen gelukaanbrengende motto’s en spreuken. Aan de muren
der huizen hangen rollen, in kakemono-vorm, in paren, met
correspondeerende spreuken of wijze woorden er op, in sierlijk
getrokken karakters. Rotsen zelfs, vooral bij tempels, zijn er mede
beschreven. Mantels en gewaden worden niet alleen gedragen, maar ook
gelezen, geornamenteerd als zij zijn met karakters. Op een huisdeur van
een literator zag ik eens in stijlvolle karakters: „Moge ik zoo
geleerd worden dat ik 10000 boekdeelen in mijn gedachten heb.”
Veelvuldig las ik in China boven een deurpost de schoone woorden:
„Door de Literatuur wordt een volk groot”.
In Peking zag ik alle boeken der Chineesche klassieken in steenen
tafelen van massief graniet gegrift, in de „Hal der Klassieken”.
Waaiers, kopjes, borden, schotels, op al deze dingen worden meestal
spreuken of klassieke teksten of verzen geteekend. Het dragen van
sommige karakters op het lijf—b.v. het karakter „shau”,
eeuwigdurend, lang leven—heeft het karakter van het dragen van een
amulet.
Voorwerpen om mede te schrijven zijn in China volmaakt tot in de
perfectie. Typografie werd voor ruim 1500 jaar in China uitgevonden, er
bestaan uitgebreide, oude werken over het maken van inkt, en folio’s
verhandelingen over de structuur en het stijlvol trekken der karakters.
Door de uitvinding van het drukken en van goed materiaal om druk te
verspreiden, overtrof China verre Rome, dat nog gebonden was aan het
gebruik der palimpsesten, waardoor véél is verloren moeten gaan.
Ik moet hier nog even bij vermelden, dat, zooals Raphaël Petrucci
terecht opgemerkt heeft [8], oorspronkelijk het schrijven—en dit
beteekent iets anders dan schrijven in ’t Westen, want het wil
zeggen: teekenen—van Chineesche karakters, als ’t ware eene
magische handeling was. Het primitieve idee er van was namelijk, dat de
teekening een mysterieus leven verleent aan het afbeeldsel van ’t
geteekende voorwerp. Teekenen was dus in zekeren zin eene mystieke
creatie. Alle kunst, niet alleen teekenen, maar ook schilderen, en
plastiek, heeft oorspronkelijk een magisch karakter.
Het eigenaardige wezen der Chineesche schriftteekens geeft aan de
Chineesche poëzie nog eene aparte schoonheids-bekoring, die westersche
poëzie niet heeft. De Europeesche letters zijn namelijk op zichzelf
doode dingen, de Chineesche schriftteekens hebben een aparte
aesthetische en symbolische schoonheid. Zooals Hans Bethge terecht
zegt. [9]. „Diese Dichtung wendet sich an Ohr und Auge in gleicher
Weise”. Bij ons, in ’t Westen, is het alleen het oor, dat poëzie
opneemt, in China is het ook het oog, daar de schriftteekens, in welke
zij is uitgedrukt, op zich zelf teekeningen zijn. Vooral wanneer de
poëzie niet gedrukt, maar door den dichter met eigen hand geschreven
is, komt deze aparte schoonheid naar voren. Ieder groot dichter in
China was ook een groot teekenaar van schriftteekens, zooals hij ook
meestal een groot schilder was. In de sierlijke omtrekken zijn
karakters vol lichte en soepele toetsen, met plotselinge halten en
bevallige bochten, stijgende accenten en langzamerhand wegkwijnende
lijnen, openbaarde zich de ziel van den dichter-teekenaar. De
ornamentale Chineesche schriftteekens, door een dichter neergeteekend
in zijn poëzie, bevatten somtijds zijn innigste intimiteiten.
Geen wonder, dat in China het schrijfgereedschap aangeduid wordt met de
uitdrukking: „sz’ pao” d.i. „de vier kostbaarheden”, n.l. het
penseel, het inktstaafje, de inktsteen (om de inkt op te wrijven), en
het papier.
En inderdaad zijn het dan ook deze vier kostbaarheden, waardoor de
Geest van China zich op het schoonste heeft geuit.