GAAIKE. (Komt in haar nachtponnetje op, een brandend kaarsje in de
hand, de oogen gesloten. Aan haar diepe ademhaling hoort men, dat ze
slaapt.) Hier ben ik, Kerstmannetje .....
KERSTMANNETJE. Kom, Gaaike! (Hij leidt haar vol teedere zorg naar
voren.) Ben je blij, dat ik er ben?
GAAIKE. Ja ....! Spreek, Kerstmannetje. Je wilde met mij spreken.
Spreek, spreek .... Verlos mij van dat bonzen in mijn hart ....!
KERSTMANNETJE. Wie woont er in dat hart, Gaaike?
GAAIKE. Hans de klokkeluider ....
KERSTMANNETJE. En morgen trouw je met den vreemden graaf??
GAAIKE. Morgen ....!
KERSTMANNETJE. Ben je niet bang .... om naar dat kasteel te gaan ....
waarvan hij vertelde, Gaaike?
GAAIKE. Hij vertelde van twee kasteelen. Het eerste ....
KERSTMANNETJE. .... was van den graaf. Het tweede niet! Het tweede was
.... van Hans! Heb je het niet herkend, Gaaike?
GAAIKE. Ja ....! (Weifelend:) Maar dat van Hans was zwart en dit ....
KERSTMANNETJE. .... was blank. Ik weet het. Hans heeft paleizen in alle
kleuren, Gaaike .... zooveel jij er maar hebben wilt!
GAAIKE. (Verward, angstig:) Maar hoe kwam de graaf dan aan .... een
kasteel van Hans!
KERSTMANNETJE. Gestolen, Gaaike. Dat heeft de graaf gestolen .... van
den klokkeluider.
GAAIKE. (Bevend:) Gestolen ....?
KERSTMANNETJE. (De smart door zijn stem:) Eerst heeft hij Hans zijn
Gaaike afgestolen! En nu zijn grafelijk kasteel niet mooi genoeg blijkt
om er Gaaike heen te lokken, steelt hij, nog niet tevreden met zijn
eersten roof, den klokkeluider ook nog zijn paleizen af, zijn
droompaleizen. Gaaike! Zeg hem .... morgen .... dat je van Hans, den
klokkeluider, houdt! Dan zul je zelf zien ....
GAAIKE. (Angstig:) Dat kan ik niet! Ik mag den graaf geen verdriet
doen, Kerstmannetje ....! Moeder heeft gezegd ....
KERSTMANNETJE. (Bitter, smartelijk:) Trouw hem dan. Maar weet, dat het
uit is met het dieven, Gaaike, wanneer jij eenmaal met jouw graaf het
grafelijk kasteel bewoont! Dan zijn de droompaleizen van den
klokkeluider veilig voor den graaf; dan zal de lust in droompaleizen
hem wel vergaan! Dan zal hij je vertellen en altijd weer vertellen van
.... de klok, die op zijn bruiloftsdag niet luiden kon, omdat haar tong
.... (fluisterend:) haar was ontrukt.
GAAIKE. Kerstmannetje ....?
KERSTMANNETJE. Die klok, die niet meer luiden kon ....! Dat zal een
wonde worden in zijn grafelijk hart, een ongeneeselijke wonde, Gaaike,
die woekert, maar niet sterft.
GAAIKE. Kerstmannetje .... wat moet ik doen?!
KERSTMANNETJE. Hem zeggen, dat je van den klokkeluider houdt!
GAAIKE. (Snikkend:) Dat kan ik niet! Hij is zoo goed, zoo lief ....!
KERSTMANNETJE. Wonen er dan .... twee in jouw kleine hartje?
GAAIKE. (Angstig:) Neen! Er is er maar één! Eén stem .... één paar
oogen!
KERSTMANNETJE. (Zucht.) Dan zal ik je zeggen wat je doen moet, Gaaike.
Als jij jouw graaf dan geen verdriet wilt doen, spreek dit dan met mij
af: trouw niet zoolang de klok niet kleppen kan en wijd en zijd over de
landen roepen: ’t Is Kerstmis, menschen! De Kerstman is er weer, en
Gaaike draagt haar bruidskleed!—Zul je het doen, mijn Gaaike?
GAAIKE. Als moeder het maar goed vindt ....!
KERSTMANNETJE. Denk dan aan mij, Gaaike. Ik heb een harden strijd te
voeren, een strijd tegen .... den duivel. Jij kunt me helpen.
GAAIKE. (Angstig:) De duivel ....?
KERSTMANNETJE. Stil! Als een mensch zijn naam noemt, dient hij zich
aan! Ga jij je bedje maar weer in, mijn kind, ik zal wel voor je waken.
En denk om wat ik je vroeg! (Hij voert haar behoedzaam naar haar
kamertje.)
GAAIKE. (Peinzend:) Niet trouwen .... zoolang de klok niet luidt ....?
KERSTMANNETJE. Zoo is het. Zul je het doen?