Heer graaf, kom uit je grafelijk bed
En deel hier onze pret!
Drie goede vrienden wachten hier!
Kom jij er bij, dan zijn we vier!
Verdrijven bij wijn den tijd;
(Naar Bof ziend:) Een nar zorgt voor gezelligheid!
HANS. (Uit het zijvertrek, klagend:) Ik kom niet ....
SNUF. Hij komt niet!
KERSTMANNETJE. (Triumfeerend, driftig:) Ik zal hem roepen! (Hij roept,
zonder zijn plaats te verlaten:) Kom, Hans? Ik ben hier ....!
HANS. (Uit zijn kamer:) Je stem is goed en vriendelijk en .... wie ben
je?
KERSTMANNETJE. Kerstmannetje is hier.
HANS. (Na een pauze, zacht:) Ik kom ....
SNUF. Hij komt! (Springt op zijn meester af en fluistert hem wat in het
oor.)
HANS. (Komt op, een kaarsje in de hand, zijn gravenkleeren los
omgeworpen, zijn haren verward, met de vrije hand zijn jas gesloten
houdend. Zijn ademhaling is die van een slapende.) Hier ben ik,
Kerstmannetje ....! Wie lachte daar?!
SNUF. En waarom zou ik niet lachen? Uwe Edelheid de graaf gelieft met
een kaarsje in de hand te loopen!
HANS. (Angstig:) Ik ben geen graaf ....
SNUF. Ik wil toch niet hopen, dat Uwe Edelheid droomt .... een
klokkeluider te zijn? Dat zou een booze droom zijn, waar U gauw van af
moet zien te komen, want ze zou U een nachtmerrie kunnen worden!
HANS. Ik ben geen klokkeluider meer .... De klokkeluider is verdronken
in de gracht. Ik ben een doode .... in gravenkleeren.
SNUF. Maar wat een móóie kleeren ....! (Betast ze.) Ai ....! Zijde!
Goudborduursel! Wat zal Gaaike ze mooi vinden ....!
SATAN. Een doode, zei je?? Een doode, die morgen in een fijne
gravenkoets, het mooiste bruidje naast zich, dat men zich wenschen kan,
naar zijn kasteel rijdt, zijn fijn kasteel vol goud en zilver en alles
even kostbaar en bijzonder ....?!
HANS. (Zijn hand beeft.) Ga weg! Weg! Ik ken jullie! Jullie stak me een
dolk in het hart,—laat af van het gevest ....!
SATAN. (Terwijl Snuf „bewonderend” om Hans heenspringt, duivelsche
accoorden tokkelend op zijn guitaar.) Een dolk?? Hebben wij je kwaad
gedaan?? Hebben wij je geen mooi kleed bezorgd voor Gaaike? Heelemaal
te geef? Was ze er niet blij mee? Heeft het je den weg naar haar hartje
niet gebaand?
HANS. (Droevig:) Ja .... dat heeft het. Het heeft .... den graaf den
weg gebaand. Maar ook zonder dat kleed .... zou hij haar morgen wel
naar het altaar hebben gevoerd. Zijn koets, zijn titel was voldoende.
(Smartelijk, bitter:) Alleen het kasteel .... was eerst niet mooi. Daar
wou ze niets van weten! (Wanhopig:) Kerstmannetje, help mij! De duivel
zit mij op de hielen!! Zijn snerpende lach snijdt mij door mijn ziel!
„Ik heb je in mijn macht! Ik heb je in mijn macht! (Snikkend:) Ik heb
je in mijn macht ....”
KERSTMANNETJE. Doe afstand van alles, Hans. Doe afstand van alles wat
Satan je gaf.
HANS. Hoe kan ik dat? Als ik mijn kleeren teruggeef, die zijden en
brokaten leugens; als ik mijn koets teruggeef, mijn kasteel .... dan
ben ik Gaaike kwijt! Gaaike ....! (Fluisterend:) Beëlzebub .... je
strik is goed gelegd! Ik heb mij Gaaike duur gekocht, maar duurder zal
mijn klok zijn, als ik die terug wil koopen. Dan moet ik Gaaike haar
graaf afnemen .... (Snikkend:) waarvan ze zooveel houdt! (Op
duivelstoon, krimpend van smart:) De prijs van je klok? Een krats! Een
bagatel! Voor Gaaike’s geluk .... kun je je klok terugkoopen!
KERSTMANNETJE. Je zult haar voor den verloren graaf .... een
teruggevonden klokkeluider schenken.
HANS. (Bitter:) Een slechte ruil! Een graaf omruilen .... voor een
klokkeluider.—Ze wil in een kasteel wonen, Kerstmannetje, niet in den
toren.
SNUF. (Springt tusschen Kerstmannetje en Hans.) En dus ....?
SATAN. Dus blijft hij graaf!
SNUF. Een graaf met een kaarsje in de hand! (Hij blaast het uit.) Kom,
ga maar gauw weer onder de wol, want Uwe Edelheid zou kou kunnen
vatten! Kom! Kom dan! (Met groote sprongen, tokkelend op zijn guitaar,
gaat hij Hans voor.)
HANS. (Volgt hem wankelend.) Het licht is uit .... Niets dan
duisternis! (Naar adem zoekend:) Kerstmannetje! Help mij ....
SNUF. (Opent de deur voor hem.) Meneer de graaf! (Als Hans binnen is
gegaan, sluit hij de deur achter hem.)
SATAN. (Zegevierend tot Kerstmannetje:) Nu? Wien hoort de klok?
KERSTMANNETJE. (Bleek, met trillende lippen:) Mij.
SATAN. Vervloekt!—Snuf, maak een contract op! Ik zet er honderd zielen
voor in, dat de klok morgen van mij zal zijn!
SNUF. Ik vlieg, meester! (Hij haalt een vel papier uit den zak.) Den
vier-en-twintigsten December van het jaar ....
SATAN. Halt!—Wat is Uw inzet, heer?
KERSTMANNETJE. (Ziet den duivel driftig, smartelijk aan. Heft dan zijn
Kerstlantaren omhoog.) Ziet U dit licht! Dit kleine lichtje is het
Licht der Wereld. Dit kleine lichtje wijst den weg langs poelen en
moerassen. Als ik het weg neem .... is de menschheid verloren. Dan
zullen duizenden, tien-, honderdduizenden verstikken in den modder; dan
zullen door de duistere paden van het leven de menschen zich
verdringen, vechten, stompen met de ellebogen en roepen: „Het licht!
Waar is het licht! Wie heeft het licht gestolen! Wie heeft ons allen in
’t verderf gestort?! Waarheen?! Wij zien geen weg ....!!”—En Satan zal
de poorten van zijn hel wijd open zetten. De gloed der vlammen zal naar
buiten stralen in de dichte duisternis, en men zal roepen: „Daar is het
licht! Komt allen, komt, daar wacht ons de verlossing!” En schouder aan
schouder, in eindelooze gelederen zal het menschdom zich de poort
instorten van die lichte feestzaal ....—U vraagt mijn inzet? Mijn
Kerstlantaren!—Kom, volg mij, Bof. (Hij gaat met Bof heen. Beiden af
door de buitendeur.)
SATAN. (Ziet verbluft naar de weer gesloten deur. Prevelend:) Wel, alle
duizend duivels!—Snuf, we hebben een kans ....!
SNUF. Zooals we nog nooit hebben gehad!
SATAN. Nu of nooit! Kom, alle duivelsche machten aan het werk! (Hij
springt naar het midden van het tooneel. Met bezwerend gebaar:) Akyra
Brabbosch ....! Roet-Sientje, kom! Scheel-Grietje, kom! Grauw-kevertje,
kom! Geelzwam-Lotje, kom! Krom-Antje, kom! Kom! Breng alles mee, wat
scheel ziet, loenst, wat hinkt en stinkt, wat kruipt en druipt en
gluipt en sluipt; brengt ketels mee en bekkens, poken, bezems, balgen,
alle balgen uit de hel ....!
HEKSEN. (Komen, zachtjes giechelend, met gebogen ruggen, uit alle
hoeken op en dribbelen op Satan af.) Hier zijn we, heer! Wat wenscht
ge?
SATAN. Luister! Waar je een licht ziet glanzen, ’t zij groen of geel of
rood of blauw, ’t zij fel of flauw, ’t zij heet of lauw .... blaas het
uit!
HEKSEN. (Fluisterend onder elkaar:) Blaas het licht uit! Blaas al het
licht uit!
(Ze vatten elkaar bij de hand, dansen rond, steeds wilder. Snuf tokkelt
op zijn guitaar, de heksen gillen:)
Nacht, nacht, zwarte nacht ....
Satan is op zielejacht!
Blaas het licht uit! Oei ....!
Satan op z’n zieltjes loert ....
Lokkend ze ter helle voert!
Blaas het licht uit! Oei ....!
Oei! Oei! Blaas het licht uit! Oei! (Een heks blaast het licht in de
herberg uit.)
SATAN. Dat licht bedoel ik niet! Het licht daarbuiten, zie! dat
lichtje, dat daar door de sneeuw dwaalt .... blaas dat uit! (Hij
springt in de buitendeur).
HEKSEN. Blaas het licht uit! Het licht in de sneeuw .... Blaas het uit!
(Krijschend snellen ze heen.)
SNUF. (In vervoering:) Die schatjes! Kom, laat ons volgen, meester!