a. Of een woord in ’t begin van een zin staat, dan wel of het
wordt voorafgegaan door een absoluut staand zin-deel, een
conjunctie, een bijwoord, of een tusschenwerpsel.
b. Of het aan ’t eind aan een zin staat, of dat het wordt gevolgd
door een slotpartikel, een conjunctie, een bijwoord of een
tusschenwerpsel.