SNUF. Een charmante vrouw! (Hij stampt de flesch dicht.)

KERSTMANNETJE. (Hoffelijk buigend:) Een al te groote eer! Het spijt mij

meer dan ik U zeggen kan, maar ik toef hier te kort om ....

SATAN. (Geïnteresseerd:) Hoe lang denkt u hier nog te blijven?

SNUF. (Eveneens in spanning.) Niet lang zeker? Hoogstens tot

morgenvroeg?

KERSTMANNETJE. Ik dacht hier in de stad te blijven .... tot ik de klok

heb hooren luiden. Het schijnt, dat ze een goeden klank heeft?

SNUF. (Slaat de handen ten hemel.) Een goeden klank ....!

SATAN. Dan hebt ge haar zeker nooit gehoord!

KERSTMANNETJE. Met vriendelijk kleppen wenkte zij mij naar dit stadje.

Maar ik was te ver af om het zoo goed te hooren als ik graag gewild

had.

SATAN. Betreur het niet, heer, dat ge ze van zoo ver hoordet! En ik

raad u aan; ga heen, voor ge ze van zoo dicht bij gehoord hebt, dat ge

er Uw leven lang genoeg aan hebt! Mij doet ze altijd denken ....

SNUF. .... aan het schelle tjingelen van een kermisbel, vermengd met

het ziel-vermoordend knarsen van een doorgeroeste koffiemolen! En ik

kan er over oordeelen, heer, want ik ben musicus van mijn beroep!

(Slaat op zijn guitaarkast.)

SATAN. Hij heeft volkomen gelijk, heer, het is niet om aan te hooren!

KERSTMANNETJE. Dáárom hebt ge ze misschien den klepel ontstolen ....?

SNUF. Ai ....!

SATAN. (Voelt het spelletje thans geëindigd. Vinnig:) De klok is van

mij.

KERSTMANNETJE. („Belangstellend”:) Van U ....??

SATAN. (Scherp:) Van mij. (Naar buiten wijzend:) Ziet U? Daar boven,

hoog en veilig, hangt ze .... mijn klok!

KERSTMANNETJE. Dan mag ik U wel dankbaar zijn, dat U mij gisteren zoo

vriendelijk den weg liet wijzen naar de stad! Want werkelijk, met die

sneeuw....

SATAN. (Vinnig:) Dien dank kan ik niet aanvaarden, heer. Want toen ze U

hierheen .... (woedend:) den weg wees, was ze nog niet van mij.

KERSTMANNETJE. Ze is nu trouwens ook nog niet van U.

SATAN. Morgen zal ze van mij zijn, heer!

KERSTMANNETJE. (Koeltjes:) Morgen nog veel minder, heer.

SATAN. (Wantrouwend:) En waarom niet?

KERSTMANNETJE. Omdat morgen, op Kerstmis, alle klokken den Kerstman

toebehooren. Dat is al duizend jaren zoo geweest. Kerstdag is de

verzameldag der menschen tegen Satan, en op dien dag ....

SATAN. U sprak van .... Satan?

KERSTMANNETJE. Ik sprak ervan, dat er geen klok mag zwijgen, wanneer

het menschdom opgeroepen wordt om Satan te bestrijden.

SATAN. Die Satan schijnt een gevaarlijk heer te zijn!

KERSTMANNETJE, Toch niet. Ik houd hem niet voor zoo gevaarlijk. Voor

mij is hij een voddenkoopman, die door de straten trekt bij nacht en

ontij en zich de keel om zielen heesch schreeuwt. Hij krijgt slechts

.... afval.

SATAN. Toch niet altijd .... afval!

KERSTMANNETJE. Een enkele maal komt hij tegen wat zich verstooten voelt

en in het duister dwaalt. Dan kan slechts nog .... de Kerstman redding

brengen. Want voor het lichtje van den Kerstboom moet Satan vluchten!

SATAN. Vluchten? Weet ge dat zeker, heer? Tusschen de takken van den

kerstboom zag ik de kleuren van Satans wapenschild nog fonkelen: goud

en zilver!

KERSTMANNETJE. Een grapje, dat men zich met hem veroorlooft! Want in

dat goud en zilver steekt onschuldig suikergoed!—Kom, laat ons onze

kroezen ledigen op de eeuwige waarheid van den Kerstnacht!

SATAN. Ik zal mijn kroes ledigen op de waarheid, dat morgen de klok van

mij zal zijn!

KERSTMANNETJE. Die dronk zal U niet goed bekomen.

SATAN. (Driftig, argwanend:) Is U hier soms aan het werk geweest, om

mij uit den zadel te lichten?

KERSTMANNETJE. U zult zonder mijn hulp ook in het zand vliegen. Uw

sporen zijn te scherp. U drukt de flanken van Uw paard tot het bloed er

langs stroomt. Dat maakt het .... wispelturig.

SATAN. Men is ruiter of men is het niet. Ik geloof vrij stevig te

zitten.

KERSTMANNETJE. Dat gelooft elke zandruiter, zoolang hij niet over den

grond buitelt.

SATAN. (Met zijn kroes op tafel slaand:) Mijn is de klok!

KERSTMANNETJE. Mijn.

SATAN. (Ziet Kerstmannetje woedend aan. Zoekt naar woorden om zijn

gemoed te luchten.) Wacht! Een strijd van man tot man!—Snuf, haal dien

klokkeluider hier! (Hij springt overeind.) We zullen zien!

KERSTMANNETJE. (Staat ook op, uiterlijk rustig. Wij zien zijn

innerlijke onzekerheid, spanning en angst.)

SNUF. (Rent langs de verschillende deuren. Als hij bij de goede is

aangeland, klopt hij vinnig aan.)

HANS. (Uit het zijvertrek, onwezenlijk:) Wie klopt daar aan mijn deur

....?

Hans de Klokkeluider · 第 51 / 64 题