De Geest van China!....
Ik heb hem gevoeld in het trotsche berglandschap van het Noorden; in de
roze muren van de Verboden Stad van Peking; in de wijde eenzaamheid van
de eindelooze Yang Tsz’ rivier, in den ouden, gebogen man, steunende
op zijn staf, dien ik in de rotsige heuvelen om Amoy zijn eigen graf
zag zoeken; in de licht-schitterende bloemen-booten vol
zijde-ruischende „sing-song” meisjes op de Canton-rivier; in het
klagende fluit-lied van den sampan-roeier, vèr beneden op zee, dat ik
’s nachts, leunende op de balustrade van mijn hooge rots-bungalow,
hoorde, op dat droom-eiland van Ku-Lang-Su, waar ik de twee schoonste
jaren leefde van mijn leven.
Ik heb hem gevoeld in de statige kameelen-karavanen, uit de grimmige
wal-poorten van Peking trekkend, naar de zand-woestijn; in den deftigen
Chinees in lang blauw zijden gewaad, die zijn leeuwerikje in ’t
kooitje laat genieten van het zonnige landschap, en met hem wandelen
gaat; in de kleine sampans, die onbevreesd door hoog-deinende zee
roeien; in de arme duivels van koelies, dravend met hun zweetende,
kaneel-gele huid voor ratelende ricksha’s; in mijn ouden, eerwaarden
leermeester Tio, wiens grootste genot het was, eenzaam op een rots
boven de zee te zitten staren naar verre horizonnen, en die dat „siao
iao”, „zweven” noemde....
Ik heb hem gevoeld in het stijlvolle, statige arm- en handgebaar,
waarmede twee Chineezen elkaar groeten, in het steunen van een ouden,
ouden grootvader, een harden rotsweg moeizaam strompelend, op zijn
kleinkind, dat stapje voor stapje, voorzichtigjes gaat, als een symbool
van „Hiao”, Liefde voor de Ouders; in de reverentie van ’t
gansche volk voor al wat oud, en dus wijs is; in het sierlijke penseel,
waarmede de heilige schriftteekens worden geschreven, en in de ranke
pagode, oprijzend als een bloem, waarvan de bellen rinkelen in de
wind....
Ik heb hem gevoeld in den ontzaglijken eerbied voor de Literatuur en de
Filosofie; in den geur van de thee, die in broze porseleinen kopjes
dampt; in de kleuren van de chrysanten, die ik zag in den toover-tuin
van een hoogen mandarijn; in de doodkist, die zonen, als een kostbaarst
geschenk, aan hun nog levenden vader geven; in de scharen van
zwoegens-moede, naakte koelies, ’s avonds doodstil, ademloos
luisterend naar de sprookjes van den ouden straat-verteller, die de
schoone beelden toovert in hun kinderlijke fantazie; in het eenzame,
witte zeil van een jonk, verloren in de groote, groote Chineesche zee,
en in den vetten, huid-glimmenden, half naakten vleesch-verkooper in
een nauwe straat-steeg vol Rembrandtiek licht.
Ik heb hem gevoeld in de deftige, stijlvolle Chineesche binnenkameren,
in gedempt licht, waar de zieletabletten der afgestorvenen tronen op
het heilige familie-altaar; in de somber-majestueuze monolithen in de
geesten-allée op den grandiozen weg naar de Ming-graven; in de
grimmige, grauwe muren om Nanking, in de zeilschuit met het groote
gouden zeil, waarmede ik de wijde, sombere Drakenrivier opvoer van Amoy
naar Chang Chow; in de immenze, babylonische steden, die ik in de
verte, als in droom, zag opdoemen, op mijn spoor-reis van Peking naar
Hankau; in de van rood en goud flonkerende gewaden der Chineesche
bruiden, en in de lange, sidderende veeren op den helm van den
glorieuzen held op het Chineesche tooneel.
Ik heb hem gevoeld in de melodieuze, mysterieuze Chineesche taal; in de
magische, pictorale schriftteekens; in de doods-sombere, snerpende
klarinet van het klagelijk orchestje der begrafenis-stoeten; in de
wijde neerhangende mouwen der zijden gewaden, in de woest-gierende
tyfoen, die over de Chineesche zeeën huilt; in de blauwe
ijsvogelveeren in het donker-glanzende haar van frêle kind-vrouwtjes,
en in de theehuizen van Foochow-Road in Shanghai, vol bloemen en
tinkel-tokkelende muziek....
Ik heb hem gevoeld in de genadevolle Kwan-Yin beelden in rood-en-gouden
tempels, waarvoor vrouwen knielend bidden om een kindje in haren
schoot; in de heerlijke „Shan Shui”, de landschappen van „bergen
en water”, waarin de kosmische oer-principes Yang en Yin te zamen
harmonisch het Rythme van schoonheid vormen; in de witte graven die als
mysterieuze bloemen de somber-zwarte rotsen om Amoy bedekken; in het
glorieuze Hemel-Altaar bij Peking, dat als een wonder symbool van de
drie-rythmige Kosmische Orde aan de opperste God-Macht Shang Ti gewijd
is; in den grooten, komisch-deftigen bril van den literator; in de als
ranke booten in de luchte-zeeën-drijvende daken der huizen; in de
somber gonzende gongen der kloosters, waar gulden Boeddha-beelden
donker-gloeiend in ’t mysterieuze licht van roode kaarsen staan, en
in de hand van den literator-mandarijn, die op zijn sterfbed, in
streng-klassieken stijl, zijn doodsbericht eerbiedig aan den keizer
schrijft....
Ik heb hem gevoeld in de stille wierook-spiraal, die plechtig opstijgt
voor de ziele-tablet der vaderen in de voorvaderlijke hal; in de
deftige, zijde-bekleede draagstoel van den mandarijn, die daar statig
in gezeten is als een mensch in Gods-rust; in den blinden bedelaar in
drukke straat, waar stoeten ratelende rijtuigen en dravende ruiters
behoedzaam voor uitwijken; in de vlammen van de vuren, waar goud-papier
en poppen in verbranden, om geld en dienaren te zijn voor dierbare
dooden in het Ongeziene; in den klagelijken roep, waarmede de zoon op
het dak van ’t vaderlijke huis de ziel van zijn gestorven vader
terugroept; in den statigen os, die droomerig den kop opheft, als hij
met glimmend-grijzen rug boven ’t water uitkomt waar hij koelte
vindt; in het grappige kuifje boven op ’t gladgeschoren hoofd van een
klein jongetje; in den rustigen, blauwen vijver van het Zomerpaleis,
waar keizers in gouden gondels droomden, en in de glanzende
rijst-velden waar boven het schitterend groen de gele hoed opkleurt van
den rustigen landman.
Maar o! hoe heb ik hem gevoeld, den Geest van China, in de wereld-wijze
filosofie der groote Chineesche denkers, in hun strenge, statige
schriftteekens vol symbool en suggestie, in hun rustig oprijzen tot die
hoogste goddelijke hoogten van het T’ai Kie’ de Uiterste Grens,
waartoe hel menschelijk denken komen kan, en waarachter het goddelijk
Mysterie trilt.
Hoe is hij te vinden ook in de Chineesche kunst, die kunst, die
geestelijk van wezen is, die niet de uiterlijke vormen zoekt der
wisselende verschijningen, maar de onzichtbare, geestelijke essence van
het goddelijke, dat achter alle zichtbare vormen eeuwig leeft!
Het is de Geest van China, die mij behouden heeft in het leven, die
Geest, die zóó sterk en machtig is, dat bijna alle Europeesche
diplomaten, lang in Peking wonend, Chineesch worden in hun denken en
voelen, en niet meer hun Westersche rijk maar, zonder het te weten,
China als hun vaderland gaan voelen. Het is de Geest van China, die
mij, Hollander, tot een Chinees gemaakt heeft, die voelt als China’s
groote Wijzen, en die zijn fel-bewogen leven slechts kan dragen door de
sterkte en de Rust—o ja, vooral de Rust!—die den Chineeschen
kunstenaar-wijsgeer telkens weer het groote Evenwicht doet houden in de
wilde wisseling van sensaties en emoties en gedachten. Het is de Geest
van China, het wondere Rijk van het Midden, die Confucius de heilige
Leer deed uitzeggen van de „Choeng Yoeng”, van het onveranderlijke
Midden, waarin de mensch zich concentreert om het Goddelijke te vinden
en zich onsterfelijk te weten....
Het is de Geest van China, die mijn Pad door het leven gebaand heeft,
dat Pad, dat Confucius Tao noemde, leidend naar het Goddelijke
mysterie, dat Lao Tsz’ óók Tao noemde, er bij verklarend dat het
géén Naam kan hebben, die „Uiterste Grens”, dat „Tai’ Kie”,
waarvoor het menschelijk denken stilstaat, en waar alleen dat andere,
allerhoogste intellect toe reiken kan, dat de goddelijke Intuïtie
is....
O! Geest van China! Niet het scherpe, doch ontoereikende intellect der
Westerlingen, maar enkel de Intuïtie, die mysterieuze voelhoren van
het Oosten, kan u ooit aanraken....