STOFFEL. Gingen ze maar. (Hij drinkt.)

KASPER. Het verwondert me, dat mijn vriend en kameraad Snoek nog niet

aan het luiden is geslagen! (Ziet op zijn horloge). Het is al over den

tijd! Kom, mannen, laten we er maar eens op drinken, dat .... (Hij ziet

Anne-Marie binnen komen, slaat de handen ineen.) Alsjeblieft, mannen!

Mijn vrouw.

ANNE-MARIE. (Komt blozend op, opgedirkt als nog geen herbergierster in

haar leven opgedirkt is geweest. De bewondering is dan ook algemeen.

Kasper maakt geheimzinnige gebaren tot de anderen, om aan te duiden hoe

mooi en kostbaar alles is, en dat dat nu zijn vrouw is, die zooveel

schoons zoo gratievol te dragen weet.)

ANNE-MARIE. Kasper, doe niet zoo gek! Zit alles goed, Aafke?

AAFKE. (Is haar gevolgd, zichtbaar genietend van de bewondering, die

Anne-Marie ten deel valt.) Wacht! (Ze prutst er nog wat aan.)

KASPER. Heeft iemand in zijn leven zoo’n vrouw gezien? ’t Heeft me wat

gekost! Brrrr!

STOFFEL. Als mijn vrouw dat ziet, zal ze ’t niet minder willen doen! Al

moest ik er ook een jaar voor krom liggen ....!

KASPER. Hè, wijf, weet je nog wel, dat wij samen naar de kerk gingen?

’t Is nou een dikke dertig jaar geleden! Je bruigom was geen graaf,

maar hij mocht er toch wezen, en je was wat trotsch op hem!

ANNE-MARIE. Schei toch uit, malle kerel!

KASPER. En weet je nog, Stoffel, hoe we gedanst hebben? Hè? (Maakt

dansbewegingen.) Tjing-tjang-tjoedeli, tjing-tjang-tjoedeli .... ’t Is

me toch zoo’n rarekiek! Tjing-Tjang-Tjoedeli .... Hè, ouwe jongen?

STOFFEL. (Zucht.) Dat zal ik niet meer weten, Kasper! ’k Was juist in

de bovenste wolken, omdat mijn vrouw haar eerste dochter had gekregen!

Als ik toen geweten had, dat er nog zes bij zouden komen ....?

KASPER. Moed, buurman, neem een slokske! Hier!—Maar die klok? Waar

blijft die klok! Snap jullie er wat van, dat mijn vriend Snoek nog

altijd niet aan het luiden is geslagen?

ANNE-MARIE. Is het al tijd?

KASPER. Een kwartier er over. Waar blijven de kinderen?

ANNE-MARIE. Die komen er aan. Gaaike was daareven al gekleed. Maar hoe

kan dat nu, dat Snoek nog altijd niet ....? Heb je het wel goed met hem

afgesproken?

KASPER. We hebben de beste afspraak gemaakt, die er ooit gemaakt is. En

daarstraks is hij hier nog langs geloopen om even een hartversterking

te halen voor hij ging luiden.

ANNE-MARIE. En toen heb je hem zeker zooveel wijn voorgezet, dat hij

het klokketouw niet vinden kan!

KASPER. Dan zou ik tien vaten voor hem hebben moeten leeggetapt, want

bij het negende is mijn vriend Snoek nog lang niet dronken.

ANNE-MARIE. Nu, ligt de looper al buiten?

KASPER. Ik heb hem zelf gelegd. En de heele markt over tot aan de kerk

is de weg met dennetakjes bestrooid.

ANNE-MARIE. En staat er veel volk?

KASPER. Als Kaspers dochter de bruid is, loopt de heele stad uit! (Hij

gaat naar het venster.) Je kunt over de hoofden loopen. Maar waar die

klok nu toch blijft?! Mijn vriend Snoek ....

ANNE-MARIE. Jouw vriend Snoek zal in een sloot getuimeld zijn.

KASPER. Zwemmen kan Snoek! Wat dat betreft, doet hij zijn naam eer aan!

Maar desnoods gaan we zonder die klok naar de kerk!

ANNE-MARIE. En als Gaaike ....?

KASPER. En als Gaaike? Wat: en als Gaaike? Ja, je moet nog maar

luisteren ook naar die kuren en fratsen!

ANNE-MARIE. Stil, daar komen de kinderen!

HANS EN GAAIKE. (Komen op arm in arm. Bruidsmeisjes volgen met Gaaike’s

sluier en bruidskrans.)

(Algemeene kreten van bewondering, niet het minst voor Gaaike’s

gravinnekleed.)

KASPER. Alsjeblieft, mannen! Mijn dochter en mijn schoonzoon. Ze mogen

er wezen, wat? (Hij kust Gaaike voorzichtig,—bezorgd, haar kleed niet

te kreuken.) Goeden morgen, mijn popje! Je ziet wat bleek; heb je niet

goed geslapen? Een beetje opgewonden, hè? Anne-Marie, jij kon drie

weken van te voren al niet slapen, toen het ònze groote dag zou zijn.

Uit angst, dat ik je zou opeten!

ANNE-MARIE. Dat m’n japon niet klaar zou komen.

KASPER. Dat zeg je nou.—En jij, m’n beste graaf, heb jij goed geslapen?

HANS. En u, schoonvader?

KASPER. Ik? Best! Ik heb best geslapen. Ik slaap altijd best. Mag ik je

eens voorstellen, graaf: (Wijst op zijn vrienden.) Stoffel, mijn

hartsvriend, die je al zijn zeven dochters wel wil geven, als je er

trek in hebt. (Fluisterend:) Maar er zit niet veel achter het linnen,

hoor! En hier, Hannekijn Goetsot, die ook nog een paar dochters te koop

heeft .... he-he-he! En hier, Domien Lambregts, bijgenaamd: de papzak,

en hier: Lammert Bot, een zeevisch, in tegenstelling met mijn vriend

Snoek, die meer van zoet water en nog meer van een zoet wijntje houdt,

en die vanmorgen de klok zal luiden ter eere van jullie bruiloft,

kinderen!

HANS. Hoe kan .... de klok luiden? De klepel is er toch ....?

KASPER. Die is er al lang weer ingeklonken! En mijn vriend Snoek is een

klokkeluider, hoor! Als die maar aan het touw trekt .... Alle duivels,

schei toch uit met dat lachen!

HANS. Ik .... ik hoor niets! (Hij heeft het duivelslachje heel goed

gehoord.)

STOFFEL. Ik ook niet! Hoe kom je er toch bij, Kasper, dat wij je zouden

uitlachen?

KASPER. Hou je maar niet van den domme: ik hoor drommels goed, dat er

iemand lacht. Ik wil zeggen: Als mijn vriend Snoek maar aan het touw

trekt .... (Driftig:) Boem! Dan luidt de klok al!

GAAIKE. Maar waarom .... luidt ze dan nog niet?

ANNE-MARIE. Omdat Kasper zijn vriend Snoek eerst dronken heeft gemaakt.

KASPER. En als ik je nou toch zeg, wijf, dat hij niet meer dan twee

.... of drie kroezen wijn gedronken heeft!

ANNE-MARIE. Of vier .... of vijf .... of zes misschien? Of meer?

GAAIKE. Ik .... ik wil niet naar de kerk .... wanneer de klok niet

luidt!

KASPER. Wat?! Is het dan toch waar wat je moeder mij verteld heeft? Jij

wilt niet naar de kerk wanneer de klok niet luidt?!

ANNE-MARIE. Nu stil maar, Kasper.

KASPER. Die fratsen kan ik niet uitstaan, wijf!

GAAIKE. Ik wil niet naar de kerk .... wanneer de klok niet luidt ....!

KASPER. (Driftig:) En waarom niet?

GAAIKE. Dat heeft .... Kerstmannetje gezegd.

KASPER. (Ziet verbluft zijn vrouw aan.) Dat heeft Kerstmannetje gezegd.

Hoor je dat, wijf?

ANNE-MARIE. Ze zal gedroomd hebben, Kasper.

GAAIKE. (Angstig, droef:) Neen! Ik heb het niet gedroomd ....!

KASPER. Hoor jij niet wat jouw moeder zegt? Je hebt gedroomd, zegt jouw

moeder! Sinds wanneer geloof jij nog aan Kerstmannetje?

ANNE-MARIE. Stil, Kasper, ze is immers nog een kind.

KASPER. Een kind, dat straks een vrouw zal zijn! Zulke verhaaltjes van

Kerstmannetje en zoo hoeft ze haar vader niet meer op den mouw te

spelden!

GAAIKE. Ik heb Kerstmannetje wel vaker gezien .... als ik verdriet had.

KASPER, Verdriet ....? Heb jij verdriet?

ANNE-MARIE. Stil, Kasper, om dien klokkeluider, bedoelt ze. Vertel je

moeder maar eens, kind, hoe zag hij er dan uit .... Kerstmannetje?

GAAIKE. Ik heb alleen maar zijn oogen gezien. Die waren zoo goed en

vriendelijk. En zijn stem klonk zoo zacht .... Hans, de klokkeluider,

heeft Kerstmannetje ook wel eens gezien!

KASPER. Ja, die klokkeluider zal je heelemaal wel veel moois verteld

hebben!

GAAIKE. Ja ....

KASPER. Wat: Ja!

GAAIKE. (Droomend:) Hij heeft me veel moois verteld ....

Hans de Klokkeluider · 第 57 / 64 题