KASPER. (Wanhopig gebaar.)

STOFFEL. Kom, Kasper, laten we maar eens gaan kijken waarom die klok

nog niet luidt. Dan weet je het.

KASPER. Vooruit! Die Snoek moet me nog weer eens vertellen, dat hij een

klok kan luiden! (Met zijn vrienden af door de buitendeur.)

ANNE-MARIE. (Verzint een leugentje om Hans en Gaaike even alleen te

laten. Tot de bruidsmeisjes:) Kom mee, meisjes, dan mogen jullie de

taart voor straks eens zien! (Fluisterend tot Hans:) Praat haar dat

maar even uit het hoofd, graaf. Ze weet zelf niet wat ze wil!—Kom

Aafke! (Af met gevolg door een der zijdeuren.)

(Het gesprek, dat nu tusschen Hans en Gaaike volgt, wordt in gejaagd

tempo, fluisterend gevoerd.)

HANS. Gaaike .... wanneer hebt jij Kerstmannetje gezien?!

GAAIKE. Vannacht!

HANS. Ik ook!

GAAIKE. En heb je daarna den storm ook gehoord?

HANS. Hij loeide in den schoorsteen! Ik hoorde krassende raven en

gekrijsch van katten! Dakpannen suisden kletterend neer; heksen raasden

door de lucht op bezemstelen! Heksen met grijze lange haren en kromme,

zwarte nagels en rafelige rokken en ze gierden allen dooreen ....

GAAIKE. „Blaas het licht uit!”

HANS. (Hijgend, bleek:) Dan heb ik goed verstaan.

GAAIKE. Maar het is niet gelukt! Ik heb er mijn hand voor gehouden!

Uilen, met groene en roode oogen, kwamen aanruischen; vleermuizen

fladderden in dichte zwermen om mijn hoofd en trachtten met haar wieken

het licht te dooven. Maar ik beschermde het, tot ze vluchtten voor de

morgenschemering. Toen hoorde ik Kerstmannetje spreken .... dicht bij

mij. „Gaaike”, zei hij, „dat komt, omdat de klok vandaag niet heeft

geluid! Als ze op Kerstmis nog niet luidt, zullen de vleermuizen in den

nacht terugkomen, in nog dichter scharen, en het licht zal uitgaan ....

voor altijd!”

HANS. Maar als de klok .... nu niet luiden wil?

GAAIKE. Doet u het! Luidt u de klok! Toe ....!

HANS. (Stamelend:) Ik .... Hoe zou ik dat kunnen, Gaaike .... wanneer

een ander het ook niet kan?!

GAAIKE. Ik wil niet trouwen .... zoolang de klok niet luidt!

KASPER. (Komt weer met zijn vrienden op. Driftig:) Als ik dáárvan wat

snap! (Roept:) Anne-Marie! (Tot zijn vrienden:) Wat kan er aan die klok

mankeeren?!

ANNE-MARIE. (Komt op met Aafke en de bruidsmeisjes.) Wat is er met de

klok?

KASPER. Niets anders dan dat ze niet luiden wil!

ANNE-MARIE. Hoe kan dat?

KASPER. Dat moet je maar eens aan Gaaike vragen! Die schijnt het van

morgen al geweten te hebben! Snoek heeft staan trekken tot hij er lam

van werd, maar de klok zegt geen boe en geen ba!

STOFFEL. Hij is nu den toren ingegaan, om te zien waar het hapert.

KASPER. Daarop wachten we niet. Langs den heelen weg staan de menschen

al een half uur te blauwbekken. Zoometeen gaan ze nog allemaal naar

huis! Zijn jullie klaar? Dan gaan we. Met die klok zoeken we het later

wel uit.

GAAIKE. (Angstig:) Ik wil niet naar de kerk .... zoolang de klok niet

luidt!

KASPER. Stil, zottinnetje!

GAAIKE. Ik wil niet!

ANNE-MARIE. Kom, m’n kind, wees nu verstandig. Je begrijpt toch wel,

dat je gedroomd hebt!

GAAIKE. Gedroomd? Het komt toch alles uit ....!

ANNE-MARIE. Ach, die klok is gisteren natuurlijk slecht gemaakt!

KASPER. Is het nu nòg niet uit? Wat zegt u wel van haar, graaf?

HANS. (Wendt zich tot Gaaike. Met gebukt hoofd:) Gaaike .... als de

klok nu eens .... in het geheel niet meer luiden kon?

GAAIKE. (Bijna schreiend:) Ik wil niet ....!

(Groot rumoer op straat daarbuiten. De muzikanten houden op te spelen.)

SNOEK. (Komt binnenstormen, doodsbleek, met verfomfaaide kleeren,

schrammen en builen op het gelaat. Naar adem happend:) Kasper!

KASPER. (Onrustig, driftig:) Wat is er?

SNOEK. Kasper ....! In den toren ....!!!

KASPER. Wat: in den toren?!

SNOEK. De Duivel!!

(Gegil onder de vrouwen. Gaaike vliegt naar haar moeder. Hans deinst

achteruit zonder te kunnen spreken, buigt het hoofd.)

KASPER. (Tast naar zijn slapen.) De .... de duivel? Snoek, je bent

dronken!

SNOEK. Was het maar waar! Ze hebben hem allemaal gehoord!

STEMMEN. (Op straat) De duivel! De duivel is in den toren! De duivel!!

GAAIKE. (Angstig, vast besloten:) Ik wil niet naar de kerk .... wanneer

de klok niet luidt!

SNOEK. Ik hoef je niet te zeggen .... hoe ik schrok! Daar stond .... de

duivel met een van zijn dienaren! „Scheer je weg!” schreeuwt die

d-dienaar van den d-duivel. En Satan schreeuwt er achter aan: „De klok

is .... is van mij! Ik heb haar gekocht!!” Water, Anne-Marie!

Hans de Klokkeluider · 第 58 / 64 题