Het is in de taal van China dat zijn Geest zich reeds dadelijk
openbaart. De voornaamste karaktertrek van de Chineesche taal is dat
zij éénlettergrepig is, en dat die éénlettergrepen in verschillende
tonen worden uitgesproken. De Chineesche taal is: Io Éénlettergrepig,
d.w.z. ieder stamwoord bestaat uit één syllabe. IIo Isoleerend,
d.w.z. de stamwoorden zijn onveranderlijk, losse samenstellingen en
hulpwoorden vervangen in de Chineesche taal onze middelen van
woordvorming en grammatische vormen. Volgens sommige geleerden is dit
niet juist. Deze beweren n.l. dat alleen de geschreven taal
éénlettergrepig is maar de gesprokene niet, omdat in die gesproken
taal zooveel hulpbijwoorden en bijvoegsels zouden voorkomen om de
beteekenis van een woord te bepalen, dat zij eigenlijk polysyllaben
vormen. De bewijzen van dat polysyllabisch karakter acht ik nog niet
voldoende geleverd.
De Chineesche taal is oorspronkelijk een taal van den Indo-Chineeschen
stam, en als zoodanig verwant aan het Thibetaansch, Birmaansch,
Siameesch en eene menigte andere talen van Achter-Indië, Nepal en
Annam. Zij wordt, behalve door de Chineezen, door de Japaneezen,
Koreanen en Annamieten als literatuur-taal gebruikt. Zij reikt, wat de
literatuur aangaat, tot 3000 jaar vóór onze tijdrekening en is dus
een der oudste levende talen, zoo niet de oudste. Er zijn geleerden
geweest—o.a. Prof. Max Müller in zijn „Origin of
Languages”—die, vooral met het oog op het éénlettergrepig
karakter, de afwezigheid van tijden en wijzen, conjugatie en
declinatie, welke afwezigheid zou wijzen op een lageren levensvorm,
verklaard hebben dat de Chineesche taal een primitief stadium
vertegenwoordigt in de evolutie der talen. Zij zagen er een taal in,
gecristalliseerd als ’t ware in haar eerste stadia, en onveranderd
overgeleverd. Een feit is, dat de onveranderlijke Chineesche
éénlettergrepen door niets worden aangetast; tijd noch wijze,
enkelvoud noch meervoud, conjugatie noch declinatie bestaan, die ze
zouden kunnen veranderen. De Chineesche taal bezit ook geen afleidende
krachten. Zij kan, zooals Prof. Max Müller zoo juist zegt, b.v. niet
van „ferrum”, ijzer, een nieuw substantief „ferrarius”,
ijzersmid, maken, óók niet „ferraria”, ijzermijn, en daar weer
van „ferrariarius”, een werker in die mijn. Deze dingen zijn
mogelijk in buigzame talen, niet in de onbuigzame Chineesche.
Van die éénlettergrepige stamwoorden, waaruit de Chineesche taal
bestaat, zijn er maar heel weinig. In ’t Noordelijke
Mandarijn-Chineesch b.v. maar ± 436, in ’t Zuidelijke Canton-dialect
maar ± 707. Hoe is dat mogelijk, zal men zeggen, zijn gedachten uit te
drukken in maar 436 woorden! De armoede der Chineesche stamwoorden
wordt echter in zekeren zin vergoed door de verschillende tonen of
modulaties—„shing” genaamd—waarop zij kunnen worden
uitgesproken, of misschien ware beter gezegd: geneuried, of gezongen.
Elk woord behoort n.l. met eene bepaalde modulatie, die er bij behoort,
te worden uitgesproken. Eene andere modulatie maakt een ander woord,
eene andere beteekenis. Deze modulaties of tonen zijn in verschillende
taal-dialecten van China niet dezelfden, maar ondergaan locale
veranderingen, evenals de klinkers in westersche talen die ondergaan.
De Chineesche taal wordt dus eigenlijk niet enkel gesproken, maar
geneuried, gezongen bijna.
Het Pekingsche of Noordelijke mandarijn-dialect heeft vier van die
„shing” of tonen, het Nankingsche of Zuidelijke Mandarijn-dialect
vijf, het Canton-dialect acht.
Er worden in verschillende provincies en onderdeelen van provincies in
China verschillende dialecten gesproken, die men, al zijn ze verwant,
bijna talen zou kunnen noemen. Het verschil in die dialecten is n.l.
zóó sterk, dat b.v. een Chinees uit Amoy volstrekt onverstaanbaar is
voor een Chinees uit Canton, dat een Chinees uit Shanghai niets
verstaat van wat een Chinees uit Swatow zegt en een Chinees uit Amoy
ook niets begrijpt van wat een Chinees uit Peking tegen hem zou zeggen.
Zelfs verstaat een Chinees uit Fuhchau, de hoofdstad der
Fuhkien-provincie, niet wat een Chinees uit Amoy, dat toch in diezelfde
provincie ligt, spreekt. Ten Zuiden van de Yang Tsz’ rivier zijn die
verschillen het sterkste, ten Noorden worden ze minder. De oudste,
tevens die met de meeste „shing” of tonen, zijn de Zuidelijke.
De groote band, die het Chineesche volk altijd bij elkaar heeft
gehouden als één geheel, is de geschreven taal. Die taal, ofschoon
overal verschillend uitgesproken, wordt over geheel China hetzelfde
geschreven. Men krijgt hier een denkbeeld van als men denkt om de
Romeinsche cijfers die, in de verschillende landen van Europa anders
uitgesproken, toch overal hetzelfde worden geschreven. B.v. X is: tien,
dix, ten, zehn, dieci enz. Is de gesproken Chineesche taal betrekkelijk
arm, de geschrevene is rijker dan eenige andere taal der wereld. Zij is
in den waren zin een literaire luxe, zooals geen andere taal der wereld
bezit, en zij behoort dan ook aan een volk toe, dat het meest literaire
ter wereld is.
De Chineesche geschreven taal kent geen alphabet. Er kunnen geen
woorden gevormd worden met behulp van alphabet-letters, maar ieder
woord, ieder begrip heeft een apart schriftteeken, en wel een
schriftteeken, dat onveranderlijk blijft, en door enkelvoud noch
meervoud, declinatie noch conjugatie, tijd noch wijze wordt aangetast.
Een Chineesch woord kan nù eens substantief, dàn adjectief, nu eens
werkwoord dàn weer bijwoord, en zelfs voornaamwoord zijn. Zóó kan
b.v. ’t schriftteeken „ta” beteekenen: „groot”,
„grootte”, „grootheid” en „veel”, „erg”. Het hangt van
de positie in den zin af wat het beteekenen moet. De syntaxis doet
alles in den Chineeschen zin. De Chineesche schrifttekens worden
gewoonlijk „karakters” genoemd. Die schriftteekens zijn, dit versta
men wel, niet het alphabet van de taal, maar de substantie van de
Chineesche taal zelve. De zoo ingewikkeld lijkende Chineesche
schriftteekens zijn allen eigenlijk terug te brengen tot een systeem
van slechts zeven verschillende streepjes en puntjes, in allerlei
combinaties en variaties. In de beroemde dictionaire van keizer Khang
Hsi staan bijna 40000 verschillende karakters. Men schrikke hier niet
te veel van. Als men er 3 à 4000 kent komt men al een heel eind.
De Chineesche karakters zijn niet teekens als in onze Europeesche
talen, die voorstellingen zijn van door letters gevormde woorden, maar
ze zijn meer symbolen van ideeën. Hun oudste karakter was symbolisch
en ideografisch. Het is volstrekt niet verwonderlijk dat zulk een
schrift werd uitgevonden, want, zooals de sinoloog Wells Williams
terecht zeide: „de eerste gedachte van iemand, die een idee tracht
uit te drukken, is veel waarschijnlijker om het uit te teekenen, dan om
te trachten, de klanken uit te drukken waarin het wordt
uitgesproken”.
De alleroudste Chineesche karakters waren hiëroglyphische teekeningen.
De Chineesche taal wordt eigenlijk meer geteekend dan geschreven [4].
De teekenkunst en schilderkunst zijn dan ook van de calligraphie
afgeleid. Dat de oudste karakters teekeningen waren wordt al aangeduid
door den naam „wên” (lijnen, omtrekken van een voorwerp) die aan
karakters, en ook aan literatuur, en zelfs aan beschaving in ’t
algemeen wordt gegeven. Die oudste karakters waren afbeeldingen—b.v.
van een zon, een maan, een boom, een kindje, een berg enz. enz.—en
symbolen, b.v. een puntje boven een streep was: boven, een puntje
beneden een streep: onder, een doormidden gedeeld rondtetje: midden
enz. enz. Later kwamen symbolische samenstellingen, van twee of meer
afbeeldingen of symbolen naast elkaar. B.v. een mondje met een vogel er
naast is: zingen, een dakje met een vrouw er onder is: rust; een vrouw
met een kindje er naast is: houden van, goed, mooi; een man, leunend
tegen een boom: rusten, ophouden; een mensch met een woord er naast:
waarheid, oprechtheid; een boom, met een zon er in (die boven den boom
opkomt): Oosten; een vogel op een nest: Westen (als de zon ondergaat).
Door de eeuwen heen zijn die afbeeldingen veel van ’t oorspronkelijke
afgeweken en daardoor thans moeilijk te herkennen, althans voor den
leek. Het laatste hulpmiddel was eene vereeniging van twee deelen,
waarvan het eene de begrips-categorie, het andere min of meer (niet
precies) den klank aanduidt, dus een combinatie van een algemeen idee
en een phonetisch element. Tot deze soort ideo-phonetische behoort het
overgroote meerendeel der Chineesche karakters. Er zijn in ’t
Chineesch 214 van die teekens, radicalen of klassenhoofden genaamd, die
zulke begripscategorieën uitdrukken. B.v. met ’t radicaal „hart”
zullen alle karakters geteekend zijn, die gemoeds- en
geestesaandoeningen uitdrukken (vreugde, toorn, droefheid, melancholie,
bezorgdheid, weemoed enz.), met „water” alle karakters, die op
water betrekking hebben (baden, vloeien, gieten, stroomen,
besprenkelen, overstroomen enz.), met „hand” alle, die met handen
in verband staan (wijzen, grijpen, opnemen, wegnemen, neerleggen enz.)
Men kan zich hier een denkbeeld van vormen door eens te denken b.v. aan
het Fransche woord „chaîne”, ketting, indien wij ons dit als een
phonetisch-element denken. Men zou—op de Chineesche wijze—dan het
karakter voor: „eik (chêne)” kunnen krijgen, door een ketting
(chaîne) te teekenen en daarnaast een boom. Die boom zou dan ’t
radicaal zijn; de begripscategorie aangevend, die ketting zou het
phonetische element zijn. Zóó zou men, door naast de ketting een hart
te teekenen verkrijgen „gêne”, verlegenheid (de klank van ’t
phonetische element niet precies, maar ongeveer), en zelfs door er
water bij te teekenen (de rivier) Seine.
Voorbeeld hoe vroegere afbeeldingen later veranderd zijn:
júúh yué tsz’ shan móe
vroeger:
thans: 日 月 子 山 木
zon maan kind berg boom
Voorbeeld van z.g. symbolische karaktersamenstelling:
Sháng hsiá choeng yí érh saan
vroeger:
thans: 上 下 中 一 二 三
boven onder midden 1 2 3
Voorbeeld van z.g. ideographische karakters:
口 k’où, Mond. 鳥 niaò, Vogel. 鳴 mîng, zingen.
人 jên, Mensch. 言 yên, Woord. 信 sin, oprecht.
Ook in ’t Egyptisch, en in ’t Assyrisch komt het voor dat zekere
klassen van woorden een teeken er vóór of na hebben dat het algemeen
karakter er van aangeeft.
Verder dan tot dit ideo-phonetische karakter is de Chineesche taal
nooit gekomen. De sprong naar een alphabetische taal, die ten laatste
zelfs de Japanners deden, is nooit gedaan. Dit ideo-phonetische was de
laatste expansie, waarna de Chineesche taal onveranderlijk is stil
blijven staan. En toch, zooals Prof. Max Müller er eens terecht van
zeide: „iedere schaduw van gedachte die uitdrukking vindt in ’t
hoog geacheveerde en schoon gebalanceerde systeem der Grieksche tijden
en wijzen kan uitgedrukt worden, en is uitgedrukt, in die taal in haar
kindschheid door woorden, die noch vóór- noch achterzetsels hebben,
en geen einduitgangen om getal, naamval, tijd, wijze of persoon aan te
duiden”.
De syntaxis, zeide ik reeds, doet in de Chineesche taal alles.
In den breede heeft zij vijf groote, primordiale grondregelen, waaruit
alle andere kunnen worden afgeleid [5]:
I. In den regel staat het onderwerp vóór het gezegde, het werkwoord
of het voorzetsel vóór het voorwerp.
II. Woorden, die wij door „en” of „of” coördineeren, staan
naast elkaar, meest in vaste volgorde, het vroegere, gewichtigste of
betere vóóraan.
III. Het attribuut, zij het adjectief, genitief, bijwoord of telwoord,
staat vooraan.
IV. Is een ander zindeel als ’t grammatische onderwerp het onderwerp
van den zin—psychologisch onderwerp—zoo treedt het uit het
zinverband aan ’t begin van den zin. Tijd en plaatsopgaven nemen
gewoonlijk deze plaats in.