SATAN. Storen we?
KERSTMANNETJE. Allerminst.
SATAN. Dan zal ik zoo vrij zijn ....! (Hij neemt vol zwier bij den
haard plaats, alsof hij hier thuis was. Bevelend:) Snuf, breng wijn!
SNUF. Ik vlieg, meester! (Hij springt op de toonbank af, laat onderweg
de gelegenheid niet onbenut om Bof te honen, vol helsche fantasie.)
BOF. (Driftig, beleedigd:) Laat ons gaan, meester! (Hij trekt zijn
laarzen aan.)
SATAN. (Tot Kerstmannetje:) Dacht U zoo laat nog weer op pad te gaan?
Het is daarbuiten echt .... duivelsweer; de sneeuw ligt huizen hoog.
Kom liever bij mij zitten, heer! Ik heb helaas niet het genoegen Uw
naam te kennen.... maar Uw gezicht komt mij niet onbekend voor.
KERSTMANNETJE. (Zet zich tegenover hem.) U is mij .... vreemd.
SATAN. U zult mij nog wel leeren kennen.—Snuf, waar blijft de wijn?
SNUF. (Die bezig was zijn eigen keelgat te spoelen:) Ik kan niets
vinden, meester! Het is hier pikke-pikkedonker! Ah! Daar heb ik een
flesch!
SATAN. Hier er mee, Snuf!—Dan drinken wij op onze .... interessante
ontmoeting in dit late uur!
KERSTMANNETJE. Is U ook trekkende zooals ik, dat U hier in den nacht
een onderkomen zoeken moet? Mij dunkt, als U hier woonde, zou U den
huiselijken haard verkiezen! Het eigen huis is altijd nog gezelliger en
warmer ....
SNUF. (Een flesch ontkurkend:) Te warm soms!
SATAN. Ik heb een huis .... hier in de buurt. Een kleine oneenigheid
met mijn moeder .... nu, het doet er ook niet toe. U moest mij eens
bezoeken!
SNUF. (Hoffelijk en vol verstand van zaken inschenkend voor de beide
kampvechters:) Hoe meer zielen .... hoe meer vreugd!
SATAN. En met mijn moeder zou U ook eens kennis kunnen maken. Zij weet
haar gasten te onthalen!