GAAIKE. Hans ....! (Ze snelt op hem toe en valt hem snikkend in de
armen.)
HANS. Gaaike ....! Vergeef mij ....
GAAIKE. Ik was de schuld van alles, Hans!
KERSTMANNETJE. Stil, kinderen, doe je zelf maar geen verwijten. De
duivel heeft met jullie zijn spelletje gespeeld, en iedereen heeft wel
een kant, waar Satan houvast vindt. Hij komt in zijn beminnelijkst
gewaad, maar druk je hem de hand, dan voel je, dat hij duivelsklauwen
heeft. Roep dan om mij, den Kerstman! Zoo ver kan ik niet weg zijn, dat
ik den schreeuw van een vertwijfelde niet hoor. (Zijn gezicht begravend
in grooten, bonten zakdoek, waarin hij energiek snuift:) Jullie voelt
wel: als ik den duivel dwars kan zitten, zal ik het niet laten! Ik kan
jullie verzekeren, goede lieden, dat ik in mijn heele loopbaan van
Kerstmannetje zoo’n mooien dag nog niet beleefd heb!
HANS. Ik dank je, Kerstmannetje, voor Gaaike en mijn klok.